← België

Arrest 152122 - - 01/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.122 Rolnummer: A. 98537/XIV-1201 Zaak: Arrest 152122 - - 01/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-13 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-03 05:58 Fiche Arrest nr 152.122 van 1 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.122 van 1 december 2005 in de zaak A. 98.537/XIV-

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat V. PUZAJ, kantoor houdende te 4000 LUIK, Rue du Général Bertrand 22 tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 8 september 1962 en van Kazakse nationaliteit, op 19 december 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 4 december 2000 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 30 juni 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 4 december 2000; Gelet op de beschikking van 5 februari 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag dd. 21 april 2005 opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-1201-1/9 Gelet op de beschikking van 1 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 12 oktober 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. MAHY, die, loco Advocaat V. PUZAJ, verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  5. De verzoekende partij komt België binnen op 25 oktober 1999 en verklaart zich vluchteling op 26 oktober
  6. 1.
  7. Op 30 juni 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  8. Op 4 december 2000 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 12 oktober 2000 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Russische taal machtig is, en in aanwezigheid van zijn advocaat, Mr. Verschaeve loco Mr. Puzaj. Betrokkene, een Kazachs staatsburger van Russische origine, zou op 15 oktober 1999 samen met zijn vrouw A. Y. en het minderjarige kind van zijn echtgenote, A. M.l, Kazachstan verlaten hebben in de richting van België. Betrokkene zou op 25 oktober 1999 in België aangekomen zijn waar hij de volgende dag het statuut van vluchteling aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. Betrokkene is in het bezit van een geldige Kazachse identiteitskaart. Volgens betrokkenes verklaringen op het Commissariaat-generaal (dd. 12 oktober 2000) zou hij Kazachstan verlaten hebben omdat hij er problemen had omwille van zijn Russische origine. De problemen zouden begonnen zijn in juni 1998 toen er een man (Bulat Kakimbekov) een wagen naar betrokkene bracht die hij moest repareren. Bulat zou hem slechts 10.000 Tenge betaald hebben in plaats van 15.000 Tenge. Op 4 mei 1999 kwamen er drie Kazachen naar de garage van betrokkene die zouden geëist hebben dat betrokkene één van hen in dienst nam wat hij zou geweigerd hebben. Vanaf dan zou betrokkene verschillende malen beledigd zijn omwille van zijn Russische afkomst. Rond 14 mei 1999 zouden de drie Kazachen opnieuw gekomen zijn samen met Bulat. Bulat zou gezegd hebben dat betrokkene hem 60.000 Tenge moest betalen omdat de wagen niet goed gemaakt was. Ze zouden betrokkene beledigd en bedreigd hebben. De volgende dag zou betrokkene naar de politie geweest zijn om klacht neer te leggen die XIV-1201-2/9 aanvaard werd op voorwaarde dat hij niets zou zeggen over de Kazachse origine van zijn belagers. Op 21 mei 1999 zou betrokkene opgeroepen zijn voor ondervraging en zou de politie gezegd hebben dat ze zijn klacht zouden onderzoeken. Op 29 mei 1999 zou de politie gezegd hebben dat ze geen dossier konden openen tegen een Kazach. Vanaf 14 mei 1999 zouden de drie personen gedurende een maand minstens tweemaal per week naar betrokkene gekomen zijn. Betrokkene zou telkens bedreigd zijn omwille van zijn Russische origine. Op 14 juni 1999 zou betrokkene aangevallen zijn door drie personen. Op 16 juni 1999 zou betrokkene naar de politie gegaan zijn om klacht neer te leggen die de politie aanvaardde op voorwaarde dat hij niet zou zeggen dat de drie aanvallers Kazachen waren. Op 17 juni 1999 zou betrokkene naar het ziekenhuis geweest zijn voor een medisch onderzoek. Betrokkene zou daarna drie weken thuis gebleven zijn. Tijdens deze drie weken zouden er drie Kazachen drie maal langsgekomen zijn en zouden deze hebben geëist dat betrokkene zijn klacht zou intrekken. Toen betrokkene de eerste dag terug ging werken, zou hij opnieuw zijn geslagen door drie Kazachen. Twee dagen na deze aanval zou betrokkene zijn klacht ingetrokken hebben. Op 1 of 2 augustus 1999 zouden de drie Kazachen naar betrokkenes woning gekomen zijn en hem geslagen hebben. Daarna zouden betrokkene en zijn vrouw hun appartement verkocht hebben en verhuisd zijn. Op 24 of 25 september 1999 zouden er drie personen naar de woning van betrokkene zijn gekomen die het huis zouden hebben doorzocht en de televisie zouden hebben stukgeslagen. Betrokkene zou daarna klacht hebben ingediend bij het Parket. Op 1 oktober 1999 kreeg betrokkene een convocatie van de politie en ging betrokkene naar de politie. De onderzoeksrechter zou voor betrokkenes ogen zijn klacht verscheurd hebben. Daarna zou betrokkene zijn opgesloten in een cel. 's Avonds zouden de onderzoeksrechter en twee andere Kazachen die betrokkene aan zijn armen trokken, al de documenten die betrokkene in zijn bezit had gevraagd hebben en daarna zouden ze hem geslagen hebben. Betrokkenes vrouw zou toen één document aan de politie gegeven hebben en daarna zouden ze hem vrijgelaten hebben (3 oktober 1999). Op 12 oktober 1999 zou betrokkene een nieuwe convocatie van de politie gekregen hebben. Betrokkene zou schrik gehad hebben en beslist hebben om Kazachstan te verlaten. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat de door betrokkene aangehaalde systematische vervolging door de Kazachse overheid en etnisch-Kazachse bevolking niet overeenstemt met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. In deze documentatie (Missierapport Kazachstan van de Immigratieambtenaar Ministerie van Binnenlandse Zaken 14 september - 10 oktober 2000 en Informatie Kazachstan Cedoca, november 2000; De Standaard en La Libre Belgique, 31 oktober 2000) wordt nergens melding gemaakt van dergelijke vervolging. Meer nog, uit deze informatie blijkt dat er geen sprake is van enige vervolging van de Russische bevolkingsgroep. Uit voormelde informatie blijkt eveneens dat de hogere Kazachse autoriteiten gevoelig zijn voor elke vorm van etnisch geweld en spanning waardoor het op dit niveau voor personen van Russische afkomst mogelijk is om bescherming te krijgen. Bijgevolg kan niet worden gesteld dat mogelijke slachtoffers van dergelijke vervolging op geen bescherming van de Kazachse overheid kunnen rekenen. Hierdoor kunnen betrokkenes beweringen als zou hij geen bescherming kunnen verkrijgen in zijn land van herkomst evenmin weerhouden worden. Gezien het bovenstaande kan er geen geloof gehecht worden aan betrokkenes verklaringen. Aldus kan er in hoofde van betrokkene geen bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie vastgesteld worden. De door betrokkene neergelegde documenten (Kazachse identiteitskaart van betrokkene en zijn echtgenote; rijbewijs van betrokkene en zijn echtgenote; huwelijksakte; geboorteakte van betrokkenes stiefzoon en van betrokkenes vrouw; diploma van betrokkene; werkboekje van betrokkene en zijn vrouw; medisch boekje van betrokkenes vrouw; twee convocaties van de politie; verkoopakte van de woning; gerechtelijk-medische expertise van betrokkene; attest van het ziekenhuis; klacht van betrokkene bij de politie; tweede klacht van betrokkene ingediend bij politie; verzoek van betrokkene om gerechtelijk-medische expertise te ondergaan; proces- verbaal van betrokkenes verhoor bij de politie; besluit van politie om geen strafzaak te openen) wijzigen, gezien de strijdigheid van betrokkenes asielrelaas met de op het Commissariaat- generaal voorhanden zijnde informatie, niets aan hetgeen hiervoor werd uiteengezet. Ook in het kader van de asielprocedure van betrokkenes echtgenote Alexeyenko Yuliya (O.V.4.894.160) werd een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatie- bevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 30 juni
  9. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandig- heden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”. XIV-1201-3/9
  10. Over de gegrondheid van de zaak. 2.
  11. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); van artikel 14 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948; van de artikelen 1 en 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de vrees voor vervolging, waarvan sprake in artikel 1 van de Vluchtelingenconventie, een geestesgesteldheid betreft, en een subjectieve voorwaarde uitmaakt die een beoordeling impliceert van de persoonlijkheid van verzoeker, vermits de psychologische reacties van een individu verschillen al naargelang de situatie; dat verzoeker stelt dat de motivatie afdoende, pertinent en draagkrachtig moet zijn; dat verzoeker betoogt dat de motieven stereotiep zijn en betwist dat zij de bestreden beslissing kunnen dragen; dat verzoeker aanvoert dat staten die partij zijn bij de Vluchtelingenconventie, geen vluchteling mogen uitzetten of terugleiden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of op grond van zijn politieke overtuiging; dat verzoeker stelt dat de bestreden beslissing een inbreuk uitmaakt op artikel 3 van het E.V.R.M.; dat verzoeker uiteenzet dat het verhoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet correct is verlopen; dat verzoeker aanvoert dat de tolk die bij het verhoor aanwezig was, de Russische taal niet voldoende beheerste en dat hij verzoekers antwoorden foutief vertaalde; dat verzoeker stelt dat de tolk de antwoorden van verzoeker betreffende de vervolgingen waarvan hij het slachtoffer is geworden in Kazachstan, in twijfel trok; dat verzoeker betoogt dat dit niet tot de taak van een tolk behoort; dat de taak van een tolk erin bestaat de antwoorden van verzoeker zo correct mogelijk te vertalen, op een onpartijdige en onafhankelijke wijze; dat verzoeker tenslotte aanvoert dat, in tegenstelling tot de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, personen van Russische afkomst wel degelijk door de Kazachse autoriteiten worden vervolgd; 2.
  12. Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat verzoeker, met betrekking tot het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, dat gepaard gaat met de bestreden beslissing en waaromtrent de Dienst Vreemdelingenzaken de verantwoordelijkheid draagt qua uitvoering, geen gegrond middel XIV-1201-4/9 wordt ontwikkeld; dat de verwerende partij stelt dat ten opzichte van de Minister van Binnenlandse Zaken geen middelen worden aangevoerd die kunnen leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing; 2.
  13. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord de overwegingen van het initieel verzoekschrift herhaalt, en tevens de schending aanvoert van artikel 3 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966 en goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981 (BUPO-verdrag); van artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), en van artikel 4 van het Protocol nummer 4 van 16 november 1963 en van artikel 1 van het Protocol nummer 12 van 4 november 2000 bij het E.V.R.M.; dat verzoeker aanvoert dat iedere asielaanvraag afzonderlijk moet worden onderzocht, met in achtneming van alle feitelijke gegevens van de zaak; dat verzoeker uiteenzet dat het de Belgische overheid niet is toegelaten om collectieve uitwijzingsmaatregelen te nemen; dat verzoeker aanvoert dat hij vreest voor zijn leven, indien hij naar Kazachstan zou worden teruggestuurd, omwille van zijn Russische afkomst; dat verzoeker stelt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet onpartijdig is, omdat hij voorheen kabinetschef was van de Minister van Binnenlandse Zaken; 2.
  14. Overwegende dat, waar verzoeker een schending aanvoert van artikel 1 van de Vluchtelingenconventie en artikel 52 van de Vreemdelingenwet, blijkt dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris- generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; XIV-1201-5/9 Overwegende dat verzoeker geen concreet element aanbrengt ter staving van zijn argumenten; dat de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten omdat: - de door verzoeker aangehaalde systematische vervolging door de Kazachse overheid en door de etnisch-Kazachse bevolking niet overeenstemt met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt; dat uit deze informatie blijkt dat er geen sprake is van vervolging van de Russische bevolkingsgroep; - uit voormelde informatie eveneens blijkt dat de hogere Kazachse autoriteiten gevoelig zijn voor elke vorm van etnisch geweld en spanning waardoor het voor personen van Russische afkomst mogelijk is om bescherming te krijgen; dat bijgevolg niet kan worden gesteld dat mogelijke slachtoffers van dergelijke vervolging op geen bescherming van de Kazachse overheid kunnen rekenen; dat verzoekers verklaringen als zou hij geen bescherming kunnen krijgen in zijn land van herkomst niet kunnen worden aanvaard; Overwegende dat uit voormelde motieven, die steun vinden in het administratief dossier, blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de asielaanvraag van verzoeker op een individuele wijze heeft beoordeeld, en zijn beslissing heeft genomen met in achtname van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat verzoeker er niet in slaagt het tegendeel te bewijzen, noch aantoont dat zijn asielaanvraag niet op een objectieve wijze zou zijn onderzocht; dat verzoekers argumenten betreffende collectieve uitwijzingen zonder voorwerp zijn, vermits de bestreden beslissing oordeelt over de ontvankelijkheid van verzoekers asielaanvraag; dat, waar verzoeker aanvoert dat hij vreest voor zijn leven, indien hij naar Kazachstan zou worden teruggestuurd, blijkt dat de gegevens die verzoeker aanhaalt niet relevant zijn, aangezien de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing van oordeel is dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk is; dat de motieven van de bestreden beslissing niet worden ontkracht door het louter herhalen van de asielmotieven; dat, waar verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal niet onpartijdig is, vaststaat dat verzoeker nalaat in concreto aan te tonen dat er sprake is van partijdigheid; dat uit de bestreden beslissing niet kan worden afgeleid dat de asielaanvraag van verzoeker niet individueel en objectief werd behandeld; dat de onpartijdigheid van de Commissaris-generaal bovendien wettelijk is bepaald, wat wordt bevestigd door het feit dat de Minister van Binnenlandse Zaken zijn hiërarchisch gezag niet kan laten gelden ten opzichte van de beslissingen van de Commissaris-generaal; dat verzoeker nalaat de aangevoerde partijdigheid te bewijzen; Overwegende dat verzoeker zich beperkt tot een louter theoretische uiteenzetting; dat hij nalaat om op concrete wijze aan te tonen waarom de bestreden beslissing de aangehaalde verdragsbepalingen zou hebben geschonden; dat dit onderdeel van het enig middel ongegrond is; XIV-1201-6/9 Overwegende dat, waar verzoeker een schending aanvoert van artikel 14 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, blijkt dat verzoeker zich beperkt tot het summier aanhalen van de bepaling die hij geschonden acht, zonder aan te duiden op welke wijze die verdragsbepaling door de bestreden beslissing zou zijn geschonden; dat verzoeker nalaat deze bepaling concreet te betrekken op de vaststellingen van de bestreden beslissing; dat verzoeker zijn grief geenszins ondersteunt met concrete en pertinente gegevens en derhalve niet aantoont dat de bestreden beslissing onwettig is; dat dit onderdeel van het middel niet ontvankelijk is; dat deze exceptie van onontvankelijkheid ambtshalve door de Raad van State wordt opgeworpen; Overwegende dat, waar verzoeker een schending inroept van het non- refoulement beginsel, blijkt dat artikel 33 van de Vluchtelingenconventie een verbod tot uitzetting of terugleiding inhoudt dat enkel betrekking heeft op beslissingen op grond waarvan de vreemdeling, die zich vluchteling heeft verklaard of als dusdanig is erkend, verplicht zou worden naar zijn land van herkomst terug te keren; dat deze verdragsbepaling niet toepasselijk is op verzoeker wiens asielaanvraag bedrieglijk werd verklaard; dat bovendien erkende vluchtelingen en kandidaat-vluchtelingen zich eveneens dienen te beroepen op artikel 56 van de Vreemdelingenwet; dat bovendien verzoeker dit artikel niet heeft ingeroepen zodat de schending van voormeld artikel 33 niet dienstig kan worden aangevoerd; Overwegende dat, waar verzoeker een schending aanvoert van artikel 3 van het E.V.R.M., uit de analyse van de middelen blijkt dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet op goede gronden de bedrieglijkheid van de asielaanvraag van verzoeker heeft weerhouden; dat hij niet aantoont dat de bestreden beslissing, die niet is behept met een onwettigheid, artikel 3 van het E.V.R.M. schendt; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat met betrekking tot dit onderdeel van het enig middel kan worden verwezen naar de analyse van het eerste onderdeel van het enig middel, waar afdoende werd aangetoond dat de Commissaris-generaal de asielaanvraag op een XIV-1201-7/9 individuele wijze heeft beoordeeld en zijn beslissing heeft genomen met inachtname van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat de Commissaris-generaal zich in casu heeft gebaseerd op de verklaringen van verzoeker, die niet in overeenstemming zijn met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt; dat van de kandidaat- vluchteling mag worden verwacht dat hij, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, de feiten die de aanleiding vormden voor zijn vlucht uit het land van herkomst, op een nauwkeurige, zorgvuldige, coherente en geloofwaardige manier weergeeft aan de overheden die bevoegd zijn om kennis te nemen van de asielaanvraag, zodat op grond hiervan kan worden nagegaan of er met betrekking tot de kandidaat-vluchteling aanwijzingen bestaan om te besluiten tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat de Commissaris-generaal in casu op goede gronden vaststelt dat een aantal tegenstrijdigheden, met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, de geloofwaardigheid van het asielrelaas van verzoeker ondermijnen; dat deze tegenstrijdigheden, die steun vinden in de door verzoeker afgelegde verklaringen in het administratief dossier, op een omstandige wijze worden weergegeven in de bestreden beslissing; dat verzoeker deze tegenstrijdigheden niet weerlegt; dat, waar verzoeker aanvoert dat de tolk nauwelijks Russisch sprak, uit het verhoorverslag blijkt dat het verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken 2,5 uur duurde; dat het verhoorverslag aan verzoeker werd voorgelezen en door hem werd ondertekend; dat verzoeker geen opmerkingen maakte over de vertaling, noch tijdens het verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken, noch tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal; dat verzoeker niet aanduidt welke woorden of zinnen foutief zouden zijn vertaald; dat verzoeker er niet in slaagt aan te tonen dat de Commissaris-generaal een beslissing zou hebben genomen die steunt op onjuiste feiten; Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat het asielrelaas van verzoeker grondig werd onderzocht en dat rekening werd gehouden met alle relevante elementen van dit relaas en van het administratief dossier; dat de bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, deugdelijke, afdoende en pertinente motieven; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord, een nieuw middel formuleert, nu hij de vernietiging van de bestreden beslissing vraagt op grond van artikel 3 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966 en goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981 (BUPO-verdrag); artikel 14 van Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), en artikel 4 van het Protocol nr. 4 van 16 november 1963 en artikel 1 van het Protocol nr. 12 van 4 november 2000 bij het E.V.R.M.; XIV-1201-8/9 dat een nieuw middel enkel voor het eerst ontvankelijk kan worden aangevoerd in de memorie van wederantwoord wanneer het niet kon worden aangevoerd in het verzoekschrift omdat de nodige gegevens daartoe niet bekend waren of wanneer het een middel betreft dat de openbare orde raakt; dat dit in casu niet het geval is; dat dit onderdeel van het enig middel, zoals geformuleerd in de memorie van wederantwoord, niet ontvankelijk is; Overwegende dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  15. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  16. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op een december tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-1201-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.122 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.