id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.006 Rolnummer: A. 129859/VII-28441 Zaak: Arrest 152006 - - 30/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-12 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-03 05:48 Fiche Arrest nr 152.006 van 30 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 152.006 van 30 november 2005 in de zaak A. 129.859/VII-28.441 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat T. HERMANS, kantoor houdende te 9300 AALST, Leopoldlaan 32 A, bus 1-2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX van Iraanse nationaliteit, op 27 november 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 oktober 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 15 februari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 25 oktober 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 4 december 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-28.441-1/8 Gelet op de beschikking van 27 september 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 16 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. HERMANS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 29 november 2000 en verklaarde zich op 30 november 2000 vluchteling. 1.
- Op 15 februari 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 25 oktober 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk en kennelijk ongegrond was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "(...) U, een Iraans staatsburger van Perzische origine verklaart verscheidene problemen te hebben gehad in Iran omwille van onderstaande redenen. U vreest voor uw leven omdat u het niet eens bent met het huidige regime in Iran. U bent student aan de Vrije Islamitische Universiteit in Iran. U volgde het voorbereidingsjaar tot universitaire studies en u vervolmaakte reeds twee studiejaren. Bij het verplichte opleidingsonderdeel dat over het testament van Khomeini gaat, vreest u door de mand te zijn gevallen. Uit uw antwoorden moet gebleken hebben dat u geen voorstander was van het huidige bestel, net als uw vrienden. Uw vrienden, A. VII-28.441-2/8 R. H., A. A. en A. K., bleken zich niet meer te kunnen inschrijven aan de universiteit en werden gearresteerd. U hebt niet geprobeerd u in te schrijven, aangezien u op dat moment reeds ondergedoken leefde. Verder was u sympathisant van Djebhe Etehade Meli Mihane Iran (United Front of Iranian Nationalists), maar voerde geen concrete activiteiten in het voordeel van de partij uit, aangezien de partij niemand in gevaar wil brengen. U en uw vrienden lazen wel de partijkrant, Bamdad-e Iran, evenals een aantal andere buitenlandse oppositiekranten. Op 18/11/2000 verliet u Iran. Uw moeder kreeg enkele dagen later bezoek van een soldaat die om u verzocht met de mededeling dat u zich diende aan te melden voor de rechtbank. Uw moeder antwoordde dat zij niet wist waar u zich bevond. De soldaat kwam nog een tweede keer naar het huis om opnieuw om u te verzoeken. Hij verweet uw moeder dat zij niet aan de rechtbank had laten weten dat u niet aanwezig zou zijn op de zitting. Op 29/11/2000 bent u in België aangekomen waar u op 30/11/2000 asiel hebt gevraagd. In België werd u ook lid van Djebhe Etehade Meli Mihane Iran en bekeerde u zich tot het protestantisme. De Iraanse overheid is niet op de hoogte van uw lidmaatschap van de partij. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat de twee originele oproepingsbrieven vervalsingen zijn. Tevens blijkt het document’ het verbod om het land te verlaten’ vals te zijn. De documenten beantwoorden op een aantal vlakken niet aan de inhoudelijke noch de vormelijke kenmerken die dergelijke documenten horen te hebben. Afgezien van bovenstaande vaststelling, zijn de elementen die u aanbrengt onvoldoende zwaarwichtig om als vervolging in de zin van de Conventie van Genève te worden beschouwd. U bent het niet eens met het huidige regime in Iran, maar kan geen enkel element aanhalen waarom u gezocht zou worden in Iran. Op geen enkel moment blijkt u openlijk kenbaar te hebben gemaakt dat u het niet eens was met het huidige regime. U ontplooide geen enkele politieke activiteit die het Islamitische regime als bedreigend kan ervaren hebben. De enige aanleiding voor vervolging die u vermeldt is het verplichte vak over het testament van Khomeini en het bijhorende examen waarop u vermoedelijk de verkeerde antwoorden gaf en werd ‘geïdentificeerd’. Het is echter niet omdat men niet slaagt voor dat selectie-examen, dat men dient te vrezen voor vervolging. Men komt echter niet meer in aanmerking verdere universitaire studies aan te vatten. In die zin kan een dergelijke uitsluiting van universitaire studies als discriminerend ervaren worden, maar is onvoldoende zwaarwichtig om als daadwerkelijke en persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie te worden weerhouden. Wat betreft uw lidmaatschap van de partij Djebhe Etehade Meli Mihane Iran (United Front of Iranian Nationalists) te België moet opgemerkt worden dat de Iraanse autoriteiten, volgens uw eigen verklaringen, daar geen weet van hebben. Bovendien verklaart u zelf dat de partij enkel tot doel heeft jongeren bewust te maken aan de hand van hun publicaties van de werkelijke situatie in Iran. Indien de autoriteiten op de hoogte zijn van uw buitenlandse lectuur, wat u trouwens helemaal niet verklaarde, kan u hoogstens een geldboete worden opgelegd. Zo blijkt uit informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopie aan het administratief dossier werd gevoegd. Wat betreft uw bekering tot het Christendom in België, dient te worden opgemerkt dat de Iraanse autoriteiten niet op de hoogte zijn van uw bekering hier. Bovendien blijkt uit de informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopie aan het administratief dossier werd toegevoegd, trouwens dat apostasie in principe strafbaar is in Iran, maar niet actief vervolgd wordt en bekeerde moslims maatschappelijk redelijk probleemloos functioneren. De door u voorgelegde documenten zijn niet van die aard dat zij bovenstaande vaststellingen kunnen wijzigen. Uw lidkaarten van ‘United front of Iranian Nationalists’, hun krant en het tijdschrift ‘Bamdad Iran’ houden verband met uw lidmaatschap van de partij, hier in België. De brief en het doopbewijs van de Verenigde Protestantse Kerk in België bewijzen uw interesse in het Christendom. VII-28.441-3/8 Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden tot gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld.". Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat het eerste middel als volgt is gesteld: "Eerste middel: Schending van het recht van verdediging door een gebrek, onduidelijkheid en dubbelzinnigheid in de motivering van de beslissing. Schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet. Schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Doordat de bestreden beslissing niet op afdoende wijze heeft geantwoord op het verzoekschrift tot dringend beroep dat verzoekende partij had laten geworden aan het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, en waarin duidelijk gesteld werd dat verzoekende partij wel degelijk gegronde reden had voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Terwijl de formele en materiële motiveringsplicht vervat in artikel 97 van de Grondwet en in de wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, een uitdrukkelijke en vooral afdoende motivering van een dergelijke beslissing vereisen. Zodat de kwestieuze beslissing derhalve niet ten genoege van rechte heeft aangetoond dat er onvoldoende vrees zou bestaan voor vervolging. (...)."; Overwegende dat artikel 97 van de Grondwet bepaalt dat alleen Belgen minister kunnen zijn; dat niet valt in te zien hoe de bestreden beslissing deze bepaling zou hebben geschonden; Overwegende dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat de verzoekende partij dan ook geen belang heeft bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; Overwegende dat, zo het middel dusdanig geïnterpreteerd wordt dat de verzoekende partij de materiële motiveringsplicht geschonden acht, zij er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet correct zouden zijn noch dat de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de asielaanvraag te appreciëren, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een VII-28.441-4/8 administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat evenmin wordt aangetoond dat de feiten niet op behoorlijke wijze werden vastgesteld; dat de verzoekende partij niet aanvoert, en bijgevolg evenmin aantoont, dat de motieven onredelijk zouden zijn; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de commissaris- generaal op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uitmaakt; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel het volgende stelt: "Tweede middel: Schending van artikel 33 van de Conventie van Genève met betrekking tot de status van vluchteling van 8 juli
- Doordat de bestreden beslissing verzoekende partij verplicht naar Iran terug te keren. Terwijl artikel 33 van de Conventie van Genève met betrekking tot de Status van Vluchteling van 8 juli 1951 (goedgekeurd door de wet van 26 juni 1953) de verdragsluitende partijen verbiedt een vluchteling uit te wijzen of terug te drijven op welke manier dan ook naar de grens van het land waar zijn leven of zijn vrijheid zouden zijn bedreigd omwille van zijn ras, zijn religie, zijn nationaliteit, van zijn behoren tot een bepaalde sociale groep of omwille van zijn politieke overtuiging. Zodat de Commissaris-Generaal in elk geval de verplichting heeft na te gaan of er in casu sprake was van bedreiging van het leven en de vrijheid van verzoekende partij bij een terugkeer naar Iran. Uit de feitelijke gegevens blijkt dat deze verplichting niet op bevredigende wijze werd nageleefd. (...)"; Overwegende dat, zonder dat moet worden nagegaan of genoemde verdragsbepaling rechtstreekse werking heeft en of zij te dezen van toepassing is, moet worden gesteld dat daaruit niet zonder meer kan worden afgeleid dat de overheden die over de asielaanvraag moeten oordelen, niet zouden mogen beslissen dat die aanvraag niet ontvankelijk of ongegrond is; dat het enkel slaat op een uitvoerende beslissing op grond waarvan de vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard verplicht zou worden terug naar zijn land van herkomst te gaan, dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen terzake slechts een advies geeft overeenkomstig artikel 63/5 in fine van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat het derde middel als volgt luidt: VII-28.441-5/8 "Derde middel: schending van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet. Doordat de bestreden beslissing verwijst naar de eerder genomen beslissing dd. 15 februari 2001 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken, en geen toepassing heeft gemaakt van artikel 63/3 van de Wet van 15 december 1980, inzonderheid aangaande het laten instellen van een aanvullend onderzoek door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen en bovendien verzoekende partij kennelijk geen kans heeft gehad zijn middelen concreet uiteen te zetten. Terwijl artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet uitdrukkelijk de mogelijkheid van verder onderzoek door het Commissariaat-Generaal instelt. Zodat het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op basis van de hem ter beschikking gestelde elementen niet wettig kon beslissen dat verder onderzoek niet noodzakelijk was. (...)."; Overwegende dat de commissaris-generaal als beroepsinstantie van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken over dezelfde beoordelingsbevoegdheid als deze laatste beschikt met betrekking tot de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat het vierde middel in volgende bewoordingen is gesteld: "Vierde middel: schending van artikel 3 van het Europees Verdrag ter vrijwaring van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Doordat de bestreden beslissing verzoekende partij de facto verplicht naar Iran terug te keren. Terwijl artikel 2 van voormeld verdrag het recht op leven beschermt. Dat artikel 3 de verdragsluitende staten verbiedt personen te onderwerpen aan folteringen noch aan onmenselijke behandelingen of straffen. Dat artikel 5, lid 1 aan iedereen het recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid toekent. De schending van artikel 3 door een staat kan niet alleen voortvloeien uit de rechtstreekse actie van deze staat, die zelf de vernederende of onmenselijke behandeling zou opleggen, maar eveneens uit het feit dat een staat zijn medewerking verleent op de een of andere manier aan een uitzetting naar een land waar een schending van artikel 3 dreigt. Zie in die zin EHRM, Soering tegen Verenigd Koninkrijk, 7.7.1989, serie A, nr.
- Zodat verzoekende partij op basis van deze beslissing zal worden onderworpen aan behandelingen die ingaan tegen de rechten van de mens. (...)."; Overwegende dat de bepaling van artikel 3 van het E.V.R.M., volgens dewelke niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen, slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden ingeroepen, namelijk wanneer blijkt dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn waaruit kan worden afgeleid dat er bij terugleiding naar het land van herkomst een ernstig en reëel risico bestaat op onmenselijke of vernederende bestraffing; dat de uiteenzetting van het middel summier is; dat de verzoekende partij in gebreke blijft bewijzen en concrete gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat de verwijdering van het grondgebied VII-28.441-6/8 van het Rijk ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het bestreden bevel, een onmenselijke behandeling zou uitmaken in de zin van artikel 3 van voornoemd verdrag; dat de verzoekende partij zich in haar uiteenzetting tot loutere affirmaties beperkt; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in het vijfde middel het volgende wordt ingeroepen: "Vijfde middel: schending van het redelijkheidsbeginsel. Doordat het redelijkheidsbeginsel veronderstelt dat de genomen beslissing dient voort te spruiten uit een zorgvuldig onderzoek en een beslissing moet zijn die door ieder ander redelijk denken mens of orgaan zou kunnen worden genomen en die mens als een redelijk verantwoorde beslissing zou kunnen zien en aanvaarden. Terwijl de bestreden beslissing zomaar besluit tot de weigering van erkenning van het statuut van vluchteling aan verzoekende partij, om reden dat zijn aanvraag bedrieglijk en kennelijk ongegrond zou zijn. Meerbepaald wordt onterecht (cfr. eerste middel) verwezen naar het feit dat de voorgelegde documenten van vervolging vals zouden zijn, en dat de aangehaalde feiten niet zouden aantonen dat verzoekende partij een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève zou hebben, of dat hij nog dergelijke vrees zou hebben bij eventuele terugkeer naar Iran. Zodat de bestreden beslissing geenszins op redelijke wijze werd genomen. (...)."; Overwegende dat de verzoekende partij ten onrechte de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een gebrek aan zorgvuldigheid verwijt; dat deze de bestreden beslissing pas heeft uitgesproken na te hebben kennis genomen van het relaas van de verzoekende partij en na dit verhaal nauwkeurig te hebben geanalyseerd; dat verder niet wordt aangetoond dat de bestreden beslissing kennelijk onredelijk is; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een zesde middel machtsafwending wordt ingeroepen; dat de verzoekende partij daarover het volgende stelt: "Zesde middel: Machtsafwending. Doordat de bestreden beslissing werd ingegeven om andere dan wettelijke motieven door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, nu deze de eerste beslissing dd. 15 februari 2001 van de gevolmachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken volkomen heeft gevolgd. Terwijl het verbod van machtsafwending verbiedt dat eender welk overheidsorgaan zijn wettelijk voorziene macht om de rechtsmiddelen die verzoekende partij heeft aangewend, zou misbruiken om mee te werken aan een bepaald overheidsbeleid inzake vluchtelingen en vreemdelingen. Zodat het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen zich schuldig maakte aan machtsafwending. (...)."; Overwegende dat wie machtsafwending aanvoert, daartoe voldoende ernstige, welbepaalde en overeenstemmende vermoedens moet aandragen waaruit kan worden afgeleid dat andere dan rechtmatige doeleinden door het bestuur werden VII-28.441-7/8 nagestreefd; dat daarenboven, opdat van machtsafwending sprake kan zijn, het ongeoorloofde oogmerk het enige doel van de bestreden beslissing moet zijn geweest; dat dit te dezen niet wordt aangetoond; dat het middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig november tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-28.441-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.006 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div