id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.013 Rolnummer: A. 133485/VII-29108 Zaak: Arrest 152013 - - 30/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-12 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 05:49 Fiche Arrest nr 152.013 van 30 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 152.013 van 30 november 2005 in de zaak A. 133.485/VII-29.108 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat H. DE PONTHIERE, kantoor houdende te 8900 IEPER, Lombaardstraat 23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Angolese nationaliteit, op 26 februari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 januari 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 11 juli 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 27 januari 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 4 maart 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-29.108-1/7 Gelet op de beschikking van 27 september 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 16 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. NAVASARTIAN, die, loco advocaat H. DE PONTHIERE, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 23 juni 2002 en verklaarde zich op 27 juni 2002 vluchteling. 1.
- Op 11 juli 2002 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 27 januari 2003 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "(...) U verklaarde de Angolese nationaliteit te bezitten en te zijn geboren in Luanda. Op zeer jonge leeftijd, nadat uw ouders werden vermoord omwille van hun activiteiten voor het FLEC (Frente para a Libertação de Enclave de Cabinda) verhuisde u naar Tungango, Namibië. Daar woonde u bij de echtgenote van Numa, een generaal van de UNITA (União Nacional para a Independência Total de Angola). Op een dag legde deze vrouw u uit dat u niet langer bij haar kon blijven. Ze zegde dat u evenmin terug naar Angola kon keren omwille van de banden die uw ouders met het FLEC hadden. Omwille van deze familiebanden vreest u immers ook te worden vervolgd door het MPLA-regime in Angola. Ze legde u bovendien uit dat uw broer JM, VII-29.108-2/7 eveneens lid van het FLEC, in België is. Generaal Numa regelde uw vertrek naar België. Per auto ging u naar een luchthaven in Namibië van waar u per vliegtuig naar Luanda vloog. In Luanda nam u vervolgens op 22 juni 2002 het vliegtuig dat, na een tussenstop in Moskou, de volgende dag in België aankwam. Op 27 juni 2002 startte u uw asielprocedure. Er dient te worden vastgesteld dat uw relaas ongeloofwaardig is omdat de versie die u aflegde voor het Commissariaat-generaal tegenstrijdig is met de versie die u aflegde tijdens het verhoor door de Dienst Vreemdelingenzaken (dd. 05.07.02). Ten aanzien van de Dienst Vreemdelingenzaken stelde u dat uw ouders en de rest van uw familie werden vervolgd omdat ze lid waren van het FLEC; dat u daardoor als kind werd achtergelaten en vervolgens werd geplaatst; en dat u sindsdien niemand (van uw familie) meer gezien hebt (verhoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken, p. 2 en 21). Tijdens dit verhoor door de Dienst Vreemdelingenzaken was nergens sprake van de moord op uw ouders, zoals u uitdrukkelijk verklaarde tijdens het verhoor door het Commissariaat-generaal; u kon niet preciseren waar en wanneer uw ouders zouden zijn vermoord, maar verklaarde wel dat u over deze moord werd ingelicht door uw gastvrouw in Namibië (de vrouw van generaal Numa), en dat uw broer in België u dit bevestigde (verhoorverslag, p. 2 en 9). Verder stelde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u persoonlijk werd vervolgd door het MPLA-regime in Angola omdat uw familie lid was van het FLEC; dat u nooit werd opgesloten maar wel werd mishandeld op straat door aanhangers van het MPLA (verhoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken, p. 21). Tijdens het verhoor door het Commissariaat-generaal was van dit essentieel element geen sprake. Voor de Dienst Vreemdelingenzaken voegde u er nog aan toe dat u één jaar geleden op de markt (in Tunga, Namibië) werd aangevallen door aanhangers van de MPLA omdat ze wisten dat u er bij een UNITA-generaal verbleef (verhoorverslag, p. 21). Voor het Commissariaat-generaal was van dit belangrijk element evenmin sprake, noch van enig concreet persoonlijk probleem in Namibië; gevraagd naar de reden waarom u Namibië diende te verlaten, stelde u enkel dat uw gastvrouw hierover besliste en dat zij u vertelde dat u niet terugkan naar Angola alsook dat uw broer in België verblijft (verhoorverslag, p. 9). Met betrekking tot uw vermeende vervolgingsmotief, met name de banden van uw ouders/familie met het FLEC, dient nog het volgende te worden opgemerkt. Voor het Commissariaat-generaal kon u de naam van uw ouders niet noemen (p. 14) en kon u niet preciseren waar ze woonden voor hun dood (p. 3). U wist niet of uw ouders al dan niet activiteiten hadden voor het FLEC (p. 4 en 14). U kon niet preciseren wanneer en in welke omstandigheden ze werden vermoord (p. 4). Ook uw broer JM zou actief geweest zijn voor het FLEC, maar u wist evenmin welke activiteiten hij uitoefende voor het FLEC (p. 14). Verder bleek uw kennis over het FLEC en Cabinda uiterst oppervlakkig. Zo kon u niet uitleggen waarvoor het FLEC strijdt (p. 3 en 8), u wist niet of er al dan niet een jongerenafdeling is binnen het FLEC (p. 4). Op het FLEC/FAC na kende u geen andere facties binnen het FLEC. Van “FDC” en Flec-Renovada had u nog niet gehoord (p. 8). U wist niet of het FLEC al dan niet ook buiten Cabinda actief is (p. 11). Naast Tchiowa kon u geen steden in Cabinda noemen. U kende slechts de naam van één rivier, die u bovendien niet kon situeren in Cabinda (p. 5) Deze zeer gebrekkige kennis ondermijnt verder de ernst van uw vrees omwille van mogelijke banden met het FLEC te worden vervolgd. Met betrekking tot uw verblijf in Tungango in Namibië legde u voor het Commissariaat-generaal eveneens uiterst vage verklaringen af. Alhoewel u daar een aantal jaren (sinds uw kindertijd) zou hebben geleefd, kon u deze plaats in het geheel niet nader situeren in Namibië. U kon geen andere dorpjes noemen in de buurt van Tungango, noch steden of rivieren in de buurt ervan (p. 2 en 7). Geheel in tegenstrijd met de werkelijkheid, situeerde u Namibië bovendien aan de grens met Congo- Kinshasa. U kon evenmin toelichten waar precies in Tungango u woonde (p. 6). Daarenboven staat uw identiteit niet vast. U verklaarde zowel voor de Dienst Vreemdelingenzaken als voor het Commissariaat-generaal de naam van uw ouders niet te kennen/herinneren (p. 14), terwijl hun namen expliciet vermeld staan in de door u voorgelegde Angolese geboorteakte (nr. 03317/96, afgeleverd te Luanda in 1996). Voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u deze geboorteakte te hebben verkregen van generaal Numa, maar niet meer te weten wanneer (verhoorverslag, p. VII-29.108-3/7 21). Uit een botonderzoek, uitgevoerd door een arts van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen, blijkt bovendien dat uw leeftijd minstens 19 jaar bedraagt (cfr. medisch verslag dd. 27 augustus 2002), wat de echtheid van de geboorteakte, met 24 september 1996 als geboortedatum, verder in het gedrang brengt. U blijkt niet in het bezit te zijn van enig ander (authentiek) document dat de controle van uw verklaarde identiteit, nationaliteit of reisweg mogelijk maakt. Tot slot brengt uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen andere elementen naar voor die vermogen de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. Het asieldossier (CG/94/19953/B) in België op naam van uw vermeende broer Ferrreira Joao Mendes - dat overigens werd afgesloten wegens afstand van de procedure op 11 juni 2001 - doet geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen. Overigens bleek niet alleen dat u zich de naam van jullie gemeenschappelijke ouders niet meer weet te herinneren, maar verklaarde u bovendien 6 zussen en 3 broers te hebben (p. 15), terwijl JM voor de Dienst Vreemdelingenzaken op 27 juni 2000 verklaarde slechts twee broers te hebben, die op dat moment allebei in Namibië verbleven (verhoorverslag, vraag 32).". Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van artikel 63/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat de verzoekende partij aanvoert dat de bestreden beslissing niet werd betekend door middel van een aangetekend brief aan haar zelf en dat zolang dit niet is gebeurd er geen beslissing is; dat zij tevens aanvoert dat uit niets blijkt dat zij ooit woonplaats zou hebben gekozen bij haar raadsman; Overwegende dat een eventueel gebrek in de betekening van de bestreden beslissing geen invloed heeft op het rechtmatig karakter van de genomen beslissing; dat bovendien uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij kennis heeft van die beslissing en dat zij daarop uitgebreid kritiek levert in het derde middel; dat de kritiek op de wijze van betekening derhalve niet tot de nietigheid van de bestreden beslissing kan leiden; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat een tweede middel wordt afgeleid uit de schending van artikel 39 e.v. van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, van de artikelen 51/4 en 62 van de Vreemdelingenwet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en uit de schending van het algemeen principe van de rechten van verdediging; dat de verzoekende partij aanvoert dat het interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal in het Frans is doorgegaan terwijl de wetsbepalingen voorschrijven dat de procedure op straffe van nietigheid in het Nederlands diende te gebeuren, dat bijgevolg beide interviews nietig zijn en dat daarenboven uit niets blijkt dat de betrokken ambtenaren een voldoende kennis hadden van de Franse taal, dat in strijd met de werkelijkheid op de vragenlijst van de Dienst Vreemdelingenzaken werd vermeld dat het gesprek werd gevoerd in het “Portugees-Nederlands” daar waar het gesprek VII-29.108-4/7 werd gevoerd in het Frans en de betrokken tolk niet in staat was Nederlands te spreken en dat tenslotte de rechten van verdediging werden geschonden omdat de verdediging op die wijze het Frans als taal van de procedure werd opgedrongen, zonder tolk; Overwegende dat de verzoekende partij bij haar asielverklaring om een tolk Portugees verzocht en dat zij aldus door de administratie op de Nederlandse taalrol werd ingeschreven en erover werd geïnformeerd dat de gehele procedure in het Nederlands zou gebeuren; dat artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet niet oplegt dat de tolk, die wordt gebruikt om de verklaringen van een kandidaat-vluchteling te vertalen, dit rechtstreeks dient te doen naar de proceduretaal, zoals reeds eerder aanvaard door de Raad van State; dat de verzoekende partij niet aantoont dat zij enige opmerking heeft gemaakt aangaande een eventuele tweede vertaling van het Frans naar het Nederlands en alleszins niet aantoont dat de ondervragende ambtenaar haar verklaringen niet of verkeerd zou hebben begrepen; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een derde middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 52 en 62 van de Vreemdelingenwet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, van artikel 6 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.) en van de rechten van verdediging; dat de verzoekende partij aanvoert dat in het ontvankelijkheidsonderzoek de bewijslast bij de bevoegde administratie ligt en uit geen enkel stuk blijkt dat zij een bedrieglijke aanvraag zou hebben ingediend en dat indien de beslissing op een andere onontvankelijkheidsgrond zou zijn gesteund, de beslissing onduidelijk is en bijgevolg niet of onvoldoende gemotiveerd; dat de verzoekende partij tevens aanvoert dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een “manifeste appreciatiefout” heeft begaan; dat zij tracht de verklaringen tijdens het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen over te doen, te nuanceren en te verklaren; Overwegende dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat de verzoekende partij dan ook geen belang heeft bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; VII-29.108-5/7 Overwegende dat artikel 52, §1, 2/, a) en 7/ van de Vreemdelingenwet de commissaris-generaal toelaat een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering te bevestigen wanneer zij klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is en/of wanneer de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat om een exact beeld van de situatie te krijgen waarin de vreemdeling zich bevindt ten tijde van het onderzoek van het dringend beroep de commissaris-generaal de mogelijkheid heeft om alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te nemen; dat het bedrieglijk karakter onder meer kan worden aangetoond door vast te stellen dat de verklaringen van de betrokkene tegenstrijdig zijn of niet overeenstemmen met geloofwaardige gegevens waarover de commissaris- generaal beschikt; dat in de ontvankelijkheidsfase de bewijslast in de eerste plaats bij de asielzoeker berust; dat de verzoekende partij wil aantonen dat de commissaris-generaal de feitelijke gegevens van de zaak verkeerd heeft beoordeeld; dat de appreciatie van de feitelijke gegevens in de eerste plaats zaak is van de overheid; dat het de Raad van State niet toekomt zich bij het beoordelen van die feitelijke gegevens in de plaats te stellen van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, belast met de wettigheidscontrole, moet nagaan of de overheid deze beoordeling op in rechte en in feite aanneembare redenen heeft gesteund en of zij daarbij de grenzen van de redelijkheid niet heeft overschreden; dat het te dezen niet kennelijk onredelijk is dat de commissaris-generaal uit een warrig, weinig precies, soms incoherent en zelfs tegenstrijdig asielrelaas afgeleid heeft dat de asielaanvraag bedrieglijk was; dat de verzoekende partij niet uiteen zet op welke wijze de Conventie van Genève door de bestreden beslissing werd geschonden; dat het recht van verdediging niet van toepassing is in administratieve procedures die worden gevoerd in het raam van de Vreemdelingenwet doordat deze procedure een louter administratiefrechterlijk karakter heeft en anderzijds artikel 6 van het E.V.R.M. evenmin dienstig kan worden ingeroepen doordat betwistingen in verband met de toegang, het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen buiten de toepassingssfeer ervan vallen; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat een vierde middel wordt afgeleid uit de schending van artikel 8 van het E.V.R.M.; dat de verzoekende partij aanvoert dat een bevel wordt gegeven om het grondgebied te verlaten en de commissaris-generaal dienaangaande een advies formuleert waarbij wordt gesteld dat de minderjarige zonder meer naar Angola kan worden teruggeleid terwijl hij effectief deel uitmaakt van het gezin JM, en dit zijn enige familielid is zodat de terugleiding een onaanvaardbare inmenging zou betekenen in het gezinsleven van hem en zijn broer; Overwegende dat het uitgebrachte advies inzake de terugleiding van betrokkene geen motief is van de bestreden beslissing en geen uitvoerbare rechtshandeling die voor de Raad van State kan worden aangevochten; dat het middel niet dienstig kan VII-29.108-6/7 worden aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij, zonder een verwijderingsmaatregel te nemen, uitsluitend over de hoedanigheid van vluchteling van betrokkene uitspraak wordt gedaan; dat het middel niet tot nietigverklaring kan leiden;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig november tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-29.108-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.013 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div