← België

Arrest 151797 - - 28/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.797 Rolnummer: A. 107689/VII-24146 Zaak: Arrest 151797 - - 28/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-07 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 05:32 Fiche Arrest nr 151.797 van 28 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 151.797 van 28 november 2005 in de zaak A. 107.689/VII-24.146 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. HUBERT, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Regentschapsstraat 23 tegen: de Belgische Staat, vertegenwoordigd door

  1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  2. de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kongolese nationaliteit, op 18 juli 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 juni 2001 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 april 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 1 augustus 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 8 september 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 11 oktober 2005; VII-24.146-1/9 Gelet op de beschikking van 4 oktober 2005 waarbij de beschikking van 8 september 2005 houdende vaststelling van de zaak op de openbare terechtzitting van 11 oktober 2005 wordt ingetrokken, en waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 25 oktober 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat Y. MALOLO, die, loco Advocaat P. HUBERT, verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat A. DE MEU, die, loco Advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  4. De verzoekende partij kwam België binnen op 26 september 1999 en verklaarde zich vluchteling op 28 september
  5. 1.
  6. Op 4 april 2000 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  7. Op 19 juni 2001 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing als volgt: “Betrokkene werd verhoord op 12 september 2000 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Lingala taal machtig is, en in aanwezigheid van zijn advocaat, Mr. Hubert. Betrokkene verklaarde de Kongolese (Democratische Republiek Kongo) nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit Kinshasa. Haar vader, die van Tutsi- origine was, zou militair geweest zijn in het leger van wijlen ex-president Mobutu. In november 1996 werd hij opgepakt op verdenking van collaboratie met de oprukkende Rwandese soldaten onder leiding van de latere president Laurent-Désiré Kabila. Toen die op 17 mei 1997 de macht in Kinshasa overnam werd betrokkenes vader vrijgelaten. Na een maand begon hij te werken op het secretariaat van Kabila's AFDL ofte ‘Alliance de Forces Démocratiques pour la Libération’. Op 2 augustus 1998 kwam hij na zijn werk niet meer thuis en sindsdien is hij vermist. Op 6 augustus 1998 vielen soldaten bij betrokkene thuis binnen op zoek naar haar vader. Omdat betrokkene het precieze adres van diens werk niet kon meedelen verbrandde één van de militairen haar met haar strijkijzer. Bij hun vertrek dreigden ze ermee te zullen terugkeren. Sindsdien bleven betrokkene en haar broers binnenshuis. Op 2 juni 1999 ging ze samen met haar moeder en haar broers naar Brazzaville (Volksrepubliek Kongo). Toen daar tijdens de VII-24.146-2/9 nacht van 3 op 4 juni 1999 geschoten werd, vluchtten ze het huis waar ze verbleven uit. Betrokkene verloor haar familie uit het oog en ontmoette zuster Godelieve, die haar enige dagen onderdak verleende. Op 6 juni 1999 verliet ze samen met Godelieve Brazzaville en ging ze met haar naar Douala (Kameroen). Godelieve bezorgde betrokkene geleende reisdocumenten in ruil voor achthonderd dollar en juwelen. Op 25 september 1999 namen ze samen het vliegtuig naar Parijs, van waaruit ze de volgende ochtend de trein naar Brussel namen. Godelieve reisde door naar de Verenigde Staten. Betrokkene vroeg op 28 september 1999 asiel aan. Er dient te worden vastgesteld dat betrokkene niet aannemelijk kan maken dat er in haren hoofde een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Geneefse Vluchtelingenconventie bestaat. Ze baseert de door haar ingeroepen vrees op het feit dat haar vader een Rwandese achtergrond heeft. Uit haar relaas blijkt echter niet dat zij op grond hiervan werkelijk zou zijn gezocht. In de periode waarin de hetze tegen de Rwandezen het hevigst woedde, augustus 1998, kreeg zij kennelijk enkel een militair bezoek met het oog op het vinden van haar vader, waarbij zij wel verwond en bedreigd werd maar dat geen enkel vervolg heeft gekregen. Na dit bezoek bleef betrokkene ongestoord in Kinshasa tot 2 juni 1999, de dag waarop zij kennelijk zonder concrete aanleiding naar Brazzaville vertrok. Bovendien verbleef zij vervolgens meer dan drie maanden in Kameroen, en verliet zij dit land kennelijk zonder er enig probleem te hebben ondervonden. Tegenstrijdige verklaringen ondermijnen verder de geloofwaardigheid van haar relaas. Zo stelde ze ten aanzien van het Commissariaat-generaal (cf. verhoor dd. 12 september 2000, p. 2) dat haar zus Kibwa net als haar vader op 2 augustus 1998 verdween en nooit meer is teruggezien, terwijl ze hiervan tijdens het verhoor door de Dienst Vreemdelingenzaken geen enkele melding maakte. Het feit dat haar zus Solange Rwasibo (CG/97/10482) in België erkend werd als vluchtelinge nadat ze in oktober 1996 Kinshasa verliet en in januari 1997 in België aankwam, doet geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen. Deze zus verliet Kongo blijkens haar dossier immers naar aanleiding van een opkomende anti-Rwandese sfeer, maar zoals gezegd werd betrokkene op het hoogtepunt van deze sfeer en de ermee gepaard gaande vervolging kennelijk niet persoonlijk geviseerd. Betrokkene legde twee getuigenissen voor van mensen die haar vader hebben gekend: één van Nkusi François (CG/98/22847) en één van Habimana Minani (CG/98/19441). Deze getuigenissen zeggen echter niets over de gebeurtenissen die betrokkene als grond voor haar vlucht inroept en doen dus geen afbreuk aan voorgaande vaststellingen. Bij gebrek aan andere documenten kunnen noch betrokkenes reisweg, noch haar ware identiteit worden nagegaan. Ten slotte bevat betrokkenes verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 4 april
  8. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens andersluidende onderrichting van de bevoegde Minister of van diens gemachtigde, is, overeenkomstig art. 17, par. 2, al. 2, van het Koninklijk Besluit van 19 mei 1993, de termijn om het grondgebied te verlaten deze bepaald in de aangevochten beslissing, te weten 5 dagen ingaand op de datum van de betekening van onderhavige bevestigende beslissing”. VII-24.146-3/9 Dit is de bestreden beslissing; 2.
  9. Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat het beroep niet ontvankelijk zou zijn omdat in het verzoekschrift de taal voor het in artikel 35 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bedoelde verhoor niet werd vermeld, in strijd met het voorschrift van artikel 20, tweede lid, 4/, van voornoemd koninklijk besluit; 2.
  10. Overwegende dat de vermelding van de taal van het verhoor niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven, noch een substantiële vormvoorwaarde is; dat uit artikel 35 van voornoemd koninklijk besluit blijkt dat het ontbreken van taalkeuze enkel voor gevolg heeft dat er geen tolk wordt opgeroepen tijdens de zitting van de kamer wanneer deze zou besluiten tot het horen van de verzoekende partij over te gaan; dat dit zeer uitzonderlijk is, te meer daar de procedure bedoeld door voornoemd koninklijk besluit essentieel schriftelijk is (artikel 30, § 3, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973); dat de exceptie niet kan worden aangenomen; 3.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Moyen Unique: Moyen pris de la violation de l'article 1er de la Convention de Genève du 28.7.51, des articles 52 et 62 de la loi du 15.12.1980, des articles 2 et 3 de la loi du 29.07.1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs, pris de la motivation absente, inexacte, insuffisante ou contradictoire et dès lors de l'absence de motifs légalement admissibles, de l'erreur manifeste d'appréciation, de la violation du principe général du devoir de prudence, du principe général de bonne administration, du principe général selon lequel l'autorité administrative est tenue de statuer en prenant connaissance de tous les éléments de la cause ainsi que du principe général de droit aux termes duquel les droits de la défense doivent être respectés Motifs retenus par la décision du Commissaire general: ‘Er dient te worden vastgesteld dat betrokkene niet aannemelijk kan maken dat er in haren hoofde een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Geneefse Vluchtelingenconventie bestaat. Ze baseert de door haar ingeroepen vrees op het feit dat haar vader een Rwandese achtergrond heeft. Uit haar relaas blijkt echter niet dat zij op grond hiervan werkelijk zou zijn gezocht. In de periode waarin de hetze tegen de Rwandezen het hevigst woedde, augustus 1998, kreeg zij kennelijk enkel een militair bezoek met het oog op het vinden van haar vader, waarbij zij wel verwond en bedreigd werd maar dat geen enkel vervolg heeft gekregen. Na dit bezoek bleef betrokkene ongestoord in Kinshasa tot 2 juni 1999, de dag waarop zij kennelijk zonder concrete aanleiding naar Brazzaville vertrok. Bovendien verbleef zij vervolgens meer dan drie maanden in Kameroen, en verliet zij dit land kennelijk zonder er enig probleem te hebben ondervonden.’ Il échet de tenir compte du jeune âge de la requérante au moment où les événements du mois d'août 1998 se sont déroulés; la requérante était totalement dépendante de sa mère ; celle-ci lui avait demandé de rester cachée et de ne plus fréquenter l'école; par ailleurs, la mère de la requérante entreprenait pendant ce temps des démarches afin de pouvoir fuir sans encombre vers Brazzaville; VII-24.146-4/9 Ce n'est donc pas au grand jour que la requérante a vécu mais bien dans l'insécurité permanente; Que lors de l'appréciation des faits, il appartenait à la partie adverse de prendre en considération l'âge de la requérante (C.E., 22.1.96, J.D.J., n/ 154, 4/96, 176); Qu'au Cameroun, la requérante était également totalement dépendante de soeur Godelieve qui entreprenait les démarches pour la faire fuir; que la requérante y a vécu également cachée; Qu'il ne peut ainsi être fait grief à la requérante d'être restée plus de 3 mois au Cameroun sans y avoir connu ‘le moindre problème’ sans avoir démontré dans le même temps avoir pris en considération la situation particulière de la requérante, alors mineure d'âge; Qu'afin de faciliter la fuite vers l'Europe, il est habituel de passer par le Cameroun; Qu'il échet enfin de rappeler que, pour motiver adéquatement et suffisamment une décision rejetant dès le stade de la recevabilité une demande de bénéfice du statut de réfugié, le Commissaire général se devait de tenir compte de l'ensemble des éléments du dossier et non seulement de ceux qui seraient défavorables à la reconnaissance sollicitée (C.E., n/ 51.146, 16.1.95); Que la motivation se doit d'être d'autant plus scrupuleuse lorsqu'elle aboutit à la conclusion que la demande est manifestement non fondée (C.E., n/ 56.754, 8.12.1995; 57.708, 22.1.1996). -‘Tegenstrijdige verklaringen ondermijnen verder de geloofwaardigheid van haar relaas. Zo stelde ze ten aanzien van het Commissariaat-generaal (cf. verhoor dd. 12 september 2000, p. 2) dat haar zus Kibwa net als haar vader op 2 augustus 1998 verdween en nooit meer is teruggezien, terwijl ze hiervan tijdens het verhoor door de Dienst Vreemdelingenzaken geen enkel melding maakte.’ Il ne s'agit nullement d'une contradiction mais d'une précision que la requérante a donné lors de son audition au Commissariat général, à l'occasion d'une question qui lui a d'ailleurs été posée par le juriste. A cet égard, ainsi que le relève le Guide établi par le H.C.R.: ‘
  12. Très souvent, le processus d'établissement des faits ne sera achevé que lorsque la lumière aura été faite sur tout un ensemble de circonstances. Le fait de considérer certains incidents isolément hors de leur contexte peut conduire à des erreurs d'appréciation...)’ (Ed. 1992, p. 52, n/ 201). -‘Het feit dat haar zus Solange Rwasibo (CG/97/10482) in België erkend werd als vluchtelinge nadat ze in oktober 1996 Kinshasa verliet en in januari 1997 in België aankwam, doet geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen. Deze zus verliet Kongo blijkens haar dossier immers naar aanleiding van een opkomende anti-Rwandaise sfeer, maar zoals gezegd werd betrokkene op het hoogtepunt van deze sfeer en de ermee gepaard gaande vervolging kennelijk niet persoonlijk geviseerd.’ Que la soeur de la requérante, Rwasibo Solange, a été reconnue réfugiée du fait notamment de ses origines ethniques et du climat anti-rwandais; Que le père de la requérante a disparu le 2 août 1998, soit précisément à une époque où le pouvoir alors en place donnait également la chasse aux rwandais ; que le 6 août 1998, des militaires venaient au domicile afin de connaître l'adresse exacte où travaillait le père de la requérante ; qu'après avoir été menacée, la requérante a vécu caché et a arrêté sa scolarité au vu de l'insécurité ambiante; S'il est exact d'affirmer, de manière toutefois générale, que la seule appartenance à une famille comptant un ou des réfugiés dans ses membres ne peut suffire en soit à justifier l'octroi du statut au requérant, la Commission permanente a également rappelé que cette circonstance ‘doit être prise en considération dans l'appréciation de la crainte alléguée’ (CPR-R, 98-1121/R7597 (Turquie)); Qu'il n'est par ailleurs nullement requis ‘que les éléments invoqués se fondent sur l'expérience personnelle du demandeur (...). Le sort subi par des parents ou amis ou par d'autres membres du même groupe racial ou social peut attester que la crainte du demandeur d'être lui-même tôt ou tard victime de persécution est fondée’ (CPR, 20 août 1992, R765 - § 43 du Guide du H.C.R., Ed. 1992, p. 13); -‘Betrokkene legde twee getuigenissen voor van mensen die haar vader hebben gekend: één van Nkusi François (CG/98/22847) en één van Habimana Minani (CG/98/19441). Deze getuigenissen zeggen echter niets over de gebeurtenissen voor die betrokkene als grond voor haar vlucht inroept en doen dus geen afbreuk aan VII-24.146-5/9 voorgaande vaststellingen. Bij gebrek aan andere documenten kunnen noch betrokkenes reisweg, noch haar ware identiteit worden nagegaan. Ten slotte bevat betrokkenes verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen’ Les témoignages déposés, tout comme la vérification opérée par le CGRA, confirment que le père de la requérante, Monsieur Rwasibo Ndoa Théoneste a travaillé sous le précédent régime de Kabila et qu'il a connu des problèmes du fait de ses origines ethniques; La requérante, en tant que fille d'une personne tutsi ayant occupé un poste de décision important dans le régime de L.D. KABILA (au Secrétariat général de l'AFDL) et au vu du contexte anti-rwandais prévalant lors de la disparition de son père le 2 août 1998, peut légitiment craindre que l'on s'en prenne à elle également. La loi prévoit explicitement que la motivation doit être adéquate, c'est-à-dire qu'elle doit manifestement avoir trait à la décision, qu'elle doit être claire, précise, complète et suffisante; Qu'au vu des considérations susvisées, il convient de constater que les faits relatés par la requérante ne pouvaient être considérés comme étant manifestement étrangers aux critères de la convention de Genève; Qu'il incombe au Conseil d'Etat d'exercer son contrôle de légalité à l'égard des motifs figurant dans l'acte soumis à sa censure (voir notamment C.E., 26.05.1993,J.L.M.B., 1993/803); Que ce contrôle de légalité de la décision administrative englobe le contrôle de l'exactitude des motifs de fait sur lesquels elle repose (C.E., 19.03.1993, arrêt n/ 42.357); Que, conformément à la jurisprudence du Conseil d'Etat, il revient à ce dernier de contrôler l'existence ainsi que, notamment, la pertinence des motifs qui sous-tendent une déclaration du Commissaire général (voir C.E., 8.02.1994, n/ 46.086, extr. urgence, R.D.E.,1994, n/ 78, p.148; C.E., 30.03.1994, n/ 46.784, R.D.E., 1994, n/ 78, p. 152; C.E., 25.04.1994, R.D.E., 1994, n/ 78, p. 170; C.E., 3.05.1994, n/ 47.153, R.D.E., 1994, p. 183, confirmé par C.E., 26.05.1994, n/ 47.679). Que, selon la jurisprudence constante du Conseil d'Etat, est manifeste, au sens de l'article 52 de la loi du 15.12.1980, ce dont l'existence ou la nature simpose à un esprit raisonnable avec une force de conviction telle que de plus amples investigations n'apparaissent pas nécessaire; Que l'accès à l'éligibilité ne peut être refusé que s'il résulte d'un premier examen que la demande d'asile est prima facie, sans le moindre doute, dénué de tout fondement (Dirk Vanheule, Vluchtelingen- Een overzicht na de wet van 6 mei 1993, Mys & Breesch, uitgevers, Gent, 1993, n/ 172, p. 63) Qu'en effet, est manifeste, au sens de l'article 52 de la loi du 15.12.1980, ‘ce dont 1' existence ou la nature s'impose à un esprit raisonnable avec une force de conviction telle que de plus amples investigations n'apparaissent pas nécessaires’ (C.E., 2.09.1994, n/ 48.856,R.D.E., 1994, n/ 80/81, 594-596; C.E., 8.09.1994, n/ 48.989, R.D.E., 1994, n/ 80/81, p. 605-607; C.E., n/ 53.200 du 10 mai 1995; n/ 53.581 du 7 juin 1995; n/ 53.578 du 7 juin 1995; n' 59.752 du 21 mai 1996, n/ 60.091 du 11 juin 1996); Qu'au vu des déclarations faites par la requérante au cours de ses auditions successives et reprises pour l'essentiel dans le présent recours, la partie adverse ne pouvait légalement en déduire, au vu des seuls motifs retenus mais insuffisants, que la demande est manifestement non fondée, parce que l'étranger n'a pas fourni d'élément de nature à établir qu'il existe, en ce qui le concerne, de sérieuses indications d'une crainte fondée de persécution au sens de la Convention de Genève.”; 3.
  13. Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt repliceert: “In het enig middel stelt verzoekster dat de bestreden beslissing artikel 1 van de Conventie van Genève van 28 juli 1951 alsook artikel 52 en 62 van de Vreemdelingenwet en artikel 2 en 3 van de uitdrukkelijke motiveringswet heeft VII-24.146-6/9 geschonden. Daarnaast zou de bestreden beslissing behept zijn met een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel manifest appreciatiegebrek. 2.
  14. Verweerder antwoordt voorafgaandelijk dat de motiveringsverplichting inhoudt dat de motieven op grond van dewelke een beslissing wordt genomen moeten worden vermeld in de beslissing. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing heeft begrepen. Zodoende is aan de formele motiveringsverplichting voldaan. Zowel de feitelijke als de juridische motieven worden in de bestreden beslissing opgesomd. 2.
  15. Betreffende de opgeworpen schendingen van de materiële motiveringsverplichting antwoordt verweerder het volgende: - Verzoekster stelt dat bij het beoordelen van haar verklaringen met haar jonge leeftijd rekening moet worden gehouden. Verweerder antwoordt dat met verzoeksters jonge leeftijd zowel als met alle andere elementen van het dossier rekening werd gehouden. Toch is verzoekster op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing reeds 19 jaar zodat het element van de ‘jonge leeftijd’ toch enigzins moet worden afgezwakt. -Verzoekster stelt dat het niet vermelden op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ), maar wel op het Commissariaat-generaal (CGVS) van het feit dat haar zus Kibwa net als haar vader op 02 augustus 1998 verdween en nooit meer is teruggezien een louter aanvulling van haar verklaringen is die gebeurde op het CGVS. Verweerder antwoordt dat dit argument een motief is om mee de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag te ondersteunen. Van verzoekster kan worden verwacht dat zij tijdens de beide interviews alle motieven van haar asielaanvraag aanbrengt. Het interview van het CGVS is niet als een ‘aanvulling’ op het het interview van de DVZ te beschouwen. -Betreffende de erkenning van haar zus Solange Rwasibo door de Commissaris- generaal in 1997 antwoordt verweerder dat de motieven op grond van dewelke werd beslist met dit element in voorliggend dossier geen rekening te houden staan opgesomd in de bestreden beslissing. Zoals in de bestreden beslissing wordt gemotiveerd, werd verzoekster niet persoonlijk geviseerd. Dit motief wordt heden door verzoekster niet weerlegd. -Betreffende de getuigenissen die werden neergelegd door de twee mensen die haar vader gekend hebben. Verweerder herhaalt dat deze getuigenissen niets zeggen over de gebeurtenissen die verzoekster beweerde te hebben meegemaakt en is van oordeel dat dit standpunt door verzoekster op geen enkele wijze in het verzoekschrift wordt weerlegd.”; 3.
  16. Overwegende dat de tweede verwerende partij zich in haar memorie van antwoord aansluit bij het verweer van de eerste verwerende partij, en stelt dat met betrekking tot het bevel het grondgebied te verlaten geen middel wordt ontwikkeld; 3.
  17. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord verwijst naar hetgeen in het verzoekschrift wordt gesteld; 3.
  18. Overwegende dat de verzoekende partij betwist dat de motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund, deze beslissing kunnen dragen; dat zij aldus de schending aanvoert van de materiële motiveringsplicht; dat het bij de beoordeling daarvan niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort om zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd is om na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; VII-24.146-7/9 Overwegende dat de verzoekende partij uit het oog verliest dat de Conventie van Genève vereist dat naast het subjectieve aspect van de vrees voor vervolging, deze vrees ook steun dient te vinden in een aantal objectieve gegevens; dat de verzoekende partij aanvoert dat haar zuster werd erkend als vluchtelinge omwille van haar etnische origine en haar vader problemen kende omwille van zijn origine, doch brengt geen objectieve aanwijzingen aan die een persoonlijke vrees voor vervolging zouden kunnen rechtvaardigen; dat de Commissaris-generaal bovendien vaststelt dat na de gebeurtenissen van augustus 1998, de verzoekende partij nog tot in juni 1999 ongestoord in Kinshasa verbleef; dat verder met de Commissaris-generaal dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij geen melding maakte van de verdwijning van haar andere zuster, noch tijdens het verhoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken, noch op het formulier dat de verzoekende partij invulde naar aanleiding van haar dringend beroep; dat de Commissaris- generaal daaruit terecht kon besluiten dat de geloofwaardigheid van het relaas hierdoor verder wordt ondermijnd; Overwegende dat er bij het onderzoek naar de eerbiediging van de motiveringsplicht rekening dient te worden gehouden met het geheel van de motivering en niet met de diverse onderdelen van de motivering op zich; dat het immers het geheel van de in de bestreden beslissing opgesomde motieven is dat de Commissaris-generaal heeft doen besluiten tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag; dat in de bestreden beslissing vooreerst de vastgestelde feiten nauwkeurig worden weergegeven; dat vervolgens de verklaringen van de verzoekende partij op objectieve wijze worden onderzocht in de globale context van haar asielaanvraag; dat dit zorgvuldig onderzoek de Commissaris- generaal ertoe gebracht heeft de beslissing tot weigering van verblijf te bevestigen; dat de verzoekende partij geen concrete elementen aanbrengt die erop wijzen dat de weergegeven motivering buiten alle redelijkheid is; dat de bestreden beslissing aldus, na een uiteenzetting van het vluchtrelaas, gedetailleerde overwegingen bevat die de beslissing afdoende motiveren; dat het enige middel bijgevolg niet gegrond is; VII-24.146-8/9
  19. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  20. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  21. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig november tweeduizend en vijf, door Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-24.146-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.797 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.