id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.784 Rolnummer: Zaak: Arrest 151784 - - 28/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-07 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-03 05:30 Fiche Arrest nr 151.784 van 28 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.784 van 28 november 2005 in de zaak A. 61.615/IX-264 61.688/IX-
- In zake : I. de VZW VRIENDENKRING VAN DE BRANDWEER NIEUWPOORT, II. Ivan VANSEVENANT, die woonplaats kiezen bij advocaat O. VANLERBERGHE, kantoor houdende te DIKSMUIDE, Ijzerlaan 48 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de VZW VRIENDENKRING VAN DE BRANDWEER NIEUWPOORT op 29 december 1994 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 18 oktober 1994 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij de aanvraag van Ivan VANSEVENANT om een bijkomende bezigheid uit te oefenen als vrijwillig brandweerman te Nieuwpoort niet ingewilligd wordt (de zaak A 61.615/IX-264); Gezien het verzoekschrift dat Ivan VANSEVENANT op 4 januari 1995 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van dezelfde beslissing (de zaak A 61.688/IX-263); Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; IX-263-1/15 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 6 november 1997 tot voeging van de zaken; Gelet op de beschikking van 6 november 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 20 oktober 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 21 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. SCHIPPERS die, loco advocaat O. VANLERBERGHE verschijnt voor de verzoekende partijen, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : IX-263-2/15 1.
- Ivan VANSEVENANT, wachtmeester bij de rijkswachtbrigade Brugge, dient op 16 november 1993 een aanvraag in om toelating te bekomen om te mogen toetreden tot de vrijwillige brandweer van Nieuwpoort. 1.
- Op 21 december 1993 brengt de commandant van het rijks- wachtdistrict Brugge, een ongunstig advies uit. Het wordt als volgt gemotiveerd : “Toetreding tot het vrijwillig brandweerkorps schept verplichtingen, o.a. bereikbaarheid en beschikbaarheid in kader van een wachtdienst. Dit aan te gaan engagement hypotheceert de beschikbaarheid voor de dienst Gd.” Verzoeker dient hiertegen een verweerschrift in. Na kennisname van dit verweerschrift, behoudt de eenheids- commandant zijn ongunstig advies. De commandant van de territoriale groep West-Vlaanderen sluit zich op 5 januari 1994 bij dit advies aan. 1.
- Op 6 januari 1994 verklaart de commandant van het rijkswacht- gebied Oost- en West-Vlaanderen zich akkoord met het ongunstig advies van de districtscommandant en voegt er het volgende aan toe : “Daarnaast kan gesteld worden dat bij het optreden van een brand of andere onheilen de hoedanigheid van politieambtenaar zal primeren en aldus mogelijks in conflict kunnen komen met sommige handelingen uitgevoerd als brandweer- man. Het Art. 17 van de Wet op het politieambt voorziet eveneens bepaalde opdrachten voor de Rijkswacht bij ramp, onheil of schadegeval in de zin van de wetgeving op de civiele bescherming.” 1.
- Op 19 september 1994 brengt de hoofddirecteur van het personeel namens de commandant van de rijkswacht ongunstig advies uit. Dit advies luidt als volgt : “
- ONGUNSTIG. Overeenkomstig de bepalingen van Art. 24/12, § 1-2/ van de wet van 27 Dec 73 betreffende het statuut van het personeel van het actief kader van het operationeel korps van de rijkswacht is de hoedanigheid van personeelslid van de rijkswacht, behoudens de in bijzondere wetten bepaalde IX-263-3/15 onverenigbaarheden en tenzij betrokkene zich in non-activiteit wegens persoonlijke aangelegenheden bevindt, onverenigbaar met de uitvoering van een openbare opdracht, zelfs als zou bedoelde bezigheid onbezoldigd zijn.
- Een bijzondere afwijking van voornoemde verbodsbepaling kan overeenk- omstig de bepalingen van Art. 24/12, § 2-3/ van voornoemde wet NIET worden overwogen vermits de uitoefening van zijn eventuele taken als vrijwillig brandweerman naast problemen in verband met de beschikbaarheid van belanghebbende ook tot interferenties met zijn professionele activiteiten kunnen leiden waardoor het algemeen belang van de dienst in de rijkswacht zou kunnen worden geschaad.” Verzoeker neemt op 27 september 1994 kennis van dit advies. 1.
- Op 18 oktober 1994 beslist de minister van Binnenlandse Zaken, onder verwijzing naar het sub 1.
- vermeld advies, dat de aanvraag niet wordt ingewilligd. Deze beslissing wordt op 8 november 1994 aan verzoeker ter kennis gebracht. 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat het beroep, ingediend door de vzw VRIENDENKRING BRANDWEER NIEUWPOORT, niet ontvankelijk is, “rekening houdend met de beperkingen van het statutair specialiteits- beginsel dat de handelingsbekwaamheid van een rechtspersoon en meer bepaald een v.z.w. bepaalt”; 2.1.
- Overwegende dat de eerste verzoekende partij daarop repliceert dat zij kan optreden voor de collectieve belangen van haar leden en dat dit belang aanwezig is wanneer de bestreden beslissing een nadelige weerslag heeft op de situatie van de groep personen waarvan zij de belangen verdedigt; dat volgens haar die voorwaarde hier vervuld is aangezien het opnemen van Ivan VANSEVENANT, doordat hij op weekdagen veelal niet beroepsmatig actief is, voor het brandweer- korps een groot voordeel zal betekenen, aangezien het wegvallen van een opgeleid brandweerman, doordat het leidt tot grotere inspanningen van anderen en het niet benutten van de ervaring van een rijkswachter, een verlies inhoudt en aangezien de IX-263-4/15 vzw en haar leden een vriend dreigen te verliezen waarmee zij een nauwe professio- nele samenwerking hadden; Overwegende dat de eerste verzoekende partij in haar laatste memorie nog uiteenzet dat de bestreden beslissing niet louter de rechtstoestand van één individu betreft maar dat zij, als precedent, bepalend is voor haar leden van de rijkswacht en van andere politiediensten die zich in een gelijkaardige toestand bevinden en dat zij met het verzoekschrift “op algemene wijze een beoordeling wenst te laten gebeuren van een situatie van een groep personen (wiens) belangen de vzw verdedigt, minstens waarbij de vzw belang heeft dat zij bij de vereniging blijven”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende vzw tot maatschappelijk doel heeft, onder meer, de vriendschap onder de leden van de brandweerdienst te Nieuwpoort te bevorderen en de belangen van de leden te behartigen; dat zij, naar haar oordeel, opkomt voor het collectief belang van haar leden, met name het nadeel dat zij gezamenlijk ondergaan door de weigering om Ivan VANSEVENANT tot de brandweer toe te laten; dat evenwel een vereniging zonder winstoogmerk zich niet ontvankelijk tegen een beslissing kan verzetten wanneer die beslissing de individuele rechtstoestand van een identificeerbaar persoon bepaalt en die persoon zelf rechtsgeldig een annulatieberoep kan indienen, wat te dezen het geval is; dat de verwijzing naar het collectief belang van de andere leden van de vereniging, wiens rechtstoestand door het bestreden besluit niet wordt gewijzigd, een afgeleid en onrechtstreeks belang is, vergelijkbaar met een actio popularis en dat niet volstaat om rechtsgeldig een annulatieberoep in te dienen; dat de uitspraken van de Raad van State geen algemene geldingskracht hebben en dat het aansturen op een precedent een actio popularis vormt; 2.1.
- Overwegende dat het beroep, ingesteld door de vzw VRIENDENKRING VAN DE BRANDWEER NIEUWPOORT niet ontvankelijk is; IX-263-5/15 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij ook het tweede beroep onontvankelijk acht aangezien Ivan VANSEVENANT verwijst naar de investeringen die het korps in zijn opleiding gestoken heeft, dat zulks een probleem van schadeloosstelling betreft maar dat de Raad van State voor dergelijke vorderingen niet bevoegd is; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker erop wijst dat de bestreden beslissing hem vanuit moreel en maatschappelijk oogpunt grieft, dat hij wegens de bestreden beslissing een flink deel van zijn maatschappelijke contacten -die zich bij het brandweerkorps bevinden- dreigt te verliezen en het hem onmogelijk wordt gemaakt zich verder voor de Nieuwpoortse bevolking te engageren, hetgeen nochtans aan zijn leven een bijkomende inhoud gaf; dat hij ook verwijst naar het derven van inkomsten; 2.2.
- Overwegende dat het voorwerp van het beroep niet toegespitst is op het verkrijgen van schadeloosstelling maar dat verzoeker beoogt tot het brandweerkorps van Nieuwpoort te kunnen toetreden; dat tweede verzoeker, als adressaat van het bestreden besluit, er evident belang bij heeft die beslissing uit het rechtsverkeer te zien verdwijnen; 3.
- Overwegende dat Ivan VANSEVENANT in het eerste middel aanvoert dat het bestreden besluit steunt op artikel 24/12 van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het actief kader van het operationeel korps van de rijkswacht, maar dat die bepaling niet van toepassing is op het vrijwilligerspersoneel van de gemeentelijke brandweerdienst, aangezien de rechtssituatie van die personen geregeld wordt door het modelreglement voor de organisatie van een gemeentelijke vrijwilligersbrandweer, vastgesteld door het koninklijk besluit van 6 mei 1971 tot vaststelling van de modellen van gemeentelijke reglementen betreffende de organisatie van de gemeentelijke brandweerdiensten; dat hij verduidelijkt dat overeenkomstig artikel 7 van dat modelreglement het vrijwillig brandweerpersoneel de hoedanigheid van gemeentepersoneel niet heeft en dat de rechtstoestand ervan tijdens de dienstuitoefening bij de brandweer, geregeld wordt door dat reglement en door hun dienstnemingsakte; dat hij daaraan toevoegt dat hij IX-263-6/15 voor zijn prestaties als brandweerman geen wedde ontvangt, maar enkel een vergoeding voor de mogelijke verliezen en ontberingen in zijn privaat leven; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord uiteenzet wat volgt: verzoeker heeft de toelating gevraagd om een aanvullende activiteit uit te oefenen; afgezien van artikel 22, § 3, (de beschikbaarheid van de rijkswachters) en artikel 24/3 (de verplichting om te allen tijde en in alle omstandigheden de wet te doen eerbiedigen, de burgers te beschermen en hen bij te staan) van de wet van 27 december 1973, is verzoeker in ieder geval onderworpen aan de statutaire bepalingen die de rechtspositie van het rijkswachtpersoneel regelen, ongeacht of hij tijdens de uitoefening van een bijkomende activiteit aan andere regels onderworpen kan zijn; 3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord daarop repliceert dat de functie van vrijwillig brandweerman niet valt onder de onverenigbaarheden bedoeld in artikel 24/12 van de wet van 27 december 1973 omdat het niet gaat om een ander beroep, een openbaar ambt, een openbare opdracht of een openbaar mandaat, noch om een opdracht of een dienst in een particulier bedrijf; dat hij daar in zijn laatste memorie aan toevoegt enerzijds dat een vrijwillig brandweerman geen “ambtenaar” is, aangezien hij niet door de overheid benoemd is maar zijn rechtstoestand door de dienstnemingsakte geregeld wordt en anderzijds dat een “openbare opdracht” een last of bevel van de overheid veronderstelt, terwijl zulks niet te verenigen is met “de essentie van een dienstnemingsakte”; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat de onverenigbaarheid tussen het lidmaatschap van een vrijwillige brandweer en het lidmaatschap van het operationeel korps van de rijkswacht “vanuit verschillende invalspunten” benaderd kan worden; dat zij aldus verduidelijkt dat artikel 33 van bijlage 3 bij het koninklijk besluit van 6 mei 1971, waarin de onverenigbaarheden voor een vrijwillig brandweerman worden opgesomd, melding maakt van “een ambt van operatief lid van een andere openbare of private hulpdienst en dat de rijkswacht als algemene politiedienst in deze context als een hulpdienst beschouwd moet IX-263-7/15 worden, dat een vrijwillig brandweerman, nu “hij aan de uitoefening van de openbare macht deelneemt”, een openbaar ambt bekleedt in de zin van artikel 24/12 van de wet van 27 december 1973, dat, nu de wet van 27 december 1973 ertoe strekte de statuten van de rijkswachters beter te laten aansluiten bij deze van de andere politiediensten, de minister van Binnenlandse Zaken het standpunt inneemt dat het ambt van vrijwillig brandweerman onverenigbaar is met het ambt van lid van de gemeentepolitie wegens de dubbele hoedanigheid waarmee de betrokkene zich ten aanzien van bepaalde feiten kan bevinden en de mogelijke problemen van beschik- baarheid en dat de minister in een nota van 13 februari 1997 aan de commandant van de rijkswacht elke twijfel dienaangaande weggewerkt heeft; 3.5.
- Overwegende dat het met de wet van 24 juli 1992 ingevoegde artikel 24/12 van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het actief kader van het operationeel korps van de rijkswacht -bepaling die binnen het raam van de actuele politiestructuur, voor het personeel van het operationeel kader wezenlijk overgenomen is door artikel 134 en 135 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus- luidt als volgt : “§
- Behoudens de in de bijzondere wetten bepaalde onverenigbaarheden en tenzij de betrokkene zich in non-activiteit wegens persoonlijke aangelegenheden bevindt, is de hoedanigheid van personeelslid onverenigbaar met de uitoefening van : 1/ een ander beroep; 2/ een openbaar ambt, een openbare opdracht of een openbaar mandaat; 3/ een opdracht of een dienst, zelfs als die onbezoldigd is, in particuliere bedrijven met winstoogmerk. De personeelsleden mogen noch rechtstreeks, noch via een tussenpersoon, enige handel drijven, als zaakvoerder optreden, deelnemen aan de leiding, het bestuur van of het toezicht op handelsvennootschappen, nijverheids- of handelsinstellingen. §
- Bijzondere afwijkingen van de verbodsbepalingen in § 1 kunnen door de minister van Binnenlandse Zaken worden toegestaan : 1/ (...) 2/ (...) 3/ voor bijkomende betrekkingen, beroepen of bezigheden die noch het belang van de dienst schaden, noch afbreuk doen aan de waardigheid van de status van personeelslid”; IX-263-8/15 Overwegende dat de wetgever met die bepaling de bedoeling had voor het rijkswachtpersoneel een “principieel verbod tot cumulatie (in te stellen), maar met de mogelijkheid om individuele afwijkingen toe te staan in de in de wet opgenomen gevallen” (Parl. Doc. Senaat, 1990-1991, stuk 1428/1, p. 10); 3.5.
- Overwegende dat het lidmaatschap van een vrijwillige brandweer- dienst, waarbij de betrokkene in dienst treedt van een openbaar bestuur, een betrekking of een bezigheid betreft die valt onder het principieel cumulatieverbod van artikel 24/12, § 1, 2/; dat de omstandigheid dat de vrijwillige brandweerlieden, krachtens de reglementering die hun relatie met het bestuur regelen, bij hun indiensttreding mogelijk niet de hoedanigheid van gemeentepersoneel sensu strictu verkrijgen, niet belet dat zij, wegens hun relatie met een openbaar bestuur, een bezigheid uitoefenen die onverenigbaar is met het ambt van rijkswachter; dat aldus artikel 24/12 van de wet van 27 december 1973 wel degelijk van toepassing is op verzoeker wanneer hij zich wil aansluiten bij een vrijwillig brandweerkorps van een gemeente; Overwegende bovendien dat, los van die vaststelling, artikel 33 van het modelreglement voor de organisatie van een gemeentelijke vrijwillige brandweer- dienst, dat de gemeenten in hun interne reglementering moesten integreren, voor de vrijwillige brandweerlieden een onverenigbaarheid instelt met “het ambt van operatief lid van een andere openbare of private hulpdienst” en dat de verwerende partij terecht opmerkt dat de rijkswacht zo een openbare hulpdienst is, aangezien artikel 17 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt bepaalt dat de politiediensten -ten tijde van het bestreden besluit de rijkswacht en de gemeentepolitie- in geval van ramp, onheil of schadegeval als bedoeld door de wet op de civiele bescherming, zich ter plaatse begeven en daar voorlopig de nodige maatregelen treffen om in gevaar verkerende personen te redden, goederen te beschermen en plundering te voorko- men; dat aldus artikel 33 van het modelreglement tot gevolg heeft dat, wegens de onverenigbaarheid der ambten, een gemeente geen lid van het operationeel korps van de rijkswacht als vrijwillige brandweerman in dienst kan nemen of houden; IX-263-9/15 3.5.
- Overwegende dat het eerste middel niet gegrond is; 4.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel aanvoert dat het bestreden besluit niet steunt op “aanvaardbare motieven” in die zin dat de verwerende partij geen rekening gehouden heeft met de omstandigheid dat hij bij de rijkswacht een vaste dagtaak met een vast werkrooster uitoefent zodat hij zich in zijn vrije tijd ter beschikking van de brandweerdienst van Nieuwpoort kan stellen, zeker nu de korpsleiding aldaar weet dat zij niet op hem kan rekenen tijdens de werkuren en daar bij het opstellen van de permanentie ook rekening wordt mee gehouden; dat hij in het kader van het middel ook uiteenzet dat zijn opleiding tot brandweerman voordelig is voor de rijkswacht -de opleiding is erop gericht bij onheil correct op te treden en als rijkswachter kan hij daarvan gebruik maken wanneer hij voor de hulpdiensten ter plaatse is- en omgekeerd -als rijkswachter die met de brandweer als een der eersten ter plaatse komt zal de aandacht ook kunnen gaan naar punten die de gewone brandweerman uit het oog verliest, zoals het opmerken van sporen die het bewijs van misdadig opzet kunnen bevatten; dat bij dit middel ook het argument aansluit dat de verwerende partij, bij de uitoefening van de bevoegdheid die artikel 24/12, § 2, van de wet van 27 december 1973 aan de minister toekent, onredelijk gehandeld heeft door de belangen van een welbepaalde groep -de rijkswacht- te laten voorgaan op het algemeen belang; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord uiteenzet dat het optreden van verzoeker als lid van de brandweer tot gevolg kan hebben dat hij daar langer dan voorzien moet presteren zodat zijn bereikbaarheid en beschikbaarheid als rijkswachter vermindert en dat er bovendien problemen kunnen ontstaan op het vlak van het beroepsgeheim wanneer verzoeker in zijn hoedanigheid van brandweerman én van rijkswachter zou optreden; 4.
- Overwegende dat verzoeker daarop repliceert dat het bestreden besluit niet toelaat te achterhalen waarom de minister hem geen cumulatie wenste toe te staan, dat het besluit niet antwoordt op de argumentatie die hij had uiteengezet en dat er niet eerder dan in de memorie van antwoord een redengeving wordt opgezet; IX-263-10/15 dat hij voorts betwist dat er een interferentie zou kunnen ontstaan of dat er problemen zouden kunnen rijzen op het vlak van het beroepsgeheim tussen zijn ambt, dat hij te Brugge uitoefent en de activiteit van brandweerman te Nieuwpoort; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog stelt dat verzoeker pas in de memorie van wederantwoord een schending van de formele motiveringsverplichting aangevoerd heeft, dat het bestreden besluit zich formeel aansluit bij het hem op 27 september 1994 ter kennis gebrachte advies van de commandant van de rijkswacht, waarin verwezen is naar problemen in verband met de beschikbaarheid en interferenties met zijn beroepsactiviteit; dat zij daar nog aan toevoegt dat de minister slechts van het cumulatieverbod mag afwijken wanneer een van de voorwaarden vermeld in artikel 24/12, § 2, van de wet van 27 december 1973 vervuld zijn maar dat zulks te dezen niet het geval is aangezien uit het advies van de commandant van de rijkswacht duidelijk blijkt dat het werken als vrijwillig brandweerman het algemeen belang van de rijkswacht zou kunnen schaden; dat zij besluit dat in het kader van de motiveringverplichting niet vereist wordt dat elk argument van de betrokkene beantwoord wordt; 4.5.
- Overwegende, wat de materiële motivering betreft, dat het bestreden besluit van 18 oktober 1994 uitdrukkelijk verwijst naar het advies van de commandant van de rijkswacht, waarin deze uiteenzette dat er geen reden te zien is om in toepassing van artikel 24/12, § 2, 3/, een afwijking op het cumulatieverbod te verlenen “vermits de uitoefening van de eventuele taken (van verzoeker) als vrijwillig brandweerman naast problemen in verband met de beschikbaarheid van belangheb- bende ook tot interferenties met zijn professionele activiteiten kunnen leiden waardoor het algemeen belang van de dienst in de rijkswacht zou kunnen worden geschaad”; dat dergelijke motivering duidelijk, terzake dienend en afdoende is; dat zij gewis algemeen gesteld is en aldus in het algemeen elk lid van het actief kader van het operationeel korps van de rijkswacht verbiedt om vrijwillig brandweerman te worden, maar dat de Raad van State niet vermag zijn visie over de inhoud van die motieven in de plaats van het bestuur te stellen en dat het niet kennelijk onredelijk is dat de verwerende partij, om de uiteengezette reden, een cumulatieverbod in het IX-263-11/15 algemeen onmogelijk acht; dat in die omstandigheden de verwerende partij de specifieke motieven die verzoeker mogelijk kon aanvoeren om in zijn geval toch van het cumulatieverbod af te wijken, niet in haar besluitvorming moest betrekken; 4.5.
- Overwegende dat, daargelaten de vraag of verzoeker voor het eerst in zijn memorie van wederantwoord de formele motivering van het bestreden besluit in vraag mocht stellen door aan te voeren dat de minister de argumentatie van zijn aanvraag niet beantwoord heeft, de Raad van State in ieder geval kan vaststellen dat de formele motiveringverplichting, ingesteld door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, niet zover reikt als verzoeker betoogt, maar dat het volstaat dat de veruitwendigde motieven de beslissing terdege onderbouwen; dat zulks met het advies van 19 september 1994, waarvan verzoeker op 27 september 1994 kennis genomen heeft, het geval is; 4.5.
- Overwegende dat het middel niet gegrond is; 5.
- Overwegende dat verzoeker in het derde middel de schending aanvoert van zijn rechten van verdediging doordat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zich tegen het advies van de commandant van de rijkswacht te verzetten; 5.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt enerzijds dat het middel in feite faalt aangezien verzoeker op 27 september 1994 in kennis gesteld is van het advies en hij toen geen enkel voorbehoud gemaakt heeft en anderzijds dat het middel ook in rechte niet opgaat in de mate dat hij de schending van een substantiële vorm aanvoert zonder daarbij aan te duiden in welke mate zijn rechten geschonden zijn, meer bepaald in welke mate een verweerschrift tegen het advies een invloed gehad zou kunnen hebben op het bestreden besluit; 5.
- Overwegende dat verzoeker daarop repliceert dat hij niet de mogelijkheid gehad heeft om tegen het advies van 19 september 1994 een verdedi- ging in te brengen en dat hij nu voor de Raad van State voor het eerst verneemt IX-263-12/15 welke argumenten de rijkswacht eigenlijk doet gelden om een negatief advies uit te brengen; 5.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog stelt dat verzoeker in de loop van de besluitvorming over zijn aanvraag, wel degelijk de gelegenheid heeft gehad zijn standpunt aan het bestuur ter kennis te brengen en dat het niet vereist is dat de betrokkene door de beslissende overheid zelf gehoord wordt; 5.
- Overwegende dat het recht van verdediging, als algemeen rechtsbeginsel, behoudens uitdrukkelijk voorschrift, in administratieve aangelegen- heden enkel van toepassing is in tuchtzaken; dat de onderhavige zaak geen tuchtzaak is; dat verzoeker zich ook niet deugdelijk kan beroepen op het beginsel van behoorlijk bestuur, krachtens hetwelk een bestuur aan een burger geen ernstige en op zijn persoonlijke situatie gesteunde maatregel mag opdringen zonder hem in de gelegenheid gesteld te hebben zijn standpunt uiteen te zetten; dat het bestreden besluit immers zijn rechtstoestand niet in ongunstige zin wijzigt, maar hem alleen weigert een afwijking op het cumulverbod en dus een voordeel toe te staan; dat het middel niet relevant wordt aangevoerd;
- Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van het gelijkheidsbeginsel, maar dat hij in zijn memorie van wederantwoord afstand doet van dit middel; 7.
- Overwegende dat verzoeker in het vijfde middel aanvoert dat hij zijn aanvraag indiende op 16 november 1993 en dat hij slechts op 6 november 1994 kennis kreeg van het besluit van de minister; 7.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de vraag naar het in acht nemen van de redelijke termijn van besluitvorming bepaald wordt door de mogelijkheid van het bestuur om over alle gegevens te beschikken die IX-263-13/15 het treffen van een besluit mogelijk maken; dat zij daaraan toevoegt dat verzoeker ook geen belangenschade bewijst; 7.
- Overwegende dat uit het dossier van de zaak blijkt dat de aanvraag van verzoeker op verschillende hiërarchische niveaus onderzocht werd; dat verzoeker niet aantoont op welk precies punt in het besluitvormingsproces hij een vertraging meent te onderkennen die zo overdreven is dat zij het eindbesluit zelf vitieert; dat ook niet blijkt dat de lange periode van besluitvorming dat proces op een voor verzoeker nadelige wijze beïnvloed heeft; dat het overschrijden van de redelijke termijn in casu ook niet kan betekenen dat verzoeker over een positief antwoord op zijn vraag beschikt of dat de minister de gevraagde afwijking niet meer zou kunnen weigeren; dat het middel niet gegrond is; 8.
- Overwegende dat verzoeker in een zesde middel de schending van artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aanvoert, aangezien “(zijn) aanwezigheid bij de vrijwillige brandweer geen gevaar betekent voor de openbare veiligheid (...) en de bescherming van de openbare orde”; 8.
- Overwegende dat artikel 8 EVRM betrekking heeft op de bescherming van het privé-leven, het gezinsleven, het huis en de briefwisseling van de burgers; dat verzoeker niet uiteenzet op welke wijze die bepaling geschonden kan zijn door een beslissing waarbij een burger wordt verboden twee openbare functies met elkaar te cumuleren; dat het middel niet ontvankelijk is, IX-263-14/15 BESLUIT: Artikel
- De beroepen worden verworpen. Artikel
- De kosten van de beroepen tot nietigverklaring, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig november 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-263-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.784 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.