id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.805 Rolnummer: A. 156900/VII-33817 Zaak: Arrest 151805 - - 28/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-07 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-03 05:33 Fiche Arrest nr 151.805 van 28 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing . RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 151.805 van 28 november 2005 in de zaak A. 156.900/VII-33.817 In zake :
- XXX,
- XXX, in eigen naam en in naam van hun minderjarige kinderen
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat S. SROKA, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Verenigingstraat 28 tegen: de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nigeriaanse nationaliteit, en XXX, van Botswaanse nationaliteit, in eigen naam en in naam van hun minderjarige kinderen, XXX en XXX, beiden van Nigeriaanse nationaliteit, op 26 oktober 2004 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 januari 2002 waarbij de regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk wordt verworpen, en waarnaar verwezen wordt op het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, dat op 23 oktober 2003 aan de tweede verzoekende partij ter kennis wordt gebracht; Gelet op de beschikking van 22 november 2004 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; VII-33.817-1/9 Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partijen teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 8 september 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 11 oktober 2005; Gelet op de beschikking van 4 oktober 2005 waarbij de beschikking van 8 september 2005 houdende vaststelling van de zaak op de openbare terechtzitting van 11 oktober 2005 wordt ingetrokken, en waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 25 oktober 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. SROKA, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat A. DE MEU, die, loco Advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- De eerste verzoekende partij diende op 24 januari 2000 een regularisatieaanvraag in op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van de artikelen 2, 2/ en 2, 4/ van deze Regularisatiewet. Deze aanvraag was eveneens ingediend voor zijn echtgenote, de tweede verzoekende partij. 1.
- De eerste verzoekende partij is door de Commissie voor regularisatie gehoord op 8 oktober 2001, in het bijzijn van de raadsman. 1.
- De tweede Kamer van de Commissie voor regularisatie verleende op 22 oktober 2001 een (verdeeld) ongunstig advies betreffende de aanvraag van de verzoekende partijen en hun twee kinderen. Dit advies werd op 1 december 2001 aan de eerste verzoekende partij ter kennis gebracht. VII-33.817-2/9 1.
- Op 4 januari 2002 nam de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot verwerping van de regularisatieaanvraag door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. Dit is de bestreden beslissing, die luidt als volgt: “De Kamer van de Commissie voor Regularisatie heeft mij, overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, gevat met een ongunstig advies voor beslissing inzake uw aanvraag tot regularisatie, door U ingediend bij de Burgemeester te BRUSSEL, op 24/01/2000 en dat het nummer 10002000011301071 draagt. Ik heb beslist dit advies, waarvan ik de overwegingen onderschrijf en als de mijne overneem, en waarvan U in bijlage een kopie vindt, te volgen. (...)”. 1.
- Op 23 oktober 2003 werd aan de tweede verzoekende partij het bevel gegeven om het grondgebied van het Rijk te verlaten, in uitvoering van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken genomen op 4 januari
- Bij arrest nr. 143.245 van 18 april 2005 van de Raad van State werd de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring tegen voormeld bevel verworpen;
- Overwegende dat, wat de tijdigheid van het ingediende beroep tot nietigverklaring betreft, de verzoekende partijen stellen dat de bestreden beslissing nooit aan hen ter kennis werd gebracht; dat uit de stukken van het administratief dossier en uit de gegevens die de verzoekende partijen aanbrengen in de memorie van wederantwoord blijkt dat de bestreden weigeringsbeslissing niet correct aan de verzoekende partijen ter kennis werd gebracht; dat de verzoekende partijen in hun aanvraag tot regularisatie als woonplaatskeuze volgend adres hebben opgegeven: “rue des Commerçants 69, 1000 Bruxelles”; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat dit adres door de betrokken overheden de ene keer vertaald werd als “Koopliedenstraat 69”, de andere keer als “Handelaarsstraat 69”; dat de brief waarbij de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 januari 2002 aan de eerste verzoekende partij bij gewone post zou zijn verzonden, als adres vermeldt: “Handelaarsstraat 69, 1000 Brussel”; dat ook de brief gericht aan de burgemeester van de stad Brussel, waarbij gevraagd wordt de voormelde beslissing via tussenkomst van de gemeentepolitie aan de eerste verzoekende partij te bezorgen, als adres vermeldt: “Handelaarstraat 69”; dat, gelet op de gegevens die de verzoekende partijen aanbrengen in hun memorie van wederantwoord en waaruit blijkt dat de correcte vertaling van “rue des Commerçants” “Koopliedenstraat” is, vastgesteld dient te worden dat de bestreden beslissing noch bij gewone post, noch door tussenkomst van de gemeentepolitie aan het correcte adres van de verzoekende partijen werd aangeboden zoals vereist door artikel 13 van de Regularisatiewet; dat, bijgevolg, de termijn voor het indienen van een beroep bij de Raad van State nog geen aanvang heeft genomen; dat dient te worden aangenomen dat het op 26 oktober 2004 aangetekend verzonden verzoekschrift tijdig is ingediend; VII-33.817-3/9 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partijen een eerste middel aanvoeren dat luidt als volgt: “Schending van artikel 13 van de wet van 22 december 1999 - schending van het beginsel van het behoorlijk beheer van dossiers - machtsoverschrijding Artikel 13 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, bepaalt: ‘De beslissing van de minister of diens gemachtigde wordt op rechtsgeldige wijze bezorgd op het in artikel 9, 5/, bedoelde adres, per gewone post en, met toepassing van artikel 25 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, door tussenkomst van de gemeentepolitie van de plaats waar de aanvrager verblijft.’ Uit de feiten blijkt dat de beslissing van 4 januari 2002 van de Minister (waarnaar verwezen wordt op het bevel om het grondgebied te verlaten van 23 oktober 2003) niet aan de verzoekende partijen werd bezorgd op rechtsgeldige wijze. Artikel 13 van de wet van 22 december 1999 werd geschonden. De heer en mevrouw Folowo hebben bovendien op alle mogelijke manieren gepoogd om van de Dienst Vreemdelingenzaken (waar het dossier zich in haar totaliteit zou bevinden volgens de regularisatiecommissie) de beslissing van de Minister te bekomen. De pogingen bleven echter zonder enig gevolg. Tegenpartij blijft in gebreke om het administratief dossier van de verzoekende partijen naar behoren te behandelen aangezien zij nagelaten heeft over te gaan tot de verplichte formaliteit van kennisgeving van de beslissing van 4 januari
- Tegenpartij heeft dus het beginsel van het goed beheer van de administratieve dossiers geschonden. Er is sprake van machtsoverschrijding.”; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert als volgt: “Verzoekers beroepen zich in hun eerste middel op een vermeende: - schending van het art. 13 van de Wet dd. 22.12.1999, - schending van het beginsel van behoorlijk beheer van dossier, - machtsoverschrijding. Ter ondersteuning poneren verzoekers dat de in casu bestreden beslissing dd. 04.012002 van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken, houdende de verwerping van verzoekers regularisatieaanvraag, niet op een rechtsgeldige wijze aan partijen werd bezorgd. Desbetreffend laat de verwerende partij gelden dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker wil doen laten geloven, uit de stukken van het administratief dossier afdoende blijkt dat de in casu bestreden beslissing niet alleen per brief aan de raadsman van verzoekers ter kennis werd gebracht, maar ook aan verzoekers zelf (stukken 75-77) van het administratief dossier. Verzoekers kunnen aldus niet dienstig voorhouden dat zij geen kennis hebben kunnen nemen van de in casu bestreden beslissing, nu deze zowel aan verzoekers zelf als aan hun raadsman werd overgemaakt. Bovendien werd aan het bevoegde gemeentebestuur opdracht gegeven om de ministeriële beslissing aan verzoekers ter kennis te brengen op het door laatstgenoemden overeenkomstig art. 9, 5/ van de voornoemde wet dd. 22.12.1999 opgegeven adres. Gezien echter verzoekers niet meer woonachtig waren op het door hen opgegeven adres, kon de beslissing dd. 10.04.2002 van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken, houdende de verwerping van verzoekers regularisatieaanvraag, niet conform het voormelde art. 9, 5/ ter kennis worden gebracht (stuk 98). Verzoekers kunnen het de verwerende partij bezwaarlijk verwijten dat de in casu bestreden beslissing niet conform het 9, 5/ van de Regularisatiewet dd. 22.12.1999 aan hen ter kennis werd gebracht, nu zij zelf in gebreke bleven om hun nieuwe woonplaats mede te delen. VII-33.817-4/9 Terwijl het art. 10 van de Regularisatiewet dd. 22.12.1999 uitdrukkelijk voorziet dat elke adreswijziging onmiddellijk per aangetekende brief moet worden medegedeeld aan de Commissie voor Regularisatie en aan de burgemeester van de plaats waar de aanvrager verblijft. Overigens laat de verwerende partij gelden dat blijkens de vaste rechtspraak van de Raad van State, eventuele ‘gebreken’ in de kennisgeving van een administratieve akte niet van aard kunnen zijn om aanleiding te kunnen geven tot de nietigverklaring van deze akte als dusdanig (zie o.a. R.v.St. nr. 48.781, 24.08.1994, en R.v.St. nr. 45.694, 19.01.1994, R.A.C.E. 1994, z.p.). In het door verzoeker vermelde vormvoorschrift is overigens nergens sprake van gelding op straffe van nietigheid. De onregelmatigheden die zich volgens verzoekers zouden hebben voorgedaan kunnen hoogstens, en overigens zeker niet in alle gevallen, tot gevolg hebben gehad dat de aanvang van de termijn voor indiening van het annulatieberoep is uitgesteld geworden. Gelet op het voorgaande is de verwerende partij de mening toegedaan dat verzoekers enig middel niet kan worden aangenomen.”; 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord nog het volgende stellen: “Verwerende partij beweert in haar memorie van antwoord dat uit de stukken van het administratief dossier afdoende blijkt dat de in casu bestreden beslissing niet alleen per brief aan de (toenmalige) raadsman van verzoekers ter kennis werd gebracht, maar ook aan verzoekers zelf en verwijst daarvoor naar de stukken 75 tot en met 77 van het administratief dossier. De raadsvrouw van verzoekende partijen wenst hierop, na inzage van het administratief dossier van verwerende partij, als volgt te repliceren:
- Er was nooit een geldige kennisgeving aan verzoekers zelf Verwerende partij verwijst naar een aantal stukken waar inderdaad opdracht wordt gegeven tot kennisgeving, of waar in het briefhoofd inderdaad de naam van de heer Folowo prijkt. De Raad van State zal echter kunnen vaststellen dat in al deze stukken steeds sprake is van volgend adres: Handelaarsstraat
- Ook wanneer er aan het bevoegde gemeentebestuur opdracht wordt gegeven om de ministeriële beslissing aan verzoekers ter kennis te brengen op het door laatstgenoemden overeenkomstig artikel 9, 5/ van de voornoemde wet van 22 december 1999 opgegeven adres, wordt als adres aangeduid: Handelaarsstraat
- Verwerende partij verwijst vervolgens naar het stuk 98 uit het administratief dossier, met name een brief van de adjunct-adviseur van de FOD Binnenlandse Zaken die meldt dat er geen betekening kon gebeuren omdat de betrokkenen niet meer op het adres, aangeduid in zijn verzoek tot regularisatie, zouden verblijven. Verwerende partij besluit vervolgens dat verzoekende partijen verhuisd zijn en verwijt verzoekende partijen de vermeende adreswijziging niet per aangetekend schrijven te hebben meegedeeld aan de Commissie voor Regularisatie en aan de burgemeester van de plaats waar de aanvrager verblijft. Verzoekende partijen zijn echter nooit verhuisd! Uit stuk 3 van het dossier van verzoekende partijen blijkt dat partijen op het ogenblik van de aanvraag tot regularisatie op 24 januari 2000, en die overigens in de Franse taal gebeurde, opgave wordt gedaan van volgend adres: Rue des Commerçants,
- Dat de correcte vertaling van Rue des Commerçants echter niet Handelaarsstraat is, waarvan verkeerdelijk melding wordt gemaakt op al de administratieve stukken waarnaar verwerende partij verwijst om aan te tonen dat zij het nodige heeft gedaan voor de kennisgeving, doch dat de juiste vertaling Koopliedenstraat luidt. Dat verzoekende partijen ter staving daarvan een stuk 6 toevoegen aan hun dossier, met name een foto van het straatnaamplaatje met de correcte straatnaam in het Frans en in het Nederlands. VII-33.817-5/9 Het probleem is dus dat verwerende partij een verkeerde vertaling van deze straatnaam heeft gehanteerd, wat ook kan afgeleid worden uit het negatief advies van de Kamers van de Commissie voor Regularisatie d.d. 22 oktober 2001 (stuk 4). Ook uit de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken evenals in de opdracht die werd gegeven aan het bevoegde gemeentebestuur om deze beslissing ter kennis te brengen, blijkt duidelijk dat door verwerende partij een verkeerd adres werd opgegeven. Dit kan geenszins aan verzoekende partijen verweten worden. Verzoekende partijen hebben in hun aanvraag tot regularisatie het correcte adres opgegeven, zij het in het Frans. Nochtans werden zij nooit in kennis gesteld van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken. Om die reden schreef de heer Folowo bovendien op 24 juni 2003 de Belgische Koning aan, waarbij hij de Koning uitlegt dat verzoekende partijen nog steeds geen beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken ontvingen, om redenen die verzoekende partijen onbekend waren. In dat schrijven, dat per brief van 3 juli 2003 door de Kabinetschef van de Koning werd overgemaakt aan de FOD Binnenlandse Zaken (zie stuk 77 van het administratief dossier van verwerende partij), wordt door de heer Folowo nochtans het nog steeds actuele adres meegedeeld, doch deze keer in het Nederlands, met name Koopliedenstraat
- Hieruit had verwerende partij kunnen afleiden dat zij al die tijd een verkeerde vertaling heeft gehanteerd, doch zij blijft in gebreke dit te doen. Uit al wat voorafgaat kunnen verzoekende partijen echter besluiten dat hen geen enkele fout treft en dat integendeel verwerende partij niet de nodige diligentie aan de dag heeft gelegd om de kennisgeving van de bestreden beslissing tot een goed einde te brengen.
- Er was evenmin een geldige kennisgeving aan de toenmalige raadsvrouw van verzoekers Verwerende partij beweert daarnaast dat eveneens een vermeend geldige kennisgeving zou gebeurd zijn aan de toenmalige raadsvrouw van verzoekende partijen, met name Meester Griet Verfaillie. Ook hier is nochtans één en ander misgelopen. De kennisgeving aan Meester Verfaillie werd immers, zo blijkt uit het administratief dossier, verstuurd naar Louisalaan 200, te 1050 Brussel. Het zal waarschijnlijk niet verwonderen dat Meester Verfaillie geen kantoor houdt op dit adres, noch dat zij daar nooit kantoor gehouden heeft! Het juiste kantooradres is 1040 Brussel, Galliërslaan
- Ook hier werd dus door verwerende partij onzorgvuldig omgesprongen met het beheer van haar dossier. Meester Verfraillie heeft aldus evenmin kennis gekregen van de bestreden beslissing aangezien deze nooit aan het correcte adres werd verstuurd. Ook hier mist het verweer van verwerende partij dus elke grondslag. Bovendien blijkt uit stuk 4 dat reeds op het advies van de Kamers van de Commissie voor Regularisatie d.d. 22 oktober 2001 een verkeerd adres werd opgegeven, niet alleen van verzoekende partij maar blijkbaar ook van de raadsman van verzoekende partijen. Meester Verfraillie heeft dus noch het negatief advies, noch de negatieve beslissing van de Minister ooit ontvangen. Uit wat voorafgaat blijkt dat verwerende partij in deze zaak meerdere fouten heeft gemaakt, in het nadeel van verzoekende partijen. Om het plaatje volledig te maken, wensen verzoekende partijen daar nog aan toe te voegen dat zelfs tijdens de huidige procedure, opnieuw een aantal fouten gemaakt werden. Zo werden verzoekende partijen er bij schrijven van de griffie d.d. 21 maart 2004 van op de hoogte gebracht dat de kamer zou overgaan tot het uitspreken van het ontbreken van het vereiste belang, tenzij één van de partijen zou vragen om gehoord te worden, om bedoeld gemis van belang te betwisten. Door de raadsvrouw van verzoekende partijen wordt dan bij aangetekend schrijven d.d. 4 april 2005 het nodige gedaan voor de neerlegging van een verzoekschrift om te worden gehoord, en waarbij zij tevens informeert of er intussen reeds een memorie van VII-33.817-6/9 antwoord werd ingediend door verwerende partij, aangezien zij daarvan alleszins niet van op de hoogte werd gebracht. Op dat schrijven wordt dan door de griffie gereageerd bij schrijven van 6 april 2005, stellende dat het verzoek om te worden gehoord zonder gevolg werd gerangschikt wegens materiële vergissingen, en waarbij een afschrift van de memorie van antwoord van verwerende partij, reeds neergelegd ter griffie op 21 februari 2005, wordt toegestuurd. Verzoekende partijen, die reeds lang op een geldige beslissing wachten inzake hun verblijfstoestand, uiten dan ook hun ongenoegen over de gang van zaken. Verzoekende partijen wensen daar tot slot nog aan toe te voegen dat door een vorige raadsman van verzoekende partijen, meermaals werd geïnformeerd, zowel bij het Politiecommissariaat van Brussel als bij de Dienst Vreemdelingenzaken, of aan verzoekende partijen een beslissing van weigering van regularisatie of een bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend. Dit blijkt onder meer uit de stukken 7 en 8 die verzoekende partijen toevoegen aan hun dossier. Hierop werd nooit geantwoord. Ook door de begeleidster van verzoekende partijen binnen de organisatie CAW Mozaïek, deelwerking Asiel, werd veel moeite gedaan om kennis te krijgen van enige beslissing dan ook die genomen zou zijn in het dossier van verzoekende partijen. Door haar werd contact opgenomen met zowel de Regularisatiecommissie als Dienst Vreemdelingenzaken, doch ondanks herhaalde pogingen werd de begeleidster steeds van het kastje naar de muur gestuurd en werd evenmin aan haar ooit kennis gegeven van enige beslissing. Op grond van al deze onregelmatigheden en bij gebrek aan kennisgeving van de bestreden beslissing, vragen verzoekende partijen de bestreden beslissing teniet te doen. Verwerende partij repliceert daarop dat eventuele ‘gebreken’ in de kennisgeving van een administratieve akte niet van die aard kunnen zijn dat zij zouden aanleiding geven tot de nietigverklaring van deze akte. Verwerende partij verliest daarbij evenwel uit het oog dat het hier geen gebrek in de kennisgeving betreft, doch dat er zelfs geen kennisgeving gebeurde. Het spreekt voor zich dat verzoekende partijen niet kunnen benadeeld worden door een beslissing die hen nooit ter kennis werd gebracht, zodat hun verzoek om deze bestreden beslissing te nietig te verklaren ontvankelijk en gegrond is.”; 3.1.
- Overwegende dat de kritiek van de verzoekende partijen de wijze betreft waarop van de bestreden beslissing kennis is gegeven; dat het onregelmatig of niet ter kennis brengen van een beslissing evenwel geen afbreuk doet aan het bestaan en de wettigheid ervan; dat dergelijk gebrek immers de rechtmatigheid van de bestreden beslissing zelf niet in het gedrang brengt; dat het eerste middel niet ontvankelijk is; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in het verzoekschrift voorts nog volgend “voorbehoud” maken: “Aangezien de verzoekende partijen tot op heden nog geen kennis hebben gekregen van de beslissing van 4 januari 2002 en de inhoud hiervan, houden zij zich het recht voor om de desbetreffende middelen desgevallend tijdens het verder verloop van de procedure in te roepen.”; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord een tweede middel aanbrengen, dat luidt als volgt: “Tweede middel: schending van de redelijke termijnvereiste en het vereiste van de rechtszekerheid VII-33.817-7/9 Alwaar verzoekende partijen reeds op 24 januari 2000 een regularisatieaanvraag indienden, wordt het principe van de redelijke termijneis geschonden daar de negatieve beslissing van de Minister tot op heden niet aan verzoekende partijen werd ter kennis gebracht. Door te verzuimen om binnen een redelijke termijn rechtszekerheid te verschaffen over de rechtstoestand van verzoekende partijen, werden de vereisten van de redelijke termijn en de rechtszekerheid geschonden. Het hoeft geen betoog dat in de zaken zoals regularisatie de belangrijkheid van het te nemen besluit niet kan overschat worden. Beslissingen over de regularisatieaanvraag zijn bepalend voor de verdere loop van het leven van de verzoekende partijen. Verzoekende partijen, die intussen lange tijd verblijven in België, zijn intussen volledig vervreemd van hun moederland, en geraken hoe langer hoe meer geïntegreerd in het land waar zij verblijven, met name België. Trouwens, aangezien de procedure zo lang aansleept is het voor verzoekende partijen zelfs een noodzaak geweest om zich te integreren. De gevolgen voor verzoekende partijen zijn niet te overzien als zij, na jaren hier te hebben verbleven, zich hier te hebben aangepast, vervreemd geraakt te zijn van het moederland,... geconfronteerd worden met een afwijzende beslissing. Het is dus niet overdreven als gesteld wordt dat het een absolute levensnoodzaak is voor verzoekende partijen om binnen een redelijke termijn rechtszekerheid te krijgen over hun rechtstoestand. Door de jarenlange onzekerheid omtrent hun verblijfsstatuut werden verzoekende partijen gedwongen om ter plaatse te blijven trappelen en werden zij verhinderd hun toekomst concreet vorm te geven.”; 3.2.
- Overwegende dat, daargelaten de vraag of het middel op ontvankelijke wijze kan worden aangevoerd in de memorie van wederantwoord, vastgesteld dient te worden dat ook dit middel betrekking heeft op het niet of niet tijdig betekenen van de bestreden weigeringsbeslissing; dat, zoals bij de bespreking van het eerste middel aangegeven, dergelijk gebrek de rechtsgeldigheid van de beslissing niet aantast; dat het tweede middel bijgevolg eveneens niet ontvankelijk is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen ontvankelijk middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. VII-33.817-8/9 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig november tweeduizend en vijf, door Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-33.817-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.805 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.