id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.724 Rolnummer: A. 127036/XIV-11798 Zaak: Arrest 151724 - - 25/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-06 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-03 05:28 Fiche Arrest nr 151.724 van 25 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.724 van 25 november 2005 in de zaak A. 127.036/XIV-11.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat M. MAJD TEYMOURI, kantoor houdende te 9000 GENT, Martelaarslaan
- tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 20 september 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 4 september 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 16 oktober 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 26 september 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 19 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 oktober 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-11.798-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. MAJD TEYMOURI, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 6 juli 2000 en zich vluchteling verklaart op 7 juli 2000; dat op 16 oktober 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 4 september 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: "U verklaart de Iraanse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit Teheran. U bent moslim van geboorte. U bent in het totaal acht à tien keer gearresteerd in Iran omwille van andere dan politieke redenen, namelijk omwille van het hebben van lange haren, het dragen van korte mouwen,… Tijdens uw militaire dienst van 1373 tot 1375 (Iraanse kalender, komt overeen met 1994 tot 1996 in de Gregoriaanse kalender) werd u voor een periode van één jaar verbannen naar het eiland Minou omdat u niet deelnam aan het gebed en aan het vasten. Sinds 1375 (1996-1997) werkte u als dierenarts bij het ‘Edaré Dampe Eshguiyé Vezarat Djahad Sazandegye’ (het veterinaire bureau van het ministerie van de reconstructie). In de zesde of zevende maand van het jaar 1378 (augustus-september-oktober 1999) werd u gedoopt in de Chaldeeuwse kerk Saint-Joseph. Ongeveer twee maanden na het nieuwjaar van 1379 (ongeveer mei 2000) kocht u een verboden boek over Khomeini . U kopieerde vervolgens belangrijke delen uit het boek en deelde deze uit aan een aantal personen. Twee van uw collega’s, namelijk Hamid Khalessi en Mohammad Reza Sadri, waren op de hoogte van uw bekering tot het christendom. Hamid heeft vervolgens, in aanwezigheid van Mohammad Reza, over het boek over Khomeini en over uw bekering tot het christendom gepraat met twee andere collega’s. Mohammad Reza belde u die dag zelf nog om u te verwittigen van datgene dat Hamid had gedaan en om u te zeggen dat hij vreesde dat deze twee personen leden van de Ettelaat (ministerie van informatie, geheime dienst) waren. De volgende dag, toen u afwezig was, hebben de Iraanse autoriteiten Hamid gearresteerd op het veterinair bureau en heeft men uw bureau doorzocht waarbij men een kopie van het verboden boek over Khomeini heeft gevonden. Mohammad Reza Sadri, die hiervan op de hoogte werd gebracht door iemand van het bureau, belde vervolgens naar u om u op de hoogte te brengen. U bent dan naar Amir Adnan, een vriend, gegaan. U vernam dat de autoriteiten ook bij u thuis en in de winkel van uw vader waren geweest. Dezelfde avond heeft u de bus naar Salmas genomen waar u bij Kalhossein, een neef van uw vader, verbleef. Na twee dagen heeft u Salmas verlaten richting België waar u na een reis van 22 à 23 dagen aankwam op 07/07/
- Na uw aankomst in België vernam u dat de winkel van uw vader definitief werd gesloten door de Ettelaat. U vernam eveneens dat Mohammad Reza en Hamid tien à vijftien dagen vastzaten, dat ze werden gemarteld en ontslagen op het veterinair bureau. Er dienen ernstige tegenstrijdigheden te worden opgemerkt tussen uw opeenvolgende verklaringen tijdens het verhoor op de dienst Vreemdelingenzaken, uw verklaringen op het Commissariaat-Generaal en informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt. Hierdoor wordt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ernstig ondermijnd. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat weinig geloof kan worden gehecht aan uw verklaring dat u zich zou hebben bekeerd. U kon niet de exacte datum geven waarop u werd gedoopt (zie verhoorverslag CGVS p 12), wat nochtans een zeer ingrijpende gebeurtenis is voor een bekeerling. Dit wordt verder bevestigd doordat uit het administratief dossier en informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt , blijkt dat de doopakte van de St- Joseph Chaldean Catholic Cathedral-Tehran een vals document betreft. Er kan dus weinig of XIV-11.798-2/7 geen geloof meer worden gehecht aan uw verklaring dat u zich bekeerde en bijgevolg komt ook de geloofwaardigheid van uw overige verklaringen in het gedrang. U verklaarde voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u twee kopieën van het boek over Khomeini aan Mohammad Reza Sadri en Hamid Khalessi heeft gegeven (zie verhoorverslag DVZ vraag 42). Terwijl u voor het Commissariaat-Generaal uitdrukkelijk verklaarde dat u hen geen kopieën heeft gegeven (zie verhoorverslag CGVS p 26). Verder verklaarde u voor de dienst Vreemdelingenzaken dat u van bij uw vriend Amir Adnan in Teheran contact hebt opgenomen met uw familie in Salmas (zie verhoorverslag DVZ vraag 42). Maar voor het Commissariaat-Generaal verklaarde u uitdrukkelijk dat u zelf geen contact hebt genomen met uw familie in Salmas en dat uw moeder uw familie had verwittigd dat u ging komen (zie verhoorverslag CGVS p 22). Betreffende uw verbanning naar het eiland Minou tijdens uw militaire dienst verklaarde u bij de Dienst Vreemdelingenzaken dat u voor acht maanden was verbannen (zie verhoorverslag DVZ vraag 42). Maar voor het Commissariaat-generaal stelde u uitdrukkelijk dat u voor één jaar naar het eiland was verbannen (zie verhoorverslag CGVS p 10). Bovenstaande tegenstrijdigheden ondermijnen op fundamentele wijze de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Er dient eveneens te worden opgemerkt dat het merkwaardig is dat u bij de dienst Vreemdelingenzaken verklaart dat Hamid met één collega die lid zou zijn van de Ettelaat heeft gesproken over het boek en uw bekering (zie verhoorverslag DVZ vraag 42). Terwijl u voor het Commissariaat-generaal spreekt over twee collega’s die lid zouden zijn van de Ettelaat en waar Hamid aan had verteld over het boek en uw bekering (zie verhoorverslag CGVS p 15-16). Betreffende de verschillende keren dat u werd gearresteerd in Iran dient er te worden opgemerkt dat u zelf uitdrukkelijk heeft verklaard dat deze arrestaties voor u geen reden waren om Iran te verlaten (zie verhoorverslag CGVS p 11). Tenslotte dient te worden opgemerkt dat de andere door u neergelegde documenten, namelijk uw shanesnameh (boekje van burgerlijke stand), uw militaire kaart en een kopie van uw loonfiche, niet van die aard zijn om bovenvermelde vaststelling te wijzigen gezien het identiteitsdocumenten en een document met betrekking tot uw werk betreffen die niets toevoegen aan uw vluchtrelaas. Wat het attest van Antun Göral, de verantwoordelijk van de Chaldeeuwse gemeenschap in België, betreft, het attest bevestigt wel uw doop in Iran maar slechts op basis van het door u voorgelegde doopattest uit Iran. Vermits dit doopattest uit Iran een vervalsing betreft kan er dan ook geen bewijswaarde worden toegekend aan het attest van Antun Göral. Bovendien heeft u zelf verklaard dat Antun Göral zelf geen contact heeft opgenomen met de Chaldeeuwse kerk in Iran (zie verhoorverslag CGVS p 4). Betreffende het artikel uit de krant Keyhan dient er te worden opgemerkt dat het artikel niet over u persoonlijk gaat maar over asielzoekers in het algemeen, het artikel voegt dan ook niets toe aan uw vluchtrelaas. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde niet worden besloten tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging, zoals omschreven in de Conventie van Genève van 28 juli 1951.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “schending van de algemene rechtsbeginselen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek de zorgvuldigheidsverplichting en de rechten van verdediging Dat de bestreden beslissing, genomen ten aanzien van verzoeker, de zorgvuldigheidsverplichting en de rechten van verdediging van verzoeker schendt, doordat verweerder tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal verzoeker nooit geconfronteerd heeft met de in de bestreden beslissing aangehaalde tegenstrijdigheden tussen zijn opeenvolgende verklaringen. Dat de bestreden beslissing, genomen ten aanzien van verzoeker, gesteund is op vermeende tegenstrijdigheden tussen zijn opeenvolgende verklaringen. Dat uit de verhoorverslag dd. 26.08.2002 blijkt dat verzoeker tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal nooit werd geconfronteerd met zijn zogenaamde tegenstrijdige verklaringen. Dat derhalve door verweerder de rechten van verdediging van verzoeker en de zorgvuldigheidsverplichting geschonden werden, doordat verzoeker de mogelijkheid niet werd geboden de in de beslissing aangehaalde tegenstrijdigheden te weerleggen en een eventuele plausibele verklaring voor deze tegenstrijdigheden naar voor te brengen. Dat de bestreden beslissing, genomen ten aanzien van verzoeker, de zorgvuldigheidsverplichting en de rechten van verdediging van verzoeker schendt, doordat XIV-11.798-3/7 verweerder tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal verzoeker nooit geconfronteerd heeft met de in de bestreden beslissing aangehaalde tegenstrijdigheden tussen zijn opeenvolgende verklaringen. Dat verzoeker geenszins akkoord kan gaan met de genomen beslissing, wanneer verweerder in zijn motivering zegt dat: vooreerst dient te worden opgemerkt dat weinig geloof kan worden gehecht aan uw verklaring dat u zich zou hebben bekeerd. U kon niet de exacte datum geven waarop u werd gedoopt (zie verhoorverslag CGVSp. 12), wat nochtans een zeer ingrijpende gebeurtenis is voor een bekeerling. Dit wordt verder bevestigd doordat uit het administratiefdossier en informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt, blijkt dat de doopakte van de St-Joseph Chaldean Catholic Cathedral Teheran een vals document betreft. Er kan dus weinig of geen geloofmeer worden gehecht aan uw verklaring dat u zich bekeerde en bijgevolg komt ook de geloofwaardigheid van uw overige verklaringen in het gedrang Dat verzoeker wenst hier op te merken dat het document dat hij voorgelegd heeft ter staving van zijn bekering tot Christen geloof werd naar aanleiding van de contacten die hij met zijn neef had, hem overgemaakt. Dat hij aan zijn neef die in Iran verblijft en ook veel contacten heeft met Cathedral St- Joseph Chaldean, gevraagd had of bij ter bevestiging van zijn bekering hem een attest zouden overmaken mits vermelding van de datum waarop hij in deze kerk gedoopt geweest is. Dat hij verder niets over de authenticiteit van dit document weet. Dat verweerder in feite de authenticiteit van het voorgelegde document niet onderzocht heeft en dat er enkel verwezen wordt naar het administratief dossier en informatie waarover verweerder beschikt. Dat er geen enkele bewijs wordt voorgelegd om de juistheid van het voorgelegde document te weerleggen. Dat verder in de bestreden beslissing vermeld wordt dat: u verklaarde voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u twee kopieën van het boek over Khomeini aan Mohammad Reza SADRI en Hamid KHALESSI heeft gegeven (zie verhoorverslag DVZ vraag 42). Terwijl u voor het Commissariaat-generaal uitdrukkelijk verklaarde dat u hen geen kopieën heeft gegeven (zie verhoorverslag CG VS p. 26). Betreffende uw verbanning naar het eiland Minou tijdens uw militaire dienst verklaarde u bij de Dienst vreemdelingenzaken dat u voor acht maanden was verbannen (zie verhoorverslag D VZ vraag 42). Maar voor het Commissariaat- generaal stelde u uitdrukkelijk dat u voor één jaar naar het eiland was verbannen (zie verhoorverslag CG VSp. 10). Dat verzoeker meent dat bovenvermelde tegenstrijdigheden eerder berusten op een verkeerde vertaling bij het verhoor op de dienst vreemdelingenzaken. Dat zij bovendien niet de kern van het asielrelaas van verzoeker aantasten.”; 2.1.
- Overwegende, wat de aangevoerde schending van de rechten van verdediging betreft, dat de bestreden beslissing geen jurisdictionele, doch een administratieve beslissing is, die niet genomen is in het kader van een tuchtrechtelijke procedure; dat de rechten van verdediging er daarom niet op van toepassing zijn; dat het eerste middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat het zorgvuldigheidsbeginsel enkel betekent dat de commissaris-generaal zijn beslissing moet steunen op een correcte feitenvinding; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de commissaris-generaal contact heeft gezocht met de bisschop van de Chaldeeuwse Kerk in Teheran om de authenticiteit van de doopakte waarvan sprake in de bestreden beslissing na te gaan; dat dit een blijk is van zorgvuldig handelen; dat de verzoekende partij zich daaromtrent beperkt tot de stelling dat het kwestieuze document aan haar werd overgemaakt naar aanleiding van de contacten die zij met haar neef had en dat zij niets weet over de authenticiteit ervan; dat de commissaris- generaal krachtens geen enkele wettelijke bepaling of beginsel verplicht is een kandidaat- vluchteling bij het verhoor op het commissariaat-generaal te confronteren met eventuele tegenstrijdigheden in zijn opeenvolgende verklaringen; dat de verzoekende partij derhalve niet aantoont hoe de commissaris-generaal met de bestreden beslissing de XIV-11.798-4/7 zorgvuldigheidsverplichting zou hebben geschonden; dat het eerste middel in die mate ongegrond is; Overwegende, in de mate dat de verzoekende partij de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij de tegenstrijdigheden aangaande het feit of zij al dan niet kopieën van het boek over Khomeini aan haar collega’s heeft gegeven, en de duur van haar verbanning naar het eiland Milou, tracht te weerleggen door ze op algemene wijze te minimaliseren of toe te schrijven aan een verkeerde vertaling op de dienst Vreemdelingenzaken; dat echter de verzoekende partij op de dienst Vreemdelingenzaken geen opmerkingen heeft geformuleerd over eventuele vertaalproblemen, terwijl zij daartoe wel de mogelijkheid had, vermits haar verklaringen haar aldaar op het einde van het verhoor werden voorgelezen; dat de verzoekende partij daarenboven de overige tegenstrijdigheden en de vaststellingen van de commissaris- generaal niet betwist; dat de verzoekende partij derhalve niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van zijn ruime appreciatiebevoegdheid heeft genomen; dat het eerste middel ook in die mate ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van de artikelen 1, par A, al. 2 en 33 (non-refoulement) van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; van het artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de zorgvuldigheidsverplichting. Dat verweerder in de bestreden beslissing de artikelen 1, par. A, al. 2 en 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 195 l; het artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome en de zorgvuldigheidsverplichting schendt. Dat verweerder heeft nagelaten de feiten zelf waarop verzoeker zijn vrees voor vervolging en zijn vlucht uit Iran baseert, te toetsen aan de internationale verdragen, meer specifiek aan de Vluchtelingenconventie en het E.V.R.M-verdrag. Dat verzoeker vreest in zijn land door de Iraanse autoriteiten in een oneerlijk proces veroordeeld te worden (cf. feitenrelaas). Artikel 3 E.V.R.M. stelt duidelijk dat ‘niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen’ XIV-11.798-5/7 Dat verzoeker vreest in zijn land het slachtoffer te worden van ‘vervolgingen, folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen’ vanwege de Iraanse gerechtelijke autoriteiten. Dat verweerder door een bestreden beslissing aan verzoeker te betekenen, waarin hij een terugleiding naar Iran aanbeveelt, de artikelen 1, par. A, al. 2 en 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen en het art. 3 E.V.R.M. schendt Dat verweerder in zijn beslissing geen rekening hield met het feit dat verzoeker niet kan rekenen op een eerlijk proces bij een terugkeer naar Iran. Dat verweerder in zijn beslissing het zorgvuldigheidsbeginsel schendt door zich onvoldoende te informeren.”; 2.2.
- Overwegende dat dient te worden herhaald dat art. 1, A, 2) van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) geen directe werking heeft en dat de schending ervan derhalve niet op ontvankelijke wijze kan worden aangevoerd; Overwegende, daargelaten de vraag of artikel 33 van de Vluchtelingenconventie van toepassing is op niet als dusdanig erkende vluchtelingen, dat de verzoekende partij niet met concrete gegevens aannemelijk maakt dat haar leven of vrijheid in het land van herkomst effectief bedreigd worden; dat haar asielrelaas bedrieglijk is bevonden zodat de verzoekende partij met de verwijzing naar haar in het kader van haar asielaanvraag afgelegde verklaringen niet aannemelijk maakt dat haar leven of vrijheid omwille van één van de in voornoemd artikel 33 vermelde omstandigheden in gevaar zou komen; dat het tweede middel in die mate ongegrond is; Overwegende, met betrekking tot de voorgehouden schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (E.V.R.M.), dat de verzoekende partij moet aantonen dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat in het land waarnaar ze mag worden teruggeleid, zij een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat de bescherming via artikel 3 van het E.V.R.M. slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden; dat degene die aanvoert dat hij een dergelijk risico loopt zijn beweringen moet staven met een begin van bewijs; dat de eenvoudige vrees voor een onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk uit te maken op artikel 3 van het E.V.R.M.; dat de verzoekende partij verwijst naar het oneerlijk proces waaraan zij in Iran onderworpen zou worden bij een eventuele terugleiding; dat, in de mate dat de verzoekende partij verwijst naar haar asielrelaas, de asielaanvraag met de bestreden beslissing bedrieglijk is bevonden en dat haar grieven daartegen blijkens de bespreking van het eerste middel ongegrond zijn; dat de verzoekende partij derhalve geen schending van artikel 3 van het E.V.R.M. aannemelijk maakt; dat het tweede middel ook in die mate ongegrond is; Overwegende, in zoverre de verzoekende partij het advies van de commissaris-generaal aangaande haar mogelijke terugleiding aanvecht, dat dit onderdeel van de beslissing van de commissaris-generaal niet vatbaar is voor nietigverklaring, omdat XIV-11.798-6/7 het niet onder de toepassing valt van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat het tweede middel in die mate niet-ontvankelijk is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig november tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-11.798-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.724 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.