id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.801 Rolnummer: A. 142984/VII-30905 Zaak: Arrest 151801 - - 28/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-07 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 05:33 Fiche Arrest nr 151.801 van 28 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 151.801 van 28 november 2005 in de zaak A. 142.984/VII-30.905 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. HINNEKENS, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Louis Pasteurlaan 24 tegen: de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van beweerde Armeense nationaliteit, op 22 oktober 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 13 oktober 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 december 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 13 november 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 8 september 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 11 oktober 2005; VII-30.905-1/9 Gelet op de beschikking van 4 oktober 2005 waarbij de beschikking van 8 september 2005 houdende vaststelling van de zaak op de openbare terechtzitting van 11 oktober 2005 wordt ingetrokken, en waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 25 oktober 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die, loco Advocaat K. HINNEKENS, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 28 oktober 2002 en verklaarde zich vluchteling op 29 oktober
- 1.
- Op 4 december 2002 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 13 oktober 2003 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing als volgt: “A. Vluchtrelaas U verklaarde staatloos en van Armeense origine te zijn. U vluchtte in 1989 uit Azerbeidzjan toen uw dorp Kamo op een nacht werd aangevallen door Azeri die de Armeense inwoners doodden en de huizen in brand staken. U vluchtte te voet naar Rusland, waar u zich in de regio Krasnodar vestigde. Daar kon u zich niet registreren, maar u kon er blijven door smeergeld te betalen aan de wijkagent. Sinds de eerste Tsjetsjeense oorlog, werden alle Kaukasiërs geambeteerd. Zo werd ook u meermaals beledigd. U werd ook enkele keren geslagen door dronken of neo-nazistische jongeren. Uw kinderen werden ook door andere kinderen op straat geslagen. Omdat het u allemaal te veel werd, besloot u uiteindelijk in oktober 2002 samen met uw vrouw en drie minderjarige kinderen te vertrekken toen iemand u dit voorstelde. U kwam naar België, waar u op 29 oktober 2002 asiel aanvroeg. U bent niet in het bezit van enig identiteitsdocument. B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat u verklaarde dat het land van uw gewoonlijk verblijf sinds 1989 Rusland is. De geloofwaardigheid van uw problemen in Rusland wordt ondermijnd door de tegenstrijdigheden tussen uw verklaringen en die van uw vrouw. Zo verklaarde u dat uw kinderen tot de laatste dag voor jullie vertrek VII-30.905-2/9 aangevallen werden (CGVS p.19), terwijl uw vrouw verklaarde dat ze sinds de lente van 2002 niet meer werden aangevallen (CGVS p.4). Wat de laatste aanval op u zelf betreft, verklaarde u dan weer dat uw vrouw samen met u buiten voor het huis was toen u geslagen werd (CGVS p.18), terwijl uw vrouw beweerde dat ze vanuit het huis door het venster toekeek (CGVS p.5). U verklaarde omtrent dit incident ook dat u enkel blauwe plekken opliep (CGVS p.18), terwijl uw vrouw beweerde dat u ook een bloedneus opliep (CGVS p.5). Bovendien kan er ook getwijfeld worden aan het feit dat u en uw vrouw in Azerbeidzjan hebben verbleven. Zo is uw geografische kennis van Azerbeidzjan erg beperkt (CGVS p.6-9). U kent slechts drie dorpen in de omgeving van het dorp waar u woonde. U kent slechts één stad in uw regio en nog slechts drie steden in de rest van Azerbeidzjan. U kent geen namen van rivieren, bergen of bergketens in Azerbeidzjan. U spreekt daarenboven ook geen enkel woord Azeri (CGVS p.8), wat toch zeer onwaarschijnlijk is indien u er ongeveer 22 jaar gewoond hebt. Tenslotte is het weinig geloofwaardig dat u op ongeveer twee dagen te voet door bossen en over bergen vanuit uw dorp tot in Rusland kon geraken (CGVS p.10-11). Uw vrouw verklaarde hieromtrent ook dat het mogelijk was omdat het niet ver van Soci was (CGVS p.3). Soci is in vogelvlucht echter ongeveer 500 kilometer van de Azerbeidzjaanse grens verwijderd, wat bezwaarlijk nog als dichtbij of bewandelbaar in twee dagen kan beschouwd worden. Tenslotte dient te worden vastgesteld dat u ook geen enkel begin van bewijs dat uw verklaringen ondersteunt, aanbrengt. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. Dit is de bestreden beslissing;
- Overwegende dat de verzoekende partij in het verzoekschrift “opteert voor een kamer met drie Raadsheren”; dat zij nochtans zonder enig voorbehoud te formuleren is verschenen voor een kamer samengesteld uit één staatsraad overeenkomstig artikel 90, § 1, tweede lid, 1/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat zij bijgevolg geacht wordt afstand te doen van haar verzoek; 3.1.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van “de motiveringsvereiste”; dat wordt gesteld “dat de bestreden akte zowel inhoudelijk als formeel niet deugdelijk gemotiveerd is”; dat daarnaast de schending wordt opgeworpen van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen ,van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 6 van VII-30.905-3/9 het E.V.R.M. en van “het algemeen rechtsbeginsel”; dat zij aanvoert dat de formele motivering een substantiële vormvereiste is, en dat de motieven moeten blijken uit de beslissing; 3.1.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie “volkomen volhardt in het gestelde in het inleidend verzoekschrift”; 3.1.1.
- Overwegende dat artikel 149 van de Gecoördineerde Grondwet bepaalt dat vonnissen moeten worden gemotiveerd; dat de bestreden beslissing echter geen vonnis is, zodat niet valt in te zien op welke wijze dit artikel zou zijn geschonden door de bestreden beslissing; dat artikel 6 van het E.V.R.M. enkel van toepassing is op jurisdictionele procedures, doch niet op een zuiver administratiefrechtelijke procedure zoals een administratief beroep tegen een beslissing over een asielaanvraag; dat het eerste middel in die mate niet-ontvankelijk is; dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat deze tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid een beslissing heeft genomen, zodat de bestuurde kan oordelen of het zinvol is om gebruik te maken van de beroepsmogelijkheden waarover hij beschikt; dat uit de uiteenzetting in het middel blijkt dat de verzoekende partij deze redenen kent, doch betwist dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat derhalve aan de voornaamste vereiste van de formele motiveringsplicht is voldaan; dat het eerste middel ongegrond is in de mate dat het betrekking heeft op de formele motiveringsplicht; 3.1.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij vervolgens, in wat als een eerste onderdeel van het eerste middel kan worden beschouwd, uiteenzet dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet spreekt over de Minister of diens gemachtigde en niet over de Commissaris-generaal of de adjunct-Commissaris-generaal en dat de bestreden beslissing derhalve is gesteund op een artikel dat niet van toepassing is; 3.1.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie ook wat dit onderdeel van het middel betreft “volhardt”; 3.1.2.
- Overwegende dat in de bestreden beslissing op wettige wijze kan worden verwezen naar artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in het kader van het dringend beroep over dezelfde beslissingsbevoegdheid beschikt als de Minister van Binnenlandse Zaken wat betreft de beoordeling van de ontvankelijkheid van de asielaanvraag; dat de artikelen 63 en 63/3 van de Vreemdelingenwet wat dat betreft samen met artikel 52 van dezelfde wet moeten worden gelezen; dat het eerste middel ook in deze mate ongegrond is; VII-30.905-4/9 3.1.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede onderdeel van het eerste middel uiteenzet dat aan het proces-verbaal van het verhoor voor het Commissariaat- generaal geen bewijswaarde kan worden gehecht omdat dit niet ter ondertekening werd voorgelegd noch werd voorgelezen, dat verschillende verklaringen elkaar kunnen aanvullen en niet als tegenstrijdigheden aanzien moeten worden, dat de vastgestelde tegenstrijdigheden niet zwaarwichtig genoeg zijn, noch determinerend of relevant; dat de verzoekende partij aanvoert dat het in de artikelen 63 en 63/3 van de Vreemdelingenwet voorziene dringend beroep inhoudt dat de zaak volledig opnieuw en individueel wordt behandeld, dat een vergelijking tussen verklaringen afgelegd op de Dienst Vreemdelingenzaken en deze afgelegd op het Commissariaat-generaal niet strookt met de artikelen 63 en 63/3 van de Vreemdelingenwet, dat elke asielaanvraag individueel behandeld moet worden zodat het niet behoort te vergelijken met andermans verklaringen, dat de waarachtigheid van het geheel opweegt tegen de tegenstrijdigheden, dat onjuiste verklaringen niet leiden tot de ongegrondheid van een asielaanvraag, dat het Internationaal Verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 een soepele interpretatie en evenwichtige verdeling van de bewijslast vergt, en dat in casu een grove appreciatiefout is begaan; dat de verzoekende partij vervolgens de tegenstrijdigheden toeschrijft aan onnauwkeurige vertalingen en notities; dat zij er tevens op wijst dat veel mensen een bloedneus niet zien als het gewond zijn, zodat hier geen tegenstelling maar een verschil in nuance is opgetreden, dat zowel de beperkte geografische kennis als de beperkte kennis van het Azeri te verklaren zijn door het feit dat de verzoekende partij in een kleine dorpsgemeenschap woonde waarbij zij niet veel contact had met het Azeri, dat verzoeker met zijn ouders bovendien veelal naar Rusland trok; dat de verzoekende partij ten slotte aangaande de bewering dat zij in twee dagtochten Rusland bereikten stelt dat, gelet op de grote afmetingen van Rusland, 400 kilometer niet als ver te beschouwen is; 3.1.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie in het middel “volhardt”; 3.1.3.
- Overwegende dat de procedure voor de Commissaris-generaal geen jurisdictionele procedure is; dat het volstaat dat de verzoekende partij in het kader van haar asielprocedure nuttig voor haar belangen kan opkomen; dat noch uit het verzoekschrift, noch uit het administratief dossier blijkt dat er zich problemen hebben voorgedaan tijdens het interview; dat bovendien het vermoeden geldt, tot bewijs van het tegendeel, dat in het verslag van de jurist van het Commissariaat-generaal wordt opgenomen wat de asielzoeker werkelijk heeft verklaard, aangezien de jurist die het interview afneemt in zijn hoedanigheid van afgevaardigde en vertegenwoordiger van de Commissaris-generaal optreedt als beëdigd ambtenaar die er alle belang bij heeft, gelet op zijn statuut, om de verklaringen van de asielzoeker zo precies en volledig mogelijk te noteren; dat het bewijs van het tegendeel in casu niet wordt geleverd; dat de aantekeningen van de jurist-interviewer tijdens het verhoor overigens niet de bestreden beslissing uitmaken, maar enkel de basis voor deze beslissing VII-30.905-5/9 vormen; dat de verzoekende partij zich nog op artikel 1322 van het Burgerlijk Wetboek beroept om te stellen dat het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal niet door de verzoekende partij werd ondertekend en derhalve geen bewijskracht heeft; dat artikel 1322 van het Burgerlijk Wetboek echter betrekking heeft op de bewijskracht van verbintenissen, doch geenszins op het bewijs van feiten in een zuiver administratiefrechtelijke zaak, zodat de verzoekende partij zich niet dienstig op deze wettelijke bepaling kan beroepen om het verhoorverslag te ontkrachten; Overwegende, in de mate dat de verzoekende partij de motieven inhoudelijk aanvecht en aldus de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt, dat het bij de beoordeling daarvan niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag de Commissaris-generaal, om een exact beeld te krijgen van de situatie waarin de vreemdeling zich bevindt op het tijdstip van zijn vluchtelingenverklaring, de mogelijkheid heeft om alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te kunnen nemen; dat het de Commissaris-generaal dan ook niet verweten kan worden met het oog daarop de verklaringen van verzoeker en zijn echtgenote zorgvuldig te onderzoeken en onderling te vergelijken; Overwegende dat de verzoekende partij de diverse door de Commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van verzoeker en die van zijn echtgenote herneemt; dat deze tegenstrijdigheden in de bestreden beslissing op gedetailleerde wijze worden besproken met verwijzing naar de vindplaats in de verhoorverslagen; dat die tegenstrijdigheden terdege blijken uit de vergelijking tussen de verschillende verslagen en dat de verzoekende partij met de enkele suggestie dat zij mogelijk zijn veroorzaakt doordat “verklaringen niet nauwkeurig vertaald raken, genoteerd raken of begrepen raken” geen foutieve vertaling of onjuiste weergave van de verklaringen aannemelijk maakt; dat dit des te meer klemt nu noch verzoeker noch zijn echtgenote, gedurende of op het einde van de verhoren, een voorbehoud dienaangaande heeft geformuleerd alhoewel uitdrukkelijk de vraag werd gesteld of zij nog opmerkingen hadden; dat de verzoekende partij verder slechts op algemene wijze de in aanmerking genomen tegenstrijdigheden tracht te minimaliseren, doch voorbijgaat aan het feit dat de motieven van de bestreden beslissing als een geheel moeten worden gelezen, waarbij het niet is vereist dat ieder afzonderlijk element op zichzelf die beslissing kan dragen; VII-30.905-6/9 Overwegende dat de Commissaris-generaal terecht, in het kader van zijn onderzoek naar de ontvankelijkheid van de asielaanvraag, een aantal vragen kan stellen om de juistheid van verzoekers vluchtverhaal te achterhalen; dat de kennisvragen die werden gesteld dermate fundamenteel en eenvoudig zijn, dat hij in staat mocht worden geacht ze correct te beantwoorden; dat een onderzoek naar verzoekers kennis van zijn stad, taal en land onontbeerlijk zijn om het waarheidsgehalte van zijn beweringen te achterhalen; dat de verklaring van verzoeker dat hij in een kleine dorpsgemeenschap woonde en vooral op Rusland was gericht, geen afdoende verklaring biedt voor de vastgestelde beperkte kennis; dat verzoeker evenmin weerlegt dat in twee dagtochten 500 kilometer overbruggen, haast onmogelijk is; Overwegende dat, gelet op het voorgaande, de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing is genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid waarover de Commissaris-generaal krachtens de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet beschikt; dat het eerste middel derhalve ook in die mate ongegrond is; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet, doordat de bestreden beslissing niet genomen is binnen de 30 dagen na het indienen van het dringend beroep, dat voormeld artikel een dwingende termijn heeft ingevoerd en dat voorts verwezen wordt naar het arrest “Allewaert”, nr. 73.717 van 18 mei 1998; dat de verzoekende partij nog aanvoert dat voorzover artikel 63/2, § 2, van de Vreemdelingenwet een dwingende termijn heeft ingevoerd, dit ook moet gelden voor de termijn van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet, dat de termijnen voor alle partijen in de Vreemdelingenwet op een gelijkaardige wijze geïnterpreteerd dienen te worden, daar er anders een ongelijkheid bestaat in de aard van de termijnen voorzien in de Vreemdelingenwet, dat een dergelijk onderscheid een ongeoorloofde discriminatie uitmaakt, en dat aldus een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof dient te worden gesteld; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie evenwel verklaart afstand te doen van de gevorderde prejudiciële vraag; 3.2.
- Overwegende dat de termijn bepaald in artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet een termijn van orde is en geen vervaltermijn; dat er immers geen sanctie is verbonden aan de overschrijding van die termijn; dat het overschrijden van een termijn van orde binnen de perken van het redelijke zoals in casu, de wettigheid van de bestreden beslissing niet in het gedrang brengt; dat voorts niet valt in te zien welk belang de verzoekende partij heeft bij het aanvoeren dat de bestreden beslissing eerder had moeten worden genomen, nu zij al die tijd in België tegen de beweerde vervolging een veilig VII-30.905-7/9 toevluchtsoord vond en zij ondertussen de nodige tijd kreeg om ter staving van haar asielaanvraag bewijsstukken naar voren te brengen; dat het tweede middel niet gegrond is; 3.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel opnieuw uiteenzet dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet spreekt over de Minister of diens gemachtigde en niet over de Commissaris-generaal of de adjunct-Commissaris-generaal en dat de bestreden beslissing derhalve is gesteund op een artikel dat niet van toepassing is; 3.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie “volhardt” in het middel; 3.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij betreffende de toepassing van artikel 52 van de Vreemdelingenwet haar kritiek uit het eerste middel herhaalt; dat derhalve wat dat betreft naar de bespreking van het eerste middel kan worden verwezen; dat het derde middel ongegrond is; 3.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een vierde middel de schending inroept van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet en van de artikelen 39, § 1, 17, § 1, 57 en 58 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken doordat in de bestreden beslissing “Commissaire adjoint” staat, hetgeen in de Franse taal is, daar waar dit in het Nederlands behoort te zijn; 3.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie in het middel “volhardt”; 3.4.
- Overwegende dat de bestreden beslissing wel degelijk in het Nederlands is opgesteld; dat met name zowel het vluchtrelaas van de verzoekende partij, als de motivering en de conclusie van de bestreden beslissing in het Nederlands zijn weergegeven; dat enkel de stempel op de beslissing met de naam en functie van de ondertekenaar twee Franse woorden bevat; dat het vierde middel niet tot de nietigverklaring kan leiden;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, VII-30.905-8/9 BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig november tweeduizend en vijf, door Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-30.905-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.801 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div