← België

Arrest 151703 - - 24/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.703 Rolnummer: A. 122683/XIV-10480 Zaak: Arrest 151703 - - 24/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-05 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 05:24 Fiche Arrest nr 151.703 van 24 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.703 van 24 november 2005 in de zaak A. 122.683/XIV-10.480. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat T. OP DE BEECK, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, Diestsevest 13 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 25 september 1976 en van Kazakse nationaliteit, op 19 juni 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 mei 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 24 januari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 25 juni 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag d.d. 3 januari 2005 opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 11 januari 2005; XIV-10.480-1/7 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 4 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 15 juni 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat T. OP DE BEECK, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 21 december 2000 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.2. Op 24 januari 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 24 mei 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U bent Kazachs staatsburger van (

  1. de)Russische etnie. Samen met uw gezin ontvluchtte u uw land omwille van politiek-etnische en religieuze redenen. Al uw problemen situeren zich in 2000. U had last van herhaaldelijke politiebezoeken op uw werk wegens de politieke en zakelijke activiteiten van uw man (lid van Kozakkenbeweging, later lid van de vakbond, satelietmonteur voor Russische televisie). Zij lieten zich kappen, maar weigerden nadien te betalen en zorgden voor problemen. Hierdoor moest u uw job opgeven. XIV-10.480-2/7 U werd gepest en bedreigd wanneer u naar de kerk ging door moslims uit de naburige moskee. Stenen werden geworpen en kruisen werden afgerukt en verbrand. Ten slotte haalt u aan dat uw man in april 2000 op straat werd aangevallen en gewond raakte. Uw man diende klacht in en al gauw bleek één van de daders de neef van de procureur te zijn. Uw man werd naar het politiekantoor ontboden en gevraagd uw (zijn) aanklacht in te trekken. Toen hij dit weigerde werd hij geslagen en 3 dagen opgesloten. De politie deed ook regelmatig huiszoekingen op zoek naar materiaal waarvoor ze hem zouden kunnen aanklagen opdat hij zijn klacht zou laten vallen. In juni ging hij naar de procureur van de oblast en diende daar klacht in tegen de manier waarop hij en zijn zaak werden behandeld. Daar werd hij echter onder bedreiging(
  2. en)weggestuurd. U besloot het land te verlaten. Op 13 december 2000 heeft u Kazachstan verlaten. Op 20 december 2000 kwam u in België aan, waar u op 21 december 2000 asiel aanvroeg. Na uw vertrek is uw vader overleden. Men zei hem dat hij geen behandeling kreeg omdat hij de vader van zijn dochter was. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat de verklaringen die u voor het Commissariaat- generaal aflegde een aantal opmerkelijke tegenstrijdigheden vertonen met eerder door u afgelegde verklaringen, alsook met de verklaringen die uw man aflegde. Deze tegenstrijdig- heden ondermijnen de geloofwaardigheid van uw verhaal in ernstige mate. Zo verklaart u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat uw man een schedelbreuk opliep en een trauma aan de ruggengraat en dat u die avond een ziekenwagen opriep die uw man hulp verleende (DVZ vrouw, vraag 42). Voor het Commissariaat-generaal meldt u echter dat het vel op (het) voorhoofd van uw man gesneden was maar dat hij niet naar het ziekenhus (ziekenhuis) ging, u verzorgde de wond zelf (CGVS vrouw, p. 6). Het aantal huisbezoeken dat de politie uitvoerde leidt ook tot verschillende versies. Voor de Dienst Vreemdelingenzaken vermeldt u twee huiszoekingen (DVZ vrouw, vraag 42), terwijl u voor het Commissariaat-generaal verklaart dat het zeker tien keer moet zijn gebeurd (CGVS vrouw, p. 7). Ook over het bezoek aan de oblast- procureur lopen uw beider verklaringen uiteen. U beweert voor het Commissariaat-generaal dat u hierbij niet aanwezig was (CGVS vrouw, p. 9). Uw man verklaart voor het Commissariaat- generaal echter dat jullie samen naar dit interview gingen (CGVS man, p. 13) en ook voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u dat u aanwezig was (DVZ vrouw, vraag 42). Wat de door u aangebrachte vervolging op basis van uw orthodoxe geloof betreft (gooien met stenen en afrukken en verbranden van kruisen), dient te worden opgemerkt dat dit niet strookt met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (Cedoca, The Situation of the Slavic minority in Kazachstan, February 2002). Uit deze informatie blijkt dat er geen sprake is van enige systematische vervolging van de orthodoxe religie in de zin van de Vluchtelingenconventie. Uit dezelfde informatie blijkt dat de hogere Kazachse autoriteiten gevoelig zijn voor elke vorm van etnisch geweld en spanning en dat eventuele bescherming niet zou geweigerd worden omwille van uw etnische origine. Bij gevolg blijkt uit deze informatie dat uw orthodoxe geloof actueel niet het voorwerp uitmaakt van vervolging in de zin van de Conventie van Genève van 1951 in Kazachstan. Bovendien is uw kennis aangaande het orthodoxe geloof te gering om aannemelijk te maken dat u gelovig was en dus op syst(e)matische wijze problemen had met moslims. U beweert orthodox christelijk te zijn opgevoed en met grote regelmaat naar de kerk te zijn geweest. Toch kent u het bestaan van het Kerstfeest niet, kent u de verkeerde betekenis toe aan het Paasfeest en weet u niet wanneer Christus geboren is (CGVS vrouw, p. 4-6). Verder verklaart u dat u problemen kreeg op uw werk omdat uw man lid was van een bepaalde beweging. Er kwamen bijna dagelijks politieagenten naar het kapsalon waar u werkte die zeiden dat zij het salon omwille van u zouden sluiten. Uiteindelijk heeft u uw werk in dat kapsalon opgegeven. Er moet echter worden opgemerkt dat u hier voor (
  3. de)Dienst Vreemdelingenzaken niets van vermeldde. Aangezien uit uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat deze feiten een wezenlijk deel van uw vluchtrelaas uitmaken, mocht van u redelijkerwijs verwacht worden dat u ze voor beide asielinstanties zou aanhalen. U verklaarde in uw dringend beroep wel de indruk te hebben dat tijdens het interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken niet alles werd opgeschreven, maar dit is geen afdoende verklaring voor deze leemte in uw asielrelaas. Gezien de bedrieglijke aard van uw verklaringen (
  4. en)gezien uw man hiervan geen melding maakt, kan er ook aan uw verklaring dat uw vader niet in behandeling werd genomen in het ziekenhuis geen geloofswaarde worden gehecht. De documenten ter staving van uw en uw gezinsidentiteit (legerboekje, rijbewijs, geboorteakte) kunnen enkel uw identiteit bevestigen, maar kunnen de appreciatie van uw verhaal niet veranderen. Dit geldt tevens voor de documenten ter staving van de aanslag op de integriteit van uw man (oproepingsbewijzen, afsluiting onderzoek, medisch attest). (...).”. 2. Overwegende dat verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van XIV-10.480-3/7 de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 2.1. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, zowel artikel 62 van de Vreemdelingenwet als de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht haar verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekster bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van de vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.3. van huidig arrest, de Commissaris- generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten omdat haar verklaringen op het Commissariaat-generaal tegenstrijdigheden vertonen met eerder door haar afgelegde verklaringen, alsook met de verklaringen van haar echtgenoot: - verzoekster verklaarde voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat haar echtgenoot een schedelbreuk opliep en een trauma aan de ruggengraat en dat zij die avond een zieken-wagen opriep die haar echtgenoot hulp verleende, terwijl zij voor het Commissariaat-generaal verklaarde dat het voorhoofd van haar echtgenoot gekwetst was maar dat hij niet naar het ziekenhuis ging en zij hem zelf verzorgde; - verzoekster verklaarde tijdens het interview bij de Dienst Vreemdelingenzaken dat de politie slechts twee huisbezoeken bracht, maar tijdens het interview op het Commissariaat- generaal stelde zij dat de politie zeker tien keer langskwam; XIV-10.480-4/7 - verzoekster verklaarde op het Commissariaat-generaal dat zij niet aanwezig was bij het bezoek aan de oblast-procureur, terwijl zij daarentegen op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat zij wel aanwezig was; verzoeksters echtgenoot verklaarde op het Commissariaat-generaal dat zij samen naar het interview bij de oblast-procureur gingen; Overwegende dat verzoekster aanvoert dat de Commissaris-generaal er niet in slaagt de geloofwaardigheid van het gegeven feitenrelaas op ernstige wijze in twijfel te trekken; dat de vastgestelde contradicties niet determinerend, zwaarwichtig of relevant zijn; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de tegenstrij- digheden niet kunnen worden beschouwd als een louter detail, maar integendeel betrekking hebben op feiten die aan de basis lagen van het vertrek van verzoekster en haar echtgenoot uit hun land van herkomst; dat bijgevolg de vastgestelde tegenstrijdigheden belangrijk zijn en de geloofwaardigheid van het asielrelaas van verzoekster fundamenteel aantasten en ontwrichten, zoals in de bestreden beslissing op goede gronden omstandig wordt overwogen; Overwegende dat verzoekster, als verklaring voor de tegenstrijdigheid betreffende de huisbezoeken, aanvoert dat tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingen- zaken hierop niet is ingegaan; dat verzoekster voorbij gaat aan het feit dat van kandidaat- vluchtelingen mag worden verwacht dat zij, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van hun asielaanvraag, de feiten die de oorzaak waren van hun vlucht uit hun land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig en op een coherente en geloofwaardige manier weergeven aan de overheden die bevoegd zijn om kennis te nemen van hun asielaanvraag, zodat op grond van dit relaas kan worden nagegaan of er, in hoofde van de kandidaat-vluchtelingen, aanwijzingen voorhanden zijn om te besluiten tot het bestaan van een gevaar voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig en deugdelijk zijn; dat de Commissaris-generaal derhalve kon vaststellen dat de asielaanvraag van verzoekster bedrieglijk is; 2.2. Overwegende dat verzoekster de door de Commissaris-generaal aangewende informatie betwist, die evenwel op onafhankelijke en zorgvuldige wijze is samengesteld; dat verzoekster bovendien betoogt dat door deze documentatie de Commissaris-generaal geen neutrale en onbevooroordeelde houding meer heeft bij de beoordeling van haar asielaanvraag; dat de Commissaris-generaal gemachtigd is om objectieve gegevens in aanmerking te nemen ter beoordeling van het door verzoeksters aangevoerde vluchtmotief en hiervoor documentatie verzamelt, zodat hij zorgvuldig kan onderzoeken of een asielzoeker al dan niet in aanmerking komt om erkend te worden; dat de XIV-10.480-5/7 Commissaris-generaal de referenties van de gebruikte documentatie in de bestreden beslissing heeft vermeld en bij het administratief dossier gevoegd, zodat verzoekster kan nagaan of deze informatie correct is; dat bovendien uit het administratief dossier blijkt dat de door de Commissaris-generaal gebruikte informatie geen invloed had op zijn onpartijdigheid, omdat deze informatie gestoeld is op de bevinding van binnen- en buitenlandse observatoren inzake de naleving van mensenrechten in Kazachstan; dat verzoekster geen concrete elementen aanhaalt die de informatie waarvan de Commissaris-generaal gebruik heeft gemaakt, en bijgevolg ook zijn onpartijdigheid, in vraag stellen; Overwegende dat verzoekster vervolgens aanvoert dat zij onvoldoende ondervraagd werd over haar religie en haar antwoorden bovendien verkeerd geïnterpreteerd werden; dat de kalender er totaal anders functioneert en zij niet steeds dezelfde waarde hechten aan de kerkelijke feestdagen; dat verzoekster betoogt dat de Commissaris-generaal onvoldoende motiveert waarom zij geen orthodoxe christen zou zijn; Overwegende dat van iemand die stelt een orthodox christen te zijn redelijkerwijze kan worden verwacht dat een aantal courante geloofsgebonden gegevens gekend zijn; dat verschillen in de kalender en in de waarde van de kerkelijke feestdagen geen verklaring zijn voor het niet kennen van het Kerstfeest, de betekenis van het Paasfeest en de geboortedatum van Christus; dat verzoekster de vaststelling van de Commissaris-generaal over de lacune in haar verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken, met betrekking tot de problemen op haar werk, niet betwist; dat verzoekster er bijgevolg niet in slaagt om de vaststellingen van de Commissaris-generaal met concrete elementen te weerleggen; 2.3. Overwegende dat de bestreden beslissing werd genomen in overeenstemming met de motiveringsplicht, aangezien zij de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat de motivering de beslissing kan dragen en bijgevolg deugdelijk en afdoende is; dat verzoekster er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal, en de gevolgtrekkingen die hij daaruit in rechte afleidt, onwettig zijn; dat het enig middel ongegrond; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-10.480-6/7 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig november tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-10.480-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.703 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.