id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.785 Rolnummer: A. 117524/IX-3251 Zaak: Arrest 151785 - - 28/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-07 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-03 05:30 Fiche Arrest nr 151.785 van 28 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.785 van 28 november 2005 in de zaak A. 117.524/IX-
- In zake : Godelieve PISHOUDT, die woonplaats kiest bij advocaat H. KETSMAN, kantoor houdende te BRUSSEL, Schoonslaapsterstraat 29/1 tegen : de gemeente EVERE, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN ALSENOY, kantoor houdende te BRUSSEL, A. Dansaertstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Godelieve PISHOUDT op 1 maart 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 27 december 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Evere waarbij wordt gesteld dat zij, deel uitmakende van de personeelsformatie van het administratief personeel verbonden aan de politiedienst, automatisch overgegaan is naar het administratief en logistiek kader van de lokale politiezone Schaarbeek/ Evere/Sint-Joost-ten-Noode; Gelet op het arrest nr. 107.872 van 17 juni 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 26 juli 2002 door de verzoekende partij; IX-3251-1/13 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikking van 3 februari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 12 oktober 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 21 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. VAN DEN EECKHOUDT die, loco advocaat H. KETSMAN verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat V. SCHIPPERS die, loco advocaat K. VAN ALSENOY verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoekster is op 23 mei 1972 door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Evere benoemd tot opsteller in vast verband bij het gemeentebestuur. IX-3251-2/13 Vanaf haar indiensttreding tot 30 april 1998 is zij ingedeeld bij de afdeling “bouwtoelatingen” van de dienst “openbare werken” van de gemeentelijke administratie. 1.2.
- Op 27 april 1998 wijst het college van burgemeester en schepenen verzoekster vanaf 1 mei 1998, ten gevolge van “een reorganisatie van de diensten” in haar hoedanigheid van opsteller, toe aan de “dienst Politie, administratief secretariaat”. Die beslissing wordt aan verzoekster ter kennis gebracht met een brief van 30 april 1998 met de mededeling dat haar rechtstreekse dienstoverste de politiecommissaris is. 1.2.
- Op 26 juli 1999 besluit het college van burgemeester en schepenen verzoekster “in te schakelen in het administratief kader van het personeel van de politie”. Verzoekster wordt in die beslissing vermeld als titularis van de graad “administratieve assistente”. Verzoekster ondertekent die beslissing voor ontvangst op 30 november
- 1.3.
- De wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (hierna : WGP), bepaalt onder meer dat het grondgebied van het Rijk in politiezones wordt verdeeld, bestaande uit één of meer gemeenten, met elk een lokaal politiekorps en dat de meergemeentezones de rechtspersoonlijkheid krijgen. Dienovereenkomstig is bij koninklijk besluit van 28 april 2000 het grondgebied van de gemeente Evere ingedeeld bij de meergemeentezone Schaarbeek/Evere /Sint-Joost-ten-Noode. Bij koninklijk besluit van 7 februari 2002 is de lokale politie van de politiezone Schaarbeek/Evere/Sint-Joost-ten-Noode ingesteld op datum van 1 januari
- Dat houdt, luidens artikel 248, tweede lid, van de wet van 7 december 1998, in dat artikel 235 van dezelfde wet op die dag van toepassing wordt. IX-3251-3/13 1.3.
- Overeenkomstig artikel 235, eerste lid, van de wet van 7 december 1998 gaan de leden van de gemeentelijke politiekorpsen over naar het operationeel korps van de lokale politie. Daarbij sluiten een voor de onderhavige zaak nuttig tweede en derde lid aan, luidend als volgt : “De leden van het administratief en logistiek kader van de gemeentelijke politiekorpsen gaan over naar het administratief en logistiek kader van de lokale politie”, en : “Het niet politioneel gemeentelijk personeel in dienst bij de gemeentelijke politiekorpsen kunnen overgaan naar het administratief en logistiek kader van de lokale politie”. 1.4.
- In het Belgisch Staatsblad van 17 februari 2001 wordt de ministeriële omzendbrief PLP 4 van 14 februari 2001 betreffende het behoud van het oorspronkelijk statuut bekendgemaakt. Daarin wordt bepaald dat, aangezien het nieuwe statuut van het personeel van de politiediensten in werking treedt op 1 april 2001, de leden van de gemeentelijke politiekorpsen en “de leden van het administratief en logistiek kader van de gemeentelijke politiekorpsen” hun keuze voor het eventueel behoud van hun oorspronkelijke rechtspositieregeling moeten mededelen ten laatste op 31 maart 2001, terwijl “het niet-politioneel gemeentelijk personeel in dienst bij de gemeentelijke politiekorpsen slechts (zal) kiezen op het ogenblik dat het overgaat naar de lokale politie, zijnde het ogenblik van totstand- koming van de lokale politie overeenkomstig artikel 248 van de wet van 7 december 1998”. 1.4.
- Naar aanleiding van die omzendbrief vraagt de politiecommissaris van Evere op 21 februari 2001 aan de gemeentesecretaris of het burgerpersoneel dat bij het politiekorps werkt, deel uitmaakt van het kader van de gemeentelijke politie dan wel of zij personeelsleden zijn van de gemeentelijke administratie die gede- tacheerd zijn naar de politiediensten. Uit het dossier blijkt niet dat hij een antwoord op die vraag gekregen heeft. IX-3251-4/13 1.
- Op 20 september 2001 beslist de gemeenteraad van Evere, ter uitvoering van de reglementaire bepalingen waarbij de nieuwe politiestructuur operationeel wordt gemaakt, aan verzoekster met ingang van 1 april 2001 de nieuwe graad van administratief assistent en de weddeschaal C3A toe te kennen. 1.
- Op 30 oktober 2001 richt verzoekster een brief aan de commissaris-korpschef, waarin zij de vraag stelt tot welk kader zij behoort, van wie zij afhangt en wat haar statuut is, brief waarvan zij een kopij aan het college van burgemeester en schepenen verstuurt. Uit het dossier blijkt niet dat zij een antwoord op die vragen gekregen heeft. 1.
- In de omzendbrief nr. PLP 16 van 28 november 2001 betreffende de overgang naar het administratief en logistiek kader (CALOG) van de lokale politie krachtens artikel 235, tweede, derde en vierde lid, WGP wordt bepaald dat de leden van het administratief en logistiek kader van de gemeentepolitie, dit wil zeggen “de personeelsleden die een betrekking bekleden op het kader van de gemeentepolitie”, “automatisch” overgaan naar het administratief en logistiek kader (CALOG) van de lokale politie, terwijl de leden van het niet-politioneel gemeentepersoneel kunnen overgaan op de datum van de inplaatsstelling van de lokale politie, indien zij die keuze maken. Laatst genoemden kunnen dan binnen de drie maanden kiezen om hun oud statuut te behouden. 1.
- Op 27 december 2001 neemt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Evere het besluit waarvan thans de nietigverklaring wordt gevorderd. Het luidt als volgt : "Uit een gecombineerde lezing van het artikel 235 van de wet van 7.12.1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus en de omzendbrief PLP 16 van 28.11.2001 betreffende de overgang naar het administratief en logistiek kader (CALOG) krachtens artikel 235, 2e, 3e en 4e lid WGP, blijkt dat de leden van het administratief en logistiek kader van de gemeentelijke politiekorpsen 'automatisch' overgaan naar het administratief en logistiek kader van de lokale politie. Onderstaande personeelsleden die op datum van 31.12.2001 deel uitmaakten van de organieke personeelsformatie van het administratief personeel verbonden IX-3251-5/13 aan de politiedienst of die via een vermelding in de arbeidsovereenkomst specifiek aan de politiedienst werden toegewezen worden dan ook beschouwd als zijnde overgegaan naar het CALOG van de lokale politiezone Schaarbeek - Evere - Sint-Joost-ten-Noode : - (.....) - PISHOUDT Godelieve, administratief assistent - (...)". Met een 31 december 2001 gedagtekende brief wordt verzoekster ervan verwittigd dat zij vanaf 1 januari 2002 deel uitmaakt van de politiezone Schaarbeek/Evere/Sint-Joost-ten-Noode. Verzoekster protesteert op 28 januari 2002 bij het college van burgemeester en schepenen tegen die beslissing; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij aanvoert dat het beroep niet ontvankelijk is ratione materiae aangezien het bestreden besluit de rechtstoestand van verzoekster niet gewijzigd heeft, nu het college van burgemeester en schepenen alleen maar vastgesteld heeft dat verzoekster, in toepassing van artikel 235 WGP, automatisch overgegaan is naar het administratief en logistiek kader van de lokale politie; 2.
- Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord repliceert dat zij door de verwerende partij “gedetacheerd” werd naar het secretariaat van de gemeentelijke politie, dat zulks gebeurd is met het besluit van 26 juli 1999, en dat haar nooit medegedeeld is “dat zij voortaan zou deel gaan uitmaken van het administratief kader bij het politiekorps”; 2.
- Overwegende dat krachtens artikel 235, tweede lid, WGP de leden van het administratief en logistiek kader van de gemeentelijke politiekorpsen overgaan naar het administratief en logistiek kader van de lokale politie; dat krachtens artikel 235, derde lid, WGP het niet politioneel gemeentelijk personeel in dienst bij de gemeentelijke politiekorpsen kunnen overgaan naar het administratief en logistiek kader van de lokale politie; dat in haar enig middel verzoekster de onwettigheid van het bestreden besluit bepleit omdat zij van oordeel is dat zij, als niet-politioneel personeelslid in dienst van de gemeente Elsene, niet onder toepassing IX-3251-6/13 kan vallen van artikel 235, tweede lid, WGP; dat de exceptie bijgevolg verbonden is met de grond van de zaak; 3.
- Overwegende dat verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van artikel 235 WGP, van de omzendbrief PLP 4 betreffende het behoud van het oorspronkelijk statuut en van de omzendbrief PLP 16 betreffende de overgang naar het administratief en logistiek kader (CALOG) van de lokale politie, doordat de verwerende partij, bij het treffen van het bestreden besluit waarmee een einde gesteld wordt aan haar statuut van statutair personeelslid van de gemeente, er ten onrechte van uitgegaan is dat zij behoort tot de categorie personen die automatisch overgaan naar de lokale politie; dat zij de volgende argumenten ontwikkelt: haar statuut is nooit gewijzigd; de beslissing van 27 april 1998 van het college van burgemeester en schepenen waarbij zij werd toegewezen aan de dienst administratief secretariaat van de politie betrof een interne maatregel in het kader van de reorganisatie van de diensten en de affectatie van het personeel; ook de beslissing van 26 juli 1999 om haar in te schakelen in het administratief kader van het personeel van de politie heeft niet tot gevolg gehad dat zij tot het kader van het gemeentelijk politiekorps is gaan behoren en geen statutair gemeentepersoneelslid meer was of dat haar statuut gewijzigd werd; artikel 235 WGP, nader uitgewerkt door de omzend- brief PLP 4, maakt een onderscheid tussen de leden van het administratief en logistiek kader van de gemeentelijke korpsen -die automatisch overgaan naar het lokaal politiekorps- en het niet-politioneel gemeentelijk personeel in dienst bij een gemeentelijk politiekorps; laatstgenoemde categorie kan naar het lokaal politiekorps overgedragen worden, dat moet gebeuren door de gemeenteraad -het gaat immers om de wijziging van het statuut van de betrokkene- en de betrokkene moet de gelegenheid krijgen om die overdracht te weigeren, zoals uiteengezet in de omzendbrief PLP 16; dergelijke statuutwijziging is in haar geval niet gebeurd of in elk geval heeft zij er nooit inspraak over gehad; aangezien haar statuut steeds ongewijzigd gebleven is, behoort zij tot de groep niet-politioneel gemeentepersoneel en kon zij de overgang naar het lokaal politiekorps weigeren; IX-3251-7/13 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord uiteenzet wat volgt: zo verzoekster met het besluit van 27 april 1998 toegewezen is aan de dienst Politie-administratief secretariaat, dan is zij met het besluit van 26 juli 1999 ingeschakeld bij het personeel van de politie en is zij vanaf dat ogenblik -ook al heeft zij dat misschien op het terrein niet als zodanig ervaren, nu in de oude regeling het gemeentelijk politiekorps tot de gemeentediensten behoorde en het statuut niet veranderde- deel gaan uitmaken van het administratief en logistiek kader van het gemeentelijk politiekorps; verzoekster heeft van die beslissing kennis gekregen, zij heeft er zich niet tegen verzet en nu wil zij langs een omweg de onwettigheid ervan vastgesteld zien; 3.
- Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord bijkomend aanvoert wat volgt: de beslissing van 26 juli 1999 is de bevestiging van de beslissing van 27 april 1998 waarbij zij werd toegewezen aan de dienst “administratief secretariaat van de politie”; de verwerende partij heeft nooit naar de WGP verwezen en heeft haar ook nooit gezegd dat haar statuut wijzigde, zodat zij geen reden had om te vermoeden dat de beslissing van 26 juli 1999 nieuwe rechtsgevolgen tot stand zou brengen; in ieder geval vindt de stelling dat de beslissing van 26 juli 1999 als een dienstaanwijzing beschouwd moet worden, steun in het feit dat verzoekster nog uitgenodigd is om deel te nemen aan een bevorderingsexamen voor een functie C4 waarbij als voorwaarde was gesteld dat het slagen in het examen impliceerde dat de betrokkene de functie aanvaardde, terwijl de functie C4 enkel buiten het politiekader bestaat; bovendien heeft zij het formulier dat het personeel dat tot het administratief kader van de politie behoorde vóór 1 april 2001 moest invullen, niet ontvangen, hetgeen bewijst dat de verwerende partij van oordeel was dat zij geen keuze moest maken; 3.
- Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie nog stelt dat, zelfs zo aangenomen wordt dat zij op 31 december 2001 lid was van het administra- tief personeel van het gemeentelijk politiekorps, er te haren opzichte toch nog niet mocht vastgesteld worden dat zij automatisch overging naar het lokaal politiekorps omdat daarmee haar statuut werd gewijzigd, terwijl de betrokkenen overeenkomstig IX-3251-8/13 de omzendbrief PLP 4 de mogelijkheid hadden om tot 31 maart 2001 te opteren voor hun oud statuut en zij van die keuzemogelijkheid nooit ingelicht is; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie herhaalt dat uit de inschakeling van verzoekster op 26 juli 1999 in het kader van de gemeentelijke politie -beslissing die haar op 30 november 1999 aangezegd is en waartegen zij geen beroep ingesteld heeft- volgt dat zij onder de toepassing valt van artikel 235, tweede lid, WGP; dat zij daar nog aan toevoegt dat verzoekster niet kan verwijzen naar een omzendbrief die klaarblijkelijk voorwaarden toevoegt aan de wettelijke regeling terzake; 3.6.
- Overwegende dat, blijkens de stukken die in het dossier zijn neergelegd, de gemeenteraad van Evere op 21 december 1995 de “personeels- formatie van het politiepersoneel” vastgesteld heeft; dat daar toen geen administratief personeel was op vermeld; dat die personeelsformatie op 6 november 1997, met uitwerking op 1 januari 1998, opnieuw vastgesteld is met de toevoeging van een “organieke personeelsformatie van het administratief personeel verbonden aan de politiedienst”, bestaande uit vier betrekkingen voor “administratieve assistenten (C1- 2-3)” en een betrekking voor een “administratief adjunct (D2-3)”; dat die formatie van het administratief personeel verbonden aan de politiedienst door het gemeenteraadsbesluit van 25 februari 1999 bestendigd is wat de vier administratieve assistenten betreft en dat zij voor het overige uitgebreid is met nieuwe betrekkingen; 3.6.
- Overwegende dat de affectatie de beslissing is waarbij de bevoegde instantie, binnen de mogelijkheden die het statuut haar biedt, in het kader van de goede werking van de dienst een betrekking welke op het personeelskader vermeld is, aan een ambtenaar toewijst; IX-3251-9/13 Overwegende dat, daargelaten de vraag of het besluit van 27 april 1998 van het college van burgemeester en schepenen waarbij verzoekster -met ingang van 1 mei 1998, in het kader van de “reorganisatie van de diensten en toewijzing van personeel”- in haar hoedanigheid van opsteller werd toegewezen “aan de dienst Politie - administratief secretariaat”, al niet tot gevolg had dat verzoekster een betrekking bekleedde van het administratief gemeentepersoneel verbonden aan de politiedienst, het besluit van 26 juli 1999 dat in ieder geval geformaliseerd heeft, aangezien daarbij formeel besloten is “Mevr. PISHOUDT G., administratieve assistente, in te schakelen in het administratief kader van het personeel van de politie” en aangezien verzoekster nooit betwist heeft dat de graad van administratieve assistente en van opsteller identiek en onderling inwisselbaar zijn; dat verzoekster bijgevolg zeker met het besluit van 26 juli 1999, waartegen zij geen annulatieberoep ingediend heeft, een gemeenteambtenaar is geworden die een betrekking bekleedt van het administratief personeel verbonden aan de politiedienst; dat, nu zij sindsdien een plaats inneemt die door de gemeenteraad organiek bij de politiedienst ingedeeld is, zij, in de termen van artikel 235 WGP een lid is van het administratief kader van een gemeentelijk politiekorps, waarvan de administratieve toestand door het tweede lid van die bepaling geregeld wordt; dat zij derhalve vanaf de inwerkingtreding van artikel 235 WGP -overeenkomstig artikel 248, tweede lid, WGP is dit 1 januari 2002, de datum waarop krachtens het koninklijk besluit van 7 februari 2002 de betreffende lokale politiezone ingesteld wordt- een personeelslid geworden is van de lokale politiezone Schaarbeek/Evere/Sint-Joost-ten-Noode en dat in die zin haar statuut door de wetgever zelf gewijzigd is; 3.6.
- Overwegende dat de wet van 7 december 1998 op 26 juli 1999 -de datum waarop verzoekster definitief geaffecteerd werd op het personeelskader van de gemeentelijke politiedienst- nog geen uitwerking had; dat het college van burgemeester en schepenen dan ook op dat ogenblik de situatie van verzoekster kon regelen met inachtneming van de toen geldende wetgeving, zonder dat het de verplichting had verzoekster expliciet voor te lichten over de gevolgen die deze beslissing in de toekomst zou kunnen hebben op haar toekomstige juridische situatie; dat, in de toen bestaande regeling, het personeel van de politiedienst behoorde tot het IX-3251-10/13 gemeentepersoneel zodat een affectatiebesluit volstond om, zonder haar statuut van gemeentelijk personeelslid daarmee te wijzigen, de betrekking van verzoekster aan te rekenen op het kader van het administratief personeel van de gemeentelijke politie; 3.6.
- Overwegende dat verzoekster ten onrechte een argument voor haar stelling ontleent aan de omstandigheid dat zij in 2000 en 2001 nog door de gemeente uitgenodigd werd om deel te nemen aan de vorming en een bevorderingsexamen voor leidinggevende functies van Code 4, terwijl dergelijke betrekkingen niet voorkomen op het administratief kader van de politie; dat immers, op het ogenblik dat de gemeente haar die gelegenheid bood, zij nog een volwaardig statutair personeelslid van de gemeente was, tewerkgesteld op de dienst politie en dat zij aldus in aanmerking kwam voor bevorderingen naar alle andere diensten van het gemeentebe- stuur waarvoor geen afsluiting was ingesteld; dat de juridische opsplitsing tussen het kader van het gemeentepersoneel en het kader van het politiepersoneel van de gemeente pas tot stand gebracht is met artikel 235 WGP, dat uitwerking heeft gekregen op 1 januari 2002; 3.6.
- Overwegende dat, waar verzoekster een argument vindt in de mogelijkheid om te kiezen voor het behoud van haar bestaand statuut en te dien aanzien de bevestiging van haar gelijk meent te kunnen lezen in de omzendbrieven PLP 4 en PLP 16, zij de transfer van het administratief personeel van het gemeentelijk politiekorps naar het administratief en logistiek kader van de lokale politie verwart met de mogelijkheid die voor het getransfereerd personeel ingesteld is om te kiezen voor het behoud van zijn vorig statuut; dat immers het personeel dat op het gemeentelijk personeelskader ingedeeld was bij de politie door artikel 235, tweede lid, WGP zelf naar het lokaal politiekorps overgedragen wordt en dat die personeelsleden niet, zoals de gemeentepersoneelsleden die niet organiek tot de politiedienst behoorden, over de mogelijkheid beschikken om hun overgang te weigeren; dat hoger is gesteld dat verzoekster een betrekking van het gemeentelijk politiekader bezette; dat het recht van die ambtenaren om te opteren voor het behoud van hun vorig statuut, zich situeert op het niveau van de verhouding tussen de ambtenaar en het nieuwe bestuur; dat mogelijke onregelmatigheden die bij de IX-3251-11/13 toepassing van die overgangsregeling zijn begaan geen weerslag hebben op de overdracht zelf; dat verzoekster voor het overige niet concreet aanwijst welke rechten de omzendbrieven waarnaar zij verwijst -die uiteraard geen nieuwe normen kunnen toevoegen aan wat de wet heeft bepaald- haar verlenen en op welke wijze de verwerende partij die rechten zou miskend hebben; 3.6.
- Overwegende dat het enig door verzoekster aangevoerd middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verwerende partij terecht artikel 235, tweede lid, WGP, op verzoekster toegepast heeft; dat, met die vaststelling voor ogen, het bestreden besluit nog enkel een declaratief karakter heeft en dat de vernietiging ervan verzoekster geen enkel voordeel kan opleveren, nu in ieder geval artikel 235 WGP haar nieuwe situatie regelt; dat derhalve de ongegrondheid van het middel tot gevolg heeft dat de exceptie aangevoerd door de verwerende partij gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. IX-3251-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig november 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-3251-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.785 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.107.872 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.