← België

Arrest 151808 - - 28/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.808 Rolnummer: A. 154580/XIV-20364 Zaak: Arrest 151808 - - 28/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-14 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 05:33 Fiche Arrest nr 151.808 van 28 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.808 van 28 november 2005 in de zaak A. 154.580/XIV-20.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. VAN DEN BERGH, kantoor houdende te 1700 DILBEEK, Kaudenaardestraat 13 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Syrische nationaliteit, op 9 augustus 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 24 juni 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 november 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. DE BELIE die, loco Advocaat J. VAN DEN BERGH verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; XIV-20.364-1/3 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.
  3. Overwegende dat in een eerste middel verzoeker laat gelden dat in de bestreden beslissing een verkeerd juridisch gevolg wordt toegekend aan de aangehaalde feiten doordat wordt gesteld dat hij zijn identiteit niet bewijst terwijl hij nochtans een Libanees rijbewijs wenste neer te leggen, wat als een begin van bewijs kan worden beschouwd; dat hij in een tweede middel laat gelden dat de bestreden beslissing het redelijkheidsbeginsel schendt doordat enkel werd gezocht naar elementen die in zijn nadeel spreken, de tegenstrijdigheden die werden vastgesteld enkel het resultaat zijn van een nadelige interpretatie van zijn relaas, bovendien de motivering van de beslissing zodanig summier is dat zij een schending uitmaken van de motiveringsplicht bij bestuurshandelin- gen; dat hij in een derde middel laat gelden dat de bestreden beslissing het redelijkheidsbe- ginsel schendt doordat geen rekening werd gehouden met de huidige situatie in het land van herkomst, terwijl verzoeker noch naar Syrië, noch naar Libanon kan terugkeren waar hij de bescherming van de autoriteiten niet kan inroepen, zodat ook op dit punt geen correcte juridische kwalificatie aan de aangehaalde feiten wordt gegeven; 1.
  4. Overwegende dat het uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen of en in hoeverre de door hem gedane vaststellingen de geloofwaardigheid van het relaas van de vreemdeling ondermijnen en of het deze laatste mogelijk is identiteitsbewijzen voor te leggen; dat de feitenrechter soeverein oordeelt welke interpretatie hij geeft aan de verklaringen die verzoeker heeft afgelegd; dat het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toekomt zijn beoordeling omtrent een en ander in de plaats van die van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen te stellen; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker in het verzoekschrift beweert, een rijbewijs luidens de bestreden beslissing wel als begin van bewijs wordt aanvaard; dat wel wordt vastgesteld dat hij niet kan toelichten waarom hij zijn Libanese documenten of andere documenten van zijn werkgever niet neerlegt, waardoor wordt geconcludeerd dat hij zijn identiteit en nationaliteit niet naar behoren aantoont; dat uit het administratief dossier niet blijkt dat verzoeker heeft aangeboden het Libanese rijbewijs neer te leggen; dat het niet voorleggen van een begin van bewijs van de identiteit terwijl de vreemdeling daartoe in de mogelijkheid was, de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas kan aantasten en als dusdanig mee in de oordeelsvorming van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen worden betrokken; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen -onder meer, maar niet uitsluitend, onder verwijzing naar het administra- tief dossier- duidelijk aangeeft waarom verzoeker er niet in geslaagd is de echtheid van zijn asielrelaas aan te tonen; dat, als administratieve cassatierechter, het de Raad van State niet toekomt op zijn beurt de toestand in het land van herkomst na te gaan; dat de motiverings- XIV-20.364-2/3 plicht bij bestuurshandelingen hier niet ter sprake komt; dat de middelen, in de mate dat ze ontvankelijk zijn, niet gegrond zijn;
  5. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  6. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwin- tig november tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.364-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.808 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.