← België

Arrest 151889 - - 29/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.889 Rolnummer: A. 127919/XIV-12098 Zaak: Arrest 151889 - - 29/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-16 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 05:42 Fiche Arrest nr 151.889 van 29 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.889 van29 november 2005 in de zaak A. 127.919/XIV-12.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat A. DE POURCQ, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Nachtegaalstraat 47 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Turkse nationaliteit, op 10 oktober 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 september 2002 waarbij een aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 27 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-12.098-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat R. AKTEPE, die loco advocaat A. DE POURCQ verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij op 28 januari 2000 een aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf indient op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); dat op 25 juli 2001 de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag verwerpt; Overwegende de verzoekende partij op 4 juni 2002 een aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf indient op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat op 4 september 2002 de minister van Binnenlandse Zaken die aanvraag niet-ontvankelijk verklaard; dat dit de eerste bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “In januari 2000 diende betrokkene een aanvraag in bij de Commissie voor Regularisatie. Overeenkomstig art. 16 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk is het niet mogelijk om een nieuwe aanvraag om machtiging tot verblijf in te dienen in toepassing van art. 9.3 van de wet van 15/12/
  3. Bovendien werden er geen elementen aangehaald die voldoende zijn om een verblijf langer dan 3 maanden in het Rijk toe te staan en/of die niet aan bod gekomen zijn tijdens de behandeling van de aanvraag door de Commissie voor Regularisatie.”; Overwegende dat op 17 september 2002 aan de verzoekende partij een bevel om het grondgebied te verlaten wordt gegeven; dat dit de tweede bestreden beslissing is; 2.
  4. Overwegende wat de ontvankelijkheid van de vordering betreft, dat artikel 16 van de Regularisatiewet bepaalt dat: “De indiening van een aanvraag op grond van artikel 2 verbiedt de aanvrager om een aanvraag in te dienen op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De indiening, na de inwerkingtreding van deze wet, van een aanvraag op grond van artikel 9, derde lid van voornoemde wet van 15 december 1980 verbiedt de aanvrager om, gelijktijdig of daarna, een aanvraag in te dienen op grond van artikel 2.”; XIV-12.098-2/4 Overwegende dat het Arbitragehof, naar aanleiding van een prejudiciële vraag van de Raad van State, in het arrest nr. 103/2003 van 22 juli 2003 overweegt dat: “Het juist (is) dat de vreemdeling wiens regularisatieaanvraag ingediend op grond van de wet van 22 december 1999 werd verworpen nadien evenmin vermag een nieuwe procedure in te leiden op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980, zelfs wanneer hij meent zich te kunnen beroepen op buitengewone omstandigheden die van aard zijn dat zij kunnen verantwoorden dat hij zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden niet heeft ingediend bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland’ en ‘dat die bepaling evenmin als onevenredig kan worden beschouwd. Enerzijds, verhindert niets de vreemdeling om, met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de wet van 15 december 1980, een nieuwe verblijfsvergunning in te dienen bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor de verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; anderzijds, indien de vreemdeling onwettig in België verblijft, wordt zijn toestand niet minder onwettig door het feit dat die toestand voortduurt.”; Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat bij een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing de verwerende partij niet anders vermag dan dezelfde beslissing te nemen; dat derhalve een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing aan de verzoekende partij geen nut kan opleveren; dat de verzoekende partij geen belang heeft bij de vordering; dat de vordering niet-ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  5. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-12.098-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig november tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-12.098-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.889 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.