← België

Arrest 152126 - - 01/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.126 Rolnummer: A. 167915/XII-4584 Zaak: Arrest 152126 - - 01/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-05 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 05:59 Fiche Arrest nr 152.126 van 1 december 2005 - Beslissing : Bevolen heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.126 van 1 december 2005 in de zaak A. 167.915/XII-

  1. In zake : Ben VANLOOK, die woonplaats kiest bij advocaten K. Geelen en K. Wauters, kantoor houdende te Hasselt, Gouverneur Roppesingel 131 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de Scholengroep 16 Midden-Limburg, die woonplaats kiest bij advocaat G. Van den Eynde, kantoor houdende te Geel, Diestseweg
  2. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Ben Vanlook op 22 november 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 14 november 2005 van de delibererende klassenraad waarbij aan hem een C-attest wordt toegekend; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift waarbij dezelfde verzoeker voorlopige maatregelen vordert; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 22 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 november 2005, om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. Wauters, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat S. Cauwenberghs, die loco advocaat G. Van den Eynde verschijnt voor de verwerende partij; XII-4584-1\17 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Voorgaanden
  3. Overwegende dat de feiten dienstig voor de beoordeling van de vordering tot schorsing de volgende zijn : Verzoeker volgt tijdens het schooljaar 2004-2005 het tweede jaar van de derde graad ASO latijn-moderne talen aan het koninklijk atheneum 1 te Hasselt. De examens van juni leveren hem twee tekorten op, voor wiskunde en voor natuurwetenschappen. Voor diezelfde vakken heeft hij ook jaartekorten. De delibererende klassenraad beslist dat verzoeker bijkomende proeven moet afleggen voor wiskunde en natuurwetenschappen, met als motivering : “zware tekorten op jaarbasis”. Op 25 augustus 2005 legt verzoeker de bijkomende proef natuurwetenschappen af. Hij behaalt 63%. Op 26 augustus 2005 legt verzoeker de bijkomende proef wiskunde af. Hij zal vier vragen hebben beantwoord, wanneer de toezichthoudende leerkracht vaststelt dat op de hand van verzoeker een en ander geschreven staat. De leraar zal hierover later op de dag de volgende geschreven verklaring afleggen : “Spieken. Formule van het Binomium van Newton stond op zijn hand geschreven. Hij zegt dat hij deze formule niet kan onthouden! Ben vraagt wat de gevolgen zijn : antwoord : fraude ! Ben zegt dat verder werken dus geen zin heeft en geeft zijn papieren af.”. Ook diezelfde dag noteert de directrice van de school wat volgt : “De vader van B. Vanlook was op school aanwezig met een opdracht vanuit de scholengroep. XII-4584-2\17 Hij ontving tijdens ons onderhoud een telefonische oproep die hij opnam. Na zijn telefonisch onderhoud gaf hij me zijn GSM door met de melding dat dit me aanbelangde. Mevr. Vanlook meldde me dat haar zoon haar zonet gebeld had, Ben was tijdens het examen wiskunde met een formule in de binnenkant van zijn hand betrapt. Aan de heer Vanlook werd gevraagd of hij zijn zoon telefonisch kon bereiken om Ben te vragen om onmiddellijk naar mijn lokaal te komen. De vader vertrok, Ben werd gevraagd om zich in gang te zetten voor mijn lokaal. Ik ben naar het examenlokaal gegaan om uitleg van de toezichthoudende leerkracht. (zie verklaring leerkracht). Terug op mijn bureel vroeg Ben of zijn ouders kwaad waren. Ik heb Ben gevraagd zijn hand aan de binnenkant laten zien. Hij vertelde me dat hij vergeten was dat die gegevens nog aan de binnenkant van zijn hand stonden. Hij had dat erin gezet om na te kijken. Op mijn vragen wanneer hij dat in zijn hand had geschreven en waarom dat niet weg gewassen kreeg ik geen echt antwoord. Ben bleef maar vertellen over het feit dat hij zijn ouders weer eens ontgoocheld had en dat het erg was om door die stommiteit van hem zijn jaar te moeten overdoen”. De leerkracht wiskunde ten slotte verklaart nog dat het binomium van Newton “behoorde tot de te kennen leerstof voor deze bijkomende proef”. Na het gebeuren richten de ouders van verzoeker zich op 28 augustus 2005 schriftelijk tot de leden van de klassenraad. In die brief, die volgens de verwerende partij is voorgelezen tijdens de deliberatie van 30 augustus 2005, betogen zij omstandig, onder meer, “dat het om een geheugensteuntje gaat, dat hij de avond voor het examen in zijn hand schreef en dat hij niet of onvoldoende heeft afgewassen”, dat behalve de gewraakte formule, op zijn hand ook aantekeningen stonden geschreven waarmee hij toch niets kon aanvangen : “opp”, “verd”, “d en I” en “formules!”, dat dit het overzicht was van de lesonderdelen die hij nog wou nakijken de ochtend van het examen, dat verzoeker dit vergeefs heeft pogen uit te leggen aan de surveillant, wat leerlingen kunnen bevestigen, dat niet is vastgesteld dat hun zoon spiekte, dat de surveillant, “die zelfs geen deel uitmaakt van de delibererende klassenraad”, “uitspraken [doet] waardoor Ben denkt dat hij zijn examens niet verder mag afwerken”, dat de attestering de autonome bevoegdheid is van de delibererende klassenraad, dat die zich moet laten leiden door de resultaten van proeven, dat Ben onheus is beïnvloed, door te horen “je hebt in ieder geval nul”, om vroegtijdig af te geven, dat dit de correcte besluitvorming van de delibererende klassenraad bemoeilijkt, dat verzoeker een moeilijk schooljaar achter de rug heeft, dat hij op het eindexamen niettemin serieuze inspanningen deed, dat om redelijkheid verzocht mag worden. XII-4584-3\17 De delibererende klassenraad neemt op 30 augustus 2005 de beslissing om verzoeker te beschouwen als niet geslaagd en om hem een oriënteringsattest C te verlenen, met als “mededeling” : “Bijkomende proeven: niet geslaagd Reden . cfr gesprek klastitularis en directeur”. De directrice beslist, na overleg met de ouders, om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. Op 6 september 2005 handhaaft de delibererende klassenraad het C- attest. Verzoeker tekent bezwaar aan tegen deze beslissing. De beroepscommissie hoort verzoeker, zijn ouders en hun raadsman op 15 september
  4. Het college van directeurs, “[r]ekening houdend met het onderzoek van de beroepscommissie”, beslist op 19 september 2005 “om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen”. Bij arrest nr. 149.871 van 6 oktober 2005 beveelt de Raad van State de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 19 september 2005 van het college van directeurs van de scholengroep 16 van het Gemeenschapsonderwijs, om de over Ben Vanlook delibererende klassenraad van het tweede jaar van de derde graad van het koninklijk atheneum 1 te Hasselt niet opnieuw samen te roepen. Ingevolge dit arrest beslist het college van directeurs op 13 oktober 2005 om de beslissing van 19 september 2005 in te trekken. Het college beveelt de delibererende klassenraad aan om een nieuwe beslissing te nemen rekening houdende met voormeld arrest. Op 17 oktober 2005 beslist de delibererende klassenraad om aan verzoeker een oriënteringsattest C uit te reiken. Bij arrest nr. 151.060 van 8 november 2005 beveelt de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 17 oktober 2005 van de delibererende klassenraad van het XII-4584-4\17 koninklijk atheneum 1 te Hasselt, waarbij aan verzoeker een oriënteringsattest C wordt afgeleverd. Op 14 november 2005 neemt de delibererende klassenraad de thans bestreden beslissing, die luidt : “Op vrijdag 26/08/05 heeft Ben Vanlook zich aangeboden op de uitgestelde proef wiskunde. Deze proef bestond uit 2 delen. Toen de toezichthoudende leerkracht (wiskunde) kwam informeren of hij het eerste deel had afgewerkt (de overige leerlingen waren reeds aan het tweede deel bezig), gesticuleerde Ben, waarbij de toezichthoudende leerkracht wiskunde vaststelde dat er iets op de binnenkant van Ben zijn hand geschreven stond. Ben probeerde nog tevergeefs de formule te verbergen met zijn duim. De leerkracht herkende de formule (Binomium van Newton) die tot de leerstof behoorde en die duidelijk en helemaal uitgeschreven op zijn hand stond, naast andere aantekeningen in tekstvorm of als afkorting genoteerd. Ben reageerde hierop door te zeggen : ‘Ik kan die formule niet onthouden’. Ben vroeg wat de gevolgen zijn. Het antwoord was : ‘Fraude’. Kort nadien is Ben uit eigen beweging zijn examenkopij gaan afgeven met de opmerking : ‘verderwerken heeft totaal geen zin meer’ en hij is vertrokken. Nazicht van de door Ben binnengeleverde kopij door zijn leerkacht wiskunde leverde cijfermatig 15/70 op (vraag 1 : 3/8, vraag 2 : 2/6, vraag 3 : 5/6 vraag 4 : 0/4 vraag 5 : 2/10, vraag 6 : 0/10, vraag 7 : 0/10, vraag 8 : 3/6, vraag 9 : 0/10, vraag 9 werd niet beantwoord). De delibererende klassenraad oordeelt dat het hier gaat om fraude. De delibererende klassenraad oordeelt unaniem en autonoom dat het ongeoorloofd in het bezit hebben of ongeoorloofd gebruiken van informatie die tot de leerstof van de betrokken proef behoort als fraude wordt beschouwd. De klassenraad stelt bovendien vast dat deze formule in wiskundige vorm volledig uitgeschreven werd (overige in tekstvorm en afgekort), hetgeen zijn intentie tot het gebruik ervan bevestigt. De delibererende klassenraad is van oordeel dat het niet terzake is of deze formule daadwerkelijk kon gebruikt worden. Geen enkele leerling kan immers vooraf weten welke vragen er zullen gesteld worden op de proef. De delibererende klassenraad beslist dat dergelijke laakbare handeling resulteert in een nul voor de bijkomende proef van het betreffende vak (wiskunde). Dit element wordt toegevoegd aan het geheel van de deliberatie- gegevens die hierop volgen. De delibererende klassenraad oordeelt autonoom en unaniem dat alle vakken gelijkwaardig zijn. De delibererende klassenraad beschikt over de volgende gegevens (zie bijlage 1 : de totale evaluatie van Ben in cijfers uitgedrukt) 1) Op jaarbasis behaalt Ben - 3 goede globale jaarresultaten (aardr., L.O., latijn) - 7 voldoende globale jaarresultaten, minder dan 60 % (Lev., Ned., Frans, Engels, Geschied, Info, Duits) 2) - 2 onvoldoende globale jaarresultaten : natuurwetenschappen : D.W.1 : 7/10, D.W.2 1,5/10, D.W.3 4,5/10, Ex1 : 35/100, Ex2 : 47/100 globaal jaarresultaat (verhouding D.W./Ex) : 43; De leerling voldeed enkel voor de eerste rapportperiode. XII-4584-5\17 Hij kreeg een bijkomende proef in augustus waarvoor hij een cijferresultaat van 63 % behaalde. 3) Wiskunde : Voor geen enkel rapport een voldoende cijferresultaat Globale jaarresultaat (verhoud. D.W./Ex) : 35,6 % en een nul voor de bijkomende proef wiskunde in augustus. Geheel het schooljaar onvoldoende voor elke aangekondigde toets (zie bijlage 2) Het zeer zwakke cijferresultaat voor D.W.3 is voornamelijk het gevolg van een onwettige afwezigheid op een aangekondigde toets wiskunde (zie bijlage 3) In cijferresultaten uitgedrukt ziet de evolutie er als volgt uit : D.W.1 : 4/10, D.W.2 : 3/10, D.W.3 : 2/10, Ex1 : 42/100, Ex2 : 38/100 Van een positieve evolutie is zeker geen sprake. Ben kreeg dan ook een bijkomende proef wiskunde in augustus waarvoor hij 0/100 behaalde. De leerling heeft de doelstellingen die in het leerplan wiskunde zijn opgenomen niet bereikt gezien alle bovenstaande argumenten. 4) Bovendien stelt de klassenraad vast dat Ben voor elke rapportperiode ten minste 2 onvoldoende cijferresultaten behaalt, zowel voor D.W., als voor de examens D.W.1 : Lev : 4,5/10 - Wis : 4/10 D.W.2 : Eng : 4/10, - Wis : 3/10 - Nat : 1,5/10 D.W.3 : - Wis : 2/10 - Nat : 4,5/10 Ex1 : Lev : 25/100 - Frans : 47/100 -Wis : 42/100 Nat : 35/100 - Info : 43/100 Ex2 : Wis : 38/100 - Nat : 47/100 (zie bijlage 1) Besluit : Enerzijds zijn er voor diverse vakken voldoende globale jaarresultaten en is er een, weliswaar grillige, positieve evolutie in de cijferresultaten van het derde trimester. Anderzijds zijn er 1) de continue zware tekorten voor wiskunde voor elke rapportperiode 2) is er een nul voor wiskunde op de bijkomende proef in augustus 3) is er het feit dat elke rapportperiode ten minste 2 onvoldoende cijferresultaten vertoont (bijlage 1) De klassenraad oordeelt dat de positieve tendens in de cijferresultaten, waarneembaar in D.W.3 en Ex2, dus in het 3de trimester van het schooljaar, niet opweegt tegen de negatieve argumenten met name een continu zwaar onvoldoende cijferresultaat voor wiskunde, een nul voor de bijkomende proef wiskunde, ten minste 2 onvoldoende cijferresultaten voor elke rapportperiode, te meer daar deze negatieve argumenten zich manifesteren over het ganse schooljaar. De klassenraad stelt vast dat de remediërende voorstellen die besproken werden met Ben en met zijn ouders op diverse ogenblikken tijdens het schooljaar niet het gewenste effect hebben gehad op de cijferresultaten (bijlage 4). De delibererende klassenraad oordeelt unaniem en autonoom dat de doelstellingen die in het leerplan werden opgenomen niet in voldoende mate werden bereikt en aldus niet voldaan werd voor het geheel van de vorming van het betreffende jaar en dat de betrokken leerling niet bekwaam wordt geacht om zijn studies voort te zetten in het hoger onderwijs. Besluit: C-attest”; XII-4584-6\17 De schorsingsvoorwaarden
  5. Overwegende dat luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
  6. Overwegende, wat de eerste en de derde voorwaarde betreft, dat verzoeker in essentie wijst op het dreigende verlies van een schooljaar; dat de verwerende partij in de nota uitdrukkelijk stelt deze voorwaarden niet te betwisten; dat ook de Raad daartoe geen reden ziet;
  7. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker een enig middel put uit de schending van de artikelen 5, § 8, 37 en 38 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna : organisatiebesluit) en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur waarvan hij in het bijzonder noemt het materieel motiverings- beginsel, het redelijkheidsbeginsel, het fairplaybeginsel, het zorgvuldigheids-beginsel, het patere legem-beginsel en het evenredigheidsbeginsel; dat hij de betekenis van de genoemde beginselen in herinnering brengt en hij vervolgens, ze toepassend op de zaak, schrijft wat volgt : “De delibererende klassenraad moet onderzoeken of de leerling in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus bekwaam wordt geacht om zijn studies in het volgende leerjaar verder te zetten (PEDAGOGISCHE BEGELEIDINGSDIENST, Gemeenschapsonderwijs. Evaluatie - schooljaar 2002-2003, pag 32). Dit was één van de redenen waarom de Raad van State in haar arrest de motivering van de beslissing van 6 september 2005 onwettig bevond. Volgens de Raad van State moet de delibererende klassenraad zich ‘steunen op alle relevante concrete gegevens van het dossier waarbij, onder meer, de volledige resultaten van alle [proeven], toetsen of examens en de evolutie zoals die door alle leerkrachten als begeleidende klassenraad gedurende een volledig schooljaar is ervaren’. Uit het schoolreglement van verwerende partij (blz. 32) blijken de gegevens die volgens verwerende partij moeten worden in rekening gebracht : ‘In de 2e en 3e graad zal men voorbereid worden op het volgen van hogere studies. Daarom wordt er meer waarde gehecht aan de examens dan aan het dagelijks werk. Er wordt ook veel belang gehecht aan de studiehouding : heeft XII-4584-7\17 men de nodige maturiteit, de wil en de inzet om iets van zijn studies te maken. (2/5 D.W. en 3/5 Examens) De eindproef (examen 2) test de leerstof die essentieel is om te kunnen overgaan naar een volgend leerjaar. Daarom hecht de klassenraad meer waarde aan deze eindproef’. Daar waar verwerende partij in een vorige beslissing in de studiehouding de doorslaggevende reden zag om verzoekende partij een C-attest te geven, wordt dit element in huidige beslissing helemaal niet meer vermeld als element. Dit toont aan met welke willekeur verwerende partij de motieven kiest om haar negatieve beslissing alsnog te kunnen schragen. Het wijst anderzijds ook op de onzorgvuldigheid waarmee verwerende partij haar beslissingen voorbereidt, wanneer steeds andere motieven worden gebruikt in het kader van het nemen van een zelfde beslissing. Daar waar verwerende partij in de bestreden beslissing een positieve tendens in de cijferresultaten over het volledige jaar vaststelt (blz. 6) lijkt dit niet of slechts in geringe mate te zijn in rekening gebracht bij de verantwoording van de eindbeslissing. Nochtans blijkt uit het zopas geciteerd uittreksel uit het arrest van de Raad van State dat de algemene evolutie van de leerling zoals ervaren door de leerkrachten één van de relevante concrete elementen zijn om na te gaan of een leerling de doelstellingen heeft bereikt. Vervolgens stellen we in de bestreden beslissing vast dat over het algemeen de globale jaarresultaten van voldoende naar goed gaan. Na het verrichten van de bijkomende proeven blijft enkel nog het vak wiskunde over waar zich een probleem stelt. In het schoolreglement staat, zoals aangehaald, te lezen dat vooral de resultaten van de tweede examenproef in rekening worden gebracht bij de eindevaluatie. Met deze regel, die verwerende partij zichzelf heeft opgelegd, wordt in de verantwoording van de beslissing te weinig rekening gehouden. Nadruk wordt in de bestreden beslissing gelegd op enerzijds één vak, wiskunde, en anderzijds onvoldoendes op dagelijks werk en het eerste examengedeelte. In het tweede examengedeelte, doorslaggevend geacht in het schoolreglement, behaalt verzoekende partij slechts twee onvoldoendes, waarvan er nog één overbleef na een bijkomende proef. Bovendien spreekt verwerende partij zich ook tegen in haar motivering, waar zij enerzijds stelt dat voor de laatste examenproef en voor het dagelijks werk in het derde trimester een positieve tendens waar te nemen is en anderzijds stelt dat negatieve argumenten zich manifesteren over het volledige jaar. In tegenstelling tot wat verwerende partij zichzelf heeft opgelegd in haar schoolreglement houdt zij in de bestreden beslissing geen rekening met de positieve resultaten op het tweede examengedeelte, wat primordiaal zou moeten zijn volgens verwerende partij zelf. Anderzijds wordt teveel nadruk gelegd op elementen, die volgens het schoolreglement secundair zijn namelijk het dagelijks werk en het eerste examengedeelte. Aldus schendt verwerende partij niet enkel het materieel motiveringsbeginsel maar ook het patere legem beginsel. In haar beschrijving van de beoordelingselementen voor de verscheidene vakken valt het op dat de delibererende klassenraad vaak negatieve punten benadrukt, positieve punten onvermeld laat en bovendien een conclusie formuleert die tegengesproken wordt door andere elementen. De verzoekende partij wijst er op dat : ± voor een aantal vakken de beoordeling zonder meer goed of niet problematisch is : T Latijn : goed (Latijn is een hoofdvak) T Lichamelijke opvoeding : goed XII-4584-8\17 T Toegepaste informatica : zwakke resultaten, maar voldoende op jaarbasis T Geschiedenis : voldoet T Duits : voldoet maar onwettig afwezig ± De beslissing voor geen enkel vak waarvoor de verzoekende partij geslaagd is de cijfergegevens in de beslissing opneemt, maar wel sterk benadrukt welke cijfers de verzoekende partij behaalde op de vakken waarvoor bij niet slaagde. De motieven, die verwerende partij hanteert, zijn niet afdoende draagkrachtig om de bestreden beslissing te verantwoorden.

(2)Het redelijkheidsbeginsel Hoewel een delibererende klassenraad een grote mate van autonomie wordt toegedicht en daarbij bijgevolg een grote discretionaire beoordelingsbevoegdheid heeft, dienen haar handelen en haar beslissingen de toets aan de norm van de redelijkheid te doorstaan. De wijze waarop de overheid haar beoordelingsbevoegdheid uitoefent moet redelijk zijn (SUETENS,L.P., In huidige zaak blijkt uit alle globale resultaten van de proeven en de positieve tendens in deze resultaten over het jaar genomen dat verzoekende partij aanspraak kan maken op het bekomen van een A-attest. Het voorbijgaan aan deze evidente elementen kan enkel nog geacht worden binnen de grenzen van de beoordelingsvrijheid van de overheid te liggen, indien blijkt dat die overheid, op grond van bijzondere concrete gegevens, die verband houden met het bereiken van de algemene doelstellingen, deze evidente elementen heeft opzij gezet (Vgl. R.v.St., nr. 19.244., 14 november 1978, R.W., 1978-1979, 2036.). De onredelijkheid van de beslissing van verwerende partij blijkt uit volgende elementen : ± Cijfermatig was de verzoekende partij reeds in juni geslaagd voor alle vakken uitgenomen voor wiskunde en natuurwetenschappen. Rekening houdende met het resultaat van de bijkomende proef voor natuurwetenschappen (63/100) is er slechts één vak waarvoor Ben Vanlook niet slaagde in het laatste jaar, m.n. wiskunde. Op dit ene vak haalde hij in de loop het schooljaar volgende resultaten (D.W. 9/30 (= 30 %); examen 1 42 % en examen 2 38 % het examen 2 voor wiskunde was moeilijk; de mediaan voor de hele klas lag op 56 %) rekeninghoudende met de weging geeft dit een totaalpercentage van 35,60 %. Voor dit vak slaagde hij niet omdat de bijkomende proef wordt afgebroken door een eigenmachtige beslissing van de surveillant, de verzoekende partij niet de kans krijgt om zijn kunde te bewijzen en hij ten onrechte een score ‘0’ toegewezen krijgt. ± Het is ondenkbaar dat er in het Koninklijk Atheneum te Hasselt geen andere 6e jaarsstudenten zouden zijn in een gelijke situatie (m.n. geslaagd in alle vakken behalve één niet-hoofdvak waarop een score van 35 % werd behaald); het is niet betwist dat aan deze studenten toch het diploma middelbaar onderwijs werd verleend. ± de bijkomende proef waarvoor hij niet slaagde had betrekking op het vak wiskunde dat voor de studierichting die de verzoekende partij volgde absoluut geen doorslaggevend vak is. De verzoekende partij volgde de studierichting Latijn-Moderne Talen. In deze richting is Wiskunde een minder belangrijk onderdeel. XII-4584-9\17 ± Het dagelijks werk en het eerste examengedeelte, waarop verwerende partij zich hoofdzakelijk lijkt te steunen om de bestreden beslissing te verantwoorden, werden door verwerende partij in haar schoolreglement (blz. 32) zelf als minder belangrijk voor de eindbeoordeling beschouwd. ± De verzoekende Partij volgde het 6e jaar; de beslissing komt er op neer dat hij op het einde van zijn middelbaar onderwijs om een ongelukkig voorval, een jaar moet overzitten. ± de leerplannen voor het opleidingsonderdeel wiskunde voor de richting Latijn-Moderne talen voor het schooljaar 2005-2006 opnieuw werd gewijzigd naar 3 lestijden i.p.v. 4 en met lichtere doelstellingen. ± Er weze herhaald dat de klassenraad slechts een C-attest mag afgeven indien zij van oordeel is dat de betrokken leerling voor geen enkele studierichting bekwaam is zijn studies verder te zetten. De studiehouding van verzoekende partij wordt totaal niet meer als problematisch ervaren. Gezien de resultaten van verzoekende partij had verwerende partij na het afleggen van de bijkomende proeven, waarbij nog één proef een onvoldoende gaf, een quasi gebonden bevoegdheid om een A-attest af te leveren. Derhalve voldoet de beslissing van de delibererende klassenraad niet”; Overwegende dat de verwerende partij in de nota het middel beantwoordt als volgt : “De bewering van verzoeker als zou de delibererende klassenraad in de bestreden beslissing te weinig rekening gehouden hebben met de bepaling uit het studiereglement dat meer waarde wordt gehecht aan de eindproef, is niet ernstig. De weging zoals bepaald in het studiereglement is vervat in de jaarresultaten per vak zoals meegedeeld op bijlage 1 van de bestreden beslissing. In de bestreden beslissing worden de jaarresultaten in rekening gebracht en afgewogen tegenover de tekorten. De bewering van verzoeker als zou er een tegenstrijdigheid in de motivering zijn doordat de delibererende klassenraad enerzijds vaststelt dat er een positieve tendens is in de derde trimester, anderzijds vaststelt dat negatieve argumenten zich manifesteren over het volledige jaar, is niet ernstig. De delibererende klassenraad stelt immers enerzijds een grillige positieve evolutie in de cijferresultaten van het derde trimester vast, anderzijds negatieve argumenten die zich manifesteren over gans het schooljaar, met name een continu zwaar onvoldoende cijferresultaat voor wiskunde, een nul voor de bijkomende proef wiskunde en ten minste 2 onvoldoende cijferresultaten voor elke rapportperiode. Voormelde vaststellingen die de motivering van de klassenraad schragen staan overigens niet ter discussie. De bewering van verzoeker als zou de delibererende klassenraad negatieve punten benadrukken en positieve punten weglaten, is niet ernstig. Bij bespreking van de goede, de voldoende en de onvoldoende resultaten in de bestreden beslissing werd telkens verwezen naar bijlage 1, bestaande uit alle cijferresultaten van dagelijks werk en examens voor alle vakken. Dat de vakken waarvoor goede, respectievelijk voldoende (minder dan 60 %) resultaten behaald werden, besproken werden zonder weergave der cijferresultaten terwijl de onvoldoende cijferresultaten wel vermeld werden, impliceert niet dat aan de ene meer gewicht XII-4584-10\17 werd gehecht dan aan de andere. Het tegendeel blijkt overigens uit de bestreden beslissing waarin alle elementen tegen elkaar afgewogen worden [...]”; dat verwerende partij voorts argumenteert dat de Raad van State zich niet in de plaats kan stellen van de delibererende klassenraad en een verzoeker niet kan beschermen tegen strenge, maar wettige beslissingen, dat verzoeker nalaat het 0-resultaat voor de bijkomende proef wiskunde in rekening te brengen en dat hij enkel rekening houdt met het positief resultaat van de bijkomende proef natuurwetenschappen zodat zijn redenering voortbouwt op een verkeerde premisse en dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel in het geval van de beoordeling van leerlingen niet relevant is;
  1. Overwegende dat de delibererende klassenraad, wat het gewoon secundair onderwijs betreft, zijn bevoegdheid ontleent aan artikel 6quater van de schoolpactwet van 29 mei 1959; dat die bepaling hem aanwijst “als enig orgaan op het vlak van de beslissingen inzake het al dan niet geslaagd zijn” en voorts preciseert dat hij “oordeelt of een regelmatige leerling in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen, heeft bereikt om al dan niet te kunnen overgaan naar een volgend leerjaar en/of een van rechtswege geldend studiebewijs behaalt dat een bepaald civiel effect impliceert”; dat de delibererende klassenraad luidens artikel 37, § 1, van het organisatiebesluit beslist of de leerling het leerjaar al dan niet “met vrucht” heeft beëindigd; dat meer bepaald een leerling van het tweede jaar van de derde graad ASO luidens artikel 38, 3/, van het organisatiebesluit het leerjaar met vrucht beëindigt “indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus voldaan heeft voor het geheel van de vorming van het betreffend leerjaar en bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het hoger onderwijs”; Overwegende dat de Raad van State zich niet als beroepsinstantie in de plaats van de delibererende klassenraad mag stellen voor de beoordeling van de examenresultaten en van de geschiktheid van de leerling om het volgende jaar aan te vatten, vermits het alleen aan de delibererende klassenraad toekomt om die keuze te maken; dat de delibererende klassenraad daarbij over een -ruime- discretionaire bevoegdheid beschikt; dat discretionaire bevoegdheid evenwel niet rijmt met willekeur; dat dienvolgens een beoordeling van de delibererende klassenraad door de Raad van State in elk geval voor onwettig wordt gehouden indien blijkt dat die XII-4584-11\17 beslissing niet gedragen kan worden, in rechte of in feite, door de er voor ingeroepen motieven; Overwegende dat de Raad bedenkt dat het in de voorliggende zaak gaat om een leerling in het laatste jaar van het secundair onderwijs; dat dit betekent, eensdeels, dat de beslissing er om gaat aan verzoeker al dan niet een diploma uit te reiken, aangezien een zogenaamd B-attest met clausulering voor bepaalde richtingen niet tot de mogelijkheden behoort en, anderdeels, dat verzoeker blijkbaar er in geslaagd is de voorgaande vijf schooljaren met vrucht te beëindigen, zonder dat wordt beweerd dat hij op het einde van het vijfde schooljaar een waarschuwing zou hebben gekregen voor bepaalde vakken; dat die beide vaststellingen een klassenraad moeten aanzetten tot een uiterst zorgvuldige afweging, en om niet licht over te gaan tot het geven van een C-attest; dat, wanneer die klassenraad ten slotte reeds twee maal over verzoeker een beslissing heeft genomen die wegens motiveringsgebreken in haar tenuitvoerlegging is geschorst, het zaak is om de motieven die het resultaat van die afweging onderbouwen in de beslissing accuraat uiteen te zetten; Overwegende dat verwerende partij haar besluit vooreerst steunt op “een continu zwaar onvoldoende cijferresultaat voor wiskunde, een nul voor de bijkomende proef wiskunde”; dat zij daartoe in de bestreden beslissing uitvoerig de resultaten die verzoeker behaalt voor het vak wiskunde ontleedt en bespreekt; dat de cijfergegevens die de resultaten weergeven voor het vak wiskunde -geen enkele voldoende, noch voor dagelijks werk noch voor een examen én een nul voor de bijkomende proef- inderdaad aantonen, zo lijkt, dat de delibererende klassenraad het bij het rechte eind heeft bij zijn bevinding dat verzoeker “de doelstellingen die in het leerplan wiskunde zijn opgenomen niet bereikt gezien alle bovenstaande argumenten”; dat verzoeker overigens de voor wiskunde toegekende punten in de voorliggende vordering ook niet bestrijdt; Overwegende dat de overweging van de klassenraad dat alle vakken “gelijkwaardig” zijn, op het eerste gezicht niet ter zake is; dat alle vakken inderdaad “gelijkwaardig” mogen worden geacht, als daarmee wordt bedoeld dat hun opname in het curriculum betekent dat zij alle strekken tot vorming van de leerling en daar inhoudelijk toe bijdragen; dat de vraag evenwel rijst of zij ook “gelijk” zijn; dat er in dat verband moeilijk aan voorbij kan worden gegaan dat voor sommige XII-4584-12\17 vakken slechts één of twee uren les per week wordt gegeven en voor andere vier of meer uren; dat dit verschillend gewicht in lesuren in het secundair onderwijs het profiel van de gekozen studierichting bepaalt en in verhouding lijkt te staan, onverminderd de “gelijkwaardigheid” van de vakken, tot de omvang van de leerstof en de te leveren leerinspanningen; dat in die zin, om te antwoorden op de vraag of een leerling een schooljaar met vrucht beëindigt, het resultaat voor het ene of andere vak niet ipso facto gelijk moet doorwegen; Overwegende dat hoe dan ook verzoeker te dezen slechts voor één vak een globaal onvoldoende behaalt; Overwegende dat het dan volstaat artikel 57 van het organisatiebesluit in herinnering te brengen; dat luidens dit artikel, onverminderd het voor deze zaak niet relevante artikel 56, “het met vrucht beëindigen van leerjaren van het voltijds secundair onderwijs niet noodzakelijk gebonden [is] aan het slagen voor afzonderlijke toetsen, examens of proeven over een deel of het geheel van de vorming”; dat die bepaling de Raad van State prima facie leert dat een klassenraad toch wel specifieke redenen moet hebben om een C-attest af te leveren aan een leerling die voor slechts één vak cijfermatig onderdoet; Overwegende dat de klassenraad zelfs niet beweert dat het falen voor dit ene vak bijzonder zwaar moet doorwegen omwille van het bijzondere gewicht van dit vak in de opleiding, integendeel; Overwegende dat, om in die concrete omstandigheden toch te besluiten “dat de doelstellingen die in het leerplan werden opgenomen niet in voldoende mate werden bereikt”, van de delibererende klassenraad op het eerste gezicht wordt verwacht dat hij nagaat of zulks niet alleen voor het vak wiskunde het geval was, maar ook voor andere vakken en voor “het geheel van de vorming” tegen de achtergrond van de leerplannen; dat daarvoor moet worden getoetst aan die leerplannen; dat dit moet blijken uit de beslissing; Overwegende dat de klassenraad naast de globaal onvoldoende resultaten voor wiskunde in de bestreden beslissing als motief stelt: “ten minste 2 XII-4584-13\17 onvoldoende cijferresultaten voor elke rapportperiode, te meer daar deze negatieve argumenten zich manifesteren over het ganse schooljaar”; Overwegende dat verzoeker, zoals hiervoor al gezien, een onvoldoende behaalt voor wiskunde bij elke rapportperiode; dat die onvoldoende dus één van de “ten minste 2 onvoldoende cijferresultaten” vormt; dat in zoverre het motief lijkt op te gaan in, of samen te vallen met het reeds besproken eerste motief; dat verzoeker vanaf de tweede rapportperiode constant faalt voor natuurkunde met een globaal jaarresultaat van 43%, wat dus meestal de tweede onvoldoende verklaart van de “ten minste 2 onvoldoende cijferresultaten”; dat verzoeker dan weer op de uitgestelde proef natuurkunde slaagt met 63%; dat de Raad van State voorts aan de hand van verzoekers rapport vaststelt dat verzoeker cijfermatig voldoet voor de vakken Nederlands, geschiedenis, aardrijkskunde, lichamelijke opvoeding, Duits en Latijn zonder voor ook maar één van die vakken een onvoldoende te behalen op een rapportperiode; dat verzoeker voor levensbeschouwing twee onvoldoendes behaalt bij de eerste twee rapporten, maar van dan af voldoet en voor het eindexamen 77% behaalt en globaal meer dan de helft van de punten; dat verzoeker voor Frans en informatica een onvoldoende heeft voor het eerste examen, maar steeds voldoet voor dagelijks werk en op het eindexamen 57% (Frans) en 60% (informatica) heeft en ook als globaal resultaat meer dan de helft van de punten; dat de Raad bij zijn standpunt blijft, reeds ingenomen in zijn arrest nr. 151.060 van 8 november 2005 “dat, met andere woorden, verzoeker voor alle vakken behalve wiskunde voldoende tot goede cijfers behaalt en dus op het eerste gezicht, behalve voor wiskunde, vak per vak geslaagd moet worden verklaard”; dat de Raad ook vaststelt dat de onvoldoende cijferresultaten die verzoeker naast wiskunde behaalt, grotendeels te situeren zijn in het eerste examen en dat verzoeker, al is hij geen schitterend leerling, zijn tekortkomingen voor die andere vakken gedurende het jaar -en wat natuurkunde betreft, bij de uitgestelde proef- heeft kunnen rechtzetten; dat verzoeker zich daarbij overigens terecht mag afvragen, zo lijkt, waarom de delibererende klassenraad in zijn geval meent te mogen afwijken van de in het schoolreglement geschreven richtlijn dat de klassenraad meer waarde hecht aan de eindproef en, bijgevolg, waarom de klassenraad voorbijgaat aan de evolutie die verzoeker, hoe “grillig” ook, tijdens het schooljaar in positieve zin doormaakt; XII-4584-14\17 Overwegende dat de verwerende partij het oordeel van de klassenraad om aan verzoeker in diens laatste jaar het diploma te ontzeggen met reden een “strenge beslissing” lijkt te noemen; dat ze niet alleen streng, maar ook dermate gewichtig is, dat evenredig eisen moeten worden gesteld aan de daartoe opgegeven motieven; dat te dezen één globale onvoldoende voor wiskunde, een vak waarvan niet wordt beweerd dat het in de gevolgde richting profielbepalend is, en enkele sporadische tekorten worden aangevoerd die bij de eindexamens -én bij beschouwen van het totaalresultaat per vak- blijken te zijn opgehaald; dat, als grondslag voor de conclusie dat verzoeker voor het geheel van de vorming niet in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt, die gegevens, samen genomen, prima facie niet zonder meer overtuigen; dat, ofschoon zulks in de concrete omstandigheden van deze zaak van de delibererende klassenraad mag worden gevergd, de beslissing enige band met die leerplannen niet veruitwendigt noch duiding geeft over de op grond van de aangevoerde gegevens beweerd niet bereikte doelstellingen; dat het middel in de besproken mate ernstig is;
  2. Overwegende dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen; Voorlopige maatregelen
  3. Overwegende dat verzoeker in een afzonderlijk verzoekschrift vordert als voorlopige maatregel te bevelen “dat verzoekende partij de kans wordt geboden om zich in te schrijven op de universiteit of op een hoge school van zijn keuze, afhankelijk van de richting die hij wenst te volgen, waarbij verwerende partij hem voorlopig alle documenten aflevert die hem die kans bieden, documenten die worden afgeleverd onder de voorwaarde dat verzoekende partij bij een herdeliberatie toch als geslaagd wordt verklaard”;
  4. Overwegende dat verwerende partij in de nota opwerpt dat niet zij, maar de delibererende klassenraad bevoegd is voor de aflevering van de gevraagde documenten; dat partijen ter terechtzitting daarom de vraag opperen of de klassenraad niet eveneens als verwerende partij in de zaak moet worden gehaald, wat XII-4584-15\17 dan weer meebrengt dat de debatten met betrekking tot de voorlopige maatregelen uitgesteld moeten worden; Overwegende dat het de inrichtende machten zijn die luidens artikel 6quater, eerste lid, van de schoolpactwet bevoegd zijn om aan de leerlingen de van rechtswege geldende studiebewijzen uit te reiken, “in voorkomend geval op voordracht en na beslissing van de klassenraden of de gelijkgestelde organen”; dat een studiebewijs dat uitgereikt zou worden bij wege van voorlopige maatregel daarenboven slechts een precair, tijdelijk en bewarend karakter heeft en geheel los staat van de vraag of de leerling werkelijk geslaagd is, wat zoals verzoeker zelf aangeeft maar het geval is indien hij na een nieuwe deliberatie toch als geslaagd wordt verklaard; dat een als voorlopige maatregel uit te reiken studiebewijs dan ook los staat van het uiteindelijke oordeel van de delibererende klassenraad; dat er geen reden is om de klassenraad mede in het geding te roepen; Overwegende dat, om niet tekort te doen aan de eisen van een behoorlijke rechtsbedeling, aan de partijen nog toegelaten dient te worden om ter terechtzitting hun standpunt te verdedigen over de gevraagde maatregelen; dat daarbij wel reeds wordt bedacht dat dit debat nog maar zinvol zal blijken te zijn voor zover de verwerende partij de thans bestreden beslissing handhaaft; dat immers de mogelijkheid bestaat dat de verwerende partij de in haar tenuitvoerlegging geschorste beslissing ondertussen intrekt en door een nieuwe beslissing vervangt, dat het dan aan verzoeker toekomt om zich te beraden over de eventuele rechtsmiddelen die hij tegen deze nieuwe beslissing in voorkomend geval zal aanwenden; dat zijn huidige beroep, waarvan de vordering tot voorlopige maatregelen slechts een accessorium is, dan evenwel zonder voorwerp zal zijn, BESLUIT: Artikel
  5. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 14 november 2005 van de delibererende klassenraad van het koninklijk atheneum 1 te Hasselt, waarbij aan Ben Vanlook een oriënteringsattest C wordt afgeleverd. XII-4584-16\17 Artikel
  6. De debatten worden heropend wat betreft de vordering tot opleggen van voorlopige maatregelen. De zaak wordt opnieuw vastgesteld op de terechtzitting van 13 december 2005, om 11.30 u. Artikel
  7. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een december 2005, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4584-17\17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.126 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.945 ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.359 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.