id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.126 Rolnummer: A. 167915/XII-4584 Zaak: Arrest 152126 - - 01/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-05 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 05:59 Fiche Arrest nr 152.126 van 1 december 2005 - Beslissing : Bevolen heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.126 van 1 december 2005 in de zaak A. 167.915/XII-
(2)Het redelijkheidsbeginsel Hoewel een delibererende klassenraad een grote mate van autonomie wordt toegedicht en daarbij bijgevolg een grote discretionaire beoordelingsbevoegdheid heeft, dienen haar handelen en haar beslissingen de toets aan de norm van de redelijkheid te doorstaan. De wijze waarop de overheid haar beoordelingsbevoegdheid uitoefent moet redelijk zijn (SUETENS,L.P., In huidige zaak blijkt uit alle globale resultaten van de proeven en de positieve tendens in deze resultaten over het jaar genomen dat verzoekende partij aanspraak kan maken op het bekomen van een A-attest. Het voorbijgaan aan deze evidente elementen kan enkel nog geacht worden binnen de grenzen van de beoordelingsvrijheid van de overheid te liggen, indien blijkt dat die overheid, op grond van bijzondere concrete gegevens, die verband houden met het bereiken van de algemene doelstellingen, deze evidente elementen heeft opzij gezet (Vgl. R.v.St., nr. 19.244., 14 november 1978, R.W., 1978-1979, 2036.). De onredelijkheid van de beslissing van verwerende partij blijkt uit volgende elementen : ± Cijfermatig was de verzoekende partij reeds in juni geslaagd voor alle vakken uitgenomen voor wiskunde en natuurwetenschappen. Rekening houdende met het resultaat van de bijkomende proef voor natuurwetenschappen (63/100) is er slechts één vak waarvoor Ben Vanlook niet slaagde in het laatste jaar, m.n. wiskunde. Op dit ene vak haalde hij in de loop het schooljaar volgende resultaten (D.W. 9/30 (= 30 %); examen 1 42 % en examen 2 38 % het examen 2 voor wiskunde was moeilijk; de mediaan voor de hele klas lag op 56 %) rekeninghoudende met de weging geeft dit een totaalpercentage van 35,60 %. Voor dit vak slaagde hij niet omdat de bijkomende proef wordt afgebroken door een eigenmachtige beslissing van de surveillant, de verzoekende partij niet de kans krijgt om zijn kunde te bewijzen en hij ten onrechte een score ‘0’ toegewezen krijgt. ± Het is ondenkbaar dat er in het Koninklijk Atheneum te Hasselt geen andere 6e jaarsstudenten zouden zijn in een gelijke situatie (m.n. geslaagd in alle vakken behalve één niet-hoofdvak waarop een score van 35 % werd behaald); het is niet betwist dat aan deze studenten toch het diploma middelbaar onderwijs werd verleend. ± de bijkomende proef waarvoor hij niet slaagde had betrekking op het vak wiskunde dat voor de studierichting die de verzoekende partij volgde absoluut geen doorslaggevend vak is. De verzoekende partij volgde de studierichting Latijn-Moderne Talen. In deze richting is Wiskunde een minder belangrijk onderdeel. XII-4584-9\17 ± Het dagelijks werk en het eerste examengedeelte, waarop verwerende partij zich hoofdzakelijk lijkt te steunen om de bestreden beslissing te verantwoorden, werden door verwerende partij in haar schoolreglement (blz. 32) zelf als minder belangrijk voor de eindbeoordeling beschouwd. ± De verzoekende Partij volgde het 6e jaar; de beslissing komt er op neer dat hij op het einde van zijn middelbaar onderwijs om een ongelukkig voorval, een jaar moet overzitten. ± de leerplannen voor het opleidingsonderdeel wiskunde voor de richting Latijn-Moderne talen voor het schooljaar 2005-2006 opnieuw werd gewijzigd naar 3 lestijden i.p.v. 4 en met lichtere doelstellingen. ± Er weze herhaald dat de klassenraad slechts een C-attest mag afgeven indien zij van oordeel is dat de betrokken leerling voor geen enkele studierichting bekwaam is zijn studies verder te zetten. De studiehouding van verzoekende partij wordt totaal niet meer als problematisch ervaren. Gezien de resultaten van verzoekende partij had verwerende partij na het afleggen van de bijkomende proeven, waarbij nog één proef een onvoldoende gaf, een quasi gebonden bevoegdheid om een A-attest af te leveren. Derhalve voldoet de beslissing van de delibererende klassenraad niet”; Overwegende dat de verwerende partij in de nota het middel beantwoordt als volgt : “De bewering van verzoeker als zou de delibererende klassenraad in de bestreden beslissing te weinig rekening gehouden hebben met de bepaling uit het studiereglement dat meer waarde wordt gehecht aan de eindproef, is niet ernstig. De weging zoals bepaald in het studiereglement is vervat in de jaarresultaten per vak zoals meegedeeld op bijlage 1 van de bestreden beslissing. In de bestreden beslissing worden de jaarresultaten in rekening gebracht en afgewogen tegenover de tekorten. De bewering van verzoeker als zou er een tegenstrijdigheid in de motivering zijn doordat de delibererende klassenraad enerzijds vaststelt dat er een positieve tendens is in de derde trimester, anderzijds vaststelt dat negatieve argumenten zich manifesteren over het volledige jaar, is niet ernstig. De delibererende klassenraad stelt immers enerzijds een grillige positieve evolutie in de cijferresultaten van het derde trimester vast, anderzijds negatieve argumenten die zich manifesteren over gans het schooljaar, met name een continu zwaar onvoldoende cijferresultaat voor wiskunde, een nul voor de bijkomende proef wiskunde en ten minste 2 onvoldoende cijferresultaten voor elke rapportperiode. Voormelde vaststellingen die de motivering van de klassenraad schragen staan overigens niet ter discussie. De bewering van verzoeker als zou de delibererende klassenraad negatieve punten benadrukken en positieve punten weglaten, is niet ernstig. Bij bespreking van de goede, de voldoende en de onvoldoende resultaten in de bestreden beslissing werd telkens verwezen naar bijlage 1, bestaande uit alle cijferresultaten van dagelijks werk en examens voor alle vakken. Dat de vakken waarvoor goede, respectievelijk voldoende (minder dan 60 %) resultaten behaald werden, besproken werden zonder weergave der cijferresultaten terwijl de onvoldoende cijferresultaten wel vermeld werden, impliceert niet dat aan de ene meer gewicht XII-4584-10\17 werd gehecht dan aan de andere. Het tegendeel blijkt overigens uit de bestreden beslissing waarin alle elementen tegen elkaar afgewogen worden [...]”; dat verwerende partij voorts argumenteert dat de Raad van State zich niet in de plaats kan stellen van de delibererende klassenraad en een verzoeker niet kan beschermen tegen strenge, maar wettige beslissingen, dat verzoeker nalaat het 0-resultaat voor de bijkomende proef wiskunde in rekening te brengen en dat hij enkel rekening houdt met het positief resultaat van de bijkomende proef natuurwetenschappen zodat zijn redenering voortbouwt op een verkeerde premisse en dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel in het geval van de beoordeling van leerlingen niet relevant is;
- Overwegende dat de delibererende klassenraad, wat het gewoon secundair onderwijs betreft, zijn bevoegdheid ontleent aan artikel 6quater van de schoolpactwet van 29 mei 1959; dat die bepaling hem aanwijst “als enig orgaan op het vlak van de beslissingen inzake het al dan niet geslaagd zijn” en voorts preciseert dat hij “oordeelt of een regelmatige leerling in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen, heeft bereikt om al dan niet te kunnen overgaan naar een volgend leerjaar en/of een van rechtswege geldend studiebewijs behaalt dat een bepaald civiel effect impliceert”; dat de delibererende klassenraad luidens artikel 37, § 1, van het organisatiebesluit beslist of de leerling het leerjaar al dan niet “met vrucht” heeft beëindigd; dat meer bepaald een leerling van het tweede jaar van de derde graad ASO luidens artikel 38, 3/, van het organisatiebesluit het leerjaar met vrucht beëindigt “indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus voldaan heeft voor het geheel van de vorming van het betreffend leerjaar en bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het hoger onderwijs”; Overwegende dat de Raad van State zich niet als beroepsinstantie in de plaats van de delibererende klassenraad mag stellen voor de beoordeling van de examenresultaten en van de geschiktheid van de leerling om het volgende jaar aan te vatten, vermits het alleen aan de delibererende klassenraad toekomt om die keuze te maken; dat de delibererende klassenraad daarbij over een -ruime- discretionaire bevoegdheid beschikt; dat discretionaire bevoegdheid evenwel niet rijmt met willekeur; dat dienvolgens een beoordeling van de delibererende klassenraad door de Raad van State in elk geval voor onwettig wordt gehouden indien blijkt dat die XII-4584-11\17 beslissing niet gedragen kan worden, in rechte of in feite, door de er voor ingeroepen motieven; Overwegende dat de Raad bedenkt dat het in de voorliggende zaak gaat om een leerling in het laatste jaar van het secundair onderwijs; dat dit betekent, eensdeels, dat de beslissing er om gaat aan verzoeker al dan niet een diploma uit te reiken, aangezien een zogenaamd B-attest met clausulering voor bepaalde richtingen niet tot de mogelijkheden behoort en, anderdeels, dat verzoeker blijkbaar er in geslaagd is de voorgaande vijf schooljaren met vrucht te beëindigen, zonder dat wordt beweerd dat hij op het einde van het vijfde schooljaar een waarschuwing zou hebben gekregen voor bepaalde vakken; dat die beide vaststellingen een klassenraad moeten aanzetten tot een uiterst zorgvuldige afweging, en om niet licht over te gaan tot het geven van een C-attest; dat, wanneer die klassenraad ten slotte reeds twee maal over verzoeker een beslissing heeft genomen die wegens motiveringsgebreken in haar tenuitvoerlegging is geschorst, het zaak is om de motieven die het resultaat van die afweging onderbouwen in de beslissing accuraat uiteen te zetten; Overwegende dat verwerende partij haar besluit vooreerst steunt op “een continu zwaar onvoldoende cijferresultaat voor wiskunde, een nul voor de bijkomende proef wiskunde”; dat zij daartoe in de bestreden beslissing uitvoerig de resultaten die verzoeker behaalt voor het vak wiskunde ontleedt en bespreekt; dat de cijfergegevens die de resultaten weergeven voor het vak wiskunde -geen enkele voldoende, noch voor dagelijks werk noch voor een examen én een nul voor de bijkomende proef- inderdaad aantonen, zo lijkt, dat de delibererende klassenraad het bij het rechte eind heeft bij zijn bevinding dat verzoeker “de doelstellingen die in het leerplan wiskunde zijn opgenomen niet bereikt gezien alle bovenstaande argumenten”; dat verzoeker overigens de voor wiskunde toegekende punten in de voorliggende vordering ook niet bestrijdt; Overwegende dat de overweging van de klassenraad dat alle vakken “gelijkwaardig” zijn, op het eerste gezicht niet ter zake is; dat alle vakken inderdaad “gelijkwaardig” mogen worden geacht, als daarmee wordt bedoeld dat hun opname in het curriculum betekent dat zij alle strekken tot vorming van de leerling en daar inhoudelijk toe bijdragen; dat de vraag evenwel rijst of zij ook “gelijk” zijn; dat er in dat verband moeilijk aan voorbij kan worden gegaan dat voor sommige XII-4584-12\17 vakken slechts één of twee uren les per week wordt gegeven en voor andere vier of meer uren; dat dit verschillend gewicht in lesuren in het secundair onderwijs het profiel van de gekozen studierichting bepaalt en in verhouding lijkt te staan, onverminderd de “gelijkwaardigheid” van de vakken, tot de omvang van de leerstof en de te leveren leerinspanningen; dat in die zin, om te antwoorden op de vraag of een leerling een schooljaar met vrucht beëindigt, het resultaat voor het ene of andere vak niet ipso facto gelijk moet doorwegen; Overwegende dat hoe dan ook verzoeker te dezen slechts voor één vak een globaal onvoldoende behaalt; Overwegende dat het dan volstaat artikel 57 van het organisatiebesluit in herinnering te brengen; dat luidens dit artikel, onverminderd het voor deze zaak niet relevante artikel 56, “het met vrucht beëindigen van leerjaren van het voltijds secundair onderwijs niet noodzakelijk gebonden [is] aan het slagen voor afzonderlijke toetsen, examens of proeven over een deel of het geheel van de vorming”; dat die bepaling de Raad van State prima facie leert dat een klassenraad toch wel specifieke redenen moet hebben om een C-attest af te leveren aan een leerling die voor slechts één vak cijfermatig onderdoet; Overwegende dat de klassenraad zelfs niet beweert dat het falen voor dit ene vak bijzonder zwaar moet doorwegen omwille van het bijzondere gewicht van dit vak in de opleiding, integendeel; Overwegende dat, om in die concrete omstandigheden toch te besluiten “dat de doelstellingen die in het leerplan werden opgenomen niet in voldoende mate werden bereikt”, van de delibererende klassenraad op het eerste gezicht wordt verwacht dat hij nagaat of zulks niet alleen voor het vak wiskunde het geval was, maar ook voor andere vakken en voor “het geheel van de vorming” tegen de achtergrond van de leerplannen; dat daarvoor moet worden getoetst aan die leerplannen; dat dit moet blijken uit de beslissing; Overwegende dat de klassenraad naast de globaal onvoldoende resultaten voor wiskunde in de bestreden beslissing als motief stelt: “ten minste 2 XII-4584-13\17 onvoldoende cijferresultaten voor elke rapportperiode, te meer daar deze negatieve argumenten zich manifesteren over het ganse schooljaar”; Overwegende dat verzoeker, zoals hiervoor al gezien, een onvoldoende behaalt voor wiskunde bij elke rapportperiode; dat die onvoldoende dus één van de “ten minste 2 onvoldoende cijferresultaten” vormt; dat in zoverre het motief lijkt op te gaan in, of samen te vallen met het reeds besproken eerste motief; dat verzoeker vanaf de tweede rapportperiode constant faalt voor natuurkunde met een globaal jaarresultaat van 43%, wat dus meestal de tweede onvoldoende verklaart van de “ten minste 2 onvoldoende cijferresultaten”; dat verzoeker dan weer op de uitgestelde proef natuurkunde slaagt met 63%; dat de Raad van State voorts aan de hand van verzoekers rapport vaststelt dat verzoeker cijfermatig voldoet voor de vakken Nederlands, geschiedenis, aardrijkskunde, lichamelijke opvoeding, Duits en Latijn zonder voor ook maar één van die vakken een onvoldoende te behalen op een rapportperiode; dat verzoeker voor levensbeschouwing twee onvoldoendes behaalt bij de eerste twee rapporten, maar van dan af voldoet en voor het eindexamen 77% behaalt en globaal meer dan de helft van de punten; dat verzoeker voor Frans en informatica een onvoldoende heeft voor het eerste examen, maar steeds voldoet voor dagelijks werk en op het eindexamen 57% (Frans) en 60% (informatica) heeft en ook als globaal resultaat meer dan de helft van de punten; dat de Raad bij zijn standpunt blijft, reeds ingenomen in zijn arrest nr. 151.060 van 8 november 2005 “dat, met andere woorden, verzoeker voor alle vakken behalve wiskunde voldoende tot goede cijfers behaalt en dus op het eerste gezicht, behalve voor wiskunde, vak per vak geslaagd moet worden verklaard”; dat de Raad ook vaststelt dat de onvoldoende cijferresultaten die verzoeker naast wiskunde behaalt, grotendeels te situeren zijn in het eerste examen en dat verzoeker, al is hij geen schitterend leerling, zijn tekortkomingen voor die andere vakken gedurende het jaar -en wat natuurkunde betreft, bij de uitgestelde proef- heeft kunnen rechtzetten; dat verzoeker zich daarbij overigens terecht mag afvragen, zo lijkt, waarom de delibererende klassenraad in zijn geval meent te mogen afwijken van de in het schoolreglement geschreven richtlijn dat de klassenraad meer waarde hecht aan de eindproef en, bijgevolg, waarom de klassenraad voorbijgaat aan de evolutie die verzoeker, hoe “grillig” ook, tijdens het schooljaar in positieve zin doormaakt; XII-4584-14\17 Overwegende dat de verwerende partij het oordeel van de klassenraad om aan verzoeker in diens laatste jaar het diploma te ontzeggen met reden een “strenge beslissing” lijkt te noemen; dat ze niet alleen streng, maar ook dermate gewichtig is, dat evenredig eisen moeten worden gesteld aan de daartoe opgegeven motieven; dat te dezen één globale onvoldoende voor wiskunde, een vak waarvan niet wordt beweerd dat het in de gevolgde richting profielbepalend is, en enkele sporadische tekorten worden aangevoerd die bij de eindexamens -én bij beschouwen van het totaalresultaat per vak- blijken te zijn opgehaald; dat, als grondslag voor de conclusie dat verzoeker voor het geheel van de vorming niet in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt, die gegevens, samen genomen, prima facie niet zonder meer overtuigen; dat, ofschoon zulks in de concrete omstandigheden van deze zaak van de delibererende klassenraad mag worden gevergd, de beslissing enige band met die leerplannen niet veruitwendigt noch duiding geeft over de op grond van de aangevoerde gegevens beweerd niet bereikte doelstellingen; dat het middel in de besproken mate ernstig is;
- Overwegende dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen; Voorlopige maatregelen
- Overwegende dat verzoeker in een afzonderlijk verzoekschrift vordert als voorlopige maatregel te bevelen “dat verzoekende partij de kans wordt geboden om zich in te schrijven op de universiteit of op een hoge school van zijn keuze, afhankelijk van de richting die hij wenst te volgen, waarbij verwerende partij hem voorlopig alle documenten aflevert die hem die kans bieden, documenten die worden afgeleverd onder de voorwaarde dat verzoekende partij bij een herdeliberatie toch als geslaagd wordt verklaard”;
- Overwegende dat verwerende partij in de nota opwerpt dat niet zij, maar de delibererende klassenraad bevoegd is voor de aflevering van de gevraagde documenten; dat partijen ter terechtzitting daarom de vraag opperen of de klassenraad niet eveneens als verwerende partij in de zaak moet worden gehaald, wat XII-4584-15\17 dan weer meebrengt dat de debatten met betrekking tot de voorlopige maatregelen uitgesteld moeten worden; Overwegende dat het de inrichtende machten zijn die luidens artikel 6quater, eerste lid, van de schoolpactwet bevoegd zijn om aan de leerlingen de van rechtswege geldende studiebewijzen uit te reiken, “in voorkomend geval op voordracht en na beslissing van de klassenraden of de gelijkgestelde organen”; dat een studiebewijs dat uitgereikt zou worden bij wege van voorlopige maatregel daarenboven slechts een precair, tijdelijk en bewarend karakter heeft en geheel los staat van de vraag of de leerling werkelijk geslaagd is, wat zoals verzoeker zelf aangeeft maar het geval is indien hij na een nieuwe deliberatie toch als geslaagd wordt verklaard; dat een als voorlopige maatregel uit te reiken studiebewijs dan ook los staat van het uiteindelijke oordeel van de delibererende klassenraad; dat er geen reden is om de klassenraad mede in het geding te roepen; Overwegende dat, om niet tekort te doen aan de eisen van een behoorlijke rechtsbedeling, aan de partijen nog toegelaten dient te worden om ter terechtzitting hun standpunt te verdedigen over de gevraagde maatregelen; dat daarbij wel reeds wordt bedacht dat dit debat nog maar zinvol zal blijken te zijn voor zover de verwerende partij de thans bestreden beslissing handhaaft; dat immers de mogelijkheid bestaat dat de verwerende partij de in haar tenuitvoerlegging geschorste beslissing ondertussen intrekt en door een nieuwe beslissing vervangt, dat het dan aan verzoeker toekomt om zich te beraden over de eventuele rechtsmiddelen die hij tegen deze nieuwe beslissing in voorkomend geval zal aanwenden; dat zijn huidige beroep, waarvan de vordering tot voorlopige maatregelen slechts een accessorium is, dan evenwel zonder voorwerp zal zijn, BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 14 november 2005 van de delibererende klassenraad van het koninklijk atheneum 1 te Hasselt, waarbij aan Ben Vanlook een oriënteringsattest C wordt afgeleverd. XII-4584-16\17 Artikel
- De debatten worden heropend wat betreft de vordering tot opleggen van voorlopige maatregelen. De zaak wordt opnieuw vastgesteld op de terechtzitting van 13 december 2005, om 11.30 u. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een december 2005, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4584-17\17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.126 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.945 ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.359 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div