id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.026 Rolnummer: A. 144383/VII-31099 Zaak: Arrest 152026 - - 30/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-12 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-03 05:49 Fiche Arrest nr 152.026 van 30 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 152.026 van 30 november 2005 in de zaak A. 144.383/VII-31.099 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nepalese nationaliteit, op 24 november 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 oktober 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 1 februari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 24 oktober 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 4 december 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-31.099-1/6 Gelet op de beschikking van 27 september 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 16 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. NAVASARTIAN, die, loco advocaat B VRIJENS, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 26 mei 2000 en verklaarde zich op 29 mei 2000 vluchteling. 1.
- Op 1 februari 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 23 oktober 2003 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt : "A. Vluchtrelaas U verklaart de Nepalese nationaliteit te bezitten en geboren te zijn op 5 juli 1964 in Gam, district Rolpa. U bent boeddhist. Uw vader en moeder zijn respectievelijk voor en net na uw geboorte overleden. U bent opgevoed door uw oom in Lalitpur. U bent in 1988 gehuwd en hebt drie kinderen. Vijf jaar later verhuisde u naar Katmandu. U hielp in eerste instantie uw oom in een landbouwbedrijf, en opende daarna een zaak als zelfstandig tapijthandelaar. Toen U verlies maakte staakte U die activiteit, verkocht een stuk grond uit uw erfdeel en investeerde in een maandblad, annex drukkerij. U bracht 40 % van het kapitaal in, uw partner, R, 60%. Het bedrijf werd grotendeels gerund door uw partner, maar U stond hem terzijde op het vlak van de administratie. Het maandblad dat jullie beiden uitgaven, ‘Smric Astha’, huldigde doorgaans anti-Mao VII-31.099-2/6 Badi-standpunten. Op 23 april 1999 had een deel van het personeel verlof. Daarom ging U zelf het maandblad distribueren bij de verschillende krantenwinkels. Voordien leverde U echter, zoals steeds, een exemplaar af bij de privé-woonst van de Minister van Binnenlandse Zaken, Pradam Prasad Poudel. Het ministerie stond er op een exemplaar te krijgen. Om 6 uur in de ochtend gaf U aan het hek vóór zijn villa het tijdschrift af aan een jonge dienstbode. U zette uw ronde verder en ging daarna naar huis. Om 8 uur kwam in de garage van de woning van de minister een bom tot ontploffing die geen gewonden maakte, maar aanzienlijke schade aanrichtte aan het wagenpark en de gebouwen. Op 24 april 1999 om 11 uur ‘s avonds kwamen een politie-inspecteur, zijn adjunct en drie agenten bij U thuis. Ze arresteerden U en brachten U over naar het lokale politiebureau, echter zonder verdere uitleg te verstrekken. De 25ste werd U overgebracht naar het politiekantoor Hanumandhaka in Katmandu. Pas de dag nadien, op 26 april, werd U voor het eerst verhoord. De politie mishandelde U en beschuldigde U van betrokkenheid bij de bomaanslag op de ministeriële woonst. U ontkende. Na 15 dagen hechtenis verscheen U voor de rechtbank, die U in staat van beschuldiging stelde. Na 25 dagen, rond 19 mei 1999, slaagde advocaat, Radhe Shyam Maharjan, er in om U op borg vrij te krijgen. U kreeg verbod het land te verlaten. Uw raadsman was ingehuurd door uw zakenpartner en uw oom. U ging wonen bij uw oom. Van uw partner en raadsman hoorde U dat de zaak ernstig was en dat U levenslange gevangenissstraf riskeerde. Ze vonden dat het voor U veiliger was om het land te verlaten. U hebt op 12 mei 2000 een vlucht genomen van Qatar Airlines naar Doha. Vandaar bent U op 13 mei 2000 met KLM verder gevlogen naar Amsterdam. Op 29 mei 2000 hebt U in België asiel aangevraagd. B. Motivering Er dient in Dringend Beroep op het Commissariaat-generaal (CGVS) te worden opgemerkt dat U niet aannemelijk hebt gemaakt in uw land van herkomst een gegronde vrees voor vervolging te koesteren zoals begrepen onder de Conventie van Genève. Aan uw verklaringen kan immers geen verder geloof worden gehecht. Tussen uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en uw verklaringen op het Commissariaat-generaal doen zich een aantal ernstige tegenstrijdigheden voor. Zo verklaart U voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat U op 24 april 1999 werd gearresteerd, en na 15 dagen hechtenis werd vrijgelaten (gehoorverslag DVZ, punt 42). Op het Commissariaat-generaal stelt U evenwel dat U 25 dagen in de cel hebt gezeten (gehoorverslag CGVS, p.18 & p.25). U hebt op het Commissariaat-generaal verklaard dat U ongeveer een maand na uw vrijlating Nepal hebt verlaten (gehoorverslag CGVS, p.20). Expliciet gevraagd naar uw vertrekdatum uit Nepal volgens de Nepalese kalender antwoordt U 23 à 24/03/2056 (7 à 8 juli 1999; gehoorverslag CGVS, p.21). Voor de Dienst Vreemdelingenzaken en elders in het gehoor op het Commissariaat-generaal zegt U echter uw land verlaten te hebben op 12 mei 2000 (gehoorverslagen DVZ, punt 41 & gehoorverslag CGVS, p.20). Voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaart U overigens dat U pas een jaar na uw vrijlating Nepal verlaten hebt (gehoorverslag DVZ, punt 42). De constatatie dat U geen eensluidende verklaringen aflegt over het feit of U een jaar dan wel een maand na uw vrijlating Nepal verlaten hebt is van die aard dat ze de geloofwaardigheid van uw asielrelaas in sterke mate ondermijnt. Voor de Dienst Vreemdelingenzaken stelt U dat U al door de politie van de aanslag op 23 april 1999 werd beticht bij uw arrestatie op 24 april en in elk geval vóór uw overbrenging naar het Hanumandhaka-politiekantoor (gehoorverslag DVZ, punt 42). Op het Commissariaat-generaal verklaart U echter dat de politie U twee dagen in het ongewisse liet over het waarom van uw aanhouding en pas de dag na uw aankomst in het Hanumandhaka-station U beschuldigde iets met de aanslag te maken te hebben (gehoorverslag CGVS, pp.16-17 & p.25). Ingevolge voorgaande tegenstrijdigheden kan aan uw arrestatie en hechtenis door de Nepalese politie nog maar weinig geloof worden gehecht. Wat betreft uw bewering dat U aandeelhouder was in een drukkerij die ook een maandblad uitgaf, komen een aantal zaken bevreemdend over. U stelt dat U een stuk grond hebt verkocht om een participatie van 40% te nemen in dit bedrijf. Hoewel de leiding ervan in handen was van uw partner, zou u ook met de administratie hebben geholpen en soms een aantal formaliteiten voor uw partner hebben geregeld (gehoorverslag CGVS, pp.03 & 07 & 09). Het is biezonder opzienbarend dat U geen idee hebt hoeveel journalisten er VII-31.099-3/6 schreven voor het maandblad waarvan U mede-eigenaar was. U weet voorts geen enkele naam te noemen van een journalistiek medewerker van het blad (gehoorverslag CGVS, p.09). Op de vraag of het tijdschrift een website had antwoordt U dat U dat niet weet (gehoorverslag CGVS, p.11). Van de ‘FNJ’ (‘Federation of Nepalese Journalists’), hebt U nog nooit gehoord (gehoorverslag CGVS, p.10). Nochtans is dit de koepelorganisatie van de Nepalese journalisten. Deze vereniging wordt onder meer door ‘Reporters Without Borders’ beschouwd als de belangrijkste Nepalese persbond, zoals blijkt uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd. In het licht van het feit dat U medeëigenaar bent van dit maandblad, waar U bovendien een belangrijke som geld hebt in geïnvesteerd, is uw onwetendheid over de meest elementaire redactionele zaken betreffende dit blad biezonder merkwaardig. Ter ondersteuning van uw asielaanvraag legt U een brief voor waarin uw raadsman, R, meedeelt dat U bent veroordeeld wegen terrorisme en dat de zaak momenteel in beroep wordt behandeld. Uw raadman zal U in beroep verdedigen maar drukt u op het hart niet terug te keren. In het licht van de bovenstaande observaties kan er aan dit stuk privé- correspondentie nog maar weinig geloof worden gehecht. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van het redelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel; dat de verzoekende partij stelt dat de redelijke termijn werd overschreden doordat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen na meer dan drie jaar na het indienen van haar asielaanvraag een beslissing heeft genomen; Overwegende dat artikel 63/3, §1, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) een termijn bepaalt van 30 dagen waarbinnen de beslissingen van de commissaris-generaal in dringend beroep moeten worden genomen; dat bij overschrijding van deze termijn geen sanctie is voorzien, zodat het een termijn van orde betreft; dat de overschrijding van de redelijke termijn tot gevolg zou hebben dat de in eerste aanleg genomen beslissing definitief wordt; dat deze beslissing van de minister van Binnenlandse zaken een weigering van verblijf inhoudt, zodat de verzoekende partij uit het middel geen voordeel kan halen bij vernietiging van de thans bestreden beslissing; dat het middel niet ontvankelijk is; VII-31.099-4/6 2.
- Overwegende dat in een tweede middel de verzoekende partij zich beroept op de schending van artikel 1, (A), 2 van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, van de artikelen 52 en 62 van de Vreemdelingenwet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en van de zorgvuldigheidsplicht; dat de verzoekende partij stelt dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft nagelaten een onderzoek in te stellen naar haar vrees voor vervolging bij een terugkeer naar haar land van herkomst; Overwegende dat de Conventie van Genève niet verbiedt dat de verdragsluitende staten een regeling uitwerken waarin de criteria worden vastgelegd voor het in aanmerking nemen van een vluchtelingenverklaring; dat de Belgische Staat dit heeft gedaan in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat niet wordt aangetoond, zelfs niet aangevoerd, dat deze wetsbepaling strijdig zou zijn met enige bepaling van voornoemd verdrag; Overwegende dat de commissaris-generaal, wanneer hij in dringend beroep uitspraak doet over een asielaanvraag, op basis van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, kan oordelen dat een vreemdeling die het Rijk is binnengekomen zonder te voldoen aan de in artikel 2 van die wet gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt om als dusdanig erkend te worden, niet toegelaten zal worden in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven wanneer de aanvraag klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk zijn en omdat ze geen verband houden met de criteria bepaald bij artikel 1, (A), 2, van de Conventie van Genève, noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat de commissaris-generaal te dezen het dringend beroep vanuit deze bevoegdheid heeft onderzocht en de asielaanvraag als bedrieglijk heeft afgewezen; dat de verzoekende partij nalaat de vastgestelde tegenstrijdigheden te weerleggen; dat zij verwijst naar de algemene situatie in haar land van herkomst, en hierbij mensenrechtenrapporten aanhaalt en wijst op het bestaan van anti-terrorismewetten, zonder deze evenwel op haar eigen concrete toestand te betrekken; dat de commissaris-generaal op basis van artikel 52 van de Vreemdelingenwet over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt, die de redelijkheid tot grens heeft; dat niet wordt aangetoond dat de bevindingen waartoe de commissaris-generaal is gekomen na analyse van het asielrelaas van de verzoekende partij feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk zouden; dat het middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de VII-31.099-5/6 tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig november tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-31.099-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.026 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div