← België

Arrest 152008 - - 30/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.008 Rolnummer: A. 138608/VII-30183 Zaak: Arrest 152008 - - 30/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-12 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-03 05:49 Fiche Arrest nr 152.008 van 30 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 152.008 van 30 november 2005 in de zaak A. 138.608/VII-30.183 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat A. HENDRICKX, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Adolphe Lacomblélaan 59-61/5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Oekraïense nationaliteit, op 1 juli 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 20 juni 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 21 mei 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 20 augustus 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 27 september 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 16 november 2005; VII-30.183-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. VAN BAELEN, die, loco advocaat A. HENDRICKX, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen begin december 2000 en verklaarde zich op 6 december 2000 vluchteling. 1.
  3. Op 21 mei 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 20 juni 2003 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt : "Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen of aan de oproeping vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 15/05/2003 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". VII-30.183-2/6 Dit is de bestreden beslissing. 2.
  5. Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van de zorgvuldigheidsplicht; dat de verzoekende partij letterlijk stelt: "
  6. Schending Van De Beginselen Van Behoorlijk Bestuur: Zorgvuldigheidsplicht "Bij de vaststelling en waardering van de feiten, waarop het besluit rust, moet de nodige zorgvuldigheid worden betracht (SUETENS, L.P. en BOES, M., Administratief Recht, Leuven, ACCO, 1990, 31)" "Ambtenaren mogen zich niet gedragen als slecht geprogrammeerde automaten (R.v.St., REESKENS, nr 20.602, 30 september 1980, R.W., 1981-82, 36, met noot LAMBRECHTS, W.). De Raad van State eist dat de overheid tot haar voorstelling van de feiten (R.v.St. SPELEERS, nr 21.037, 17 maart 1981) en tot de feitenvinding (R.v.St., VAN KOUTER, nr 21.094,17 april 1981) komt met inachtneming van de zorgvuldigheidsplicht. Uit de zorgvuldigheidsplicht bij de feitenvinding vloeit voort dat in beginsel geen feiten als bewezen of niet bewezen worden beschouwd zonder bij de betrokkene direct en persoonlijk inlichtingen te vragen of hem in de gelegenheid te stellen de stukken over te leggen die naar zijn oordeel zijn voorstelling van de feiten of van zijn toestand geloofwaardig maken (R-v. St., THIJS, nr 24.651, 18 september 1984, R.W., 1984-85, 946) (LAMBRECHTS, W., Geschillen van bes 43). * Op 24 juni 200 betekent de Dienst Vreemdelingenzaken verzoeker via de Commissaris-generaal een bevel om het grondgebied te verlaten binnen de vijf dagen. Dit bevel kwam echter tot stand zonder enig direct en persoonlijk contact met verzoeker. De Dienst vreemdelingenzaken gaat hier volledig naast de eigenheid van het dossier, doch gaat automatisch voort op de bevindingen van de Commissaris-generaal. Er dient gelet op de bestreden beslissing, waarbij het bevel om het grondgebied te verlaten dd. 21 mei 2001 van de Dienst Vreemdelingenzaken wordt bevestigd, voor verzoeker zijn leven te worden gevreesd. * De Dienst Vreemdelingenzaken betekent de bestreden beslissing in het Nederlands, terwijl verzoeker deze taal onmachtig is. * Verzoeker zijn dringend beroep werd door de Commissaris-generaal onontvankelijk en ongegrond verklaard, zonder dat hem de kans werd gegeven haar persoonlijke situatie te benadrukken. Ook naar aanleiding van de procedure voor de Dienst Vreemdelingenzaken werd aan verzoeker niet voldoende de kans gegeven zijn situatie toe te lichten. De bestreden akte van de Commissaris-generaal is dus veel te algemeen en bijgevolg komt men tekort aan de zorgvuldigheidsplicht. * Daarenboven gaat de Commissaris-generaal zijn bevoegdheid te buiten, wanneer hij de bestreden beslissing baseert op art 52 Wet 15.12.
  7. Dit artikel is immers voorbehouden voor de Dienst Vreemdelingenzaken. De Commissaris-generaal overschrijdt hier op een tergende wijze zijn bevoegdheid."; Overwegende dat het zorgvuldigheidsbeginsel inhoudt dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn beslissing moet steunen op een correcte feitenvinding; dat de verzoekende partij niet aantoont dat de bestreden beslissing steunt op onjuiste gegevens en derhalve het zorgvuldigheidsbeginsel werd geschonden; dat het middel, in zoverre het betrekking heeft op het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, bij gebrek aan voorwerp niet ontvankelijk is; dat het middel feitelijke grondslag mist in zoverre wordt gesteld dat de Dienst Vreemdelingenzaken de VII-30.183-3/6 bestreden beslissing heeft betekend, aangezien de commissaris-generaal de bestreden beslissing heeft betekend; Overwegende dat op grond van artikel 63/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) een dringend beroep kan worden ingesteld bij de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat deze krachtens artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet de aangevochten beslissing ofwel kan bevestigen ofwel kan beslissen dat een verder onderzoek noodzakelijk is; dat de criteria op grond waarvan de commissaris-generaal de asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren, niet uitdrukkelijk in de wet werden opgenomen; dat de verschillende gronden van niet- onontvankelijkheid waarop de minister van Binnenlandse Zaken zich kan beroepen, opgesomd worden in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat aangezien de commissaris- generaal de weigering van verblijf, genomen door de minister van Binnenlandse Zaken, kan bevestigen, hij dit eveneens kan doen op basis van dezelfde gronden van niet- onontvankelijkheid; dat er derhalve geen sprake kan zijn van machtsoverschrijding; dat het middel niet gegrond is; 2.
  8. Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de verzoekende partij letterlijk stelt: "
  9. Schending van de Wet betreffende uitdrukkelijke motivering bestuurshandelingen (Wet 29.07.1991) "Deze wet schrijft voor dat de overheid op straffe van onwettigheid van de beslissing in de akte die de beslissing zelf bevat ook de motivering voor deze beslissing moet opnemen; Deze motivering moet bestaan uit de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen; De motivering moet daarenboven afdoende zijn, dit wil zeggen draagkrachtig en deugdelijk..." "Vage, duistere of niet terzake dienende uitleg, onduidelijke, onnauwkeurige, ongeldige of niet-plausibele motivering, stereotiepe, geijkte of gestandaardiseerde motiveringen zijn niet afdoende (VAN HEULE, D., Vluchtelingen : Een overzicht na de Wet van 6 mei 1993, Gent, Mys en Breesch, 1993, 78 en VAN FIEULE, D., De Motiveringsplicht en de Vreemdelingenwet, T.V.R., 1993/2, 67-71)" De beslissing van de Commissaris-generaal is het voorbeeld van een stereotiepe, geijkte- en gestandaardiseerde motivering. De beslissing van de Commissaris-generaal is enkel en alleen gebaseerd op de afwezigheid van verzoeker en andere procedurele elementen, zonder dat verzoeker de kans werd gegeven enige toelichting te geven. Een individuele benadering van het specifiek geval van verzoeker ontbreekt hier in elk geval. De beslissing van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatslozen is in strijd met de Wet van 29 juli 1991."; Overwegende dat de in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen neergelegde formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de VII-30.183-4/6 administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; Overwegende dat uit de bewoordingen van de bestreden beslissing blijkt dat de commissaris-generaal de asielaanvraag van de verzoekende partij onontvankelijk heeft verklaard omdat zij, zonder geldige reden, geen gevolg heeft gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen of aan de oproeping die op 15 mei 2003 aangetekend werd verstuurd naar de door haar gekozen woonplaats; dat bijgevolg dient te worden besloten dat de bestreden beslissing blijkt te zijn genomen in overeenstemming met de wetsbepalingen betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, aangezien zij de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat deze de bestreden beslissing blijken te kunnen dragen en derhalve afdoende en deugdelijk zijn; dat het middel niet gegrond is;
  10. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-30.183-5/6 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig november tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-30.183-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.008 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.