← België

Arrest 151803 - - 28/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.803 Rolnummer: A. 146525/VII-31412 Zaak: Arrest 151803 - - 28/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-07 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 05:33 Fiche Arrest nr 151.803 van 28 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 151.803 van 28 november 2005 in de zaak A. 146.525/VII-31.412 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaten F. en R. COEL, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Kardinaal Mercierplein 8 tegen: de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Georgische nationaliteit, op 14 januari 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 15 december 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 november 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 26 januari 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 8 september 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 11 oktober 2005; VII-31.412-1/12 Gelet op de beschikking van 4 oktober 2005 waarbij de beschikking van 8 september 2005 houdende vaststelling van de zaak op de openbare terechtzitting van 11 oktober 2005 wordt ingetrokken, en waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 25 oktober 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die, loco Advocaten F. en R. COEL, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 6 oktober 2003 en verklaarde zich diezelfde dag vluchteling. 1.
  3. Op 5 november 2003 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 15 december 2003 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing als volgt: “A. Vluchtrelaas U, een Georgisch staatsburger, verklaarde Georgië op 29 september 2003 te hebben verlaten. U reisde naar België waar u op 6 oktober 2003 aankwam en een asielverzoek indiende. Volgens uw verklaringen voor het commissariaat-generaal betrapte u, als lid van de verkeerspolitie, op 7 juli 1999 een lid van de inlichtingendienst, Georgy Devroshashvili, op dronkenschap. Drie maand later werd u door de algemene inspectie van de politie opgeroepen. U vernam dat Devroshashvili een klacht tegen u had ingediend omdat u fysiek geweld tegen hem zou hebben gebruikt. Na onderzoek werd de klacht op basis van bewijzen over de echte gebeurtenissen verworpen en werd u in ere hersteld. Later werd u hoofd van de wijkpolitie. Op 11 februari 2002 werd uw buitenverblijf, waar uw echtgenote op dat ogenblik verbleef, in brand gestoken. U redde zowel uw echtgenote als uw documenten uit de brand maar bleef zelf gewond achter. Op 4 juni 2002 werd u door een wagen aangereden. De politie onderzocht het incident maar slaagde er niet in de schuldige te vatten. In maart 2003 deden agenten navraag bij uw echtgenote of ze geen gestolen juwelen verkocht. In april 2003 werd uw echtgenote beroofd. In augustus 2003 kreeg u thuis het bezoek van vijf personen waarvan zeker twee politieagenten. Ze vroegen u hen te ontmoeten bij een tankstation. U ging niet in op dit voorstel en besloot onder te duiken. Op 23 september 2003 was VII-31.412-2/12 u escorte van Saakashvili (leider van een oppositiepartij), ondertussen was u geen lid meer van de politie, toen de wagen waarin u Saakashvili begeleidde werd aangevallen door personen van de staatsveiligheid of de inlichtingendienst. U nam foto’s van de beschadigingen en was van plan uw verhaal op televisie te doen. Omdat uw gezin werd bedreigd deed u dit echter niet. U bracht uw gezin in veiligheid, verkocht uw wagen en verliet Georgië. B. Motivering Er moet worden gesteld dat uit uw verklaringen niet blijkt dat u Georgië omwille van problemen als gevolg van uw ras, nationaliteit, uw politieke of religieuze overtuiging, of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zou hebben verlaten. Zo stelde u voor het commissariaat-generaal dat al uw problemen het gevolg waren van het feit dat u in juli 1999 Devroshashvili, een lid van de inlichtingendienst, op dronkenschap had betrapt (CGVS, p.2 en p.4). Devroshashvili wou volgens uw verklaringen in dringend beroep wraak nemen voor deze gebeurtenis en een einde aan uw carrière maken (CGVS, p.3). Uit deze verklaringen kan worden afgeleid dat de acties van Devroshashvili niet waren geïnspireerd op één van de vijf criteria van de Vluchtelingenconventie. Bovendien wijst in verband met deze problemen niets erop dat u om één van de redenen vermeld in de Vluchtelingenconventie niet zou kunnen rekenen op de bescherming van de Georgische autoriteiten. U stelde in tegendeel dat u er in slaagde de onterechte klacht van Devroshashvili te laten verwerpen op basis van getuigenverklaringen en dat u nadien in ere werd hersteld (CGVS, p.4). Over de houding van de politie in verband met de andere klachten die u indiende naar aanleiding van de incidenten stelde u bovendien dat de politie de klacht onderzocht en zijn best deed maar dat niemand informatie kon verschaffen (CGVS, p.6). In verband met de bedreigingen die u kreeg nadat u getuige was van een aanval van de inlichtingendienst en/of de staatsveiligheid op Saakashvili en zijn begeleiders –het enige element waar u de hand van Devroshashvili niet achter vermoedt - moet gesteld worden dat nergens in uw verklaringen blijkt dat enige band zou hebben gehad met één van de criteria van de Vluchtelingenconventie aangezien u in dringend beroep stelde niet te weten waarom u niet mocht getuigen over de gebeurtenissen (CGVS, p.11). Zelfs indien er enig verband zou zijn geweest met de politieke activiteiten van Saakashvili moet er worden gesteld dat het totaal onaannemelijk is dat u vandaag in Georgië enig gevaar zou lopen vanwege de Georgische autoriteiten omdat u zou getuigen over een aanval op Saakashvili aangezien uit informatie van het commissariaat-generaal, waarvan een kopie bij het administratief dossier werd gevoegd, blijkt dat de man de leiding had in de, geslaagde, acties met het oog op de verwijdering van de Georgische president eind november
  5. Uit informatie blijkt bovendien dat Saakashvili de steun geniet van Nino Burdjanadze, de huidige waarnemend president en voorzitter van het Georgisch parlement, in zijn kandidatuur voor de komende presidentsverkiezingen. Na voorgaande vaststellingen kan er in uw hoofde niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. De door u in het kader van uw asielverzoek voorgelegde documenten -uw identiteitskaart, rijbewijs, geboorteakte, huwelijksakte, drie identificatiekaarten van de politie, werkboekje, brief van kolonel van de politie, medisch attest, twee getuigenverklaringen, notariële akte, drie foto's- kunnen aan deze conclusie niets wijzigen aangezien ze geen verband houden met de oorzaak van de door u aangehaalde vluchtmotieven noch met de huidige situatie in Georgië. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. VII-31.412-3/12 Dit is de bestreden beslissing;
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in het verzoekschrift vraagt dat onderhavige zaak wordt verwezen naar een kamer met drie leden; dat de verzoekende partij nochtans zonder enig voorbehoud te formuleren is verschenen voor een kamer samengesteld uit één staatsraad overeenkomstig artikel 90, § 1, tweede lid, 1/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat zij bijgevolg geacht wordt afstand te doen van haar verzoek; 3.1.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van de wettelijke opdracht van verweerder Overwegende dat de Commissaris-generaal er zich in zijn beslissing mee vergenoegd zich te beperken tot de blote vaststelling dat volgens hem enerzijds de problemen van vertoger zich zouden beperken tot het gemeen recht en niet hun grondslag vinden in de vervolgingscriteria opgesomd in de conventie van Genève, anderzijds dat de politieke situatie in Georgië dermate zou zijn gewijzigd dat vertoger aldaar geen gevaar meer zou lopen; Dat vooreerst vertoger laat opmerken dat op een aantal details na het vluchtverhaal van vertoger consistent is en dat de onderscheiden versies gelijklopend zijn en een identiek verloop schetsen; Dat de Commissaris-generaal totaal voorbijgaat aan het gegeven dat vertoger werkte in openbare dienst, eerst als politieman, later als lijfwacht en geconfronteerd werd met machtsmisbruik en corruptie, zelf ontslagen werd op het ogenblik dat een ‘vriend’ van de politiechef werd betrapt op dronken voeren; (zie verklaringen van vertoger en zelfs de eigen stukken van de verwerende partij opgenomen in de landeninformatie) Overwegende dat in de gegeven omstandigheden dat de politie hand en spandiensten levert aan corrupte leden van de inlichtingendienst het logisch is geloof te hechten dat vervolgens aan klachten van vertoger geen enkel ernstig gevolg werd genomen door het Parket, louter werden gevolgd door meer intimidatie, bedreigingen, zelfs brandstichting en poging tot moord; Dat een beetje ernstige administratie als de Commissaris-generaal voor de Vluchteling en de Staatlozen (een overigens zogenaamd onafhankelijke asieladministratie) die op de hoogte is (of zou moet zijn) van de problematische toestand in Georgië waar overheidsdiensten zich inlaten met mafieuse praktijken niet kan voorbij gaan aan de feitelijke toestand die heerst op het terrein en deze niet mag marginaliseren als ‘feiten van gemeen recht’, laat staan vermag te veralgemeniseren dat om reden dat een presidentsverkiezing werd georganiseerd en een lid van de oppositie verkozen werd als president, thans vertoger niet meer zou moeten vrezen voor zijn lijfsbehoud; Dat de verwerende partij perfect op de hoogte is van de toestand in de voormalige Sovjet-Unie wat moge blijken uit het arrest ‘Sorouchev’ waar de Raad van state heeft vastgesteld dat de C.G. zich volstrekt ten onrechte verstopt achter tal van argumenten om geen kennis te moeten nemen van de feiten aangedragen in de asielaanvraag; (Sorouchev, Bedrosian c C.G., R.v.St. 10 januari 2002, A.91.838/XI-9077, onuitgegeven) Dat uit het voorgebrachte arrest onomstotelijk eenzelfde problematiek blijkt als deze aangebracht door vertoger zodat deze niet zonder grondig onderzoek kan worden afgewezen als manifest ongegrond; Dat eveneens in het geval ‘Sorouchev’ sprake is van feiten van gemeen recht die niet worden gesanctioneerd door een overheid die geen enkel gevolg geeft aan klachten van de rechtsonderhorige en hierdoor zelfs bescherming biedt aan de georganiseerde VII-31.412-4/12 misdaad of georganiseerde misdadige elementen in de eigen administratie (inlichtingendienst, politie...) Dat dergelijk handelen niet hoort tot de opdracht van de Commissaris-generaal in de fase van de ontvankelijkheid; Dat overeenkomstig de geldende regels van het Belgisch administratief recht de Dienst vreemdelingenzaken, en in geval van dringend beroep de Commissaris-generaal, moeten bewijzen dat er een grond voor niet-ontvankelijkheid bestaat; (zie: M. Bossuyt, ‘Uiteenzetting over de voorgestelde wijzigingen in de Vreemdelingen Wet voor de Senaatscommissie voor de Binnenlandse aangelegenheden’, Parl.St. 1992-93, nr. 555/2,

(54)55, nr. 4) Dat in de fase van de ontvankelijkheid de autoriteiten genoegen moeten nemen met een aannemelijk, dit wil zeggen samenhangend, niet tegenstrijdig en waarschijnlijk vluchtverhaal; ( zie D. Vanheule , ‘Vluchtelingen: een overzicht’, Mys en Breesch, Gent, tweede uitgave, 1998, nr. 348) Dat bovendien de term ‘kennelijk’ in artikel 52 § 1, 7/ Vr.W. de beslissingsbevoegdheid van de administraties nog verder beknot tot gevallen waarin het ontbreken van elke ernstige aanwijzing van gegronde vrees voor vervolging duidelijk herkenbaar is; Dat van zodra er ook maar enig ernstig element is aangebracht of er twijfel bestaat of de gevreesde vervolging al dan niet bestaat moet de kandidaat vluchteling het voordeel van de twijfel worden gegeven en moet hij worden toegelaten tot het onderzoek ten gronde; (zie D. Vanbeule, ‘Vluchtelingen: een overzicht’, Mys en Breesch, Gent, tweede uitgave, 1998, nr. 349 ev.) Dat in plaats van de verklaringen te toetsen aan objectieve gegevens die de Commissaris-generaal kent, de Commissaris-generaal louter zich beperkt tot de vaststelling dat volgens hem de Minister correct handelde en dat vertoger moeten worden afgewezen omdat in hun asielverzoek slechts wordt verwezen naar feiten van gemeen recht en de president werd afgezet zodat vertoger niets meer te vrezen zou hebben; Dat om tot een rechtmatig besluit te komen de betrokken administratie volledig op de hoogte moet zijn van de feiten die haar besluitvorming kunnen beïnvloeden en dat het de taak van een onafhankelijke administratie zou moeten zijn objectief een dossier samen te stellen en ieder dossier op een eerlijke wijze te beoordelen, in ieder geval zich niet kan beperken tot een lapidaire opmerking om te komen tot een negatieve beslissing; Dat vertoger zich niet van de indruk kan ontdoen dat de Commissaris-generaal zijn taak te licht opneemt en helemaal niet zich interesseert in de problematiek in Georgië, blijkbaar slechts de asielcijfers van de Minister van Binnenlandse Zaken wenst te onderschrijven (en te verbeteren) waardoor hij noch min noch meer de asielpolitiek van de Minister versterkt in plaats van te oordelen in onafhankelijkheid zoals hij behoort te doen... Dat de Commissaris-generaal hier in dezelfde zin zijn opdracht te buiten is gegaan zodat de beslissing aangetast is door machtsafwending, waarover eveneens infra meer; Dat de Raad van State dan ook niet zal aarzelen de materiële juistheid van de ingeroepen feiten te verifiëren en daarvoor haar toevlucht zal nemen tot alle middelen die zij nodig acht; (zie De Wijngaert, M., ‘De feitencontrole door de Belgische en de Franse Raad van State’, T.B.P., 1955, 199-211, 287-295) Dat zeer concreet de redenen om te besluiten tot manifeste ongegrondheid (feiten van gemeen recht en het afzetten van de president van Georgië) op zich geen afbreuk doen aan de consistentie van het vluchtelingenverhaal van vertoger, waarover infra meer; Dat de bestreden beslissing dan ook werd getroffen in strijd met de wettelijke opdracht van verwerende partij en op basis van bijzonder mank samengesteld en onvolkomen dossier zodat de beslissing ten gronde moet worden vernietigd.”; VII-31.412-5/12 3.1.
  1. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert als volgt: “Eerste middel: schending van de wettelijke opdracht door de Commissaris-generaal. Verzoeker voert aan dat zijn asielaanvraag wel degelijk verband houdt met de criteria van de Conventie van Genève en meent dat de Commissaris-generaal totaal voorbijgaat aan het feit dat verzoeker werkte in de openbare dienst (als politieman en later als lijfwacht). Verzoeker stelt dat hij het slachtoffer werd van corrupte en mafieuse praktijken waarvoor hij niet de bescherming van de Georgische autoriteiten kon inroepen. Bovendien werpt verzoeker op dat het handelen van de Commissaris- generaal niet hoort tot zijn opdracht in de fase van de ontvankelijkheid. Verweerder merkt vooreerst op dat verzoeker nalaat te vermelden welke rechtsregel volgens hem door de bestreden beslissing geschonden wordt. Verzoeker maakt enkel melding van artikel 52 § 1, 7/ van de Vreemdelingenwet, maar dit artikel is in casu niet toepasselijk, aangezien dit bepaalt dat de Minister van Binnenlandse Zaken aan een vreemdeling, die het Rijk probeert binnen te komen zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en aan de grens vraagt om als dusdanig te worden erkend, de toegang tot 's lands grondgebied kan weigeren, wanneer de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Verweerder merkt op dat verzoeker zich niet aan de grens, maar bij de algemene directie van de Dienst Vreemdelingenzaken te Brussel kandidaat-vluchteling heeft verklaard. Het in casu toepasselijke artikel is derhalve artikel 52 § 2, 2/ van de Vreemdelingenwet. Het middel mist als dusdanig juridische grondslag. Vervolgens merkt verweerder op dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet de Commissaris-generaal de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de minister te bevestigen. Eén van de onontvankelijkheidsgronden is het ‘kennelijk ongegrond’ zijn van de asielaanvraag. Een asielaanvraag is kennelijk ongegrond omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een persoonlijke en systematische vrees voor vervolging zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag van Genève (cfr. Artikel 52 § 1, 7/ van de Vreemdelingenwet waarnaar artikel 52 § 2, 2/ verwijst). Verweerder benadrukt dat de Commissaris- generaal op grond van de gegevens van het dossier heeft vastgesteld dat verzoeker niet in staat blijkt te zijn doorheen zijn verklaringen een persoonlijke vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève aannemelijk te maken daar er werd vastgesteld dat zijn asielrelaas kennelijk ongegrond was omdat verzoekers asielmotieven geen verband houden met de Conventie van Genève en verzoeker niet langer aannemelijk maakt een gegronde vrees voor vervolging te koesteren bij terugkeer naar Georgië gelet op de gewijzigde omstandigheden daar. Enerzijds heeft de Commissaris-generaal geoordeeld dat de feiten die verzoeker aanhaalt ter staving van zijn asielaanvraag (wraakacties van Devroshashvili, een lid van de inlichtingendienst nadat verzoeker hem op dronkenschap had betrapt) niet als vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie kunnen worden beschouwd. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker enkel verklaarde dat hij problemen had met Devroshashvili. Het is niet omdat verzoeker verklaarde dat hij problemen had met een lid van de inlichtingendienst, dat het vaststaat dat verzoeker vervolgd werd omwille van zijn ras, nationaliteit, godsdienst, het behoren tot een sociale groep of omwille van zijn politieke overtuiging. Nergens uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker verklaard heeft dat de problemen met Devroshashvili geïnspireerd waren door één van de criteria van de Vluchtelingenconventie noch dat hij omwille van één van deze criteria zijn land van herkomst heeft verlaten. Op grond van deze gegevens blijkt de vaststelling van de Commissaris-generaal correct te zijn. Bovendien merkt verweerder op dat niet de aard of de status van de personen met wie verzoeker problemen kende van belang is, maar wel of en om welke reden verzoeker zou worden vervolgd. Op geen enkele wijze kunnen de problemen van verzoeker worden toegeschreven aan een andere reden dan aan wraakacties vanwege Devroshashvili die voordien door verzoeker op VII-31.412-6/12 dronkenschap was betrapt. De Commissaris-generaal stelt derhalve terecht vast dat verzoekers problemen van gemeenrechtelijke aard zijn en bijgevolg buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie vallen. De bestreden beslissing stelt verder op goede gronden dat nergens uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker omwille van één van de criteria van de Conventie van Genève niet op bescherming zou kunnen rekenen vanwege de Georgische autoriteiten. Uit het gehoorverslag van het Commissariaat-generaal blijkt trouwens duidelijk dat verzoeker erin slaagde om de onterechte klacht van Devroshashvili te laten verwerpen, dat hij in ere werd hersteld en dat zijn latere klachten door de politie werden onderzocht (zie gehoorverslag CGVS p. 4 & 6). Ook in voorliggend verzoekschrift laat verzoeker na om concrete gegevens aan te brengen waaruit zou blijken dat hij omwille van één van de criteria van de Conventie van Genève niet op bescherming zou kunnen rekenen vanwege de Georgische autoriteiten. Anderzijds stelde de Commissaris-generaal vast dat verzoeker niet langer aannemelijk maakt een gegronde vrees voor vervolging te koesteren bij terugkeer naar Georgië gelet op de informatie waarover hij beschikt. Hieruit blijkt immers dat het totaal aannemelijk is dat verzoeker nog enig gevaar zou lopen als hij zou getuigen over de aanval op Saakashvili (leider van de voormalige oppositiepartij) daar deze man de leiding had in de verwijdering van de Georgische president in november 2003 en thans gesteund door de huidig waarnemende president en de voorzitter van het parlement kandidaat is voor de komende presidentsverkiezingen. In voorliggend verzoekschrift beperkt verzoeker zich tot de loutere bewering dat deze vaststellingen van de Commissaris-generaal onjuist zijn, maar hij slaagt er niet in om met concrete elementen aan te tonen dat hij nog persoonlijk geviseerd wordt door de Georgische autoriteiten gelet op de gewijzigde omstandigheden noch brengt hij informatie aan dewelke deze van de Commissaris-generaal zou kunnen weerleggen.”; 3.1.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord integraal verwijst naar de motivering ontwikkeld in het verzoekschrift; 3.1.
  3. Overwegende dat artikel 20, tweede lid, 2/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bepaalt dat het verzoekschrift tot nietigverklaring onder meer een uiteenzetting van de feiten en de middelen moet bevatten; dat de uiteenzetting van een middel in principe vereist dat zowel de rechtsregel of het rechtsbeginsel wordt aangeduid die zou zijn geschonden als de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden handeling wordt geschonden; dat met de schending van “de wettelijke opdracht van verweerder” niet duidelijk is welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel verzoeker bedoelt; dat verzoeker het niet aan de Raad van State mag overlaten om uit die uiteenzetting een middel te distilleren; Overwegende dat, indien verzoeker zou doelen op de schending van artikel 52, § 1, 7/, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, vastgesteld dient te worden dat deze wetsbepaling niet van toepassing is, daar dit wetsartikel van toepassing is op vreemdelingen die het Rijk proberen binnen te komen zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden en die aan de grens vragen om als vluchteling te worden erkend, wat in casu niet het geval is; dat het eerste middel als dusdanig juridische grondslag mist en niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; VII-31.412-7/12 3.2.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel als volgt uiteenzet: “Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur Overwegende dat het tweede ernstig middel van vertoger de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur betreft, meerbepaald de verplichting tot zorgvuldigheid; Dat het Commissariaat Generaal voor de Vluchteling en de Staatlozen een bestuurlijke overheid is gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur; (zie: I., Opdebeek, ‘Het Recht op verdediging en het recht om zijn standpunt naar voor te brengen’ in Opdebeek. (ed.) Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, 1993, 51) Dat de Commissaris-generaal voor de Vluchteling en de Statelozen meent een beslissing te moeten nemen op grond van loutere zeer limitatieve en beperkende toetsing van de opeenvolgende verklaringen van vertoger aan de Conventie van Genève; Dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchteling en de Staatlozen bijzonder onzorgvuldig is te werk gegaan daar waar het bovendien de beweringen niet heeft onderzocht en getoetst aan algemeen bekende informatie; (vertoger geeft al drie identieke vluchtverhalen aan die worden genegeerd) Dat wat evenwel essentieel is in het dossier buiten beschouwing wordt gelaten louter en alleen omdat het zou gaan om feiten van gemeen recht; Dat het wel bijzonder onzorgvuldig, zelfs lapidair, is moord en doodslag zonder meer toe te schrijven aan het ‘gemeen recht’; Dat in dezelfde zin bij wijze van boutade het vertoger volstaat de Raad van State er op te wijzen dat de dood van zes miljoen Joodse mensen tijdens W.O.II ook feiten van moord en doodslag zijn, maar dat geen weldenkend mens (laat staan de C.G.V.S.) het in zijn hoofd zou halen deze toe te schrijven aan feiten van gemeen recht; Dat blijkbaar de verwerende partij werkt met twee maten en twee gewichten afhankelijk van wie er wordt vermoord; Dat dit gedrag van de Commissaris-generaal alles behalve zorgvuldig kan worden genoemd; Dat de vaste Rechtspraak van de Raad van State deze schending van de verplichting tot zorgvuldigheid sanctioneert door de administratieve beslissing te vernietigen; Dat de bestreden beslissing dan ook werd getroffen op basis van een onvolkomen dossier en in strijd met de zorgvuldigheidsplicht zodat de beslissing ten gronde moet worden vernietigd.”; 3.2.
  5. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert: “Tweede middel: schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en meerbepaald van de zorgvuldigheidsplicht. Verzoeker stelt dat de Commissaris-generaal onzorgvuldig te werk is gegaan door verzoekers problemen als feiten van gemeen recht te beschouwen. Verweerder antwoordt dat het zorgvuldigheidsbeginsel hem oplegt zijn beslissingen op een zorgvuldige wijze voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding. De Commissaris-generaal steunde zich bij het nemen van de bestreden beslissing op alle stukken vervat in het administratief dossier en kwam tot de conclusie, om de redenen die duidelijk in de bestreden beslissing werden vermeld, dat verzoekers asielaanvraag onontvankelijk was. Verweerder verwijst voor een uiteenzetting van de correcte redenen naar zijn repliek op het eerste middel. Dat niet zorgvuldig is tewerk gegaan, kan bijgevolg niet worden weerhouden.”; 3.2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord naar het verzoekschrift verwijst; VII-31.412-8/12 3.2.
  7. Overwegende dat uit het administratief dossier niet blijkt dat de Commissaris-generaal onzorgvuldig tewerk is gegaan bij het nemen van de bestreden beslissing; dat uit de samenlezing van de bestreden beslissing met de gegevens van het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal zich heeft geïnformeerd over alle objectieve en relevante elementen om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen; dat hij beschikte over het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken, over verzoekers verzoekschrift tot dringend beroep en over de neerslag van zijn verklaringen op het Commissariaat-generaal; dat uit de lezing van de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal de asielaanvraag van verzoeker individueel en persoonlijk heeft onderzocht; dat het eerste deel van de bestreden beslissing een nauwkeurige neerslag bevat van de feiten, die resulteren uit de verklaringen die verzoeker aflegde op het Commissariaat- generaal; dat in een tweede deel het individuele asielrelaas van verzoeker op een objectieve wijze wordt geanalyseerd in de globale context van zijn asielaanvraag, waarbij wordt uiteengezet dat uit de verklaringen niet blijkt dat verzoeker als gevolg van zijn ras, nationaliteit, politieke of religieuze overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep zou worden vervolgd en dat niets erop wijst dat hij om één van de redenen vermeld in de Conventie van Genève niet zou kunnen rekenen op de bescherming van de Georgische autoriteiten; dat deze uiterst volledige en gedetailleerde analyse de Commissaris-generaal in een derde deel heeft doen besluiten tot de kennelijke ongegrondheid van verzoekers asielaanvraag; dat er, gelet op de gegevens van het dossier, in casu geen redenen voorhanden zijn om er aan te twijfelen dat de Commissaris-generaal op grond van de door verzoeker gegeven inlichtingen tot een zorgvuldige beoordeling van de asielaanvraag is gekomen; dat het tweede middel niet gegrond is; 3.3.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert dat luidt als volgt: “Afwending van macht: weigering van kennisname Overwegende dat vertoger wil laten gelden dat de verwerende partij steeds in dezelfde zin op flagrante wijze weigert kennis te nemen van de middelen van vertoger en hierdoor de haar wettelijk toegekende macht afwendt; Overwegende dat de Commissaris-generaal de feiten zelve van geweld op zich zelfs niet betwist, zich louter beperkt tot de vaststelling dat vertoger niet kunnen bewijzen dat zij werden vervolgd omwille van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het horen tot een welbepaalde sociale groep; (zie bestreden beslissing) Dat de verwerende partij weet dat er in Georgië sprake is van een corrupte inlichtingendienst en politiekorps dat zich bedient van mafieuze praktijken, praktijken die door vertoger worden aangehaald in zijn onderscheiden verhoren en worden omschreven in de landeninformatie waarover de verwerende partij beschikt, reden waarom dit stuk wordt gevoegd bij onderhavig verzoekschrift als stuk nr. l; (zie stuk nr. 1) Dat bovendien eerste vertoger hoort tot een welbepaalde sociale groep, van integere mensen die werken in de administratie en aldaar bloot staan aan willekeur van de eigen overheid (ambtenaren, parketmagistraten en politie...) die in plaats van Orde en Recht na te streven zichzelf verrijken en met absolute minachting van het openbaar belang of het individuele belang; (het weze nogmaals benadrukt: de belangrijkste taak van VII-31.412-9/12 vertoger bij de verkeerspolitie was erover te waken dat de geïnde boetes ook daadwerkelijk werden doorgestort aan de overheid...) Dat de Minister van Binnenlandse Zaken en de Commissaris-generaal voor de Vluchteling en de Staatlozen perfect op de hoogte zijn (of zouden moeten zijn) van de toestand in de Kaukasus in het algemeen en in Georgië in het bijzonder; (zie ten overvloede supra) Dat de problemen van vertoger in Georgië zelfs niet worden betwist, slechts worden gebagatelliseerd alsof bedreiging, brandstichting en fysiek geweld kan worden verdedigd indien ze zich beperkt tot de private sfeer en het gemeen recht... Dat de vrees van vertoger zelf nog te worden onderworpen aan verdere schendingen concreet is en het verzoek strekkende tot erkenning zowel ontvankelijk is als gegrond; Dat het weigeren van kennisname van de feiten en aldus het manifest miskennen van deze feiten een afwending van macht inhoudt zodat eveneens op deze grond de vernietiging van de bestreden beslissing zich opdringt; Dat vertoger dan ook het verder verblijf in België niet mag worden ontzegd.”; 3.3.
  9. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert: “Derde middel: machtsafwending en weigering van kennisname. Verzoeker stelt dat de Commissaris-generaal geen rekening hield met het feit dat er in Georgië sprake is van een corrupte inlichtingendienst en hij verwijst hiervoor naar algemene landeninformatie. Bovendien werpt verzoeker op dat hij tot de sociale groep van integere ambtenaren behoort die geviseerd wordt door de eigen overheid. Verweerder antwoordt dat de Commissaris-generaal wel degelijk rekening hield met de problemen van corruptie waarvan verzoeker het slachtoffer werd, maar dat hij heeft geoordeeld dat deze feiten niet als vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie kunnen worden beschouwd (zie repliek op het eerste middel). Verzoeker slaagt er niet in om deze vaststellingen van de Commissaris-generaal te weerleggen en de door verzoeker aangehaalde algemene landeninformatie is evenmin van die aard om hieraan iets te veranderen, te meer daar verzoeker deze informatie niet betrekt op zijn eigen, concrete situatie. Verzoeker argumenteert dat hij werd vervolgd omwille van zijn behoren tot de sociale groep van de ‘integere ambtenaren’. Deze stelling kan niet worden bijgetreden gelet op het feit dat deze fictieve categorie niet kan worden beschouwd als een ‘sociale groep’ in de zin van de Conventie. Ambtenaren kunnen niet beschouwd worden als een sociale groep aangezien het enige kenmerk dat ze gemeenschappelijk hebben niet inherent is aan hun persoonlijkheid (zoals etnie, geslacht, geaardheid-, conform de andere criteria van de Conventie). De professionele hoedanigheid is immers niet iets dat dermate onlosmakelijk met de persoon is verbonden. Ook het feit dat een persoon niet wenst deel te nemen aan criminele activiteiten verandert hier niks aan. Het is immers niet omwille van een bepaald kenmerk van de betrokkene dat hij problemen kent maar wel omwille van eventuele wraakgevoelens die criminelen jegens hem koesteren omdat hij niet medeplichtig wenst te zijn. Deze problemen zijn dus louter het gevolg van de appreciatie van het individuele gedrag van de betrokkene en dus volledig toe te schrijven aan de beweerde feitelijke en externe gebeurtenissen en niet van zijn behoren tot een sociale groep. Immers zou verzoeker deze problemen (ondanks zijn behoren tot de categorie van ambtenaren) niet hebben gekend zonder dit gemeenrechterlijke voorval.”; 3.3.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord naar het verzoekschrift verwijst; 3.3.
  11. Overwegende dat er slechts sprake kan zijn van machtsafwending wanneer een bestuursoverheid de bevoegdheid welke haar door de wet is verleend met het oog op het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang, gebruikt om een ander VII-31.412-10/12 doel na te streven en wanneer dit ongeoorloofde oogmerk het enige doel is van de betrokken bestuurshandeling; dat verzoeker op geen enkel ogenblik duidelijk maakt dat de beslissingnemende overheid zijn macht afwendt van het doel waarvoor deze macht is gegeven, zijnde de controle van asielrelazen op hun geloofwaardigheid in de ontvankelijkheidsfase van de asielprocedure; dat de beschouwingen die verzoeker naar voor brengt niet aantonen dat er sprake zou zijn van machtsafwending; dat het derde middel niet gegrond is;
  12. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  13. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-31.412-11/12 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig november tweeduizend en vijf, door Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-31.412-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.803 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.