id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.874 Rolnummer: A. 115939/XIV-8269 Zaak: Arrest 151874 - - 29/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-16 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 05:40 Fiche Arrest nr 151.874 van 29 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 151.874 van 29 november 2005 in de zaak A. 115.939/XIV-8.
- In zake : XXX, die woont te 4100 SERAING, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 21 januari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 december 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 mei 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 30 januari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 8 juli 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 5 oktober 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-8269-1/6 Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij die in persoon verschijnt en van attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 30 april 2000 en zich vluchteling verklaart op 2 mei 2000; dat op 4 mei 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 19 december 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U, een Russisch staatsburger van Oekraïnse origine, verklaart in Rusland problemen te hebben gekend met de extremistische RNE omwille van uw origine. U heeft op 26 april 2000 het land verlaten, vergezeld van uw vrouw, en bent op 30 april 2000 in België aangekomen, waar u op 2 mei 2000 asiel heeft aangevraagd. U verklaart dat uw vrouw op 29 januari 2000 op een verjaardagsfeestje werd uitgescholden en bedreigd door een lid van de RNE omwille van haar Oekraïnse origine. Volgens de man, die men Sergej noemde, waren alle Oekraïners huurlingen die heulden met de Tsjetsjeense terroristen. Uw vrouw verweerde zich, verdedigde haar origine en vertelde dat ze het niet eens was met de door Rusland gevoerde politiek in Tsjetsjenië. Uw vrouw werd door niemand gesteund, dus verliet ze het feest. Daarna kreeg u voortdurend bedreigingen via de telefoon en ontving u dreigbrieven en pamfletten van de RNE in de brievenbus. Indien u het land niet zou verlaten, zou u ernstige problemen krijgen. Op 10 maart 2000 heeft een man een schot gelost op uw vrouw, die zich echter net op tijd achter de zware metalen voordeur van uw appartement kon verbergen, waardoor de kogel afketste op het metaal van de deur. Die avond ging u hiervan aangifte doen bij de politie. Na enig aandringen werd uw klacht geregistreerd. Een politieman vergezelde u terug naar uw appartement. Die nacht nam uw vrouw kontakt op met een oude studiegenoot, een invloedrijke bankier, die beloofde uit te zoeken wie er achter de moordaanslag zat en die u de raad gaf het land te verlaten. Nog diezelfde nacht kreeg u een dreigtelefoon van Sergej. De volgende dag heeft u gebeld naar uw schoonmoeder om te vragen of het mogelijk was om terug te keren naar Oekraïne. Uw schoonmoeder zei dat dit gezien de nationalistische tendensen in Oekraïne onmogelijk was. Dezelfde dag vertrok u met uw vrouw naar uw datsja in Babino, zo'n 120 km van Sint-Petersburg. Op 28 maart 2000 ging u in het politiekantoor persoonlijk de weigering om een strafzaak te starten naar aanleiding van uw klacht afhalen. Een politieagent vergezelde u naar uw appartement om nog wat persoonlijk zaken op het halen. Op 20 april 2000 werd 's nachts uw datsja in brand gestoken. U en uw vrouw konden zich redden uit de brand, maar de datsja brandde volledig af. De volgende dag deed u aangifte van de brandstichting in een politiekantoor in Sint-Petersburg. Op 24 april 2000 kreeg u antwoord van de politie dat zij niet bevoegd waren om de zaak te onderzoeken en dat u zich moest wenden tot de brandweerdienst van de regio waarin Babino ligt. Diezelfde dag kreeg u in het hotel waar u verbleef bezoek van de bankier, die u vertelde dat u effectief door de RNE vervolgd werd, dat u op een zwarte lijst van de RNE stond, dat u het land moest verlaten en dat hij u daarbij zou helpen. Op 26 april 2000 heeft u het land verlaten. Er dient opgemerkt te worden dat u op heel toevallige manier in het vaarwater gekomen bent met een RNE-lid, waardoor deze u en uw vrouw ging viseren. Uw vrouw ontmoette deze man op een verjaardagsfeestje van haar ex-werkgeefster en verschilde met hem van mening over de oorlog in Tsjetsjenië. Uit alles blijkt dat uw conflict met Sergej en zijn kompanen eerder van persoonlijke aard is en dat hier niet kan gesteld worden dat u door de RNE als organisatie wordt vervolgd. Sergej en zijn kompanen wijken door hun vijandige acties tegenover u immers af van de algemene partijlijn van de RNE. Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, blijkt dat Oekraïners niet door de RNE als organisatie geviseerd worden als anti-Russische actoren. Integendeel zelfs, Oekraïners (en Wit-Russen) XIV-8269-2/6 maken volgens de RNE intrinsiek deel uit van de Russische natie. In haar pamfletten roept de RNE ook Oekraïners op om toe te treden tot de organisatie. Hieruit kan afgeleid worden dat u niet door de RNE als organisatie wordt vervolgd omwille van uw origine, maar dat uw problemen afkomstig zijn van privé-personen die op eigen houtje handelen. Bijgevolg kan niet zonder meer gesteld worden dat u in heel de Russische Federatie door de RNE zou vervolgd worden. Er kan bijgevolg ook weinig geloof gehecht worden aan het gerucht dat u op een zwarte lijst van de RNE zou staan. Evenmin kan aangenomen worden dat de privé-personen die u in Sint-Petersburg en in de Leningrad-regio problemen bezorgden, u overal in Rusland zouden zoeken en vinden. Indien u op lokaal niveau geen bescherming zou kunnen vinden tegen deze privé-personen, is er niets dat er op wijst dat u op een hoger niveau geen bescherming vanwege de autoriteiten kan krijgen. Gelet op het voorgaande kan wat u betreft geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielaanvraag neergelegde documenten (negatief antwoord op klacht, akte van brand, fax van buurvrouw, rijbewijs, huwelijksakte, geboorteakten, diploma's) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van de artikelen 52 en 62 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat zij aanvoert de commissaris-generaal een manifeste appreciatiefout heeft begaan door geen rekening te houden met de politieke dimensie van haar problemen, dat het een vaststaand feit is dat de door haar en haar echtgenote ondervonden problemen in een causaal verband staan met de door laatstgenoemde openlijk geuite politieke standpunten over de RNE, dat het feit dat zij niet geviseerd werden door de RNE als organisatie niet belet dat hun problemen onder de criteria van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) vallen en dat de commissaris-generaal, in de ontvankelijkheidsfase, niet zonder de voormelde wettelijke bepalingen te schenden kon beslissen dat er voor de verzoekende partij een intern vluchtalternatief was in de Russische Federatie; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In een enig middel werpen verzoekers een schending op van de art.2 en 3 van de Uitdrukkelijke Motiveringswet en van de art.52 en 62 van de Vreemdelingenwet in de vorm van een manifeste appreciatiefout. Volgens verzoekers is de door hen ondergane vervolging wel degelijk als etnisch te kwalficeren en, in afwezigheid hiervan, nog steeds als politiek. Daarenboven zou de kwalificatie van verzoekers asielaanvraag als kennelijk ongegrond een manifeste appreciatiefout met zich mee brengen. Vooreerst merkt verweerder op dat de uitdrukkelijke motivering, vervat in artikel 62 van de Vreemdelingenwet, tot doel heeft, ten opzichte van diegene die bij een bestuurshandeling betrokken is, een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de handeling dat hij/zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht verschaft. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing wel degelijk kent. Hierdoor is het doel van de uitdrukkelijke motivering in casu bereikt. Verweerder stelt verder dat de motiveringsverplichting hem oplegt zijn beslissingen te motiveren. Deze motiveringsverplichting bestaat erin dat in de beslissing de motieven op grond van dewelke de beslissing is genomen worden opgesomd. Uit het verzoekschrift neergelegd door verzoekers kan alleszins worden afgeleid dat zij de motieven van de bestreden beslissingen hebben begrepen. XIV-8269-3/6 De bestreden beslissing is afdoende gemotiveerd. Zowel de feitelijke als de juridische overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen, werden kenbaar gemaakt. Verder dient er op te worden gewezen dat de Conventie van Genève aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in.. het bijzonder wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag. Van deze bevoegdheid werd door de Belgische wetgever gebruik gemaakt via artikel 52 van de Vreemdelingenwet. Artikel 52 van de Vreemdelingenwet biedt de commissaris-generaal de mogelijkheid een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de minister te bevestigen. Eén van de onontvankeiijkheidsgronden is de ‘kennelijke ongegrondheid’ van de asielaanvraag, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem/haar betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Rekening houdend met de elementen die verweerder uiteenzet in de bestreden beslissing heeft de Commissaris-generaal terecht besloten tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvragen van verzoekers. De bestreden beslissing toont immers duidelijk aan dat het probleem van verzoekers met de RNE van persoonlijke aard zijn. Volgens de RNE maken Oekraïners intrinsiek deel uit van de Russische natie, zodat een eventuele etnische vervolging door de RNE eerder ongerijmd overkomt. Ongeacht of de eventuele vervolgingsmotieven van etnische, politieke of andere aard zijn, wijst dit erop dat een binnenlands vluchtalternatief tot de mogelijkheden behoort. Ook de bewering van verzoekers als zouden ze op een zwarte lijst van de RNE staan, komt door de in de bestreden beslissing vermelde informatie over de RNE op losse schroeven te staan. Verzoekers halen vervolgens aan dat tijdens de ontvankelijkheidsfase niet geoordeeld kan worden over het bestaan van een intern vluchtalternatief. Verweerder merkt op dat ook in de ontvankelijkheidsfase de Commissaris-generaal over een zekere appreciatiemarge beschikt en het hem geenszins verboden is in die fase de feiten te kwalificeren in het kader van de Conventie van Genève. Bijgevolg is dit middel niet ernstig.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord verwijst naar het inleidend verzoekschrift; 2.
- Overwegende dat de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet de commissaris-generaal de mogelijkheid bieden om een bevestigende beslissing te nemen inzake de niet-ontvankelijkheid van een asielaanvraag op basis van de bedrieglijkheid of de kennelijke ongegrondheid ervan; dat een onderzoek in de ontvankelijkheidsfase door de commissaris-generaal, waarbij wordt besloten tot de bedrieglijkheid en/of de kennelijke ongegrondheid van een asielaanvraag ondermeer een vergelijking inhoudt tussen de opeenvolgende verklaringen van de betrokkene en tussen de verklaringen van de betrokkene en de werkelijke toestand in zijn land van herkomst; dat daarbij dient te worden onderzocht of er redelijkerwijze van uit mag worden gegaan dat de feiten die de asielaanvrager naar voren brengt tijdens zijn asielaanvraag, waarachtig zijn en beantwoorden aan de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat indien uit dit onderzoek blijkt dat de verstrekte gegevens niet waarachtig zijn of niet redelijkerwijze onder de criteria van de Vluchtelingenconventie zijn te brengen, kan worden besloten tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag; dat voorts het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend XIV-8269-4/6 beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat in casu de commissaris-generaal vaststelt dat de verzoekende partij over een intern vluchtalternatief beschikte in de Russische Federatie, dat haar problemen louter van privaatrechtelijke aard zijn en dat zij nog steeds de bescherming van de Russische autoriteiten kon inroepen; dat de commissaris-generaal hiermede enkel vaststelt dat de asielaanvraag van de verzoekende partij niet verder onderzocht dient te worden; dat de verzoekende partij de voormelde motieven niet op overtuigende wijze weerlegt; dat zij niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal een onderzoek naar de gegrondheid heeft verricht of dat hij de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig november tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-8269-5/6 M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-8269-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.874 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.