id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.771 Rolnummer: A. 68346/IX-1706 Zaak: Arrest 151771 - - 28/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-08 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-03 05:29 Fiche Arrest nr 151.771 van 28 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.771 van 28 november 2005 in de zaak A. 68.346/IX-
- In zake : Kristiaan STEENHAUT, die woonplaats kiest bij advocaat J. VAN BENEDEN, kantoor houdende te GENT-BRUGGE, Triesthof 14 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Kristiaan STEENHAUT op 1 april 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing waarbij het resultaat van de mondelinge proef van het examen voor het verkrijgen van het brevet van expert bij een fiscaal bestuur-brevet kadaster, waarin hij niet geslaagd is verklaard, wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 20 april 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; IX-1706-1/15 Gelet op de beschikking van 10 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. VAN BENEDEN, die verschijnt voor verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- In de loop van het jaar 1993 wordt aan het personeel meegedeeld dat er in uitvoering van het koninklijk besluit van 11 maart 1993 betreffende het brevet van expert bij een fiscaal bestuur, door het Algemeen Secretariaat van het ministerie van Financiën proeven zullen worden georganiseerd voor het behalen van voornoemd brevet. Er kunnen vier verschillende brevetten worden behaald waaronder het brevet “kadaster”. De proef voor het behalen van zulk brevet bestaat uit een schriftelijk en een mondeling gedeelte, waarbij de schriftelijke proef bestaat uit twee gedeelten. Voor elke proef en voor elk gedeelte moet de helft van de punten behaald worden en 60% voor het totaal van de twee proeven samen. 1.
- Verzoeker neemt deel aan de proeven en behaalt de volgende punten : schriftelijk deel 1 :13,65/20 IX-1706-2/15 schriftelijk deel 2 : 40/80 mondeling : 35/100 TOTAAL : 88,65/200 In een procesverbaal van 25 september 1995 wordt hij niet geslaagd verklaard. Dit resultaat wordt hem meegedeeld bij brief van 4 oktober
- 1.
- Op 30 oktober 1995 vraagt verzoeker aan de secretaris-generaal van het ministerie van Financiën inzage in de verbeteringen en beoordelingen van zijn examen. In een brief van dezelfde datum beklaagt hij zich bij de directeur-generaal van het kadaster over het zeer kleine slaagpercentage onder de Nederlandstalige kandidaten in vergelijking met de Franstalige kandidaten onder wie er beduidend meer slaagden. Hij vraagt de directeur-generaal om zijn vraag om een speciale herziening en/of herkansing van het examen te bekomen, te steunen. De directeur-generaal zendt verzoekers klacht op 29 november 1995 door naar de secretaris-generaal en bericht hem hierover langs hiërarchische weg op 7 december
- 1.
- Op 2 februari 1996 deelt de secretaris-generaal aan verzoeker mee dat hij het dossier van het mondeling gedeelte van zijn examen kan inzien en dat hij bij die gelegenheid kan kennis nemen van de beoordeling die de jury over zijn prestatie heeft uitgebracht. Er wordt hem tevens gemeld dat een beroep bij de Raad van State kan worden ingesteld. 1.
- Op 4 maart 1996 schrijft verzoekers raadsman aan de directeur-generaal van het kadaster wat volgt : “Ten einde de rechten van mijn cliënt te vrijwaren, verzoek ik u mij uw beslissing terzake het gemotiveerd verzoek van mijn cliënt strekkende tot hetzij herziening hetzij herkansing eerstdaags te willen meedelen.” IX-1706-3/15 1.
- Met een brief van 19 maart 1996 wordt hem gemeld dat, zoals reeds werd gemeld aan verzoeker, zijn brief van 30 oktober 1995 reeds werd toegezonden aan de bevoegde diensten, namelijk op 29 november 1995 aan de dienst Examens van het ministerie van Financiën en op 20 december 1995 aan de dienst Reglementeringen en Statuten van het Algemeen Secretariaat. Hij deelt ook mee dat de minister inmiddels de administratie toestemming heeft gegeven om zo vlug mogelijk een nieuwe proef voor het behalen van het brevet van expert bij een fiscaal bestuur aan te kondigen, wat waarschijnlijk zal gebeuren in de loop van het jaar
- Over het voorwerp. Overwegende dat verzoeker als eindbeslissing over zijn examenresultaat de brief van 19 maart 1996 aanduidt gericht aan zijn raadsman in antwoord op diens vraag van 4 maart 1996 om “Ten einde de rechten van mijn cliënt te vrijwaren, (...) mij uw beslissing terzake het gemotiveerd verzoek van mijn cliënt strekkende tot hetzij herziening hetzij herkansing eerstdaags te willen meedelen”; dat evenwel de beslissing waarbij verzoeker niet geslaagd is verklaard, het procesverbaal van 25 september 1995 is waarbij het examen wordt afgesloten en waarin verzoeker als niet geslaagd is opgenomen; dat die beslissing hem meegedeeld is bij brief van 4 oktober 1995; dat verzoeker nadien weliswaar gevraagd heeft aan de directeur-generaal van het kadaster “of wij op u kunnen rekenen om deze onrechtvaardigheid aan te klagen, en om, gelet op de omstandigheden, een speciale herziening en/of herkansing te bekomen” maar dat dit, gesteld dat er een vraag in kan worden gezien om zijn examenresultaat te herzien, een louter willig beroep is waarop geen nieuwe beslissing is gevolgd; dat immers, wanneer verzoekers raadsman op 4 maart 1996 de directeur-generaal van het kadaster vraagt zijn beslissing betreffende de herkansing hetzij herziening te willen meedelen, deze antwoordt dat de brieven van verzoeker werden doorgestuurd aan de bevoegde diensten en dat de minister heeft beslist dat er zo vlug mogelijk een nieuwe proef zal worden aangekondigd; dat in dit antwoord onmogelijk een beslissing kan worden gezien; dat vooreerst verzoeker, zoals blijkt uit de hiervoor aangehaalde termen van zijn brief, niet aan de directeur-generaal heeft gevraagd te willen beslissen om verzoekers examenresultaat IX-1706-4/15 te herzien of hem een herkansing te bieden; dat daarenboven de directeur-generaal van het kadaster dergelijke beslissing niet eens kan nemen omdat de examens niet onder zijn bevoegdheid doch onder de bevoegdheid van het Algemeen Secretariaat vallen; dat de directeur-generaal hem bijgevolg alleen maar mededeelt dat hij de zaak heeft voorgelegd aan de bevoegde diensten; dat ook in de mededeling dat er binnen afzienbare tijd een nieuwe proef zal worden georganiseerd, niet blijkt dat er al een beslissing is genomen over verzoekers vraag om een herkansing of herziening; dat verzoeker het daar trouwens mee eens lijkt te zijn aangezien hij in zijn memorie van wederantwoord onder punt 3.
- stelt dat het inrichten van een nieuwe proef geen voldoening inhoudt over de vraag tot “speciale herziening of herkansing”; dat er geen uitdrukkelijke beslissing bestaat over verzoekers vraag tot herziening van zijn examenresultaat; dat verzoeker zich klaarblijkelijk heeft vergist in de draagwijdte van het antwoord van de directeur-generaal; dat de enige beslissing die bestaat in verband met het door verzoeker afgelegde examen, de beslissing is die vervat is in het procesverbaal van 25 augustus 1995; dat het beroep moet geacht worden tegen die beslissing te zijn gericht;
- Over de gegrondheid. 3.1.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel aanvoert dat de formele motiveringsplicht werd geschonden doordat hij nooit in kennis is gesteld van enige motivering van zijn examenresultaat en doordat hij niet werd ingelicht over de wijze van quoteren noch over de graad van afwijking van het correcte antwoord op de gestelde bijvragen; IX-1706-5/15 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de examen- jury een individuele motivering heeft opgemaakt bij de deliberatie onmiddellijk na elk interview en dat deze motivering werd opgenomen in de notulering van de mondelinge proef en door de kandidaat kan worden ingekeken; dat alleen de jury kan beslissen over de punten die ze toekent; dat het mondeling gedeelte bestaat uit twee onderdelen, namelijk de reglementering betreffende de kadastrale schattingen enerzijds en de fiscale wetgeving anderzijds; dat voor de mondelinge proef over één van die onderwerpen een vraag ter schriftelijke voorbereiding werd voorgelegd, het zogenaamde thema; dat dit evenwel geen afbreuk doet aan de belangrijkheid van de andere niet ter voorbereiding voorgelegde vragen; dat er nergens sprake is van een hoofdvraag en bijvragen; dat de kandidaten daar duidelijk op gewezen werden door de opmerking die werd vermeld op de ter voorbereiding voorgelegde vraag; dat zij besluit dat verzoeker heeft kunnen kennis nemen van de motivering van de jury; 3.1.
- Overwegende dat verzoeker repliceert dat uit de motivering van de jury blijkt dat hij op enkele details na goed heeft geantwoord; dat hij op de hoofdvraag een degelijk antwoord verstrekte en dat hij slechts faalde in de onderdelen of subvragen; dat hij verder opmerkt dat er op zijn examenblad geen enkele quotering voorkomt; dat er evenmin een afzonderlijk procesverbaal werd opgesteld, hoewel examens werden afgenomen op verscheidene data; dat het procesverbaal pas opgesteld werd op 25 september 1995, zijnde twee maanden na de datum van de laatste proef, en dat het geen quotering over de hoofd- en bijvragen bevat; dat daarenboven het kleine aantal geslaagden vragen doet rijzen over de rechtsgeldigheid van het examenresultaat hetwelk trouwens niet in zijn geheel aan verzoeker werd genotificeerd, aangezien hij enkel in kennis gesteld werd van zijn persoonlijk resultaat; dat verzoeker verder betoogt dat uit het verloop van het examen blijkt dat er wel degelijk een hoofdvraag was, namelijk het thema, en daarnaast op de praktijk gerichte vragen en dat die niet vooraf voorbereide praktijkvragen van ondergeschikt belang waren; dat hij besluit dat de door de examencommissie op het examenblad gegeven motivering niet alleen niet werd genotificeerd, maar ook “kennelijk onmiskenbaar summier” is, “nietszeggend” en IX-1706-6/15 deels “onleesbaar” en dat de verwerende partij aldus handelde in strijd met de formele motiveringsverplichting; 3.1.
- Overwegende dat de motieven voor een beslissing in verband met een examen in principe vervat is in de punten zelf; dat deze punten alleen dan niet volstaan als motivering indien er elementen zijn die doen twijfelen aan de ernst van de gegeven punten; dat verzoeker meent dat het kleine aantal geslaagden twijfel doet rijzen over de rechtsgeldigheid van het examen; dat het kleine slaagpercentage weliswaar aantoont dat er zeer streng werd geoordeeld, maar dat een klein slaagpercentage op zich niet volstaat om te kunnen besluiten dat het examen niet rechtsgeldig zou zijn verlopen; dat het feit dat het procesverbaal pas werd opgesteld een tweetal maanden na de afloop van de laatste proef of het feit dat er niet voor elke gestelde vraag een afzonderlijke quotering werd gegeven, evenmin de gegeven punten kan in vraag stellen; dat immers nergens wordt voorgeschreven dat er voor elke vraag een afzonderlijke quotering moet worden gegeven; dat verzoeker verder de beoordeling in twijfel trekt door erop te wijzen dat hij de hoofdvraag goed heeft beantwoord en slechts onnauwkeurigheden heeft begaan op de minder belangrijke bijvragen; dat het thema volgens verzoeker als een belangrijk deel van het examen moet worden beschouwd gezien de tijd die de kandidaat eraan kon besteden, en dat redelijkerwijze kan worden aangenomen dat dit thema zwaar zou doorwegen in de beoordeling; dat verzoekers stelling dat bijgevolg al de andere vragen van minder belang waren en slechts als bijvragen konden worden beschouwd echter niet zonder meer kan worden aangenomen; dat, zoals de verwerende partij terecht aangeeft, de kandidaten er op gewezen werden dat, zij naast een uiteenzetting over het thema, ook zouden moeten antwoorden op de vragen die over de andere op het examen- programma voorkomende leerstof zouden worden gesteld; dat de kandidaten dus niet alleen ondervraagd werden over het thema, dat over een gedeelte van de stof handelde, maar ook over de andere delen van de stof zodat de vragen daarover niet als bijvragen van ondergeschikt belang en met een lagere quotering kunnen worden bestempeld; dat er tenslotte geen enkele regel is die de verwerende partij oplegt aan elke kandidaat naast zijn eigen resultaat ook dat van de andere kandidaten te notificeren; dat het eerste middel niet gegrond is; IX-1706-7/15 3.2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de plicht tot actieve openbaarheid, vervat in artikel 2 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, aangezien uit dat artikel volgt dat de examinandi tijdig en op regelmatige wijze in kennis moeten worden gesteld van de examenuitslag, het modelantwoord, het deliberatieverslag, de samenstelling van de jury en de functie die elk lid ervan bekleedt, het gebeurlijke minderheidsstandpunt bij betwisting en de globale uitslag van de andere kandidaten of ten minste het slaagpercentage. 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de zienswij- ze van verzoeker een persoonlijke interpretatie is van de inhoud van artikel 2 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur; dat de medede- lingsplicht waarop verzoeker aanspraak maakt ressorteert onder de passieve openbaarheid, vervat in artikel 4 van voornoemde wet en dat verzoeker er trouwens gebruik van gemaakt heeft; dat het modelantwoord, voor zover er al één bestaat, nooit wordt meegedeeld aan de kandidaten, dit in navolging van de richtlijnen die het Vast Wervingssecretariaat daarover verstrekt; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker repliceert dat het recht op inzage vervat in artikel 4 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, het recht op kennisname van de examenuitslag binnen redelijke termijn impliceert, alsook het recht op controle van het deliberatieverslag, het recht op kennisname van het modelantwoord, de samenstelling van de examencommissie, het gebeurlijke minderheidsstandpunt en het globale slaagpercentage; dat indien hij geen kennis kan nemen van de door hem opgesomde gegevens, het door artikel 4 gewaarborgde recht op inzage inhoudsloos wordt; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de verwerende partij tekortgeschoten is aan de verplichtingen die haar worden opgelegd door de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur; dat de in die wet vervatte verplichting tot actieve en passieve openbaarheid de overheid oplegt om aan degene ten opzichte van wie een individuele beslissing werd genomen bepaalde inlichtingen IX-1706-8/15 mee te delen, hetzij uit eigen beweging bij de betekening van de beslissing aan de betrokkene overeenkomstig artikel 2, 4/(actieve openbaarheid), hetzij in antwoord op een vraag daartoe van de betrokkene, overeenkomstig artikel 4 (passieve openbaarheid); dat het duidelijk is dat die verplichtingen zich situeren nadat de beslissing werd genomen en dat zij betrekking hebben op de wijze van kennis geven of van kennis nemen van de beslissing maar niet op de beslissing zelf; dat een eventuele tekortkoming aan die verplichting tot openbaarheid de regelmatigheid van de beslissing zelf niet aantast en bijgevolg niet dienstig kan worden aangevoerd als annulatiemiddel tegen die beslissing zelf; dat het middel niet dienstig is; 3.3.
- Overwegende dat verzoeker in een derde en zesde middel aanvoert dat het fair-play beginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel werden geschonden doordat de verwerende partij meer dan vier maanden heeft gewacht alvorens een “nietszeggende” ontvangstmelding toe te sturen aan verzoeker in reactie op zijn brief van 30 oktober 1995; dat dit middel om dezelfde reden als het tweede middel niet dienstig wordt aangevoerd als annulatiemiddel tegen de bestreden beslissing; 3.4.
- Overwegende dat verzoeker in een vierde middel aanvoert dat zijn klacht van 30 oktober 1995 niet werd behandeld door de bevoegde overheid, zijnde de directeur-generaal van het kadaster of zijn gemandateerde, maar wel door een andere dienst van het ministerie van Financiën die door verzoeker nooit werd aangeschreven en die niet bevoegd is om enige beslissing te nemen omtrent de speciale herziening en/of herkansing van het desbetreffend examen; 3.4.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat niet de directeur-generaal van het kadaster, maar wel de dienst Examens van het Algemeen Secretariaat en aldus de secretaris-generaal zelf bevoegd is inzake de organisatie van de examens die door het ministerie worden georganiseerd; dat in afwachting van een definitieve oplossing voor het gestelde probleem in het algemeen en voor verzoeker in het bijzonder, op het niveau van de minister van Financiën, de auditeur-generaal van het kadaster in opdracht van de directeur-generaal geen beslissing trof, maar verzoeker informeerde over de beslissing van de minister; IX-1706-9/15 3.4.
- Overwegende dat verzoeker in dit middel aanvoert dat de beslissing omtrent zijn vraag tot een herziening en/of een herkansing van zijn examenresultaat werd genomen door een onbevoegde overheid; dat, zoals reeds werd gezegd, er geen uitdrukkelijke beslissing over verzoekers vraag tot herziening van zijn examenresultaat bestaat; dat uit geen enkel stuk blijkt dat de bevoegde overheid, zijnde de secretaris-generaal of de minister, daarover reeds een beslissing had genomen op het ogenblik dat het verzoekschrift werd ingediend; dat de enige beslissing die bestond in verband met het door verzoeker afgelegde examen, de beslissing is die vervat is in het procesverbaal van 25 september 1995; dat, vermits de brief van 19 maart 1996, getekend door de auditeur-generaal voor de directeur- generaal, geen beslissing bevat inzake verzoekers vraag tot herziening en dus niet kan worden beschouwd als een beslissing die na nieuw onderzoek de oorspronkelijke beslissing over zijn examen, namelijk “niet geslaagd”vervangt, maar slechts de loutere mededeling is van de stand van zaken van verzoekers vraag tot herziening, dat het middel in feite faalt; 3.5.
- Overwegende dat in een vijfde middel verzoeker aanvoert dat de verwerende partij haar bevoegdheid heeft overschreden door aan de examenjury een te ruime bevoegdheid te verlenen bij het stellen van de vragen, meer bepaald de bijvragen, en vooral bij het quoteren van de antwoorden; dat, hoewel de jury vrij is in het stellen van vragen, toch aanvaard moet worden dat ook zij gebonden is door bepaalde grenzen van onderwerpen en appreciatiebevoegdheid; 3.5.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat volgens rechtspraak van de Raad van State de jury vrij bepaalt welke vragen worden gesteld en dat het ook aan haar alleen toekomt de antwoorden te beoordelen zodat de Raad van State alleen kan tussenkomen indien de gestelde vragen duidelijk niet het karakter hadden van vragen die op zulk examen mochten gesteld worden of enkel tot doel hadden de kandidaat in moeilijkheden te brengen; dat de drie medekandidaten die diezelfde namiddag hetzelfde examen als verzoeker aflegden, dezelfde vragen kregen en dat twee onder hen slaagden; dat dit slaagpercentage (50%) hoger ligt dan het algemeen slaagpercentage van het examen (31%) zodat kan worden IX-1706-10/15 geconcludeerd dat de vragen die die namiddag werden gesteld wellicht niet moeilijker waren dan gemiddeld; dat er geen vragen werden gesteld die de examenstof te buiten gingen en dat zij in geen geval tot doel hadden verzoeker in moeilijkheden te brengen; dat alleen de jury kan beslissen over de punten die ze geeft en dat daarbij het toe te kennen aantal punten per vraag of de relatieve belangrijkheid van de vraag, niet noodzakelijk evenredig is met de omvang of de vorm ervan; dat het mondeling gedeelte bestaat uit twee onderdelen, namelijk de reglementering betreffende de kadastrale schattingen enerzijds en de fiscale wetgeving anderzijds; dat voor de mondelinge proef over één van die onderwerpen een vraag ter schriftelijke voorbereiding werd voorgelegd, het zogenaamde thema; dat dit evenwel geen afbreuk doet aan de belangrijkheid van de andere niet ter voorbereiding voorgelegde vragen; dat er nergens sprake is van een hoofdvraag en bijvragen; dat de kandidaten daar duidelijk op gewezen werden door de opmerking die werd vermeld op de ter voorbereiding voorgelegde vraag; 3.5.
- Overwegende dat verzoeker repliceert dat een marginale toetsing van de door hem behaalde punten aan de nota’s van de examenjury doet besluiten dat die nota’s een zodanig laag puntenaantal niet kunnen verantwoorden, aangezien hij op de hoofdvraag de beoordeling “goed” behaalde en ook op de bijvragen antwoorden gaf die op één na door de jury niet als onvoldoende of ondermaats werden aangemerkt; dat hij daarbij aanvoert dat één der leden van de examenjury zich ten onrechte niet heeft gewraakt als lid van de examenjury aangezien dit jurylid tijdens de voorbereidende cursussen in een tamelijk zwaar incident met een aantal cursisten betrokken was; dat de omstandigheid dat deze lesgever nog deel uitmaakte van de jury in strijd is met het onpartijdigheidsbeginsel en als machtsoverschrijding kan bestempeld worden; 3.5.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog aanvoert dat de toegepaste quotering niet verantwoord is, aangezien hij de hoofdvraag perfect heeft beantwoord, hoewel zijn antwoord slechts als “goed” werd beoordeeld, en dat hij enkel het antwoord schuldig bleef op de irrelevante bijvraag naar de afwijkings- mogelijkheden inzake maximum-pachtprijzen; dat hij de overige bijvragen foutloos IX-1706-11/15 heeft opgelost en dat de enige kritiek betrekking had op het feit dat de hulp van een examinator nodig was voor het beantwoorden van één bijvraag; dat, wat betreft de vraag over “de schalen der ongebouwde percelen” de jury nalaat aan te duiden welke elementen hij niet heeft aangehaald; dat hij daarenboven opwerpt dat de authenticiteit van het juryrapport in vraag kan worden gesteld omdat het niet ondertekend werd door alle juryleden, maar slechts de paraaf van de voorzitter draagt en dat de afwezigheid van een afzonderlijke quotering voor de diverse vragen een vermoeden van willekeur en partijdigheid doet rijzen; 3.5.5.
- Overwegende dat het juryrapport door de voorzitter is gedateerd en geparafeerd; dat geen enkele tekst voorschrijft dat de handtekening van alle juryleden vereist is; dat verzoeker, indien hij twijfelt aan de authenticiteit van het examenrapport, een procedure houdende valsheid in geschrifte moet instellen; dat tot bewijs van tegendeel moet worden aangenomen dat het juryrapport authentiek is; 3.5.5.
- Overwegende dat de Raad van State slechts een marginale controle kan uitoefenen op de beoordeling die door de jury is uitgebracht en op de geoorloofdheid van de vragen die werden gesteld; dat daarbij met een grote terughoudendheid moet te werk worden gegaan om te vermijden dat de Raad zich in de plaats zou stellen van de jury die, vanuit haar deskundigheid en omdat zij, anders dan de Raad, het examen zelf heeft afgenomen, uiteraard het best geplaatst is om de examinandus te beoordelen; dat wat de aard van de gestelde vragen betreft, verzoeker niet duidelijk aangeeft waarom deze te vergaand zouden zijn, terwijl het allerminst evident is dat de gestelde vragen duidelijk niet het karakter hadden van vragen die op zulk examen mochten gesteld worden of enkel tot doel hadden de kandidaat in moeilijkheden te brengen; dat wat de eventuele onredelijkheid van de gegeven punten betreft, bij lezing van de motivatie van de jury blijkt dat alleen voor het thema een positieve beoordeling “goed” wordt gegeven; dat voor de andere vragen, die om hoger gegeven redenen niet zomaar als minder belangrijk kunnen worden afgedaan, er praktisch alleen negatieve elementen genoteerd werden : “- thema : goed IX-1706-12/15 - aanwending K.I.: 6 gevallen aangehaald - pachtprijzen (max): heeft dit niet gestudeerd dixit eigen woorden v.d. kandidaat - schalen der ongebouwde percelen: aangifte D.B.?; terreinonderzoek, opzoeken huurprijzen, indeling categorieën ... enz. niet aangehaald - art.7 komt tot resultaat met behulp van de examinator + vergeet KI ... praktische toepassingen niet gekend.” Overwegende dat deze, hoewel niet altijd even duidelijke notities toch een algemene negatieve beoordeling laten zien behalve voor het thema; dat, wat betreft de vraag inzake “schalen der ongebouwde percelen” in tegenstelling tot verzoekers bewering, duidelijk wordt opgesomd welke elementen hij niet heeft aangehaald; dat, de motivering niet toelaat te besluiten dat de gegeven punten kennelijk onredelijk zijn; dat het probleem van de onpartijdigheid van de jury een nieuw middel is dat niet vervat was in de omschrijving die verzoeker in zijn verzoekschrift aan zijn vijfde middel heeft gegeven; dat een nieuw middel slechts op ontvankelijke wijze voor het eerst in de memorie van wederantwoord kan worden aangevoerd indien de verzoeker het pas kon aanvoeren door kennisname van het administratief dossier of indien het van openbare orde is; dat verzoeker bij brief van 26 februari 1999 in antwoord op de vraag of hij op het ogenblik dat hij zijn verzoekschrift indiende kennis had van het kwestieuze incident, stelt dat “er (hem) maanden voor het examen (werd) gerapporteerd dat er op één sessie zware verbale incidenten waren tussen één cursist en de heer Daem”; dat hij tevens wist door inzage van zijn examendossier, meer bepaald van de beoordeling van zijn examen die hij als bijlage 2 bij zijn verzoekschrift voegde, dat voornoemde deel uitmaakte van de jury; dat hij het middel derhalve had kunnen inroepen in zijn verzoekschrift; dat het probleem van de al dan niet partijdigheid van de jury evenmin van openbare orde is; dat het dus niet meer ontvankelijk kan worden aangevoerd in de memorie van weder- antwoord; dat het vijfde middel niet gegrond is; 3.6.
- Overwegende dat verzoeker in een laatste middel aanvoert dat de verwerende partij het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door te gedogen dat er een abnormaal verschil in slaagpercentages bestaat tussen kandidaten uit het Noorden en kandidaten uit het Zuiden van het land; dat door geen degelijke controle in te IX-1706-13/15 bouwen op de wijze van beoordelen en op de wijze van delibereren, noch door a posteriori enige herkansing of herziening te decreteren, de bevoegde minister de schending van het gelijkheidsbeginsel in de hand werkte, minstens liet voortbestaan; 3.6.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de meeste juryleden, zowel van de Franstalige als van de Nederlandstalige jury ervaring hebben met het afnemen van examens; dat de gestelde examenvragen per halve dag dezelfde waren voor de Franstalige, de Nederlandstalige en de Duitstalige kandidaten en dat er voor het begin van het examen een vergadering was met alle juryleden en leden van de dienst Examens met het oog op conformiteit in aanpak en verloop van de examenverrichtingen en beoordeling; dat de jury evenwel soeverein de kandidaten beoordeelt; dat de overheid alzo het nodige heeft gedaan om een zo eerlijk mogelijk verloop van de proeven te waarborgen; dat herkansing of herziening, ten slotte, voor geen enkel examen voorzien is; 3.6.
- Overwegende dat verzoeker repliceert dat verwerende partij ten onrechte stelt dat zij enkel een inspanningsverbintenis heeft ten aanzien van een dergelijke wanverhouding in slaagpercentage; dat zij daarmee toegeeft in feite, aldus verzoeker, dat er inderdaad een abnormale wanverhouding in slaagpercentage is; dat de verwerende partij misschien wel de nodige richtlijnen heeft gegeven voor het examen, maar dat niets haar belette na jurering en gebeurlijk in aanwezigheid van de secretarissen/toezichters de niet tegengesproken wanverhouding in slaagpercentage middels deliberatie recht te zetten; 3.6.
- Overwegende dat er slechts sprake kan zijn van een ongelijke behandeling van verzoeker indien een andere kandidaat die zich in dezelfde situatie als verzoeker bevond, anders dan verzoeker werd behandeld, in casu anders dan hij werd beoordeeld; dat er dan ook slechts sprake zou kunnen zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel indien een kandidaat die dezelfde vragen heeft gekregen als verzoeker en dezelfde of ongeveer dezelfde antwoorden heeft gegeven, duidelijk op een andere wijze dan verzoeker zou zijn beoordeeld; dat verzoeker, op wie de bewijslast rust voor hetgeen hij beweert, als bewijselement van een ongelijke IX-1706-14/15 behandeling echter alleen aantoont dat het slaagpercentage langs Franstalige zijde veel hoger is dan aan Nederlandstalige kant; dat hij daarmee niet aanduidt dat hij noodzakelijkerwijs op een ongelijke manier werd behandeld; dat ook dit middel niet gegrond is; BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig november 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-1706-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.771 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.