← België

Arrest 151901 - - 29/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.901 Rolnummer: A. 168126/VII-35012 Zaak: Arrest 151901 - - 29/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-02 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-03 05:42 Fiche Arrest nr 151.901 van 29 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 151.901 van 29 november 2005 in de zaak A. 168.126/VII-35.012 In zake : XXX, verblijvende te é0 MERKSPLAS, Centrum voor illegalen, Steenweg op Wortel 1 A tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Marokkaanse nationaliteit, op 25 november 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing tot repatriëring voorzien op zaterdag 26 november 2005; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op het administratief dossier en gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 28 november 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 29 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-35.012-1/5 Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij, die verschijnt in persoon en van advocaat S. DE VRIEZE, die, loco advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden weergegeven: Verzoeker is van Marokkaanse nationaliteit, geboren te Casablanca op 27 oktober
  2. Naar aanleiding van een politionele controle dd. 28 september 2005 werd betrokkene aangetroffen in illegaal verblijf, waarbij werd vastgesteld dat hij reeds vijf jaar volledig illegaal in het Rijk verbleef. Op 28 september 2005 werd aan verzoeker bevel gegeven om het grondgebied te verlaten, met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde. Verzoeker diende een op 3 oktober 2005 gedateerde aanvraag in om machtiging tot verblijf overeenkomstig art. 9, §3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). Op 7 november 2005 verklaarde de minister van Binnenlandse Zaken deze aanvraag onontvankelijk. Dezelfde dag diende verzoeker een nieuwe aanvraag in om machtiging tot verblijf op grond van art. 9, §3 van de Vreemdelingenwet. Ook deze aanvraag werd onontvankelijk verklaard bij beslissing van 24 november
  3. Een nieuwe repatriëring van verzoeker werd voorzien op 26 november
  4. Tegen deze uitvoeringsmaatregel leidde verzoeker opnieuw een VII-35.012-2/5 vordering tot schoring bij uiterst dringende noodzakelijkheid in bij de Raad van State, voorwerp van onderhavige schorsingsprocedure. Ingevolge het inleiden van de vordering bij de Raad van State werd de repatriëring van betrokkene geannuleerd en werd op 26 november 2005 de heropsluiting van verzoeker in het gesloten centrum te Merksplas opnieuw gevorderd.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij, die van haar vrijheid is beroofd en die een verzoekschrift heeft ingediend zonder de bijstand van een advocaat, ter terechtzitting werd opgeroepen met een bevel persoonlijk te verschijnen; dat zij in haar verzoekschrift stelt dat het Frans de taal is waarin zij communiceert; dat zij ter terechtzitting, in die taal werd ondervraagd door de Raad van State maar niet de minste uitleg kon verschaffen over hetgeen zij in het verzoekschrift had uiteengezet; dat de in het verzoekschrift geformuleerde, maar niet gemotiveerde, vraag om persoonlijk te verschijnen bijgevolg louter dilatoir lijkt en zelfs een kennelijk onrechtmatig karakter heeft; dat deze vaststelling des te meer klemt nu de verzoekende partij vraagt dat zij ter terechtzitting zou worden bijgestaan door een tolk Arabisch, maar in haar verzoekschrift letterlijk zegt: “il parle bien le français qui est sa langue de travail et de communication”; Overwegende dat de verzoekende partij op het verzoekschrift niet de zegels heeft aangebracht die worden voorzien door de artikelen 70 en 71 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State en artikel 32 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat zij evenmin het door artikel 33 van hetzelfde koninklijk besluit voorziene voordeel van de rechtsbijstand heeft aangevraagd; dat zij ter terechtzitting, waarop zij absoluut persoonlijk wou verschijnen, evenmin heeft aangeboden om het verschuldigde recht te betalen, zoals voorgeschreven door artikel 32, 3/ van het voornoemd koninklijk besluit van 9 juli 2000, noch het voordeel van de rechtsbijstand heeft aangevraagd; dat deze vaststelling op zich reeds zou volstaan om de vordering als onontvankelijk af te wijzen; VII-35.012-3/5 Overwegende bovendien dat uit het verzoekschrift blijkt dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging wegens uiterst dringende noodzakelijkheid is gericht tegen de "beslissing tot uitwijzing voorzien op zaterdag 26 november 2005"; dat de beslissing tot effectieve terugdrijving (repatriëring) een uitvoeringsmaatregel is van het eerder aan de verzoekende partij, op 28 september 2005, gegeven bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat de verzoekende partij ondanks haar pogingen sedertdien geen enkele verblijfstitel heeft bekomen; dat dergelijke uitvoeringsmaatregel niet vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring; dat de daartegen ingediende vordering tot schorsing derhalve niet ontvankelijk is; dat deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  6. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  7. De kosten van de vordering, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig november tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, VII-35.012-4/5 Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-35.012-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.901 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.