id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.786 Rolnummer: A. 165756/VII-37471 Zaak: Arrest 151786 - Voedselveiligheid (FAVV) - 28/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-07 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 05:30 Fiche Arrest nr 151.786 van 28 november 2005 Sociale zaken en volksgezondheid - Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.786 van 28 november 2005 in de zaak A. 165.756/IX-
- In zake : François BEDA, wonende te LOKEREN, Hillarestraat 92 tegen : het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de Voedselketen, dat woonplaats kiest bij advocaten R. DEPLA en M. STUBBE, kantoor houdende te BRUGGE-SINT-KRUIS, Karel van Manderstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat François BEDA op 5 september 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 8 juli 2005 van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) waarbij aan zijn bedrijf het H-statuut wordt opgelegd voor een periode van 52 weken; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 19 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-5034-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. DEVROE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat J. HOSTE die, loco advocaat R. DEPLA verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verwerende partij, verwijzend naar het niet- conform resultaat van een laboratoriumonderzoek betreffende de aanwezigheid van stoffen met hormonale werking in de mest van twee runderen van het bedrijf van verzoeker, met het bestreden besluit van 8 juli 2005 aan het bedrijf van verzoeker het H-statuut opgelegd heeft voor de duur van 52 weken, overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 september 1997 betreffende maatregelen inzake de verhandeling van landbouwdieren ten aanzien van bepaalde stoffen of residu’s daarvan met farmacolo- gische werking;
- Overwegende dat de verwerende partij terloops opmerkt dat zij, bij het opleggen van het H-statuut, over geen beoordelingsbevoegdheid beschikt; dat, aangenomen dat daarin een ontvankelijkheidsexceptie kan worden onderkend, de Raad van State daar op dit ogenblik geen uitspraak over doet nu, zoals hierna zal blijken, de vordering toch om een andere reden verworpen moet worden;
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker een moreel en een materieel nadeel aanvoert; dat hij een moreel nadeel ziet in het brandmerken van zijn bedrijf en van zijn naam, terwijl hij nog nooit in aanraking gekomen is met de politie en een blanco strafblad heeft; dat hij de herstelbaarheid van dat nadeel betwist met verwijzing naar de “flagrante onwettigheid” die in dit geval begaan is en dat hij ook stelt dat reeds is aangenomen dat het brandmerken van een IX-5034-2/5 bedrijf, gekoppeld aan de onmogelijkheid om regulier handel te drijven, een nadeel vormt dat een schorsing verantwoordt; dat hij een materieel nadeel ziet in de “financiële strop” die de maatregel welke hem nu wordt opgelegd en die bijzonder zware gevolgen heeft, hem bezorgt waardoor de leefbaarheid van zijn bedrijf in het gedrang komt; dat hij zulks verduidelijkt met de verwijzing enerzijds naar de verplichting om zijn dieren in Belgische slachthuizen te laten slachten en naar de verplichting om bijkomend monsters te laten nemen hetgeen zoveel tijd zal kosten dat het vlees niet meer geschikt is voor de consumptie en anderzijds naar het verlies van “premies voor één jaar”, terwijl “hij zelf niets verkeerd gedaan heeft”; dat hij ook verwijst naar de beknotting van zijn vrijheid van handel door de fout van derden; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen stelt dat een financieel nadeel slechts wordt aangenomen wanneer de levensvatbaarheid van de onderneming in het gedrang komt, dat verzoeker zulks niet concreet aantoont -geen boekhoudkundige gegevens, geen uiteenzetting over de eigenlijke beroepsbezigheden van verzoeker en zijn vrouw, geen uiteenzetting van het aantal dieren op het bedrijf- en dat, bovendien, de toekenning van het H-statuut niet van aard is om verzoeker een financiële strop te bezorgen, terwijl de bemonstering niet dermate uitloopt dat het vlees ongeschikt zou worden voor consumptie; dat zij ten aanzien van het aangevoerde moreel nadeel eveneens wijst op de weinig concrete bewijsvoering en daar aan toevoegt dat moreel nadeel hersteld wordt door een vernietigingsarrest, terwijl een flagrante onwettigheid wel in aanmerking wordt genomen om een bewezen nadeel niet te moeten blijven ondergaan maar dat zulks op zich geen bron van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan zijn; dat zij besluit dat het nadeel vaag en weinig nauwkeurig wordt omschreven en dat de ernst van het nadeel dat verzoeker aanvoert in ieder geval gerelativeerd moet worden, aangezien hij tot de laatste dag van de beroepstermijn heeft gewacht om zijn vordering in te dienen; 4.
- Overwegende dat de raadsman van verzoeker ter terechtzitting een document overlegt waaruit blijkt dat de aangestelde van het FAVV op 7 oktober 2005 aan verzoeker medegedeeld heeft dat de bestreden beslissing “geschorst (wordt) vanaf 7 oktober 2005”, dat hij 57 identificatiedocumenten meegenomen heeft om op kosten van het FAVV herdrukt te worden en dat verzoeker na herdruk vrij over die identificatiedocumenten mag beschikken; dat de raadsman van de verwerende partij de inhoud van dat stuk bevestigt; IX-5034-3/5 4.
- Overwegende dat verzoeker, als gevolg van de voormelde schorsingsbeslissing vanwege het bestuur, thans geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel meer ondergaat, terwijl een schorsingsarrest enkel voor de toekomst gevolgen kan hebben; dat de raadsman van verzoeker er wel op wijst dat de bestreden beslissing slechts geschorst is en dat hij daarom zijn vordering handhaaft; 4.
- Overwegende dat de schorsing voor onbepaalde duur, gepaard gaande met het bevel om de materiële gevolgen van de bestreden beslissing teniet te doen, niet anders gekwalificeerd kan worden dan als een intrekking van het bestreden besluit; dat immers de verwerende partij het bedrijf van verzoeker alleen met een nieuw besluit weer onder het H-statuut kan brengen; dat verzoeker zich tegen dergelijk nieuw besluit zal kunnen verzetten; dat dan ook vastgesteld kan worden dat er geen beslissing meer bestaat die aan verzoeker een nadeel berokkent; 4.
- Overwegende, vóór alles, dat het nadeel dat verzoeker aanvoert, niet ernstig en moeilijk te herstellen is; dat immers bij de beoordeling van de bijzondere elementen die volgens verzoeker het bestaan van een financieel nadeel -dat in beginsel steeds herstelbaar is- aannemelijk moeten maken, vastgesteld wordt dat, nu de toekenning van het H-statuut alleen maar een aantal bijkomende verplichtingen met zich brengt op het ogenblik dat de dieren van het bedrijf worden geslacht, verzoeker geen concrete gegevens voorlegt die toelaten enig zicht te krijgen op het daadwerkelijk financieel verlies dat hij verwacht; dat verzoeker wel beweert, maar geenszins bewijst dat hij min of meer geregeld dieren in het buitenland laat slachten en dat de verplichting om zijn dieren voortaan in Belgische slachthuizen aan te bieden zijn bedrijfsvoering en zijn “vrijheid van handel” determinerend dreigt te belasten; dat de verwijzing naar het onbruikbaar worden van het vlees dat bijkomende proeven moet ondergaan, een loze bewering is; dat de verwerende partij ook terecht verwijst naar het ontbreken van bewijzen over het aandeel dat het fokken van dieren beslaat in de gehele economische activiteit van het gezin van verzoeker; dat, wat het moreel belang betreft, verzoeker evenmin concrete gegevens aanbrengt die aantonen dat zijn geval buiten het gewone ligt en dat een vernietigingsarrest niet zal volstaan om de brandmerking van zijn naam en van zijn bedrijf teniet te doen; dat de omstandigheid dat verzoeker met het indienen van de onderhavige vordering gewacht heeft totdat de beroepstermijn voor het vorderen van de vernietiging bijna verstreken was, de argumentatie van verzoeker betreffende de ernst van het nadeel zeker geen kracht bijzet; dat de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel een schorsings- voorwaarde is die afzonderlijk onderzocht moet worden; dat gewis het ernstig IX-5034-4/5 karakter van de middelen -verzoeker spreekt van een “flagrante onwettigheid” van het bestreden besluit- in bepaalde specifieke gevallen door de rechtspraak in aanmerking wordt genomen om te besluiten dat een verzoeker niet de afloop van de gewone annulatieprocedure dient af te wachten, maar dat, rekening houdend met de repliek van de verwerende partij in haar nota met opmerkingen, de Raad van State -daarin gesteund door het onderzoek gedaan door de auditeur-verslaggever- dergelijke in het oog springende onwettigheid in het verzoekschrift niet onderkent, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig november 2000 en vijf, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS A. VANDENDRIESSCHE IX-5034-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.786 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.337 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.