id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.807 Rolnummer: Zaak: Arrest 151807 - - 28/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-14 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-07-03 05:33 Fiche Arrest nr 151.807 van 28 november 2005 - Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.807 van 28 november 2005 in de zaken A. 154.567/XIV-20.361 154.571/XIV-20.
- In zake : I. XXX, II. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat A.-S. ROGGHE, kantoor houdende te 7712 HERSEAUX (MOESKROEN), rue de la Citadelle 171 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 5 augustus 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 15 juni 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 5 augustus 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 15 juni 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd haar als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikkingen van 12 augustus 2004 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikkingen van 14 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 november 2005; XIV-20.361-1/5 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. VANHULDENBERG die, loco Advocaat A.-S. ROGGHE verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de procedure. Overwegende dat XXX en XXX ieder in een afzonderlijk verzoekschrift de vernietiging vorderen van de beslissingen waarbij hun de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling wordt geweigerd; dat de beslissing die ten aanzien van XXX werd genomen in hoofdzaak steunt op de niet-erkenning van XXX, haar echtgenoot; dat, in het belang van een goede rechtsbedeling, het aangewezen is beide beroepen wegens verknochtheid samen te behandelen en te berechten;
- Over de gegrondheid van de beroepen. 2.
- Wat het beroep van XXX betreft: 2.1.
- Overwegende dat in een enig middel, afgeleid uit de schending van artikel 1 van de Conventie van Genève van 28 juli 1951, van artikel 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van artikel 149 van de Grondwet en tevens doordat een manifeste appreciatiefout is begaan en de bestreden beslissing werd genomen met machtsoverschrijding, doordat fouten werden gemaakt bij de feitenkwalificatie en andere feiten niet in overweging werden genomen, meer bepaald de argumenten met betrekking tot Maku niet pertinent zijn en ten onrechte een toeristische beschrijving van deze plaats wordt verlangd, terwijl de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de waarachtig- heid van het relaas en de geleverde bewijzen dient te onderzoeken en het reële niet met het uitzonderlijke mag vermengen terwijl ze dit wel doet, dat er ten onrechte wordt uitgegaan van het feit dat de bergen ‘s winters werden overgestoken terwijl het nog herfst was, dat geen rekening werd gehouden met de verklaringen van verzoeker met betrekking tot de voorbereidingen op de oversteek van de bergen en de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen aldus vooringenomen was, dat op basis van de vaststellingen die werden gemaakt met betrekking tot zijn studies verzoekers geloofwaardigheid niet kan worden XIV-20.361-2/5 betwijfeld wat het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ook niet deed, dat om verzoekers rechten van verdediging te respecteren hij minstens de kans had moeten krijgen bijkomende bewijzen neer te leggen, dat er alleszins sprake is van een manifeste machtsoverschrijding nu zaken in twijfel worden getrokken die door het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen probleem vormden terwijl de argumenten van verzoeker ten aanzien van de beslissing van het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, met name de expertise van de documenten, nergens worden onderzocht, dat aldus de middelen door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet worden onderzocht, terwijl zij dit als administratief rechtscollege diende te doen; 2.1.
- Overwegende dat, in de mate het middel ertoe strekt aan te tonen dat verzoeker wel degelijk aan de voorwaarden van artikel 1, (A), 2, van het Vluchtelingenver- drag beantwoordt, het niet in aanmerking kan worden genomen, vermits het niet aan de Raad van State toekomt het oordeel van de feitenrechter over de grond van de zaak over te doen; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen naar behoren dient aan te geven waarom, geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, (A), 2, van het Vluchtelingenverdrag in aanmerking kan worden genomen; dat zij niet op ieder ter staving van een gegronde vrees voor vervolging aangevoerd argument dient in te gaan; dat uit de motivering van de bestreden beslissing duidelijk blijkt waarom de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van oordeel is dat zij verzoeker niet kan erkennen als vluchteling: hij heeft het niet aannemelijk gemaakt dat hij effectief een zware reis heeft gemaakt tijdens zijn vlucht, waarbij hij geen specifieke kenmerken kan vermelden over deze reis, hij heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij zijn land van herkomst op illegale wijze heeft verlaten, hij heeft ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaringen afgelegd met betrekking tot zijn studies, zijn politiek engagement, dat zijn deelname aan betogingen en een uit de hand gelopen heftige discussie en handgemeen met een diensthoofd tot het gemeenrecht behoort; dat al deze bevindingen voldoende worden toegelicht in de bestreden beslissing, waardoor deze afdoende met redenen is omkleed; dat, met betrekking tot het onderzoek van de middelen die verzoeker heeft ontwikkeld in zijn beroep tegen de beslissing van het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, erop dient gewezen dat het hoger beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, gelet op de devolutieve werking ervan, een volledige nieuwe beoordeling van de zaak inhoudt; dat dit, onder meer, inhoudt dat deze niet in het minst gebonden is door de eerdere weigeringsmotieven, doch op eigen grond uitspraak vermag te doen; dat het geenszins onredelijk is een aanvraag op grond van nieuwe, eigen, bevindingen te verwerpen, in plaats van zich aan te sluiten bij de door de appellant bekritiseerde weigeringsmotieven van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat verzoeker de gelegenheid heeft gehad om al zijn middelen naar voor te brengen; dat het algemeen rechtsbeginsel inzake de eerbiediging van het recht van XIV-20.361-3/5 verdediging niet eist dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de motieven, op grond waarvan ze voornemens is een aanvraag als ongeloofwaardig af te wijzen, vooraf ter kennis brengt van de vreemdeling; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2.
- Wat het beroep van XXX betreft: 2.2.
- Overwegende dat verzoekster hetzelfde middel aanvoert als haar echtgenoot, waarbij in de uiteenzetting ervan uitdrukkelijk wordt verwezen naar het beroep van haar echtgenoot; 2.2.
- Overwegende dat het middel om dezelfde redenen als voor haar echtgenoot moet worden verworpen;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de beroepen tot nietigverklaring worden verworpen, BESLUIT: Artikel
- De zaken nrs. A. 154.567/XIV-20.361 en 154.571/XIV-20.362 worden gevoegd. Artikel
- De beroepen worden verworpen. Artikel
- De kosten van de beroepen, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. XIV-20.361-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwin- tig november tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.361-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.807 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.