← België

Arrest 152176 - - 05/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.176 Rolnummer: A. 137213/IX-3811 Zaak: Arrest 152176 - - 05/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-21 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 06:02 Fiche Arrest nr 152.176 van 5 december 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.176 van 5 december 2005 in de zaak A. 137.213/IX-

  1. In zake : Brigitte VANDUFFEL, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaten P. LUYPAERS en H.-K. CARÊME, kantoor houdende te HEVERLEE, Ijzerenmolenstraat
  2. tussenkomende partij : Philippe STRYPSTEEN, die woonplaats kiest bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te BRUGGE SINT-ANDRIES, Burggraaf de Nieulantlaan
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Brigitte VANDUFFEL op 26 mei 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 20 maart 2003 waarbij Philippe STRYPSTEEN benoemd wordt tot notaris met standplaats Knokke-Heist; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 26 juli 2003; IX-3811-1/26 Gelet op de beschikking van 8 augustus 2003 die de tussenkomst van Philippe STRYPSTEEN toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 14 april 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 26 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 november 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE PRETER, die loco advocaat D. LINDEMANS, verschijnt voor verzoekster, van advocaat K. VAN HERCK, die loco advocaten P. LUYPAERS en H.-K. CARÊME, verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat A. LUST, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; IX-3811-2/26
  4. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  5. Bij koninklijk besluit van 26 april 1999 wordt eervol ontslag verleend aan Georges BOELS, notaris te Knokke. De vacature die ingevolge dit ontslag ontstaat wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 mei
  6. 1.
  7. De verzoekende partij en de tussenkomende partij stellen zich kandidaat. 1.
  8. Over de kandidaatstelling van de verzoekende partij worden de volgende adviezen uitgebracht : - De kamer van notarissen te Brugge verleent op 22 juni 1999 een advies dat als volgt luidt : “-Op zicht van het curriculum vitae van mevrouw Brigitte Vanduffel, dat aan huidig advies gehecht wordt; - Op grond van het verslag van mr. Georges Boels, notaris te Knokke, waar mevrouw Brigitte Vanduffel sedert 4 oktober 1986 tot op heden werkzaam is, blijkt dat zij op gebied van moraliteit onbesproken is, verstandelijk begaafd, en haar taak met ijver vervult, - Gezien zij sedert oktober 1985 werkzaam is in het Notariaat, waar zij een gevarieerd opdrachtenpakket vervult, dat alle takken van het notarieel recht beslaat, en tot op grote hoogte zelfstandig werken in de notariële functie inhoudt; - Gezien uit voormelde stukken en uit een onderhoud met leden van de Kamer op 26 februari 1997, 5 september 1997 en 8 juni 1999, waarbij zij als zeer goed geëvalueerd werd, blijkt dat zij over de vereiste juridische en wetenschappelijke vaardigheden beschikt, - Gezien zij haar wettelijke stage heeft volbracht als stagiair bij notaris Lammens te Melsele, van 1 oktober 1985 tot 31 mei 1986, als stagiair bij mr. Lucas Vanden Bussche te Knokke, van1 juni 1986 tot 30 september 1986, als eerste klerk bij mr. Vanden Bussche te Knokke, van 1 oktober 1986 tot 4 oktober 1986 IX-3811-3/26 en als eerste klerk bij mr. Georges Boels te Knokke-Heist, van 4 oktober 1986 tot op heden en verder, - Gezien zij reeds gedurende 13 jaar een beroepservaring heeft opgedaan in het kantoor van ontslagnemend notaris, mr. Georges Boels, aldaar een goede verstandhouding heeft met de medewerkers van het kantoor en kan instaan voor de goede relaties met het cliënteel van het kantoor; - Daar uit informatie eveneens is gebleken dat zij in staat zal zijn de leiding en het management over het openstaande kantoor van notaris Boels efficiënt waar te nemen; - Gezien zij ononderbroken werkzaam is geweest in het kantoor van notaris Boels, voor wiens opvolging zij zich thans kandidaat stelt, lijkt zij de aangewezen persoon te zijn om de continuïteit van het kantoor te waarborgen; - De Kamer der Notarissen van het Arrondissement Brugge van oordeel is dat mevrouw Brigitte Vanduffel behoort tot de meest gekwalificeerde personen om het notariskantoor te Knokke over te nemen”. - De procureur des Konings sluit zich aan bij het “zeer gunstig advies” van de kamer van notarissen. - De procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent geeft op 29 juni 1999 het volgend advies : “Mijn ambt verwijst naar het advies uitgebracht door de Procureur des Konings te Brugge en verleent om dezelfde redenen een gunstig advies”. - In zijn advies van 2 juli 1999 verwijst de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge eveneens naar het advies van de kamer van notarissen. - De eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent geeft op 8 juli 1999 het volgend advies : “Ik sluit me aan bij het advies uitgebracht door de Kamer der Notarissen en alszodanig beaamd door de heer Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge”. 1.
  9. Over de tussenkomende partij worden de volgende adviezen verleend : - De kamer van notarissen te Brugge geeft op 22 juni 1999 het volgend advies : IX-3811-4/26 “- Op zicht van het curriculum vitae van de heer Philippe Strypsteen, dat aan huidig advies gehecht wordt; - Op grond van het verslag van mr. Lucas Vanden Bussche te Knokke-Heist, hieraangehecht, waar de heer Philippe Strypsteen sedert juli 1982 werkzaam is, waaruit blijkt dat de heer Philippe Strypsteen op gebied van moraliteit onbesproken is, verstandelijk begaafd is en zijn taak met werklust en ijver vervult; - Gezien uit voormelde stukken en uit een onderhoud met leden van de Kamer op 6 december 1996, 3 september 1997 en 17 mei 1999, waarbij hij als goed werd geëvalueerd, blijkt dat hij over de vereiste juridische en wetenschappelijke vaardigheden beschikt, die echter beperkt lijken tot bepaalde takken van de notariële activiteit; - Gezien hij blijk geeft van een goed functioneren in het kader van een notariskantoor; - Gezien de aard van het kantoor waar hij reeds 14 jaar ervaring heeft, nl. Knokke-Heist, hij kan instaan voor de continuïteit van een notariskantoor; - De Kamer der Notarissen van het arrondissement Brugge van oordeel is dat de heer Philippe Strypsteen de vereiste bekwaamheden bezit om het ambt van notaris uit te oefenen”. - De procureur des Konings te Brugge geeft op 29 juni 1999 “eveneens een zeer gunstig advies”. - De procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent verwijst op 2 juli 1999 naar het advies uitgebracht door de Procureur des Konings te Brugge en verleent om dezelfde redenen een “gunstig advies”. - In zijn advies van 2 juli 1999 verwijst de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge naar het advies van de kamer van notarissen. - De eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent sluit zich aan “bij het advies uitgebracht door de Kamer der Notarissen en als zodanig beaamd door de heer Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge”. 1.
  10. Bij koninklijk besluit van 30 december 1999 wordt de tussenkomende partij benoemd tot notaris met standplaats Knokke. IX-3811-5/26 1.
  11. Op 29 februari 2000 stelt verzoekster bij de Raad van State het annulatieberoep gekend onder nummer A.89.913/IX-2248 in tegen dit besluit. 1.
  12. Bij koninklijk besluit van 20 maart 2003 wordt het voormeld koninklijk besluit van 30 december 1999 ingetrokken, onder verwijzing naar het auditoraatsverslag in de zaak A.89.913/IX-
  13. 1.
  14. Bij het thans bestreden koninklijk besluit van 20 maart 2003 wordt de tussenkomende partij opnieuw benoemd tot notaris met standplaats Knokke. Dat besluit is als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat de heer Strypsteen Philippe de wettelijke benoemingsvoorwaarden vervult; Overwegende dat hij na de notariële stage ononderbroken werkzaam is geweest in een notariaat te Knokke-Heist, en als eerste klerk sedert 1 juli 1985; Overwegende dat zijn persoonlijkheid en professionele ingesteldheid voldoen aan de gestelde eisen; Overwegende dat hij reeds zeventien jaar opleiding en praktijkervaring met alle takken van het notariaat heeft in een belangrijk notariskantoor; Overwegende dat hij er belangrijke en ingewikkelde dossiers behandelde en dat hij, gezien de taakverdeling in het kantoor, rechtstreeks contact had met het cliënteel; Gelet op de adviezen van de wnd. eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent waarin louter en zonder verdere motivering het advies van de Kamer der Notarissen wordt bijgetreden; dat deze adviezen derhalve met een motiveringsgebrek zijn behept en bijgevolg niet kunnen worden bijgetreden; Gelet op de adviezen van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 2 juli 1999 waarin louter en zonder verdere motivering het advies van de Kamer der Notarissen wordt bijgetreden; dat deze adviezen derhalve met een motiveringsgebrek zijn behept en bijgevolg niet kunnen worden bijgetreden; Gelet op de zéér gunstige adviezen van de procureur des Konings van Brugge van 29 juni 1999, waarin inzake de kandidatuur van de heer Strypsteen onder meer het volgende wordt overwogen: ‘Hij wordt door zijn werkgever-notaris als bekwaam, met de nodige ervaring en voldoende rijp om notaris te worden (zie de vragenlijst): De beoordeling is zeer goed. De kandidaat is van onbesproken gedrag. Hij heeft een blanco strafregister. Het advies van de Kamer der Notarissen, opnieuw gevraagd op 21 mei 1999 en bekomen op 23 juni 1999 is gunstig’; Gelet op de gunstige adviezen van de procureur-generaal van het hof van beroep te Gent van 29 juni 1999 waarin nochtans louter en alleen wordt verwezen naar het advies van de procureur des Konings van Brugge en ‘om dezelfde redenen’ weliswaar een andersluidend advies wordt uitgebracht; dat de adviezen derhalve met een motiveringsgebrek zijn behept en bijgevolg niet kunnen worden bijgetreden; IX-3811-6/26 Gelet op het advies van de Kamer der Notarissen van 22 juni 1999 waarin een C.V. en een evaluatieverslag van Mr. Vanden Bussche Lucas te Knokke-Heist worden gehecht; Overwegende dat de Kamer der Notarissen van oordeel is dat de heer Strypsteen Philippe op gebied van moraliteit onbesproken is, verstandelijk begaafd is en zijn taak met werklust en ijver vervult; Overwegende dat de Kamer der Notarissen op grond van het C.V. en het evaluatieverslag, alsmede op grond van een onderhoud met leden van de Kamer op 6 december 1996, 3 september 1997 en 17 mei 1999 wordt bijgebracht-, meent dat hij als goed werd geëvalueerd, en dat hij over de vereiste juridische en wetenschappelijke vaardigheden beschikt, die echter beperkt zouden lijken tot bepaalde takken van de notariële activiteit; Overwegende dat dit standpunt van de Kamer der Notarissen enkel kan worden getoetst aan de hand van het C.V. en het evaluatieverslag van Mr. Vanden Bussche van 22 november 1996, bij gebreke van enige schriftelijke neerslag van de gesprekken van 6 december 1996, 3 september 1997 en 17 mei 1999; Overwegende dat uit het evaluatieverslag van de Kamer der Notarissen -waarin gepeild wordt naar enige persoonlijkheidskenmerken en het professioneel kader- blijkt dat alle onderdelen zéér gunstig worden beoordeeld, nl. met vermeldingen zoals ‘perfect’, ‘hoogstaand’, ‘zeer goed’, ‘onberispelijk’, ‘100%’ , ‘90%’; Overwegende dat inzake de kandidatuur van mevrouw Vanduffel de Kamer der Notarissen overweegt dat uit het C.V. en het evaluatieverslag van 11 februari 1997, alsmede uit een onderhoud met de leden van de Kamer op 26 februari 1997, 5 september 1997 en 8 juni 1999 waarvan evenmin enige schriftelijke neerslag - wordt aangehecht-, waarbij zij als zeer goed geëvalueerd werd, blijkt dat deze kandidaat over de vereiste juridische en wetenschappelijke vaardigheden beschikt; Overwegende dat de Kamer der Notarissen n.a.v. een andere vacature in 1997, kandidaat Vanduffel slechts GUNSTIG heeft geadviseerd onder meer met verwijzing naar het identieke evaluatieverslag van 11 februari 1997 waaruit de Kamer der Notarissen slechts heeft afgeleid ‘dat zij over de vereiste juridische en wetenschappelijke vaardigheden beschikt’; Overwegende dat de thans andersluidende besluiten nopens éénzelfde evaluatie -en waaruit zou moeten blijken dat deze kandidaat in meerdere mate dan de heer Strypsteen Philippe over de vereiste juridische en wetenschappelijke vaardigheden zou beschikken- Overwegende dat het advies van de Kamer der Notarissen inzake de vereiste juridische en wetenschappelijke vaardigheden derhalve niet kan worden bijgetreden; Overwegende dat in de evaluatieverslagen de beide kandidaten de vermelding ‘zeer goed’ krijgen voor wat betreft het criterium verstandelijk peil en opleidingsgraad (ondernomen studies, postuniversitaire opleidingen, stages, eventuele publicaties, enz...); Overwegende dat de deelname aan wetenschappelijke activiteiten voor beide kandidaten blijkt uit hetzij de éénzijdige C.V.’s, hetzij uit de evaluatieverslagen; Overwegende dat de eerdere synthetische verwoordingen ter zake van het CV. van de heer Strypsteen, op zich geen maatstaf betekenen voor de inhoud van diens wetenschappelijke activiteiten; dat in het evaluatieverslag van Mr. Vanden Bussche uitdrukkelijk wordt overwogen dat de heer Strypsteen bijna alle studiedagen volgt; dat daartegenover enige zeer uitvoerige opsomming van studiedagen en seminaries, zoals bij de kandidatuur van mevrouw Vanduffel, op zich evenmin de inhoudelijke waarde ervan veruitwendigt; dat het getal noch de lengte van enige opsomming ter zake op zich pertinent zijn; IX-3811-7/26 Overwegende dat bijgevolg naar alle redelijkheid blijkt dat de beide kandidaten evenwaardig zijn voor wat betreft het criterium vereiste juridische en wetenschappelijke vaardigheden; Overwegende dat inzake de professionele vaardigheden uit de evaluatieverslagen blijkt dat de beide kandidaten evenwaardig zijn; Overwegende dat de Kamer der Notarissen oordeelt dat de andere kandidaat gezien zij ononderbroken werkzaam is geweest in het kantoor van notaris Boels, voor wiens opvolging zij zich kandidaat stelt, (...) zij de aangewezen persoon (lijkt) te zijn om de continuïteit van het kantoor te waarborgen; Overwegende dat de Kamer der Notarissen inzake de kandidatuur van de heer Strypsteen oordeelt dat hij ‘gezien de aard van het kantoor waar hij reeds 14 jaar ervaring heeft, nl. Knokke-Heist, hij kan instaan voor de continuïteit van een notariskantoor’; Overwegende dat ingevolge ernstige kritiek, inzonderheid vanwege de Raad van State, de Minister van Justitie de preferentiële behandeling voor rechtstreekse medewerkers van voormalige notarissen bij de benoeming van een opvolger heeft opgeheven en hij maatregelen heeft genomen om de benoemingsprocedure meer te objectiveren; Overwegende dat de motivering dat een kandidaat ononderbroken werkzaam is geweest in het kantoor van de notaris wiens opvolging thans voorligt, geenszins alleen kan worden aangewend ter invulling van het criterium ‘continuïteit van het kantoor’; Overwegende dat de advisering van de Kamer der Notarissen m.b.t. het criterium van de continuïteit van het kantoor vanzelfsprekend voor alle kandidaten wordt geacht te slaan op de te begeven betrekking; Overwegende dat de invulling van het criterium continuïteit van het kantoor onder meer blijkens de aanhef van het advies van de Kamer der Notarissen mede wordt bepaald door de plaats van de te begeven betrekking, nl. Knokke-Heist; Overwegende dat in tegenstelling tot wat de Kamer der Notarissen inzake de kandidatuur van de heer Strypsteen voorhoudt, laatstgenoemde zijn stage heeft aangevat in juli 1982, en dat luidens het attest van 13 februari 1996 van Jan De Mey, notaris te Brugge en Voorzitter van de Tuchtkamer van Notarissen van het arrondissement Brugge, blijkt dat de heer Strypsteen zelfs vanaf 1 juni 1982 zijn stage heeft aangevat; Overwegende dat de heer Strypsteen derhalve op het ogenblik van zijn kandidatuurstelling in tegenstelling tot wat de Kamer der Notarissen ten onrechte beweert reeds 17 jaar ononderbroken werkzaam is op een notarissenkantoor te Knokke-Heist; Overwegende dat mevrouw Vanduffel op dat ogenblik van de kandidatuurstelling slechts 14 jaar ervaring in een notarissenkantoor kan doen gelden, waarvan slechts 13 jaar ervaring in 2 notarissenkantoren te Knokke-Heist; Overwegende dat de heer Strypsteen derhalve meer ervaring in het algemeen, en bovendien meer ervaring als notarieel medewerker te Knokke-Heist in het bijzonder, kan doen gelden; Overwegende dat de heer Strypsteen derhalve naar alle redelijkheid de vergelijking van titels en verdiensten doorstaat en bijgevolg benoemd dient te worden;”.
  15. Over de rechtspleging. IX-3811-8/26 Overwegende dat noch de gecoördineerde wetten op de Raad van State noch het procedurereglement de tussenkomende partij uitdrukkelijk de gelegenheid bieden om na de neerlegging van het auditoraatsverslag een bijkomende memorie in te dienen; dat de verzoekende partij dan ook terecht vraagt dat de “aanvullende memorie” welke de tussenkomende partij op 25 oktober 2005 heeft ingediend uit de debatten zou worden geweerd, te meer daar zij pas werd ingediend nadat de zaak reeds ter terechtzitting was vastgesteld;
  16. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 3.
  17. Overwegende dat de tussenkomende partij opwerpt dat verzoekster sedert 1 januari 2000 van het notariaat volledig afscheid heeft genomen, dat zij zeer vaak in het buitenland schijnt te vertoeven, dat zij niet meer werkzaam is in enig notariskantoor en in ieder geval op geen enkele studiedag meer te zien is, dat zij prima facie haar belangstelling voor het notariaat volledig lijkt te hebben verloren en dat zij in notariële middens sedert al die jaren niet meer opgemerkt is; dat de tussenkomende partij ook vaststelt dat verzoekster geen uitleg verstrekt over haar beroepsactiviteiten sedert 1 januari 2000, noch over de manier waarop zij met het notarieel leven verbonden blijft en, vooral, hoe ze zich permanent bijschoolt dermate dat, zo over afzienbare tijd op haar annulatieverzoek mocht worden ingegaan, haar in redelijkheid nog rechtsherstel zou kunnen gegeven worden door haar vooralsnog in het vroeger kantoor BOELS te benoemen; dat volgens de tussenkomende partij een kandidaat-notaris die gedurende meerdere jaren elk contact met het notariaat verloren heeft en die de zich razend snel opvolgende wijzigingen in de wetgeving en de praktijkvoering niet heeft opgevolgd, niet meer in aanmerking kan komen voor een benoeming; dat zij besluit dat als het annulatieberoep in redelijkheid niet meer kan leiden tot rechtsherstel in natura, doch slechts tot het verkrijgen van een titel om eventueel plaatsvervangende schadevergoeding te vorderen, het beroep bij gebrek aan belang onontvankelijk dient te worden verklaard; 3.
  18. Overwegende dat krachtens artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een vernietigingsberoep slechts ontvankelijk is indien de verzoekende partij doet blijken van een benadeling of van een belang; dat het belang moet blijven voortbestaan tot op het tijdstip dat de Raad van State over het beroep uitspraak doet ; IX-3811-9/26 Overwegende dat de tussenkomende partij weliswaar betoogt dat verzoekster “elk contact met het notariaat verloren heeft”, maar niet betwist dat zij nog steeds aan de benoemingsvoorwaarden van notaris voldoet; dat het niet de zaak van de Raad van State is om te onderzoeken of verzoekster momenteel nog voldoende vertrouwd is met het notariaat om, na de eventuele nietigverklaring van de bestreden benoeming, in de betwiste standplaats benoemd te worden; dat het de verwerende partij is die, na die eventuele nietigverklaring, zal moeten oordelen of, en in welke mate, de kandidaten, waaronder verzoekster, geschikt zijn om tot notaris benoemd te worden, met dien verstande dat de ervaring opgedaan ten gevolge van een onregelmatige benoeming niet in aanmerking mag worden genomen; dat de exceptie niet gegrond is;
  19. Over de gegrondheid van het beroep. 4.1.
  20. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het redelijkheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel; 4.1.1.
  21. Overwegende dat verzoekster in een eerste onderdeel van het middel betoogt dat bij de onderhavige benoemingsprocedure de bepalingen toegepast konden worden die van kracht waren vóór de goedkeuring van de wet van 4 mei 1999 tot wijziging van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt en dat de overheid daarbij een vaste gedragslijn heeft aangenomen volgens welke de benoemingen beoordeeld worden op basis van de volgende criteria : 1) professionele vaardigheden, 2) wetenschappelijke vaardigheden, en 3) continuïteit van het kantoor; dat om die criteria te kunnen beoordelen de benoemende overheid beschikt over de kandidaatstelling en de adviezen van de gerechtelijke overheden en van de kamer van notarissen; dat die adviezen niet wettelijk verplicht zijn, maar over het algemeen gevraagd worden, hetgeen aangeeft dat de benoemende overheid er belang aan hecht; dat volgens verzoekster in dezen het benoemingsbesluit alle gegevens die in het voordeel van de verzoekende partij spelen uit de beoordeling heeft geweerd; dat zij preciseert dat de wijze waarop dit voor het criterium van de continuïteit gebeurde, het voorwerp uitmaakt van het IX-3811-10/26 tweede middel; dat voor de criteria wetenschappelijke en professionele vaardigheden dit volgens verzoekster is gebeurd door, direct of indirect, te stellen dat niet voldoende gegevens beschikbaar zijn en dat de gegeven adviezen buiten toepassing moeten worden gelaten omdat ze niet gemotiveerd zijn; dat na deze weglating de benoemende overheid stelt dat beide kandidaten evenwaardig zijn en er nog één beoordelingselement overblijft, met name de anciënniteit, waarvoor de benoemde kandidaat (17 jaar) hoger scoort dan de verzoekende partij (14 jaar); dat volgens verzoekster de benoemende overheid aldus systematisch alle mogelijke beoordelingsgronden uit het dossier heeft weggelaten, om uiteindelijk slechts één beoordelingsgrond over te houden waarvoor de reeds op onwettige wijze benoemde kandidaat hoger scoort dan zijn concurrent en dat de wijze waarop dit gebeurd is, kennelijk in strijd is met het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, inzonderheid omdat het vaste praktijk is om de kandidaten te beoordelen op hun professionele vaardigheden, hun wetenschappelijke vaardigheden en de mate waarin zij de continuïteit van het kantoor kunnen verzorgen, maar niet op hun anciënniteit in het notariaat; dat volgens haar, indien de benoemende overheid van oordeel is dat het advies van de kamer van notarissen, dat tot stand kwam na gesprekken met de kandidaten, niet voldoende gemotiveerd is -hetgeen trouwens niet correct is-, en ook de andere adviezen niet in aanmerking komen om een beoordeling te maken, en een uitgebreide opsomming van de studiedagen en seminaries, gemaakt in een CV, niet voldoende is om de kandidaten te beoordelen, dan alleen kan worden vastgesteld dat de benoemende overheid niet over voldoende informatie beschikt en in die omstandigheden het niet zorgvuldig zou zijn om op basis van die informatie een benoeming te doen, zonder aan de instanties die een advies hebben verleend een nieuw advies te vragen en zonder aan de kandidaten te vragen hun CV te verduidelijken; 4.1.1.
  22. Overwegende dat verzoekster in het tweede onderdeel van het middel betoogt dat het bestreden besluit ten onrechte stelt dat het advies van de kamer van notarissen onvoldoende gemotiveerd is, terwijl dit advies op een gemotiveerde wijze een duidelijke voorkeur voor de verzoekende partij had uitgesproken en een redelijk en zorgvuldig bestuur niet mocht voorbijgaan aan dit advies, stellend dat het advies niet gemotiveerd is; dat zij vaststelt dat het advies van de kamer van notarissen werd verworpen omdat zij in 1997 “goed” was geëvalueerd bij de vacature van een ander notariskantoor en het niet duidelijk zou zijn waarom haar nu een “zeer goede” evaluatie wordt gegeven, en betoogt dat het bestreden besluit eraan voorbij gaat dat de kamer IX-3811-11/26 van notarissen een advies verstrekt bij een kandidaatstelling voor een bepaalde vacature, dat dit advies niet wordt samengevat onder de vorm van een “zeer goede” of “goede” beoordeling, maar wel in een advies over de geschiktheid voor het bewuste kantoor, waarbij in duidelijke bewoordingen de voorkeur wordt gegeven aan de verzoekende partij en dat, waar de kamer van notarissen in 1997 na één gesprek een evaluatie had gemaakt, zij in 1999 een evaluatie heeft gemaakt op basis van drie gesprekken, gespreid over drie jaar, zodat er geen tegenspraak is tussen het gegeven dat na een eerste gesprek slechts een evaluatie “goed” werd gegeven en na drie gesprekken een evaluatie “zeer goed”; dat verzoekster voorts nog stelt dat de gesprekken slechts één van de elementen zijn op basis waarvan de kamer haar voorkeur uitspreekt voor de verzoekende partij, dat de kamer ook vastgesteld heeft dat het takenpakket van de verzoekende partij “gevarieerd” is, en “alle takken van het notarieel recht beslaat”, in tegenstelling tot de benoemde kandidaat, wiens vaardigheden zich lijken te beperken tot “bepaalde takken van de notariële activiteit”, dat de kamer van notarissen uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven ook elders informatie te hebben ingewonnen, waaruit blijkt dat verzoekster in staat is de “leiding en management over het openstaande kantoor van notaris Boels efficiënt waar te nemen”, gegeven dat niet vermeld wordt in het advies over de benoemde kandidaat; dat verzoekster concludeert dat het bestreden besluit het verschil in evaluaties in 1997 en 1999 niet mocht inroepen als argument om met het advies van de kamer van notarissen geen rekening te houden; 4.1.1.
  23. Overwegende dat verzoekster in het derde onderdeel van het middel betoogt dat het bestreden besluit ten onrechte stelt dat de uitvoerige opsomming van studiedagen en seminaries waaraan zij heeft deelgenomen “niet pertinent” zou zijn, wijl de CV’s van de kandidaten een belangrijke bron van informatie uitmaken om over de titels en verdiensten van een kandidaat te kunnen oordelen en dat zij door haar aanwezigheid op studiedagen en seminaries aantoont dat zij zich niet beperkt tot de studiedagen die voor het notariaat zelf worden georganiseerd; dat verzoekster het onredelijk handelen vindt vanwege de verwerende partij om een onderdeel van een CV op die wijze als niet-relevant af te doen; 4.1.2.
  24. Overwegende dat de verwerende partij wat het eerste onderdeel van het middel betreft ontkent dat zij over onvoldoende informatie zou hebben beschikt om de kandidaturen te evalueren; dat zij evenmin de criteria professionele vaardigheden, IX-3811-12/26 wetenschappelijke vaardigheden en continuïteit van het kantoor heeft genegeerd, wijl uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat de benoemende overheid die criteria ten aanzien van beide kandidaten beoordeeld heeft; dat het bestreden besluit uitdrukkelijk en afdoende motiveert waarom beide kandidaten evenwaardig zijn voor wat betreft de criteria wetenschappelijke en professionele vaardigheden; dat zij stelt de adviezen van de gerechtelijke overheden terecht niet te zijn bijgevallen -hetgeen overigens door verzoekster niet bekritiseerd wordt- omdat die adviezen door een motiveringsgebrek zijn aangetast; dat de adviezen van de kamer van notarissen aan de hand van alle beschikbare informatie kritisch werden ontleed en het niet kennelijk onredelijk is dat daarbij van een eerder advies van de kamer van notarissen naar aanleiding van een andere benoeming gebruik werd gemaakt, aangezien de gegevens die de kamer van notarissen bekend waren weinig verschillend waren; 4.1.2.
  25. Overwegende dat wat het tweede onderdeel betreft de verwerende partij antwoordt dat het advies van de kamer van notarissen slechts kon worden gecontroleerd aan de hand van de stukken die als bijlage bij dat advies zijn gevoegd, namelijk de evaluatie opgesteld door notaris BOELS op 11 februari 1997 en het CV van de verzoekende partij, maar dat er geen schriftelijke neerslag is van de gesprekken van 26 februari 1997, 5 september 1997 en 8 juni 1999 waarnaar in dat advies uitdrukkelijk wordt verwezen; dat de verwerende partij meent dat zij dienvolgens rekening mocht houden met het eerder advies van de kamer van notarissen van 17 februari 1997, aangezien de feitelijke gegevens die de kamer van notarissen bekend waren slechts weinig verschillen en de kamer van notarissen in haar advies van 22 juni 1999 geen afdoende verantwoording geeft voor de wijziging van haar standpunt; dat de bewering van verzoekster dat de zeer gunstige evaluatie van juni 1999 met betrekking tot de wetenschappelijke en professionele vaardigheden gedragen wordt door de overweging dat het takenpakket van verzoekster “gevarieerd” is en “alle takken van het notarieel recht beslaat”, niet opgaat, aangezien twee jaar eerder, op 17 februari 1997, haar takenpakket wellicht even gevarieerd was en wellicht eveneens betrekking had op alle takken van het notarieel recht; 4.1.2.
  26. Overwegende dat wat betreft het derde onderdeel de verwerende partij antwoordt dat zij, in tegenstelling tot wat verzoekster aanvoert, de opsomming van studiedagen en seminaries wel degelijk als relevant heeft beschouwd, maar dat IX-3811-13/26 zij heeft overwogen dat een zeer uitvoerige opsomming van studiedagen en seminaries op zich niet relevant zou zijn om te besluiten dat de verzoekende partij in ruimere mate aan het criterium inzake juridische en wetenschappelijke vaardigheden voldoet: uit het evaluatieverslag van notaris VANDEN BUSSCHE blijkt immers dat de benoemde kandidaat bijna alle studiedagen volgt; 4.1.3.
  27. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord wat betreft het eerste onderdeel van het middel staande houdt dat alle gegevens waaruit blijkt dat zij hoger scoort uit de vergelijking van de kandidaten werden geweerd en dat met die gegevens enkel rekening werd gehouden om te stellen dat beide kandidaten aan de benoemingscriteria voldoen: de verwerende partij heeft met de adviezen van de gerechtelijke overheden, het advies van de kamer van notarissen en de CV’s van de kandidaten alleen rekening gehouden om na te gaan of de kandidaten aan de minimale vereisten inzake wetenschappelijke en professionele vaardigheden voldoen, maar wanneer het er op aankomt de kandidaten te vergelijken worden die gegevens niet meer in aanmerking genomen; 4.1.3.
  28. Overwegende dat verzoekster wat betreft het tweede onderdeel van het middel antwoordt op het argument als zou het niet onredelijk zijn het advies van de kamer van notarissen met een eerder advies te vergelijken, dat dit enkel in dit dossier is gebeurd en dan nog enkel voor de verzoekende partij en niet voor de benoemde kandidaat; dat het volgens haar dan ook duidelijk is dat de benoemende overheid gezocht heeft naar een manier om de kandidaat die zij eerder op een onrechtmatige manier benoemd had, alsnog beter te kunnen achten dan zijn concurrent; dat zij er op wijst dat er bovendien tussen het advies van 1999 en dat van 1997 drie belangrijke verschilpunten zijn, met name dat het in 1997 ging om een ander kantoor, dat verzoekster intussen twee en half jaar meer ervaring had en dat de kamer van notarissen tijdens die periode drie gesprekken had met verzoekster, terwijl de verwerende partij er ten onrechte van uit gaat dat de kamer van notarissen een schriftelijk verslag had moeten opmaken van die gesprekken, daar waar het advies van de kamer van notarissen de neerslag vormt van die gesprekken: de afwezigheid van schriftelijke verslagen van de gesprekken vormt dan ook geen afdoende motief om dat advies te negeren; IX-3811-14/26 4.1.3.
  29. Overwegende dat inzake het derde onderdeel van het middel verzoekster opmerkt dat uit de CV’s een flagrant verschil blijkt omtrent de wijze waarop de beide kandidaten zich bijscholen: waar de benoemde kandidaat enkel stelt dat hij “de studiekringen van de Vereniging Licentiaten in het notariaat, de Kamer en de Federatie der Notarissen” volgt, heeft verzoekster een reeks niet juridische seminaries over managementkwaliteiten, een informaticatraining en juridische seminaries over diverse aspecten van de notariële praktijk gevolgd; een redelijk bestuur kan dit verschil in benadering van de permanente vorming niet als irrelevant afdoen; 4.1.4.
  30. Overwegende dat de tussenkomende partij ten aanzien van het eerste onderdeel van het middel betwist dat de gegevens van het dossier die in het voordeel van verzoekster zouden spelen uit de beoordeling werden geweerd, dat de verwerende partij echter in redelijkheid geoordeeld heeft dat de adviezen van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, van de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent en van de procureur-generaal bij dit hof niet draagkrachtig zijn omdat zij feitelijk en rechtens niet onderbouwd zijn en geen betrouwbare gegevens bevatten; dat volgens haar de verwerende partij eveneens in redelijkheid kon oordelen dat de door de kamer van notarissen uitgebrachte beoordeling van de professionele en wetenschappelijke vaardigheden niet dienstig was, omdat van de met de kandidaten gevoerde gesprekken geen verslag werd opgemaakt en die beoordeling derhalve niet controleerbaar is; dat zij meent dat de verwerende partij aan de kamer van notarissen geen nieuwe adviezen diende te vragen, aangezien zij met de adviezen van de procureur des Konings, de CV’s van de kandidaten en de evaluatierapporten van de notarissen- werkgevers over voldoende informatie beschikte; 4.1.4.
  31. Overwegende dat met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel de tussenkomende partij betoogt dat de verwerende partij terecht geoordeeld heeft dat het advies van de kamer van notarissen een gebrek aan motivering vertoont, niet alleen omdat er geen verantwoording wordt gegeven voor het feit dat de kamer twee jaar eerder op basis van hetzelfde evaluatieverslag tot een andere conclusie kwam, namelijk “gunstig” daar waar nu “zeer goed” is gegeven, maar ook omdat van geen enkel gesprek enig verslag of schriftelijke neerslag te vinden is, zodat elke beoordeling van de gemaakte evaluatie in feite en in rechte onmogelijk werd gemaakt; dat bovendien IX-3811-15/26 bij de lezing van het advies rekening moet worden gehouden met het feit dat de kamer van notarissen zoveel mogelijk preferentiële kandidaten naar voor heeft willen schuiven; 4.1.4.
  32. Overwegende dat de tussenkomende partij ten aanzien van het derde onderdeel van het middel betoogt dat in het bestreden besluit gesteld wordt dat de tussenkomende partij bijna alle studiedagen volgt, terwijl wat verzoekster betreft wordt aangegeven dat de lange lijst van seminaries die zij heeft vermeld inhoudelijk geen meerwaarde heeft, nu het getal noch de lengte pertinent zijn voor een inhoudelijke beoordeling en dat die beschouwing niet kennelijk onredelijk is; 4.1.
  33. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog aanvoert : “Eerste onderdeel Het auditoraat acht het eerste onderdeel van het eerste middel gegrond na beantwoording van de vraag of de verwerende partij de beide kandidaten in het licht van de verleende adviezen -inzonderheid het advies van de kamer der notarissen- op basis van de criteria' juridische en wetenschappelijke vaardigheden' en 'professionele vaardigheden' als 'evenwaardig' kon beoordelen, De verwerende partij zou zgn. geen eigen vergelijking van titels en verdiensten in de plaats hebben mogen stellen, doch bijkomende informatie hebben moeten opvragen, zulks in de mate dat het advies van de kamer der notarissen onduidelijk of gebrekkig zou zijn geweest, De verwerende partij stelt vooreerst vast dat niemand betwist dat het advies van de kamer der notarissen van 22 juni 1999 minstens voor wat betreft de criteria 'wetenschappelijke en professionele vaardigheden' niet uitdrukkelijk en/of afdoende werd gemotiveerd, behoudens door verwijzing naar stukken en een mondeling onderhoud. Evenmin wordt door iemand betwist dat de kamer der notarissen de beoordeling van de verzoekende partij steunt op een evaluatie van 17 februari 1997 op grond waarvan diezelfde kamer der notarissen in het kader van een andere benoemingsprocedure een gunstig advies heeft verleend. In die omstandigheden vermag de benoemende overheid wel degelijk het advies van de kamer der notarissen te overrulen, zonder dat zij verplicht bijkomende informatie dient op te vragen. Het advies van de kamer der notarissen dient zich immers niet aan als een bindende voordracht, doch als een louter voorbereidende rechtshandeling. De uiteindelijke verplichting om de titels en verdiensten van de kandidaten te vergelijken en te beoordelen berust uitsluitend bij de verwerende partij als benoemende overheid. Het eerste onderdeel van het eerste middel is ongegrond. Tweede onderdeel Het auditoraat acht het tweede onderdeel van het eerste middel gegrond. Er wordt weliswaar niet betwist dat de kamer der notarissen op grond van éénzelfde evaluatieverslag de kandidatuur van de verzoekende partij destijds gunstig en thans zéér gunstig heeft geadviseerd, doch het onderscheid in de uiteindelijke beoordeling IX-3811-16/26 valt te verklaren doordat er andere feitelijke omstandigheden voorliggen (andere vacatures, andere kandidaten). De verzoekende partij beweert dat in de bestreden beslissing ten onrechte wordt overwogen dat het zéér gunstig advies van de kamer der notarissen niet wordt gemotiveerd. De kamer der notarissen zou een uitgesproken voorkeur voor de kandidatuur van de verzoekende partij hebben doen blijken. De verwerende partij leidt uit de bewoordingen van het advies van de kamer der notarissen nochtans af dat niet zozeer de vergelijking van de kandidaturen tot de 'zéér gunstige' beoordeling heeft geleid. De kandidatuur van de verzoekende partij werd 'op zich' beoordeeld. Het tweede onderdeel van het eerste middel is ongegrond. Derde onderdeel Het auditoraat acht het derde onderdeel van het eerste middel gegrond omdat de verwerende partij niet op afdoende wijze zou rechtvaardigen waarom zij van het advies van de kamer der notarissen afwijkt. Uit de adviezen van de kamer der notarissen kan nochtans niet worden afgeleid dat een duidelijke voorkeur voor de verzoekende partij zou blijken o.g.v. het criterium 'wetenschappelijke vaardigheden' . De motivering van het bestreden besluit is niet kennelijk onredelijk.” 4.1.6.
  34. Overwegende dat de vacature voor de in de onderhavige zaak betwiste notarisbenoeming bekendgemaakt werd in het Belgisch Staatsblad van 1 mei 1999; dat te dezen de overgangsbepaling van artikel 58, tweede lid, van de wet van 4 mei 1999 tot wijziging van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt, van toepassing is, luidens welke voor de plaatsen vacant verklaard in het Belgisch Staatsblad vóór 3 mei 1999 de benoeming nog kon geschieden op grond van de bepalingen die van kracht waren voor de inwerkingtreding van de voormelde wet van 4 mei 1999; 4.1.6.
  35. Overwegende dat niet betwist wordt dat vóór de inwerkingtreding van de voormelde wet van 4 mei 1999, bij de benoeming tot notaris de vergelijking van de aanspraken van de kandidaten gemaakt werd op basis van drie criteria, te weten de wetenschappelijke vaardigheid, de professionele vaardigheid en de geschiktheid om de continuïteit van de dienstverlening te verzekeren (zie antwoord op de parlementaire vraag nr. 403 van 19 november 1996, Kamer, Vragen en Antwoorden, 1997-1998, 16.458); dat de toetsing aan de drie voornoemde criteria niet alleen gedaan moet worden door de benoemende overheid, maar dat deze hieromtrent eveneens het advies inwint van een aantal ter zake bevoegde overheden, de korpsoversten behorende tot de rechterlijke macht en de betrokken kamer van notarissen; dat de Koning in de regel die adviezen zal volgen tenzij hij bepaalde, in het benoemingsbesluit verwoorde of uit het dossier blijkende redenen heeft om dat niet te doen; dat in deze zaak de IX-3811-17/26 adviezen van de voornoemde gerechtelijke overheden, en zulks wat zowel de verzoekende partij als de tussenkomende partij betreft, zich in wezen beperken tot het curriculum van de kandidaten en tot een vermelding van de vaststelling dat zij aan de benoemingsvoorwaarden voldoen en tegen hen geen ongunstige gegevens in te brengen zijn, eventueel dat zij door hun notaris-werkgever zeer gunstig worden beoordeeld; dat zij voor het overige de adviezen van de kamer van notarissen bijvallen; dat aan die laatste adviezen, waaruit een duidelijke voorkeur kan worden afgeleid voor verzoekster boven de tussenkomende partij, dan ook een bijzonder belang moet worden gehecht; dat zal moeten kunnen blijken welke redenen de Koning heeft om die voorkeur niet te volgen; dat, gelet op de verplichting tot formele motivering voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991, die redenen in beginsel verwoord moeten zijn in het bestreden benoemingsbesluit zelf; 4.1.6.
  36. Overwegende dat, getoetst aan de drie criteria, wetenschappelijke vaardigheden, professionele vaardigheden en de continuïteit van de dienstverlening, verzoekster bij de kamer van notarissen te Brugge beter scoort dan de benoemde kandidaat; dat wat verzoekster betreft er in het advies van de kamer van notarissen onder meer op gewezen wordt dat “zij een gevarieerd opdrachtenpakket vervult, dat alle takken van het notarieel recht beslaat, en tot op grote hoogte zelfstandig werken in de notariële functie inhoudt”; dat haar juridische en wetenschappelijke vaardigheden als zeer goed worden geëvalueerd; dat zij in staat zal zijn de leiding en het management van het openstaande kantoor van notaris BOELS efficiënt waar te nemen, en dat zij, gezien ze ononderbroken werkzaam is geweest in het kantoor van notaris BOELS, de aangewezen persoon lijkt te zijn om de continuïteit van het kantoor te waarborgen; dat de kamer besluit dat zij “tot de meest gekwalificeerde personen (behoort) om het notariskantoor te Knokke over te nemen”; dat wat de tussenkomende partij betreft, de juridische en wetenschappelijke vaardigheden als goed worden geëvalueerd, maar wordt opgemerkt dat zij beperkt lijken tot bepaalde takken van de notariële activiteit; dat de kamer vaststelt dat hij zijn taak met werklust en ijver vervult, dat hij goed functioneert in een notariskantoor en dat hij kan instaan voor de continuïteit van een notariskantoor, gezien de aard van het kantoor waar hij reeds 14 jaar ervaring heeft, namelijk Knokke-Heist; dat de kamer dan besluit dat hij “de vereiste bekwaamheden bezit om het ambt van notaris uit te oefenen”; dat zoals vermeld, die adviezen van de IX-3811-18/26 kamer van notarissen, voor zover zij al niet uitdrukkelijk worden bijgevallen, door de gerechtelijke overheden niet worden tegengesproken; 4.1.6.
  37. Overwegende dat blijkens de motivering van het bestreden benoemingsbesluit de benoemende overheid de verzoekende partij en de tussenkomende partij op basis van de criteria “juridische en wetenschappelijke vaardigheden” en “professionele vaardigheden” als “evenwaardig” beoordeeld heeft; dat de vraag is dan of zij dat, in het licht van de haar gegeven adviezen, terecht heeft kunnen doen; 4.1.6.
  38. Overwegende dat vooreerst de benoemende overheid de adviezen van de kamer van notarissen over de kandidaten afwijst, omdat van de gesprekken die de leden van de kamer met de betrokkenen hebben gehad “geen verslag wordt bijgebracht”; dat, daargelaten de vraag of van een dergelijk onderhoud een verslag moet worden opgemaakt en aan de minister moet worden medegedeeld, een behoorlijk werkend bestuur, indien het meende dat het advies van de kamer van notarissen wegens het ontbreken van dat verslag onvoldoende informatie bood, er in de gegeven omstandigheden niet mee kon volstaan zulks vast te stellen, maar bij de kamer van notarissen informatie had kunnen inwinnen; dat de benoemende overheid blijkbaar echter de kamer van notarissen geen bijkomende informatie heeft gevraagd; dat het argument dat van de gesprekken dat de leden van de kamer van notarissen met de kandidaten hebben gehad “geen verslag wordt bijgebracht” dan ook geen afdoende reden is, maar veeleer een middel lijkt te zijn om het advies van de kamer van notarissen, in zover het een voorkeur uitdrukt voor de verzoekende partij, uit de beoordeling te kunnen weren; dat bovendien moet worden vastgesteld dat ook wat de tussenkomende partij betreft de desbetreffende gegevens beperkt zijn tot een verwijzing naar gesprekken waarvan geen verslag is overgelegd, zodat louter dat gegeven niet rechtvaardigt dat de criteria “juridische en wetenschappelijke vaardigheden” en “professionele vaardigheden” zogenaamd als “evenwaardig” beoordeeld worden en in feite buiten beschouwing worden gelaten; dat het bestreden koninklijk besluit wat de tussenkomende partij betreft ook nog verwijst naar een “evaluatieverslag” van de kamer van notarissen waaruit zou blijken dat de tussenkomende partij op alle onderdelen zeer gunstig wordt beoordeeld, maar dat eigenlijk een beoordeling blijkt te zijn van zijn stagemeester/werkgever; dat over verzoekster eveneens een beoordelingsverslag van haar stagemeester/werkgever voorgelegd wordt, waarin zij op alle punten als zeer goed wordt beoordeeld, doch dat niet ter sprake komt IX-3811-19/26 in het bestreden besluit; dat dit gegeven dan ook niet in aanmerking mocht worden genomen; dat het eerste onderdeel van het middel gegrond is; 4.1.6.
  39. Overwegende dat in zoverre de motivering van het bestreden besluit stelt “dat de Kamer der Notarissen n.a.v. een andere vacature in 1997, kandidaat Vanduffel slechts gunstig heeft geadviseerd onder meer met verwijzing naar het identieke evaluatieverslag van 11 februari 1997 waaruit de Kamer der Notarissen slechts heeft afgeleid ‘dat zij over de vereiste juridische en wetenschappelijke vaardigheden beschikt’” en daaraan wordt toegevoegd “dat de thans andersluidende besluiten nopens éénzelfde evaluatie -en waaruit zou moeten blijken dat deze kandidaat in meerdere mate dan de heer Strypsteen Philippe over de vereiste juridische en wetenschappelijke vaardigheden zou beschikken- in geen enkel opzicht op bijzondere wijze wordt gemotiveerd”, zodat “het advies van de Kamer der Notarissen inzake de vereiste juridische en wetenschappelijke vaardigheden derhalve niet kan worden bijgetreden”, er blijkens het administratief dossier en de memorie van antwoord van de verwerende partij hier verwezen zou zijn naar een advies dat de kamer van notarissen van Dendermonde op 17 februari 1997 heeft uitgebracht, en waarbij verzoekster “een gunstig advies” kreeg voor een benoeming tot notaris in het arrondissement Dendermonde; dat in haar memorie van antwoord de verwerende partij eveneens verwijst naar een advies van de kamer van notarissen te Brugge verleend op 21 maart 1997 naar aanleiding van een vacature te Middelkerke, waarin vermeld wordt dat verzoekster over de vereiste juridische en wetenschappelijke vaardigheden beschikt om een ambt van notaris uit te oefenen; dat dit stuk geen deel uitmaakte van het oorspronkelijk neergelegd administratief dossier en pas later werd neergelegd; dat dit laatste advies -dat relevanter lijkt omdat het door dezelfde kamer van notarissen werd verleend en eveneens betrekking heeft op een notariskantoor aan de kust- uitgebracht is nadat de kamer van notarissen op 26 februari 1997 het gesprek met verzoekster had gevoerd waarvan sprake in haar advies van 22 juni 1999; dat het advies van 21 maart 1997 de bewoordingen “gunstig” of “zeer gunstig” niet hanteert doch wel aanneemt dat “gezien de aard van de kantoren waar (verzoekster) werkzaam was en is, nl. Melsele en Knokke, zij kan instaan voor de continuïteit van het notariskantoor ter standplaats Middelkerke” en “de vereiste bekwaamheden bezit om het ambt van notaris uit te oefenen”; dat overigens kan worden vermoed dat de gesprekken met de tussenkomende partij op 6 december 1996 en 3 september 1997, waarvan melding wordt gemaakt in het advies van de kamer van 22 juni 1999 over de IX-3811-20/26 tussenkomende partij, eveneens gevoerd werden naar aanleiding van een vacature en hun weerslag hebben gehad in een soortgelijk advies; dat het bestreden koninklijk besluit die adviezen dan weer niet vermeldt noch vergelijkt met het advies van 22 juni 1999 over de tussenkomende partij en op dat stuk de twee kandidaten derhalve ongelijk behandelt; 4.1.6.
  40. Overwegende bovendien, zelfs aangenomen dat het feit dat de in eerdere adviezen uitgebrachte beoordelingen voor verzoekster minder gunstig waren -wat zoals uit de zo-even aangehaalde passus van het advies van 21 maart 1997 dan nog gerelativeerd moet worden- niet betekent dat de gunstiger beoordeling van verzoekster in het meest recente advies niet verantwoord kan zijn; dat, immers, daar het telkens ging om andere vacatures, eventueel andere adviesorganen, ook andere kandidaten waarmee vergeleken moest worden, kortom andere feitelijke omstandigheden, zulks op zich dan ook geen afdoende reden is om het advies van de kamer van notarissen waarbij verzoekster als behorend tot “de meest gekwalificeerde personen” werd geëvalueerd voor de vacature waarom het hier gaat uit de beoordeling te weren; dat voor zover aangenomen zou moeten worden dat de evaluaties niet specifiek gericht waren op die specifieke vacature, ook in dat verband kan worden opgemerkt dat de beoordeling “goed” van de tussenkomende partij evenmin door concrete gegevens was gestaafd en dat louter die vaststelling niet rechtvaardigt dat er helemaal geen rekening mee gehouden wordt; dat het tweede onderdeel van het middel gegrond is; 4.1.6.
  41. Overwegende wat het derde onderdeel betreft, dat in zoverre de motivering van het bestreden benoemingsbesluit nog stelt dat de synthetische verwoordingen inzake bijscholingen van het CV van P. STRYPSTEEN op zich geen maatstaf betekenen voor de inhoud van diens wetenschappelijke activiteiten en dat daarentegen de uitvoerige opsomming van studiedagen en seminaries, zoals bij de kandidatuur van B. VANDUFFEL, op zich evenmin de inhoudelijke waarde ervan veruitwendigt, zodat de twee kandidaten evenwaardig zijn voor wat betreft het criterium vereiste juridische en wetenschappelijke vaardigheden, dat uit de omstandigheid “dat het getal noch de lengte” van de opsomming van de studiedagen en seminaries die verzoekster gevolgd heeft “op zich pertinent zijn”, evenmin volgt dat, zonder enige verdere toetsing, kan worden aangenomen dat de kandidaten evenwaardig zijn voor wat betreft het criterium juridische en wetenschappelijke vaardigheden; dat de kamer IX-3811-21/26 van notarissen haar beoordeling van de kandidaten overigens ook niet heeft gesteund op het getal of de lengte van de opsomming van de studiedagen en seminaries die verzoekster gevolgd heeft; dat de aangehaalde motieven dan ook geen afdoende verantwoording bevatten om van de adviezen van de kamer van notarissen, waaruit een duidelijke voorkeur voor verzoekster blijkt, af te wijken; dat het derde onderdeel van het middel gegrond is; 4.2.
  42. Overwegende dat verzoekster in haar tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het zorgvuldigheidsbeginsel, van het redelijkheidsbeginsel en van het beginsel “patere legem quam ipse fecisti”; dat zij betoogt dat het een vast gebruik is de titels en verdiensten van de kandidaten voor een notarisbenoeming te toetsen aan het criterium “continuïteit van het kantoor” en dat zij op basis van dit criterium van de kamer van notarissen de voorkeur kreeg; dat zij vaststelt dat over de benoemde kandidaat de kamer van notarissen enkel stelde dat hij blijk geeft van een goed functioneren in een notariskantoor en kan instaan voor de continuïteit van “een” notariskantoor, gelet op zijn ervaring, dat het bestreden besluit stelt dat de kamer van notarissen een advies heeft geformuleerd dat geacht moet worden te slaan op de te begeven betrekking en dat iemand waarvan wordt gezegd dat hij kan instaan voor de continuïteit van “een” kantoor te Knokke-Heist, door de kamer van notarissen ook geschikt wordt geacht voor de continuïteit van “het” kantoor en dat het bestreden besluit daarmee de duidelijke bewoordingen van dat advies negeert; dat volgens verzoekster bovendien, zelfs indien aangenomen wordt dat de kamer van notarissen de benoemde kandidaat impliciet geschikt bevonden heeft om te zorgen voor de continuïteit van het kantoor, dit niets afdoet aan het feit dat de kamer van notarissen in zeer duidelijke bewoordingen, op basis van concrete gegevens, een duidelijke voorkeur heeft uitgedrukt voor de verzoekende partij; dat daarentegen de verwerende partij het begrip “continuïteit” omgevormd heeft tot een criterium van “anciënniteit” in het arrondissement waar de betrekking vacant is, welke beide begrippen echter niet samen vallen : de anciënniteit duidt immers uitsluitend op de ervaring die een persoon heeft in een bepaald arrondissement, en dus de wijze waarop hij kan geacht worden vertrouwd te zijn met de gebruiken in het arrondissement, terwijl daarentegen het criterium van de continuïteit van het kantoor beoordeeld moet worden in functie van het vacante kantoor; IX-3811-22/26 4.2.
  43. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het volstrekt onredelijk en zelfs in strijd met het gelijkheidsbeginsel zou zijn indien de kamer van notarissen het criterium van de continuïteit ten aanzien van de verzoekende partij zou toetsen aan de te begeven betrekking en bij de benoemde kandidaat niet, dat zij derhalve ervan uit mocht gaan dat de kamer van notarissen beide kandidaten volgens het criterium van de continuïteit van het kantoor geschikt achtte, zij het met een voorkeur voor de verzoekende partij doch louter en alleen op grond van de volgende overweging : “gezien zij ononderbroken werkzaam is geweest in het kantoor van notaris Boels, voor wiens opvolging zij zich thans kandidaat stelt”; dat volgens haar het argument dat de verzoekende partij gedurende 13 jaar beroepservaring heeft opgedaan in het kantoor van ontslagnemend notaris Georges BOELS, aldaar een goede verstandhouding heeft met de medewerkers van het kantoor en kan instaan voor de goede relaties met het cliënteel van het kantoor, de deur openzet voor een preferentiële behandeling van medewerkers van het kantoor van ontslagnemende notarissen; 4.2.
  44. Overwegende dat verzoekster in haar repliek betwist dat met de voorkeur van de kamer van notarissen voor verzoekster geen rekening gehouden mocht worden omdat deze zou neerkomen op een preferentiële behandeling van de medewerkers van de uittredende notaris : de afschaffing van de preferentiële behandeling van de uittredende notaris verhindert niet dat het criterium van de continuïteit nog steeds één van de toepasselijke criteria is, met dien verstande dat niet enkel voormalige medewerkers aan dat criterium voldoen; dat verzoekster betoogt dat bij de beoordeling van dit criterium wel degelijk rekening kan worden gehouden met het feit dat de betrokken kandidaat reeds werkzaam was in het kantoor, omdat dit nu eenmaal tot gevolg kan hebben dat de kandidaat vertrouwd is met het cliënteel en het personeel en deze kandidaat bovendien gemakkelijker affiniteit zal hebben met de aard van het betrokken kantoor; dat volgens haar vooral dit laatste element van belang is : de kamer van notarissen heeft haar voorkeur voor de verzoekende partij immers niet enkel doen blijken op grond van het gegeven dat zij reeds in het kantoor tewerkgesteld is en aldus vertrouwd was met het cliënteel en het personeel, de kamer stelt uitdrukkelijk dat zij een gevarieerd opdrachtenpakket vervult dat alle takken van het notarieel recht beslaat, terwijl van de benoemde kandidaat wordt gezegd dat zijn vaardigheden beperkt lijken tot bepaalde takken van de notariële praktijk; dat dit gegeven, in combinatie met het gegeven dat het kantoor van notaris BOELS een kantoor is met een familiaal cliënteel en geen ondernemerscliënteel, op IX-3811-23/26 zich de voorkeur voor de verzoekende partij verantwoordt; dat verzoekster besluit dat de benoemende overheid bijgevolg ten onrechte de duidelijke voorkeur van de kamer van notarissen voor de verzoekende partij heeft genegeerd omwille van de beperkte voorsprong inzake anciënniteit van de benoemde kandidaat; 4.2.
  45. Overwegende dat de tussenkomende partij stelt dat de omstandigheid dat de kamer van notarissen een duidelijke voorkeur heeft uitgedrukt voor de verzoekende partij de Koning niet verplicht om die voorkeur te volgen, te meer daar die voorkeur enkel gegrond is op het feit dat de kandidaat ononderbroken werkzaam is geweest in het kantoor van notaris BOELS, wat neerkomt op het wederinvoeren van de afgeschafte preferentiële behandeling; dat volgens haar het onderscheid dat verzoekster wil maken tussen “een” kantoor en “het” kantoor absurd is en dat, door het advies van de kamer van notarissen te begrijpen als betrekking hebbend op het kantoor BOELS en niet van om het even welk kantoor, het bestreden besluit aan het advies geen uitlegging gegeven heeft die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is; 4.2.5.
  46. Overwegende dat met het criterium “continuïteit van de dienstverlening” volgens een redelijke interpretatie in eerste instantie wordt bedoeld dat de kandidaat met het kantoor waarvoor hij solliciteert zelf een hechte band heeft, en dit vooral omdat hij als medewerker van de ontslagnemende notaris het reilen en zeilen ervan kent, vertrouwd is met de cliënteel en die cliënteel in hem vertrouwen stelt, zodat de opvolger in staat is de praktijk van het kantoor voort te zetten; dat pas in tweede instantie de benoemende overheid vermag het begrip "continuïteit" ruimer te interpreteren en bijvoorbeeld nagaan of de kandidaten ervaring hebben opgedaan in een kantoor met een gelijkaardig profiel of gevestigd in dezelfde gemeente of streek; dat redelijkerwijze bij de beoordeling van het criterium “continuïteit van de dienstverlening” dan ook de verbondenheid van een kandidaat met het te begeven notariskantoor zwaarder weegt dan de ervaring die een kandidaat heeft opgedaan in een kantoor met een gelijkaardig profiel of uit dezelfde omgeving; 4.2.5.
  47. Overwegende dat luidens de motivering van het bestreden benoemingsbesluit de benoemende overheid de voorkeur heeft gegeven aan de tussenkomende partij om reden dat hij “reeds 17 jaar ononderbroken werkzaam is op een notarissenkantoor te Knokke-Heist”, terwijl verzoekster “slechts 14 jaar ervaring IX-3811-24/26 in een notarissenkantoor kan doen gelden, waarvan slechts 13 jaar ervaring in 2 notarissenkantoren te Knokke-Heist”; dat de benoemende overheid aldus het feit miskent dat verzoekster sedert 4 oktober 1986 als eerste klerk werkzaam was op het over te nemen kantoor van notaris G. BOELS en dat de kamer van notarissen om die reden geoordeeld heeft dat zij de aangewezen persoon was om de continuïteit van het kantoor te waarborgen; dat het bestreden besluit daartegen de - al bij al beperkte - grotere ervaring die de benoemde kandidaat verworven heeft in “een” notariskantoor te Knokke- Heist gelijk stelt met de ervaring die verzoekster verworven heeft in “het” kantoor van de ontslagnemende notaris; dat zij aldus het criterium “continuïteit van de dienstverlening” niet op redelijke wijze toegepast heeft en niet op afdoende wijze heeft gemotiveerd waarom zij het advies van de kamer van notarissen op dit punt niet gevolgd heeft; dat het tweede middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  48. Vernietigd wordt het koninklijk besluit van 20 maart 2003 waarbij Philippe STRYPSTEEN benoemd wordt tot notaris met standplaats Knokke-Heist. Artikel
  49. Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde koninklijk besluit. Artikel
  50. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de Belgische Staat. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. IX-3811-25/26 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf december 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3811-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.176 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.