id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.774 Rolnummer: A. 155576/XIV-20593 Zaak: Arrest 151774 - - 28/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-14 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-03 05:30 Fiche Arrest nr 151.774 van 28 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.774 van 28 november 2005 in de zaak A. 155.576/XIV-20.
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat J. HENDRIX, kantoor houdende te 1190 BRUSSEL, Molièrelaan 11 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 25 augustus 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 12 juli 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 23 september 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 november 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. HENDRIX, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-20.593-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.
- Overwegende dat in het enig middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van zorgvuldigheid en behoorlijke belangenafweging, verzoeker laat gelden dat de bestreden beslissing afdoende gemotiveerd moet zijn wat in casu manifest niet het geval is daar zij diende te verifiëren welke de exacte positie van verzoeker was in de hiërarchische structuur van de Communistische Partij en van de politie, wat de perceptie van de bevolking was van deze positie en welk gevaar deze inhoudt en wat de daadwerkelijke bescherming is die de huidige overheden aan een dergelijk persoon, zoals verzoeker, kunnen bieden, dat door te stellen dat verzoeker niet het voorwerp uitmaakte van een actief vervolgingsbeleid dit niet betekent dat zijn leven niet in gevaar zou zijn, aangezien uit deze vaststelling niet kan worden afgeleid dat de overheid hem zou beschermen tegen agressie, door het ontbreken van een antwoord in de bestreden beslissing met betrekking tot de vraag naar het gevaar dat van de bevolking uitgaat, de bescherming die de overheden aan verzoeker kunnen verlenen, geen antwoord wordt gegeven op door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen ingeroepen vragen, op door deze Commissie relevant geachte vragen en de mate waarop de bestreden beslissing ingaat tegen de “humanitaire clausule” uit de beslissing van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zij de geschonden geachte bepalingen en beginselen schendt; 1.
- Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet niet van toepassing zijn op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; dat de schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet niet dienstig kan worden aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij niet over de ontvankelijkheid maar over de gegrondheid van een aanvraag tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling uitspraak wordt gedaan; dat de kritiek dat er geen behoorlijke belangenafweging heeft plaatsgevonden, gelet op de gevaren die verzoeker loopt bij een terugkeer naar Afghanistan, niet dienstig kan worden aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij, zonder een terugleidingsmaat- regel te nemen, uitsluitend uitspraak wordt gedaan over de hoedanigheid van vluchteling; XIV-20.593-2/4 dat, met betrekking tot de zorgvuldigheid waarmee de bestreden beslissing werd genomen, uit de motivering van de beslissing blijkt dat verzoeker propaganda maakte bij de politie en na een verblijf in de ex-Sovjetunie enkel nog administratieve taken diende uit te voeren; dat uit de door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geraadpleegde bronnen blijkt dat “ex-communisten” en personen die met het communistisch regime geassocieerd werden en die zich konden handhaven in de periode 1992-1996 in beginsel geen vervolging te vrezen hebben van de huidige machthebbers; dat bovendien blijkt dat hoe meer technisch- administratief de functie van de betrokkene was, hoe veiliger het voor deze persoon zal zijn; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen daarnaast nog heeft vastgesteld dat verzoeker een promotie kreeg in 1993; dat daarenboven nog wordt vastgesteld dat verzoeker bepaalde zaken in eerdere procedurefases heeft verzwegen en over bepaalde zaken geen eensluidende verklaringen heeft afgelegd; dat, gelet op de vaststellingen zoals zij vermeld staan in de bestreden beslissing moet worden besloten dat er geen aanwijzingen zijn dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen onzorgvuldig heeft gehandeld, minstens verzoeker dit niet aantoont; dat de bezwaren die hij in zijn verzoekschrift heeft uiteengezet minstens impliciet beantwoord blijken door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, op voorwaarde dat men de motivering als een geheel ziet en niet als een verzameling van los van elkaar staande feiten; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-20.593-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwin- tig november tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.593-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.774 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.