← België

Arrest 152179 - - 05/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.179 Rolnummer: A. 64654/IX-1455 Zaak: Arrest 152179 - - 05/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-21 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-03 06:02 Fiche Arrest nr 152.179 van 5 december 2005 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.179 van 5 december 2005 in de zaak A. 64.654/IX-

  1. In zake : XXXX, wonende te ANTWERPEN, Huybrechtsstraat 39, bus 4 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 26 juli 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 2 juni 1995 van de minister van Financiën waarbij hem de tuchtstraf van de afzetting wordt opgelegd met ingang van 2 juni 1995; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur-generaal M. ROELANDT; Gelet op de beschikking van 5 oktober 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-1455-1/6 Gelet op de beschikking van 10 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. NELIS, die verschijnt voor verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. Verzoeker is sedert 1 december 1977 in de graad van opsteller werkzaam bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen. 1.
  4. Na een langdurige opname in een psychiatrische instelling, adviseert de Administratieve Gezondheidsdienst op 1 juni 1981 dat verzoeker zijn normale dienst als opsteller op regelmatige wijze kan waarnemen, maar dat het om medische redenen wenselijk is hem te werk te stellen in een administratieve dienst zonder buitenwerk of rechtstreeks contact met andere personen. Dit advies wordt daarna op regelmatige tijdstippen bevestigd. 1.
  5. Op 28 juli 1989 wordt verzoeker overgeplaatst naar de manuten- tiecel B te Antwerpen. IX-1455-2/6 Ingevolge deze verandering van dienst ontstaan gezondheidspro- blemen. Hij is arbeidsongeschikt van 1 augustus 1989 tot 4 juli
  6. 1.
  7. Op 2 maart 1994 formuleert de gewestelijke directeur van de BTW te Antwerpen het voorlopig voorstel tot afzetting van verzoeker. 1.
  8. Op 10 mei 1994 doet het college van diensthoofden het definitief voorstel om verzoeker af te zetten. Dit voorstel wordt uitvoerig gemotiveerd aan de hand van feiten die worden samengevat als volgt : “- het niet houden van een memoriaal, niet-naleving van het vaste uurrooster, ondermaatse prestaties, werkweigering, het behartigen van privé-aangelegenhe- den tijdens de diensturen; - bedreigingen, beledigingen en smalende opmerkingen aan het adres van zijn hiërarchische meerderen, fysiek geweld tegen de hoofdcontroleur.” 1.
  9. Op 6 juli 1994 geeft verzoeker te kennen dat hij door de raad van beroep wenst te worden gehoord. Op 28 juli 1994 dient hij een beroepschrift in. 1.
  10. Op 9 maart 1995 beslist de raad van beroep het volgende : “De raad van beroep, Na beraadslaagd te hebben en uitspraak doende bij geheime stemming (...) Gelet op de elementen van het dossier; Is bij 10 stemmen tegen 3 van advies, dat het beroep ongegrond is.” Dit advies wordt niet ter kennis gebracht van verzoeker. 1.
  11. Op 2 juni 1995 legt de minister van Financiën aan verzoeker de tuchtstraf van de afzetting op. De beslissing is uitvoerig gemotiveerd en bevat een uitgebreide uiteenzetting van de ten laste gelegde feiten. IX-1455-3/6
  12. Over de gegrondheid. 2.
  13. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert dat de raad van beroep luidens artikel 78, § 4 (thans artikel 91, tweede lid), van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, een gemotiveerd advies diende uit te brengen; dat hij geen kennis heeft gekregen van dit advies; dat hij na kennisname van dit stuk in het administratief dossier een eventuele inbreuk op de motiveringsplicht zal inroepen; 2.
  14. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord, na inzage van het administratief dossier, betoogt dat het advies van de raad van beroep op geen enkele wijze gemotiveerd is en derhalve nietig is; dat hieruit volgt dat het bestreden ministerieel besluit van 2 juni 1995 eveneens nietig is; 2.
  15. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie aanvoert dat geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling haar verplicht om het advies van de raad van beroep ter kennis te brengen van de ambtenaar die tegen de hem voorgestelde tuchtstraf in beroep is gegaan bij de raad van beroep; dat overeenkomstig artikel 91, laatste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, verzoeker ter griffie van de raad van beroep kennis had kunnen nemen van het uitgebracht advies; dat verzoeker bijgevolg het middel dat hij ontleent aan de beweerde ontstentenis van motivering van het advies van de raad van beroep, reeds in zijn inleidend verzoekschrift in duidelijke bewoordingen had kunnen formuleren; dat verzoeker echter in zijn verzoekschrift een hypothetisch en voorwaardelijk middel aanvoert, waarbij hij zich enkel afvraagt of het advies van de raad van beroep al dan niet gemotiveerd is, zonder dat hij vóór indiening van zijn annulatieberoep van de statutaire mogelijk- heid gebruik heeft gemaakt om het advies in te kijken op de griffie van de raad van beroep; dat het middel volgens de verwerende partij niet ontvankelijk is; IX-1455-4/6 2.
  16. Overwegende dat een middel dat niet in het verzoekschrift is aangevoerd, later niet meer kan worden aangevoerd tenzij het middel van openbare orde is of verzoeker ervan geen kennis kon hebben op het tijdstip van het indienen van het verzoekschrift; dat luidens artikel 91, laatste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, “verzoeker en zijn verdediger ter griffie van de raad van beroep kennis (kunnen) nemen van het uitgebracht advies”; dat verzoeker derhalve het advies van de raad van beroep had kunnen inzien, maar dat hij geen gebruik heeft gemaakt van dit recht; dat verzoeker het besproken middel, dat niet van openbare orde is, en waarvan hij kennis kon hebben op het ogenblik van indiening van zijn verzoekschrift, niet meer ontvank- elijk kan aanvoeren in zijn memorie van wederantwoord; dat verzoeker weliswaar in zijn verzoekschrift “elk voorbehoud (maakt) om na kennisname van dit stuk uit het administratief dossier een eventuele inbreuk op de motiveringsplicht in te roepen”; dat een middel, om ontvankelijk te zijn, echter dient te bestaan uit een voldoende en duidelijke omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel en van de wijze waarop die rechtsregel naar het oordeel van de verzoekende partij door de bestreden beslissing wordt geschonden; dat verzoeker die het advies van de raad van beroep op het ogenblik van indiening van zijn verzoekschrift nog niet had ingezien, bezwaarlijk kan aangeven hoe dit advies het artikel 78, § 4, van het statuut van het rijkspersoneel schendt; dat een dergelijk hypothetisch middel niet kan worden aangenomen; dat verzoeker ten slotte zijn onzorgvuldigheid en zijn stilzitten niet kan inroepen om laattijdig een middel aan te voeren; dat de aangevoerde exceptie gegrond is; Overwegende dat het auditoraatsverslag beperkt is tot het hiervoor besproken middel; dat er bijgevolg aanleiding bestaat om de zaak verder te onderzoeken, IX-1455-5/6 BESLUIT: Artikel
  17. De debatten worden heropend. Artikel
  18. Het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt ermede belast het onderzoek van de zaak verder te zetten. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf december 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-1455-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.179 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.151 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.