← België

Arrest 151702 - - 24/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.702 Rolnummer: A. 122681/XIV-10478 Zaak: Arrest 151702 - - 24/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-05 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 05:24 Fiche Arrest nr 151.702 van 24 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.702 van 24 november 2005 in de zaak A. 122.681/XIV-10.478. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat T. OP DE BEECK, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, Diestsevest 13 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 7 april 1975 en van Kazakse nationaliteit, op 19 juni 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 mei 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 24 januari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 25 juni 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag d.d. 3 januari 2005 opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 11 januari 2005; XIV-10.478-1/8 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 4 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 15 juni 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat T. OP DE BEECK, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 21 december 2000 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.2. Op 24 januari 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 24 mei 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk en kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U bent Kazachs staatsburger van (

  1. de)Russische etnie. Samen met uw gezin ontvluchtte u uw land omwille van politieke en etnische redenen. Tussen 1989-1990 en 1993 was u professioneel worstelaar op hoog niveau. U kreeg echter nooit de kans om aan internationale competitie te doen daar men verkoos etnische Kazachen te sturen. XIV-10.478-2/8 U stond ook mee aan de wieg van de oprichting van een Kozakkenbeweging in uw stad, genaamd Kozachestvo. Deze beweging trachtte orde te bewerkstelligen en Kozakken- bewegingen in andere steden te contacteren. De KNB sloot echter uw lokalen en u werd in 1994 voor korte tijd gearresteerd. De beweging doofde in de daarop volgende tijd uit. In 1995 was u betrokken bij de oprichting van de vakbond Cvintsovo-Tsinkovoto. Als gevolg van deze betrokkenheid werd u uit uw sportdiscipline en technische avondschool verwijderd. Tevens verloor u uw job. U werd gedurende 2 à 3 uur door de politie aangehouden en de les gelezen. Daarna kwam u vrij. Tussen 1997 en 2000 werkte u als zelfstandig satelietverdeler en -monteur. In die hoedanigheid wekte u de wrevel van zowel de politie als het Hakimaat. Zij beschouwden het verlenen van toegang tot Russische Televisie via sateliet als promotie-activiteiten voor de Russische taal en cultuur. De politie zorgde ervoor dat uw huurcontracten bij Kazachse privé- eigenaars niet verlengd werd(en). U trachtte ook Russische videocassettes aan de omroep in de stad te geven opdat ze(
  2. i)deze zouden uitzenden. Het Hakimaat dat in hetzelfde gebouw huisde als de omroep, verbood u hierop de toegang tot de gebouwen. U trachtte over deze zaak een brief naar president Nazerbaev te sturen, maar dit mislukte. Bij een bezoek van de president aan uw stad werd uw huizenblok omsingeld door de politie en kon u uw huis niet verlaten. Toch kon u via vrienden een brief over “verkochte jobs” aan de president laten afgeven. Het gevolg was dat de voorzitter van de vakbond ontslaan (ontslagen) werd. De zoon van deze voorzitter bedreigde u. Vanaf dan werden de ramen en deuren van uw appartement steeds vernield. De politie trok uw paspoort in. U besloot tegen dit alles terug te vechten door nog meer Russische video’s te verspreiden. U weigerde ook op de oproepingsbrief tot militaire dienst in te gaan. U vindt dat het leger niet voldoende betaalt, dat het er wanordelijk is en boven alles vreest u dat men u naar het gevaarlijke grensgebied zou sturen en dat u dan gedood zou kunnen worden. U meent dat u nu als deserteur zou worden beschouwd. U kende in 1999-2000 problemen met uw buren aangezien u een klachtenbrief had geschreven over het traditioneel slachten van dieren op het gemeenschappelijke plein voor uw woningenblok (woningblok). Hierop kwam geen officiële reactie. Ten slotte haalt u aan dat u in april 2000 op straat werd aangevallen en gewond raakte. U diende klacht in en al gauw bleek één van de daders de neef van de procureur te zijn. U werd naar het politiekantoor ontboden en gevraagd uw aanklacht in te trekken. Toen u dit weigerde werd u geslagen en 3 dagen opgesloten. De politie deed ook regelmatig huiszoekingen op zoek naar materiaal waarvoor ze u zouden kunnen aanklagen opdat u uw klacht zou laten vallen. In juni ging u naar de procureur van de oblast en diende daar klacht in tegen de manier waarop u en uw zaak werden behandeld. Daar werd u echter onder bedreiging(
  3. en)weggestuurd. De bedreigingen, het lastig vallen door de politie en de beschadiging van uw flat gingen door tot u besloot het land te verlaten. Dit kon enkel op illegale wijze daar u geen paspoort meer bezat. Op 17 december 2000 bent u uit Kazachstan vertrokken. Op 20 of 21 december 2000 bent u in België aangekomen, waar u op 21 december 2000 asiel aanvroeg. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat de verklaringen die u voor het Commissariaat- generaal aflegde een aantal opmerkelijke tegenstrijdigheden vertonen met eerder door u afgelegde verklaringen, alsook met de verklaringen die uw vrouw aflegde. Deze tegenstrijdig- heden ondermijnen de geloofwaardigheid van uw verhaal in ernstige mate. Zo verklaart u voor de Dienst Vreemdelingenzaken aangaande de aanslag op uw persoon op 7 april 2000 dat u de volgende morgen naar de polikliniek ging waar u geholpen werd (DVZ man, vraag 42, p.4). Bij het Commissariaat-generaal verklaart u dat u na de aanval niet in het ziekenhuis of door een dokter werd verzorgd. Enkel later, in het kader van het onderzoek, ging u naar een psychiatrische kliniek (CGVS man, p.12-13). Het aantal huisbezoeken dat de politie uitvoerde leidt ook tot verschillende versies. Tijdens uw eerste interview maakt u melding van twee huisbezoeken door de politie (DVZ man, vraag 42, p.5), maar tijdens uw interview voor het Commissariaat-generaal zegt u dat de politie tussen april en uw vertrek (december 2000) één maal per week kwam (CGVS man, p. 14). Ook over uw bezoek aan de oblast-procureur lopen uw beider verklaringen uiteen. U zegt voor het Commissariaat-generaal dat u en uw vrouw samen naar dit interview gingen (CGVS man, p. 13). Uw vrouw beweert echter dat ze hierbij niet aanwezig was (CGVS vrouw, p. 9). Wat betreft uw beroepsgebonden activiteiten tenslotte verklaart u tijdens het eerste interview dat jaloezie en racisme de eigenaars ertoe aanzette de huurcontracten te verbreken (DVZ vraag 42, p.2-3). Voor het Commissariaat-generaal meldt u echter druk van de politie op deze handelaren om de contracten niet verder te zetten (CGVS p. 8). De overige door u tot staving van uw asielaanvraag i(n)geroepen feiten zijn niet van die aard dat zij als een daadwerkelijke en persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingen- conventie kunnen worden beschouwd. Wat betreft de problemen in verband met uw activiteiten voor de Kozakkenbeweging en de vakbond en bij het beoefenen van uw sport, dient te worden opgemerkt dat deze zich minimaal drie jaar vóór uw vertrek uit Kazachstan voordeden, waardoor zij bezwaarlijk actueel kunnen worden genoemd. Voor uw activiteiten in de Kozakkenbeweging, werd u één maal gearresteerd, nl. in de zomer van 1994, maar u verklaart verder dat u nadien omwille van deze activiteiten geen problemen meer kende daar de beweging XIV-10.478-3/8 stil(l)aan uitdoofde (Verhoor CGVS p. 5). In de jaren 1995-1997 was u actief lid van de vakbond. Na deze periode staakte u deze activiteit omwille van familiale redenen (CGVS p.6). In dit verband werd u slechts één maal gedurende enkele uren aangehouden. U werd nooit officieel aangeklaagd en u meldt geen verdere problemen in dit verband. Betreffende de discriminatie bij de worstelliga moet nog worden vastgesteld dat u deze problemen niet bij de liga aankaartte. Verder werden uw activiteiten verbonden aan het verdelen van Russische videocassettes en het versturen van brieven met politiek gevoelige inhoud door de plaatselijke overheid en politie niet systematisch gehinderd. U meldt zelf dat u besloot terug te vechten door nog meer video’s met Russische programma’s te verspreiden en dat de overheid hiertegen niet ageerde. Meer nog, u zegt dat de politie u niet onderdrukte en dat u beetje bij beetje uw doel bereikte (CGVS p.11- 12). In deze context kan men bovendien aanhalen dat uit de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt dat de Verenigde Naties tevreden is over de situatie van minderheden in Kazachstan dankzij het positieve overheidsoptreden (UN satisfied with minority rights in Kazachstan, BBC monitoring service, 21/11/2001 – originele bron: Kazachse comerciële (commerciële) Televisie, 20/11/2001). Tevens heeft de Russische taal een officiële status in Kazachstan en spreekt de meerderheid van de bevolking deze taal boven het Kazachs (Background note – Kazachstan, US department of State, oktober 2001). Daarenboven zijn de Kazachse autoriteiten van hogere niveaus erg gevoelig voor elk teken van etnische spanning en geweld en is het bijgevolg mogelijk de rechten van de Russen te beschermen (The situation of the Slavic minority in Kazachstan, CEDOCA, Februari 2002. P. 4). Vervolgens verklaart u in oktober of november 2000 opnieuw een oproep voor het leger te hebben ontvangen. U weigert echter opnieuw legerdienst te doen omdat de verloning te laag is, omdat het leger wanordelijk is en omdat u vreest dat men u naar het gevaarlijke grensgebied zou sturen en dat u dan gedood zou kunnen worden. Er dient een evenwicht gezocht te worden tussen het recht van de staat zich(
  4. t)te verdedigen en het recht van het individu op vrijheid van denken en geweten. Uw motief voor dienstweigering kan echter niet worden gelijkgesteld met gewetensnood zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie. Bovendien maakt u voor de Dienst Vreemdelingenzaken helemaal geen melding van deze oproep voor het leger. Wat tenslotte de problemen met de buren naar aanleiding van klachten in verband met de rituele slachtingen betreft, dient te worden opgemerkt dat u deze niet specifiëert (specificeert). Deze problemen werden tevens niet tijdens het intervieuw voor de Dienst Vreemdelingenzaken vermeld. Het handelt hier om ofwel toegelaten praktijken, ofwel om zaken van gemeen recht. Deze problemen kunnen dan ook niet als ernstig of als gerelateerd aan de Vluchtelingen- conventie worden beschouwd. De documenten ter staving van uw identiteit (legerboekje, rijbewijs, geboorteakte) kunnen enkel uw identiteit bevestigen, maar kunnen de appreciatie van uw verhaal niet veranderen. Dit geldt tevens voor de documenten ter staving van de aanslag op uw integriteit (oproepings- bewijzen, afsluiting onderzoek, medisch attest). (...).”. 2. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 2.1. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, zowel artikel 62 van de Vreemdelingenwet als de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; XIV-10.478-4/8 Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van de vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.3. van huidig arrest, de Commissaris- generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten omdat: - verzoekers verklaringen op het Commissariaat-generaal tegenstrijdigheden vertonen met eerder door hem afgelegde verklaringen: verzoeker verklaarde voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij de morgen na de aanslag op zijn persoon op 7 april 2000 naar de polikliniek ging voor verzorging, terwijl hij op het Commissariaat-generaal verklaarde dat hij na de aanval niet in het ziekenhuis of door een dokter werd verzorgd maar pas later in het kader van het onderzoek naar een psychiatrische kliniek ging; verzoeker verklaarde tijdens het interview bij de Dienst Vreemdelingenzaken dat de politie hem slechts twee huisbezoeken bracht, maar tijdens het interview op het Commissariaat-generaal stelde hij dat de politie tussen april en zijn vertrek wekelijks langskwam; verzoeker verklaarde bij de Dienst Vreemdelingenzaken dat jaloezie en racisme bij de eigenaars aan de basis lagen van het verbreken van de huurcontracten, afgesloten in het kader van zijn beroepsgebonden activiteiten, terwijl hij op het Commissariaat-generaal stelde dat de druk van de politie op deze handelaars er toe leidde dat ze de contracten niet verder zetten; - de verklaringen van verzoeker tegenstrijdigheden vertonen met de verklaringen van zijn echtgenote, Olga Simatsjkova: verzoeker verklaarde op het Commissariaat-generaal dat hij samen met zijn vrouw naar het interview bij de oblast-procureur ging, terwijl zijn echtgenote daarentegen verklaarde dat zij bij dit interview niet aanwezig was; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal er niet in slaagt de geloofwaardigheid van het gegeven feitenrelaas op ernstige wijze in twijfel te trekken; dat de vastgestelde contradicties niet determinerend, zwaarwichtig of relevant zijn; XIV-10.478-5/8 Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de tegenstrijdigheden niet kunnen worden beschouwd als een louter detail, maar integendeel betrekking hebben op feiten die aan de basis lagen van het vertrek van verzoeker uit zijn land van herkomst; dat bijgevolg de vastgestelde tegenstrijdigheden belangrijk zijn en de geloofwaardigheid van het asielrelaas van verzoeker fundamenteel aantasten en ontwrichten, zoals in de bestreden beslissing op goede gronden omstandig wordt overwogen; Overwegende dat verzoeker, als verklaring voor de tegenstrijdigheid betreffende de huisbezoeken, aanvoert dat tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingen- zaken hierop niet is ingegaan; dat verzoeker voorbij gaat aan het feit dat van kandidaat- vluchtelingen mag worden verwacht dat zij, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van hun asielaanvraag, de feiten die de oorzaak waren van hun vlucht uit hun land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig en op een coherente en geloofwaardige manier weergeven aan de overheden die bevoegd zijn om kennis te nemen van hun asielaanvraag, zodat op grond van dit relaas kan worden nagegaan of er, in hoofde van de kandidaat-vluchteling, aanwijzingen voorhanden zijn om te besluiten tot het bestaan van een gevaar voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; Overwegende dat verzoeker, wat het opzeggen van de huurcontracten betreft, betoogt dat de verschillende door hem opgesomde redenen complementair zijn en zelfs niet eens exhaustief; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker op het Commissariaat-generaal andere verklaringen aflegde, voor het opzeggen van de huurcontracten, dan op de Dienst Vreemdelingenzaken; dat bijgevolg de Commissaris- generaal redelijkerwijze een tegenstrijdigheid heeft vastgesteld; dat verzoeker het complementaire karakter van de door hem gegeven redenen dient aan te tonen met concrete en ter zake dienende elementen, wat in casu niet het geval is; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig en deugdelijk zijn; dat de Commissaris-generaal derhalve kon vaststellen dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk is; 2.2. Overwegende dat een andere onontvankelijkheidsgrond de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; Overwegende dat verzoeker aanhaalt dat de Commissaris-generaal een aantal cruciale elementen van zijn asielrelaas niet heeft beoordeeld en dat bepaalde verklaringen onjuist of onvolledig werden geciteerd; dat de problemen die verzoeker ondervond bij uitoefening van zijn vakbondsactiviteiten of binnen de worstelliga door de XIV-10.478-6/8 Commissaris werden geminimaliseerd en zijn verklaringen over het verspreiden van Russische videocassettes onvolledig werden geciteerd; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal met betrekking tot deze problemen vaststelde dat ze niet meer actueel zijn aangezien ze zich minimaal drie jaar vóór verzoekers vertrek situeerden; dat de Commissaris-generaal op goede gronden tot dit besluit kon komen omdat uit verzoekers verklaringen duidelijk blijkt dat deze problemen niet de reden voor zijn vlucht waren; dat, wat het onvolledig citeren van verzoekers verklaringen over de verspreiding van videocassettes betreft, verzoeker niet aantoont hoe dit, aan de vaststelling van de Commissaris-generaal dat verzoeker niet systematisch door de plaatselijke overheid en politie werd gehinderd, afbreuk kan doen; dat verzoeker de vaststellingen van de Commissaris- generaal betreffende de dienstweigering en de problemen met de buren in verband met de rituele slachtingen niet tracht te weerleggen; dat de Commissaris-generaal derhalve tot de kennelijke ongegrondheid van verzoekers asielaanvraag kon besluiten; 2.3. Overwegende dat verzoeker de door de Commissaris-generaal aangewende informatie betwist, die evenwel op onafhankelijke en zorgvuldige wijze is samengesteld; dat verzoeker bovendien betoogt dat door deze documentatie de Commissaris- generaal geen neutrale en onbevooroordeelde houding meer heeft bij de beoordeling van zijn asielaanvraag; dat de Commissaris-generaal gemachtigd is om objectieve gegevens in aanmerking te nemen ter beoordeling van het door verzoekers aangevoerde vluchtmotief en hiervoor documentatie verzamelt zodat hij zorgvuldig kan onderzoeken of een asielzoeker al dan niet in aanmerking komt om erkend te worden; dat de Commissaris-generaal de referenties van de gebruikte documentatie in de bestreden beslissing heeft vermeld en bij het administratief dossier gevoegd, zodat verzoeker kan nagaan of deze informatie correct is; dat bovendien uit het administratief dossier blijkt dat de door de Commissaris-generaal gebruikte informatie geen invloed had op zijn onpartijdigheid, omdat deze informatie gestoeld is op de bevinding van binnen- en buitenlandse observatoren inzake de naleving van mensenrechten in Kazachstan; dat verzoeker geen concrete elementen aanhaalt die de informatie waarvan de Commissaris-generaal gebruik heeft gemaakt, en bijgevolg ook zijn onpartijdigheid, in vraag stellen; 2.4. Overwegende dat de bestreden beslissing werd genomen in overeenstemming met de motiveringsplicht, aangezien zij de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat de motivering de beslissing kan dragen en bijgevolg deugdelijk en afdoende is; dat verzoeker er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal, en de gevolgtrekkingen die hij daaruit in rechte afleidt, onwettig zijn; dat het enig middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende XIV-10.478-7/8 bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig november tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-10.478-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.702 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.