id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.824 Rolnummer: A. 124789/XII-3615 Zaak: Arrest 151824 - - 29/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-05 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-07-03 07:21 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) DE Fiche Arrest nr 151.824 van 29 november 2005 - Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.824 van 29 november 2005 in de zaak A. 124.789/XII-
- In zake : de BELGISCHE STAAT, die woonplaats kiest bij advocaat M. Aps, kantoor houdende te Antwerpen, Harmoniestraat 38 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat H. Sebreghts, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de Belgische Staat, alsdan vertegenwoordigd door de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, op 29 juli 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse regering van 29 maart 2002 betreffende het toekennen van vergunningen, het vaststellen en innen van retributies voor het privatieve gebruik van het openbaar domein van de wegen, de waterwegen en hun aanhorigheden, de zeewering en de dijken; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur E. Haesbrouck; Gelet op de beschikking van 12 augustus 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-3615-1/12 Gelet op de beschikking van 11 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 april 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. Aps, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat S. Vernaillen, die loco advocaat H. Sebreghts verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur E. Haesbrouck; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- De artikelen 97 en 98 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven luiden als volgt : “Art.
- §
- : Onder de voorwaarden bepaald in dit hoofdstuk, is elke operator van een openbaar telecommunicatienet gemachtigd om, mits eerbiediging van hun bestemming en de wettelijke en reglementaire bepalingen die hun gebruik regelen, het openbaar domein en de eigendommen te gebruiken om kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen aan te leggen en alle nodige werken hieraan uit te voeren. [...] Art.
- §
- : Vooraleer kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen aan te leggen op het openbaar domein, onderwerpt elke operator van een openbaar telecommunicatienet het plan van de plaats van aanleg en de bijzonderheden ervan aan de goedkeuring van de overheid van wie het openbaar domein afhangt. [...] §
- De overheid mag voor dat gebruiksrecht de operator van het betrokken openbaar telecommunicatienet geen belasting, taks, cijns, retributie of vergoeding, van welke aard ook, opleggen. [...]”; 1.
- Artikel 40 van het decreet van 18 december 1992 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1993 bepaalt in zijn toepasselijke versie hetgeen volgt : “Art. 40 § 1 : Het privatief gebruik van de wegen en hun aanhorigheden ressorterend onder het beheer van het Vlaams Gewest, van de waterwegen en XII-3615-2/12 hun aanhorigheden, de zeewering en de dijken kan worden toegestaan met een vergunning. § 2 : Het verkrijgen van een vergunning is onderworpen aan het betalen van een retributie, die kan bestaan uit een vast recht of een vast recht en een variabel gedeelte. De verschuldigde retributie kan eenmalig of periodiek worden geheven”; Artikel 41 van hetzelfde decreet bepaalt : “Art. 41 : De Vlaamse Regering is gemachtigd de voorwaarden en de procedure inzake het toekennen van de vergunning evenals het bedrag en de wijze van de inning van de retributie vast te stellen.”; De artikelen 50 en 51 van het decreet luiden : “Art. 50 : De Vlaamse Regering wordt ertoe gemachtigd concessies te verlenen voor het privatief gebruik van het openbaar domein van de wegen en hun aanhorigheden, ressorterend onder het beheer van het Vlaams Gewest, de waterwegen en hun aanhorigheden, de dijken en de zeewering. Art. 51 : De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten waaronder de bedoelde concessies worden verleend. Deze modaliteiten kunnen onder meer betrekking hebben op de verschuldigde retributie, de duur van de concessies, evenals de voorwaarden, die de concessiehouder dienen na te leven.”; 1.
- Het bestreden besluit regelt in uitvoering van het voormelde artikel 41 het toekennen van de vergunningen, het vaststellen en het innen van retributies voor het privatieve gebruik van het openbaar domein van de waterwegen, de zeewering en van de wegen. Het verlenen van de vergunningen wordt behandeld in Deel I, hoofdstukken II tot en met V, het innen der retributies is voorwerp van Deel I, hoofdstukken VI, VIII en IX met betrekking tot de in Deel II vermelde categorieën van privatief gebruik van het openbaar domein. Het bestreden besluit heft in zijn artikel 32 het besluit van de Vlaamse regering van 16 maart 1994 op waarin de uitvoeringsmodaliteiten en tarieven vastgesteld voor het privatieve gebruik van het domein van de waterwegen, zeewering en dijken waren geregeld;
- De procedure. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie vraagt om artikel 21, zesde lid, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State toe te passen, en om dienvolgens een vermoeden van afstand van geding vast te stellen, omdat in het auditoraatsverslag de verwerping of de XII-3615-3/12 niet-ontvankelijkheid van het beroep zou zijn voorgesteld en niet tijdig voortzetting van de procedure is gevraagd; Overwegende dat te dezen in het auditoraatsverslag betreffende de twee door de verwerende partij opgeworpen excepties wordt voorgesteld deze te verwerpen; dat ten gronde het verslag beperkt is tot de vaststelling van een mogelijk bevoegdheidsconflict tussen de aangehaalde wet en het aangehaalde decreet waarbij wordt geopteerd voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Arbitragehof; dat aldus in het verslag geen verwerping of niet-ontvankelijkheid van de vordering wordt voorgesteld zoals de eerste auditeur-verslaggever in zijn advies ter terechtzitting overigens bevestigt; dat dienvolgens het voormelde artikel 21, zesde lid, niet van toepassing is;
- De excepties. 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in een eerste exceptie betoogt dat het beroep niet ontvankelijk is, omdat geen besluit bij het verzoekschrift is gevoegd waaruit blijkt dat “het daartoe bevoegde orgaan” tijdig heeft beslist om namens de Belgische Staat het verzoekschrift in te dienen en waaruit ook blijkt dat dit orgaan tijdig heeft beslist om de optredende advocaat aan te stellen; 3.1.
- Overwegende dat in het auditoraatsverslag deze exceptie wordt verworpen; dat de verwerende partij ze in haar laatste memorie niet meer ter sprake brengt; dat aldus wordt aangenomen dat zij er afstand van heeft gedaan; 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij vervolgens in een tweede exceptie tegenwerpt dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het beroep, omdat zij zou optreden voor de belangen “van iedereen of voor de belangen van anderen b.v. telecomoperatoren-vergunninghouders”, de privatieve ingebruikneming van het openbaar domein onder de exclusieve bevoegdheid valt van de verwerende partij en de gevraagde nietigverklaring de verzoekende partij geen voordeel zal opleveren, aangezien het bestreden besluit niet haar treft, maar “de verschillende actoren binnen de nutssectoren die privatief gebruik wensen te maken van het openbaar domein” waarvoor de verwerende partij exclusief bevoegd is; XII-3615-4/12 Overwegende dat de verzoekende partij reeds in het inleidend verzoekschrift over het belang bij het beroep schrijft wat volgt : “Doordat het bestreden Besluit, zonder uitzondering te maken voor het privatief gebruik van het openbaar domein door operatoren van een openbaar telecommunicatienet, op algemene wijze het gebruik van het domeingoed op verplichtende wijze koppelt aan het voorafgaandelijk bekomen van een vergunning en het heffen van een retributie op de voormelde operatoren- vergunninghouders, schendt het Besluit de grondwettelijke en wettelijke bepalingen die aan federale overheid de bevoegdheid toekennen om de materie van openbare telecommunicatie dewelke door haar technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeft, te regelen. (Zie o.m. 1.1) Dat het beroep tot nietigverklaring dan ook wordt ingesteld vanuit de vaststelling dat de verwerende partij een inbreuk heeft gepleegd op de bevoegdheden van verzoekende partij en vanuit het belang van deze laatste hierbij om haar prerogatieven te zien erkennen, en toe te zien op de juiste totstandkoming van wetgeving en de toepassing ervan in de sector telecommunicatie. Dat hierna vermelde en aangedragen middelen worden gesteld vanuit hetzelfde voormelde belang”; Overwegende dat de verzoekende partij vervolgens in haar memorie van wederantwoord repliceert haar belang duidelijk omschreven te hebben in het verzoekschrift “alwaar zij uiteenzet dat het bestreden Besluit de grondwettelijke en wettelijke bepalingen schendt die aan de federale overheid de bevoegdheid toekennen om de materie van openbare telecommunicatie, dewelke door haar technische en economische ondeelbaarheid een gelijke behandeling op nationaal vlak behoeft, te regelen”; dat zij vervolgt dat het beroep “dan ook werd ingesteld vanuit het belang van de verzoekende partij om haar wettelijke prerogatieven te zien herkennen, en toe te zien op de juiste totstandkoming van de wetgeving en de toepassing ervan in de sector telecommunicatie waarvoor [zij] bevoegd is”, dat dit “functioneel belang” door de Raad van State “bij herhaling werd bevestigd” en dat het nadeel in haren hoofde “evident vervat ligt in de hoger geciteerde omschrijving van haar functioneel belang nu het herstel van de miskenning van haar prerogatieven en de juiste totstandkoming van een eenvormige wetgeving inzake het afleveren van vergunningen en het heffen van retributies enkel tot stand kan komen door de vernietiging van het bestreden Besluit”; Overwegende dat de verwerende partij in de laatste memorie haar stelling handhaaft dat de verzoekende partij “geen hoedanigheid of belang” heeft om op te treden, “omdat uit hetgeen volgt uit de feitelijke uiteenzetting en de weerlegging van de middelen blijkt dat sinds de bijzondere wet van 8 augustus 1980 XII-3615-5/12 [...] verwerende partij haar exclusieve bevoegdheid voor de privatieve ingebruikneming van haar openbaar domein terugvindt in artikel 6, § 1, X, 1/, 2/ en 2/bis ervan”; dat verwerende partij voorts betwist de federale bevoegdheid inzake telecommunicatie aan te tasten; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij haar belang bij de gevraagde nietigverklaring steunt op de beweerde inbreuk op de federale bevoegdheden -háár bevoegdheden- met betrekking tot de telecommunicatie; Overwegende dat de verwerende partij niet tegenspreekt dat het bestreden besluit ook van toepassing is op de telecom-operatoren noch betwist dat het regelen van de telecommunicatie in beginsel een federale aangelegenheid is; dat zij het bestreden besluit evenwel niet ziet als een zaak van telecommunicatie; dat zulks evenwel de grond der zaak betreft; dat de verzoekende partij, die zich ter zake al dan niet terecht een bevoegdheid toemeet, en die bevoegdheid aangetast weet door een besluit uitgaande van de verwerende partij, er een afdoende belang bij heeft om dit bevoegdheidsconflict in rechte geregeld te zien en over de door haar in dit verband aangevoerde wettigheidsbezwaren uitspraak te horen doen; dat het enige in het auditoraatsverslag besproken middelonderdeel alleszins met de bevoegdheids- verdeling in relatie staat; dat de verzoekende partij dienvolgens niet het belang bij haar beroep kan worden ontzegd; dat de exceptie verworpen wordt;
- Ten gronde. 4.
- Overwegende dat de verwerende partij betoogt, betreffende de middelen in het algemeen, dat zij niet duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn en dus niet ontvankelijk zijn “obscuri libelli”; dat zulks niet wordt aanvaard, aangezien de verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift onder het opschrift “III. De middelen” grieven aanvoert, genummerd van 3.
- tot 3.
- die aldus wel degelijk van elkaar te onderscheiden zijn en die zich als afzonderlijke middelen aandienen; 4.2.
- Overwegende dat in het auditoraatsverslag slechts wordt vastgesteld dat zowel verzoekende partij als verwerende partij vragen dat aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag zou worden voorgelegd, en voorgesteld wordt op beider verzoek in te gaan; XII-3615-6/12 Overwegende dat verwerende partij haar prejudiciële vraagstelling formuleert als volgt : “
(1)Zijn de artikelen 97 en 98 van de wet van 21 maart 1991 tot hervorming van sommige overheidsbedrijven niet in strijd met de bevoegdheidsverdelende bepalingen zoals vastgelegd in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen en in de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, inzonderheid in artikel 6 §1, X 1/, 2/ en 2/ bis doordat een samenlezing van de artikelen 97 en 98 van de wet van 21 maart 1991 tot hervorming van sommige overheidsbedrijven stelt dat elke gebruiker van een openbaar telecommunicatienet gemachtigd is om het openbaar domein te gebruiken om kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen aan te leggen en alle nodige werken hieraan uit te voeren zonder dat de overheid voor dat gebruiksrecht een belasting, taks, cijns, retributie of vergoeding van welke aard ook mag opleggen terwijl de bevoegdheids- verdelende bepalingen zoals vastgelegd in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen en in de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, inzonderheid in artikel 6 §1, X 1/, 2/ en 2/bis de bevoegdheden inzake het privatief gebruik van het openbaar domein exclusief hebben overgedragen aan de Gewesten?
(2)Moeten in het licht van de voorgaande prejudiciële vraag de artikelen 97 en 98 van de wet van 21 maart 1991 niet als impliciet opgeheven beschouwd worden door de artikelen 40, 41, 42 en 43 van het decreet van 18 december 1992 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting? Het spreekt voor zich dat in de mate het Arbitragehof het standpunt van verwerende partij onderschrijft en van oordeel is dat de in het middel aangehaalde bepalingen (inzonderheid de artikelen 97 en 98 van de wet van 21 maart 1991) strijdig zijn met de bevoegdheidsverdelende bepalingen en deze impliciet zijn opgeheven door het decreet van 18 december 1992, het thans bestreden uitvoeringsbesluit van het decreet van 18 december 1992 niet kan genomen zijn met schending van de in het middel ingeroepen bepalingen”; Overwegende dat verzoekende partij haar prejudiciële vraag formuleert als volgt : “Schenden de artt. 40 tot en met 43 van het Decreet van 18.12.1992 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1993, bij uitvoering waarvan de Vlaamse regering bij Besluit van 29.03.2002 het toekennen van vergunningen, het vaststellen en innen van retributies voor het privatieve gebruik van het openbaar domein van de wegen, de waterwegen en aanhorigheden, de zeewering en de dijken heeft geregeld, de regels voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de staat, de gemeenschappen en de gewesten, in de mate dat het voor het gebruik van het domeingoed voor leidingen, netwerken en locale installaties van algemeen en privaat belang een vergunning vereist en een retributie verschuldigd stelt, terwijl art. 97 van de Wet van 21.03.1991 elke operator van een openbaar telecommunicatienet reeds machtigt het openbaar domein en de eigendommen te gebruiken om kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen aan te leggen en alle nodige werken hieraan uit te voeren en art. 98 van diezelfde wet stelt dat de overheid voor dat gebruiksrecht de operator van het betrokken openbaar telecommunicatienet geen belasting, taks, accijns, retributie of vergoeding, van welke aard ook, mag opleggen”; XII-3615-7/12 4.2.
- Overwegende dat de prejudiciële vraagstelling door de verwerende partij aan de orde wordt gesteld bij het verweer op het derde middel, voor zover de verzoekende partij als onderdeel van dit middel de schending aanvoert van de hiervoor aangehaalde artikelen 97 en 98 van de wet van 21 maart 1991; Overwegende, eensdeels, dat de artikelen 97 en 98 van de wet van 21 maart 1991 de operatoren van een openbaar telecommunicatienet machtigen “het openbaar domein” te gebruiken om kabels of leidingen aan te leggen, zonder voor dat gebruiksrecht een retributie verschuldigd te zijn; dat volgens de verzoekende partij de “wettelijke en reglementaire bepalingen” die de operatoren daarbij moeten naleven, refereren aan de vigerende federale wetten en de term “retributie” elke, dus ook een door een gewestwetgever ingevoerde retributie, verbiedt; Overwegende, anderdeels, dat artikel 40 van het decreet van 18 december 1992 de operatoren van openbare telecommunicatienetwerken niet uitdrukkelijk noemt, noch artikel 43 van hetzelfde decreet, dat een vrijstellings- regeling bevat, deze uitdrukkelijk uitsluit van de vergunnings- en retributieplicht; dat evenwel volgens de verwerende partij pertinent ook deze netwerken door de decreetgever zijn bedoeld en het besluit dienvolgens volkomen uitvoering geeft aan de bedoelde decreetsbepalingen door de operatoren van openbare telecommunicatie- netwerken niet vrij te stellen van vergunningsplicht noch van betaling van de retributie; Overwegende dat de verzoekende partij zich zoals hiervoor gezien, beroept op haar bevoegdheid inzake de telecommunicatie; dat de gemeenschappen krachtens artikel 4, 6/, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (BWHI) bevoegd zijn voor radio-omroep en televisie, terwijl de federale wetgever op grond van zijn residuaire bevoegdheid bevoegd is voor de andere vormen van telecommunicatie; dat de verzoekende partij op grond van die bevoegdheid meent de exploitatie van netwerken voor telecommunicatie te mogen regelen op zulke wijze dat door of krachtens een decreet geen vergunningsplicht mag worden opgelegd aan operatoren van openbare telecommunicatienetwerken, noch van hen de betaling van een retributie mag worden geëist voor het gebruik van het gewestelijk openbaar domein; dat zij ook meent met de artikelen 97 en 98 van de wet van 21 maart 1991 de materie geregeld te hebben; XII-3615-8/12 Overwegende dat de verwerende partij niet pretendeert de activiteiten te regelen van de netwerkoperatoren, maar zich beroept op haar bevoegdheid met betrekking tot de openbare werken, in het bijzonder op artikel 6, § 1, X, eerste lid, 1/, 2/ en 2/bis, BWHI om, voor de eigendommen van haar eigen gewestelijk openbaar domein het privatief gebruik te regelen, door het aan een vergunning en -in samenhang met artikel 173 van de Grondwet en artikel 2 van de bijzondere financieringswet van 16 januari 1989- aan de betaling van een retributie te onderwerpen; Overwegende dat de Raad van State ten overvloede opmerkt dat zowel de besproken wetsbepalingen als de bedoelde decreetsbepalingen naar de letter gelezen bevoegdheidsneutraal en desgevallend bevoegdheidsconform uitgelegd zouden kunnen worden; dat evenwel ingevolge de stelligheid van de door partijen elk aan de eigen regelgeving gegeven uitleg, de Raad hiervan afziet; 4.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een vijfde middel de berekeningswijze van de retributie bekritiseert en in dat verband onder meer betwist dat de door het bestreden besluit ingevoerde bedoelde heffing wel aan de wezenskenmerken van de retributie beantwoordt, zodat het om een belasting zou gaan als bedoeld bij artikel 170, § 2, van de Grondwet ; dat zij ook ter terechtzitting stelt dat de retributie, zoals zij is geregeld, eigenlijk een belasting is waarvan de invoering insgelijks verboden is luidens artikel 98 van de wet van 21 maart 1991; dat de decreetgever het verkrijgen van een vergunning luidens het voornoemde artikel 40, § 2, onderwerpt aan het betalen van “een retributie”, en de regering bij artikel 41 opdraagt “het bedrag en de wijze van de inning van de retributie vast te stellen”; dat de Raad er vooralsnog mee moet volstaan aan te nemen dat de op de kwalificatie “belasting” gesteunde wettigheidskritiek vreemd is aan het decreet zelf, waarin uitdrukkelijk van retributie sprake is, enkel het besluit treft, en bijgevolg geen weerslag heeft op de eventuele vraagstelling aan het Arbitragehof dat enkel de roeping heeft om wetskrachtige normen te toetsen; dat het wel voor de zuiverheid van het juridische debat wenselijk ware geweest indien vooreerst de aard van de in het geding zijnde heffing -belasting of retributie- kon worden uitgeklaard, aangezien de regels van bevoegdheidsverdeling tussen de Staat en de gewesten verschillen naar gelang het om een in artikel 170, § 2, van de Grondwet bedoelde belasting of een in artikel 173 van de Grondwet bedoelde retributie gaat; dat dit evenwel een uitspraak vereist door de Raad van State over het vijfde middel; dat het auditoraat echter heeft nagelaten dit middel te onderzoeken, zodat de Raad van State er alsnog geen XII-3615-9/12 uitspraak over mag doen, zelfs al zou een voor verzoekende partij gunstig antwoord de vraagstelling aan het Arbitragehof deels zinledig kunnen maken; Overwegende dat in principe, om een mogelijk nodeloze rechtsgang bij het Arbitragehof te vermijden, het auditoraat ook het vijfde middel had moeten onderzoeken; dat de Raad van State er enkel van afziet om een aanvullend verslag te gelasten, om de reden dat beide partijen zich eens verklaren om de door het auditoraat geadviseerde bevoegdheidsvraag aan het Arbitragehof voor te leggen; dat de partijen dienvolgens worden bijgevallen in hun verzoek om het Arbitragehof, met toepassing van artikel 26, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, te ondervragen over de overeenstemming van de sub 4.2.
- besproken bepalingen met de regels voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat en de gewesten, zonder dat daarbij evenwel de formulering die de partijen hebben voorgesteld naar de letter gevolgd wordt, BESLUIT: Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- De volgende prejudiciële vragen worden aan het Arbitragehof gesteld :
- Schendt artikel 40, § 1, van het decreet van 18 december 1992 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1993 de regels die de onderscheiden bevoegdheden vaststellen van de Staat en de gewesten door de operatoren van openbare telecommunicatienetwerken aan een vergunningsplicht te onderwerpen voor het privatief gebruik van het domein van de wegen en hun aanhorigheden ressorterend onder het beheer van het Vlaamse Gewest, van de waterwegen en hun aanhorigheden, de zeewering en de dijken?
- Schenden de artikelen 40, § 2, tot 43 van het decreet van 18 december 1992 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1993 de regels die de onderscheiden bevoegdheden vaststellen van de Staat en de gewesten door een retributie op t e leggen aan de operatoren van openbare XII-3615-10/12 telecommunicatienetwerken voor de vergunning, vereist voor het privatief gebruik van het domein van de wegen en hun aanhorigheden ressorterend onder het beheer van het Vlaamse Gewest, van de waterwegen en hun aanhorigheden, de zeewering en de dijken?
- Schendt artikel 97 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven de regels die de onderscheiden bevoegdheden vaststellen van de Staat en de gewesten door de operatoren van openbare telecommunicatienetwerken te machtigen om het openbaar domein van de wegen en hun aanhorigheden ressorterend onder het beheer van het Vlaamse Gewest, van de waterwegen en hun aanhorigheden, de zeewering en de dijken te gebruiken om kabels, bovengrondse leidingen en bijhorende uitrustingen aan te leggen en alle nodige werken hieraan uit te voeren zonder dat het Vlaamse Gewest het toelaten van dit privatief gebruik van zijn openbaar domein aan een vergunningsplicht mag onderwerpen?
- Schendt artikel 98 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven de regels die de onderscheiden bevoegdheden vaststellen van de Staat en de gewesten door het Vlaamse Gewest te verbieden, voor het gebruiksrecht van het openbaar domein van de wegen en hun aanhorigheden ressorterend onder het beheer van het Vlaamse Gewest, van de waterwegen en hun aanhorigheden, de zeewering en de dijken, aan de operatoren van openbare telecommunicatienetwerken een retributie op te leggen? Artikel
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast, na ontvangst van het arrest van het Arbitragehof, met het verder onderzoek van de zaak. XII-3615-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig november 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3615-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.824 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.178 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div