id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.827 Rolnummer: A. 113282/XII-3357 Zaak: Arrest 151827 - - 29/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-05 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 05:34 Fiche Arrest nr 151.827 van 29 november 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.827 van 29 november 2005 in de zaak A. 113.282/XII-
- In zake : Eddy VAN HERCK, die woonplaats kiest bij advocaat P. Brondel, kantoor houdende te Brugge, Ter Pannestraat 1 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Eddy Van Herck op 23 november 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het Besluit van 18 september 2001 genomen door de Heer Gouverneur van de Provincie West- Vlaanderen [...] waarbij enerzijds de vergunning van verzoeker tot het voorhanden hebben van zijn verweervuurwapen werd ingetrokken en anderzijds werd beslist dat verzoeker niet meer in het bezit mocht zijn van vijf jacht- en sportwapens”, “in die zin dat enkel de nietigverklaring van de buiten bezitstelling van verzoeker van zijn vijf jacht- en sportwapens wordt gevorderd”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 1 april 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-3357-1/6 Gelet op de beschikking van 8 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. Van Houtte, die loco advocaat P. Brondel verschijnt voor verzoeker, en van adjunct-adviseur V. Boerjan, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. De Wolf; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gouverneur van de provincie West- Vlaanderen op 18 september 2001 beslist dat de vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen op naam van verzoeker wordt ingetrokken (artikel 1) en dat betrokkene niet langer in het bezit mag zijn van vijf jachtgeweren, met merk: Krico, FN Browning, Armi Marocchi, Maverick en Remington (artikel 2); dat in de beslissing onder meer gemotiveerd wordt dat de lokale politie van Knokke- Heist reeds op 26 mei 2001 een aantal jacht- en sportwapens op naam van verzoeker bestuurlijk heeft ingehouden, naar aanleiding van familiale moeilijkheden, dat er sinds 1996 al elf processen-verbaal tegen hem zijn opgesteld en dat er uit besloten kan worden dat hij als wapenbezitter een gevaar betekent voor zichzelf en voor zijn omgeving, dat een onberispelijk gedrag een absolute vereiste is om een wapen- vergunning te verkrijgen én te behouden, dat uit de stukken van het dossier blijkt dat verzoeker niet de vereiste waarborgen biedt vanuit het oogpunt van gedrag, geestestoestand en eerbaarheid, dat het voorhanden hebben van een verweer- vuurwapen in deze omstandigheden als zeer nadelig en gevaarlijk voor de openbare orde en veiligheid dient beschouwd te worden, en dat het opportuun is om zo spoedig mogelijk een definitieve maatregel te treffen in het belang van de openbare orde en veiligheid;
- Overwegende dat, blijkens de vermeldingen van het verzoek- schrift, verzoeker zich alleen tegen het besluit van de gouverneur richt wat het artikel 2 ervan betreft; dat in de memorie van wederantwoord verzoeker het voorwerp van XII-3357-2/6 zijn beroep bijkomend beperkt tot de beslissing dat hij niet meer in het bezit mag zijn van de jachtwapens Krico, FN Browning, Armi Marocchi en Remington; dat hij zich reeds vóór de beslissing van de gouverneur van het jachtgeweer Maverick heeft ontdaan;
- Overwegende dat verwerende partij verzoekers belang bij de gevraagde vernietiging betwist ; dat zij in de memorie van antwoord doet gelden dat hij geen enkel moreel of economisch belang bij het beroep bezit, dat ook een vermogensrechtelijk belang ontbreekt, “vooral” wat de jachtgeweren Krico en Armi Marocchi betreft, dat, voorts, de federale regering op 17 januari 2002 een wetsontwerp met betrekking tot een nieuwe wapenwet bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers heeft ingediend en dat, gelet op de inhoud van het wetsontwerp, verzoeker geen enkel voordeel meer kan verkrijgen “[v]an zodra bovenvermeld wetsontwerp in werking zal treden”; dat in de laatste memorie de verwerende partij er nog op wijst dat verzoeker op 18 september 2001 al niet meer in het bezit was van zijn vuurwapens vanwege de bestuurlijke inbeslagneming door de politie van Knokke-Heist, en dat de gevraagde vernietiging niet automatisch betekent dat verzoeker zijn wapens terug zal krijgen, omdat de bevoegde politie- diensten kunnen oordelen dat er nog altijd een gevaar voor de openbare orde is en zijn wapens opnieuw bestuurlijk in beslag genomen kunnen worden; Overwegende dat ten gevolge van de beslissing van de gouverneur alle jachtwapens van verzoeker moeten worden afgegeven, en ook afgegeven zijn, aan wapenhandelaar J. Ruysschaert te Brugge, inbegrepen die welke de politie van Knokke-Heist op 26 mei 2001 “bestuurlijk ingehouden” had; dat een nieuwe bestuurlijke inhouding, na een eventuele annulatie van de beslissing van de gouverneur, op vandaag louter giswerk is; dat dan weer de nieuwe wet, waarop in de exceptie gealludeerd wordt, nog niet in werking is getreden; dat, zo mogelijk over de economische waarde van verzoekers jachtwapens gediscussieerd kan worden, verwerende partij in elk geval niet aannemelijk maakt dat de wapens zonder elke zodanige waarde zouden zijn; dat verzoeker zich door de verplichting tot afgifte aan de wapenhandelaar terecht in “zijn vermogensrechtelijke belangen aangetast” mag voelen; dat hij bovendien van enig sentimenteel belang doet blijken in zoverre hij een van de wapens “nog gekregen heeft van zijn ondertussen overleden vader”; dat er reden is om de exceptie als ongegrond te verwerpen; XII-3357-3/6
- Overwegende dat verzoeker in een derde middel “Verkeerde toepassing of interpretatie van de rechtsregel - Rechtsdwaling” aanvoert; dat hij uiteenzet : “Doordat de Heer Gouverneur van de Provincie West-Vlaanderen besliste dat verzoeker niet meer in het bezit mocht zijn van zijn vijf jacht- en sportwapens; Terwijl de wapenwet niet in dergelijke maatregel voorziet; Dat artikel 6 van de Wapenwet van 3.1.1933 weliswaar stelt dat, indien blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren, de Gouverneur van de Provincie, waar de verzoeker zijn woonplaats heeft, de vergunning bij een met redenen omklede beslissing kan schorsen of intrekken na het advies te hebben ingewonnen van de Procureur des Konings van het Arrondissement waar de verzoeker zijn woonplaats heeft; Dat artikel 6 van voormelde Wapenwet echter enkel betrekking heeft op verweervuurwapens en niet op jacht- of sportwapens; Dat bovendien in voormeld artikel enkel melding wordt gemaakt van het Dat de vijf voormelde jachtwapens van mijn verzoeker niet aan dergelijke vergunning onderworpen zijn, zodat onder geen enkel beding toepassing kon gemaakt worden van artikel 6 van de Wapenwet om verzoeker buiten bezit te stellen van zijn jachtwapens”; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat de wapenwetgeving de jacht- en sportwapens niet aan een vergunningsplicht onderwerpt, dat echter de gouverneur gelet op het gevaar voor de openbare orde kan beslissen dat verzoeker niet meer over deze wapens mag beschikken, en dat zijn beslissing “o.a. gebaseerd [is] op artikel 128 van de provinciewet en de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt”; dat in de laatste memorie daar nog aan toegevoegd wordt dat de bepalingen van artikel 128 van de provinciewet en van de wetgeving op het politieambt niet uitdrukkelijk in het bestreden besluit vermeld werden “aangezien dit bevoegdheden zijn inherent aan de functie van gouverneur” en dat een gebrekkige motivering “rechtgezet” kan worden; Overwegende dat de beslissing van 18 september 2001 van de gouverneur er een is die overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen “in de akte” onder meer de juridische overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen; Overwegende dat, blijkens de formele motivering, de gouverneur de juridische grondslag voor zijn beslissing alleen heeft gezocht in de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op XII-3357-4/6 de handel in munitie, en in het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van die wet; dat het dan ook met die rechtsgrond is, en geen andere, dat hierna rekening wordt gehouden; dat het zonder belang is dat de gouverneur mogelijk ook op grond van de provinciewet of de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt kon zijn opgetreden; dat, gelet op de formele motivering, immers moet worden aangenomen dat hij dat niet gedaan heeft; dat de omstandigheid dat de bevoegdheden die de gouverneur uit deze wetten put “inherent” zouden zijn aan zijn functie, niet ter zake doet; dat het er niet om gaat of de bevoegdheden aan de functie van de gouverneur verbonden zijn, maar wel of hij geacht kan worden er gebruik van gemaakt te hebben - hetgeen, zoals gezien, niet het geval is; Overwegende dat artikel 6 van de wet van 3 januari 1933 en artikel 14 van het uitvoeringsbesluit van 20 september 1991 een voldoende juridische grondslag opleveren voor de intrekking, in artikel 1 van het besluit van 18 september 2001 van de gouverneur, van verzoekers vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen; dat in de wet en het uitvoerings-besluit echter geen rechtsgrond wordt gevonden om, zoals de gouverneur in artikel 2 van zijn besluit doet, in het verlengde van die intrekking, als het ware bij medesleping, ook het bezit van jachtwapens -waarvoor, terloops, geen vergunning vereist is- te verbieden; dat geen enkele bepaling in de wet en het uitvoeringsbesluit de gouverneur daarvoor bevoegd maakt; dat er weliswaar sprake van is, ter gelegenheid van de parlementaire behandeling van een wetsvoorstel dat voortbouwt op het wetsontwerp waarnaar de verwerende partij in de memorie van antwoord verwijst, om dat in de toekomst te veranderen, om in de mogelijkheid te voorzien “sancties te nemen bij gevaar voor de openbare orde veroorzaakt door jagers en sportschutters of hun wapens” en om meer bepaald de gouverneur de bevoegdheid te verlenen in dergelijke gevallen het recht om het wapen voorhanden te hebben te beperken, te schorsen of in te trekken (Parl. St., Senaat, 2001-2002, nr. 1158/1, 23 en 42); dat evenwel het betrokken voornemen vooralsnog niet gerealiseerd is; Overwegende dat artikel 2 van het besluit van de gouverneur onwettig is; dat de onwettigheid de vernietiging van het artikel verantwoordt, in de mate waarin het bestreden is; dat de eventuele mogelijkheid om, nadien, de vernietigde bepaling over te doen, niet tot een andere conclusie leidt; dat het middel gegrond is, XII-3357-5/6 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 18 september 2001 van de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen waarbij Eddy Van Herck het bezit wordt ontzegd van de jachtgeweren met merk Krico, FN Browning, Armi Marocchi en Remington (artikel 2, a), b), c) en e)). Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig november 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3357-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.827 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.