← België

Arrest 152207 - - 05/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.207 Rolnummer: A. 163064/IX-4934 Zaak: Arrest 152207 - - 05/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-12 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-03 06:03 Fiche Arrest nr 152.207 van 5 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.207 van 5 december 2005 in de zaak A. 163.064/IX-

  1. In zake : Eric VERMEULEN, die woonplaats kiest bij advocaat I. EXELMANS, kantoor houdende te KALMTHOUT, Kapellaan 9/1 tegen : de Burgemeester van de stad ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Eric VERMEULEN op 4 juni 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 1 april 2005 van de burgemeester van de stad Antwerpen waarbij hem de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd; Gelet op het arrest nr. 150.289 van 17 oktober 2005, waarbij de debatten worden heropend en de zaak opnieuw wordt vastgesteld op 24 oktober 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. EXELMANS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P. VAN DER STRATEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : IX-4934-1/26 1.
  3. Verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politiezone Antwerpen. Vóór de politiehervorming was hij politieagent-hoofdbrigadier bij de stad Antwerpen. 1.
  4. Vóór 1 april 2001, zijnde de datum van inwerkingtreding van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna : de tuchtwet) was op verzoeker de tuchtregeling van toepassing die is opgenomen in titel XIV van de nieuwe gemeentewet, kon de gemeenteraad hem, op verslag van de korpschef, alle tuchtstraffen vermeld in artikel 283 van de nieuwe gemeentewet opleggen en kon de burgemeester hem op verslag van de korpschef, de tuchtstraffen waarschuwing, berisping, inhouding van wedde en schorsing voor een termijn van ten hoogste één maand opleggen. Sedert 1 april 2001 is de korpschef, als gewone tuchtoverheid, bevoegd om aan verzoeker de lichte tuchtstraffen op te leggen en is de burgemeester, als de hogere tuchtoverheid, bevoegd om zowel de lichte als de zware tuchtstraffen op te leggen. Bovendien kan de burgemeester, krachtens artikel 59, eerste lid van de tuchtwet een beslissing nemen tot voorlopige schorsing bij ordemaatregel, en kan de korpschef, krachtens artikel 63, eerste lid, van dezelfde wet dezelfde beslissing nemen in geval van dringende noodzakelijkheid. 1.3.
  5. Op 6 oktober 2003 beslist de vervangende korpschef van de lokale politiezone Antwerpen verzoeker bij hoogdringendheid bij ordemaatregel voorlopig te schorsen met ingang van 6 oktober 2003 voor de duur van hoogstens vier maanden, en deze voorlopige schorsing gepaard te laten gaan met een inhouding van wedde ten bedrage van 25 % van de bruto maandwedde. Onder de rubriek “feiten” wordt verwezen naar een vonnis van 30 september 2003 van de correctionele rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen waarbij verzoeker wegens belaging (“stalking”) werd veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf met uitstel voor een periode van drie jaar, uitgezonderd de reeds ondergane voorhechtenis. De feiten deden zich inzonderheid voor in de eerste helft van
  6. 1.3.
  7. Op 9 oktober 2003 beslist de burgemeester van de stad Antwerpen (hierna : de burgemeester) de beslissing van de korpschef te bekrachtigen. Blijkens die beslissing verklaarde verzoeker tijdens zijn verhoor dat hij tegen het vonnis van 30 september 2003 in beroep was gegaan “en dat hij de verdere procedure zal afwachten”. IX-4934-2/26 Op 4 februari 2004 beslist de burgemeester de voorlopige schorsing met inhouding van wedde gelijk aan 25 % van de bruto maandwedde te verlengen met ingang van 6 februari 2004 en dit tot maximaal vier maanden nadat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen. Blijkens die beslissing was er op 4 februari 2004 nog geen beslissing genomen door het hof van beroep, en deelde verzoeker mee dat hij bij een eventuele ongunstige uitspraak door het hof van beroep cassatieberoep zou aantekenen. 1.
  8. Op 1 april 2004 informeert de korpschef bij de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen naar het eindarrest in de zaak. Met een brief van 28 mei 2004 bezorgt de procureur-generaal aan de verwerende partij een afschrift van het arrest van 28 april 2004 van het hof van beroep te Antwerpen, waarbij verzoeker wegens belaging (“stalking”) in de eerste helft van het jaar 2000 wordt veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van vier maanden met uitstel gedurende een termijn van drie jaar. Er wordt tevens meegedeeld dat verzoeker op 4 mei 2004 cassatieberoep heeft aangetekend. 1.
  9. Op 7 juni 2004 stelt de korpschef een inleidend verslag op lastens verzoeker. Wat betreft de ten laste gelegde feiten, gaat het inleidend verslag uitsluitend af op de inhoud van het arrest van 28 april
  10. De korpschef is van mening dat een zware tuchtstraf zich opdringt, om volgende redenen : “Betrokkene heeft als politiefunctionaris de taak om de wet te doen naleven en de burgers bijstand te verlenen. Uit de vastgestelde feiten blijkt echter dat betrokkene de rust van een kennis ging verstoren in een dusdanige mate dat de vrouw zich persoonlijk bedreigd voelde, grote angst kreeg van INP VERMEULEN en begon te vrezen voor haar welzijn. Niettegenstaande INP VERMEULEN hiervan kennis kreeg via de dienst Ongewenste Intimiteiten van de Stad Antwerpen, hij zich hieraan niet stoorde. De aangehaalde feiten stellen duidelijk dat INP VERMEULEN niet de juiste attitude heeft die van een politiefunctionaris mag worden verwacht en dat INP VERMEULEN volhardt in zijn boosheid, ook al vernam hij dat D.M. wenste met rust gelaten te worden.” Hij zendt zijn verslag naar de burgemeester voor verder gevolg. Op 21 juni 2004 stelt de burgemeester op zijn beurt een inleidend verslag op waarin hij zijn voornemen kenbaar maakt om verzoeker, omwille van de feiten zoals die blijken uit het arrest van 28 april 2004 van het hof van beroep, te straffen met het ontslag van ambtswege. Ter motivering voegt hij aan de voormelde uiteenzetting van de korpschef toe : IX-4934-3/26 “Uit het dossier blijkt dat het vertrouwen dat de bevolking in deze politie- functionaris kan stellen, ten gronde geschokt is en onherstelbaar werd bescha- digd. In de plaats van de burger te steunen en te helpen zoals de wetgeving het voorschrijft, heeft betrokkene er kennelijk genoegen in om iemand bij herhaling angst aan te jagen en hierbij volhardt, niettegenstaande de vraag om met rust gelaten te worden, zodat de burger zich bedreig(d) voelt en zelfs vreest voor zijn welzijn.” 1.
  11. Op 19 augustus 2004 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn verdedigers, gehoord. De verdedigers leggen een pleitnota neer, waarin kritiek wordt uitgeoefend op het feit dat de tuchtoverheid zich, niettegenstaande er geen gerechtelijke eindbeslissing is en zonder dat er enig tuchtrechtelijk onderzoek werd gedaan, wil baseren op het arrest van 28 april
  12. 1.
  13. Op 25 augustus 2004 beslist de burgemeester de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege voor te stellen. Wat betreft de kennisneming van de feiten verwijst hij naar de vaststelling van de feiten door de gewone tuchtoverheid op 28 mei 2004 - ontvangst van het arrest van het hof van beroep - en op de kennisne- ming van de feiten door hemzelf op 21 juni
  14. Wat betreft de tijdens het verhoor geuite kritiek, wordt gesteld : “Niettegenstaande het arrest van het Hof van Beroep nog geen kracht van gewijsde heeft bekomen, is de uitspraak van het Hof van Beroep toch een uitspraak met gezag, waarbij de ten laste gelegde feiten duidelijk staan omschreven. Ook de houding en gedragingen die INP VERMEULEN Erik vertoonde tegenover D.M. staan duidelijk omschreven in het arrest van het Hof van Beroep. Ook citaten uit het gerechtelijk onderzoek werden overgenomen in dit arrest. De hogere tuchtoverheid heeft op basis van dit arrest met voldoende garanties kennis kunnen nemen van de tenlastelegging. De tuchtoverheid heeft inzicht kunnen verwerven over de intenties van INP VERMEULEN. In het arrest staat duidelijk vermeld, dat INP VERMEULEN op de hoogte was dat door zijn gedrag de rust van D. M. ernstig werd verstoord. Uit het arrest blijkt ook dat INP VERMEULEN brieven schreef naar D.M. en ermee dreigde zelfmoord te zullen plegen. Het arrest citeert uit de verklaring van D.M. het volgende : ‘Ik voel mij persoonlijk bedreigd door hem’. ‘Ik heb grote schrik van Erik’. ‘Ik begin stilaan voor mijn welzijn te vrezen.’ Het arrest stelt duidelijk dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de door D.M. beschreven gemoedsgesteldheid; dat aangenomen wordt dat de dreiging die D.M. voelde haar rust ernstig verstoorde. Het arrest vermeldt dat INP VERMEULEN er kennis van had dat D.M. klacht deed bij de dienst Ongewenste Intimiteiten van de stad Antwerpen en dat INP VERMEULEN door deze dienst werd gehoord en aangemaand werd klaagster met rust te laten; dat INP VERMEULEN erkent dat hij zich daaraan niet stoorde. IX-4934-4/26 De hogere tuchtoverheid heeft zich op basis van het arrest van het Hof van Beroep, volledig kunnen laten inlichten over de feiten die door INP VERMEULEN Eric werden gepleegd. Ook al is het arrest niet in kracht van gewijsde gegaan, werden de feiten door het Hof op een ernstige manier onderzocht en gemotiveerd weergegeven in het arrest.” 1.
  15. Op 1 september 2004 richt de verdediger van verzoeker een verzoek tot heroverweging aan de tuchtraad. Hij brengt daarin aan dat de straf niet in verhouding staat tot de ten laste gelegde feiten, dat de tuchtoverheid een beslissing neemt zonder dat er een gerechtelijke uitspraak is en dat die beslissing genomen wordt zonder kennisneming van het volledige strafdossier. 1.9.
  16. Op 19 oktober 2004 formuleert de inspecteur-generaal van de federale politie en van de lokale politie zijn schriftelijke beschouwingen. Hij stelt vast dat de hogere tuchtoverheid de materialiteit van de feiten bewijst door zich uitsluitend te baseren op de gegevens van het arrest van het hof van beroep, dat er bijgevolg geen andere gegevens beschikbaar zijn om de feitelijkheden te beoordelen, en dat, hoewel de bewoordingen van het arrest geen twijfel laten omtrent de begane feitelijkheden, zulks de tuchtoverheid niet ontslaat om met de nodige zorgvuldigheid die feiten en omstandigheden waarin ze zich voordeden te onderzoeken en bijgevolg het gerechtelijk dossier op te vragen, te analyseren en desnoods de nodige bijkomende onderzoeksdaden te verrichten. Hij besluit dat het dossier in zijn huidige stand niet in staat van wijzen is. 1.9.
  17. Op 20 oktober 2004 deelt de verdediger aan de voorzitter van de tuchtraad mee dat hij, “na een grondig gesprek”, te weten is gekomen dat verzoeker na zijn voorhechtenis “blijkbaar door de tuchtoverheid werd gehoord”, zonder dat het dossier daarvan een spoor bevat, dat hij tijdens deze hoorzitting werd gewezen op zijn foutief gedrag en dat “blijkbaar de tuchtprocedure reeds in 2000 is opgestart of afgewerkt”. Gevraagd wordt of het mogelijk is om onder meer de voormalig burgemeester en de korpschef als getuigen op te roepen. De verdediging ontwikkelt het volgend standpunt : op 28 juli 2000, datum van zijn aanhouding, is hij verhoord door commissaris PEENEN. Deze heeft de korpschef in kennis gesteld van de feiten, die op zijn beurt de burgemeester - op dat ogenblik de bevoegde tuchtoverheid - ingelicht heeft. Na zijn voorhechtenis is verzoeker bij de burgemeester uitgenodigd en dat gesprek -de “hoorzitting”- vond plaats in aanwezigheid van twee politie- ambtenaren. Met die hoorzitting heeft de burgemeester de tuchtprocedure opgestart, IX-4934-5/26 toen verzoeker is gewezen op zijn verkeerd gedrag en hij is ook aangespoord om “zich voortaan te gedragen”. 1.10.
  18. Op 25 oktober 2004 worden de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid (commissaris van politie PEENEN) en verzoeker, bijgestaan door twee verdedigers, door de tuchtraad gehoord. Blijkens het desbetreffend proces-verbaal : - bevestigt de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid dat zij zich voor de bewijsvoering van de tenlastelegging uitsluitend baseert op het arrest van 28 april 2004 van het hof van beroep van Antwerpen, hieraan toevoegend dat zij geen rekening houdt met het cassatieberoep omdat het arrest, ook al is het niet in kracht van gewijsde getreden, nog steeds gezag van gewijsde heeft en er in het arrest reeds voldoende elementen aanwezig zijn om met kennis van zaken te oordelen; - betreurt de verdediging dat er geen stukken in het dossier aanwezig zijn van het voorafgaand verhoor van 28 juli 2000 en van het verhoor van 27 september 2000; - repliceert de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid dat de hoorzitting van 28 juli 2000 er kwam omdat verzoeker werd aangehouden, waarna zijn wapen werd ingehouden, en dat er, toen hij vrijgelaten werd, een hoorzitting werd gehouden om te oordelen of het wapen al of niet verder ingehouden zou worden, hij legt ter zake een aantal bewijsstukken neer; 1.10.
  19. Op de zitting van de tuchtraad van 18 november 2004 legt de verdediging nieuwe stukken neer, onder meer een verklaring van 15 november 2004 van korpschef LAMINE waarin deze uiteenzet dat hij in augustus 2000 door de waarnemend korpschef in kennis werd gesteld van de vastgestelde feiten, dat hij van deze feiten, die werden onderzocht door ACI PEENEN, hoofd Interne Zaken, de tuchtoverheid (mevrouw DETIEGE, burgemeester) uitvoerig in kennis heeft gesteld, dat in samenspraak met de burgemeester werd beslist een maatregel te nemen op grond van Pol 26bis (inhouding wapen) en een ordemaatregel inhoudende de overplaatsing, dat er, ondanks het feit dat hijzelf en de burgemeester volledig in kennis werden gesteld van de vastgestelde feiten, geen andere maatregelen werden getroffen, dat zij van mening waren dat verzoeker door de ondergane voorhechtenis voldoende werd gestraft, en dat de overplaatsing reeds voor gevolg had dat verzoeker een aanzienlijk inkomstenverlies leed. In zijn verdedigingsnota die hij die dag neerlegt verwijst verzoeker voor wat “de procedure” betreft naar de schending van het non bis in idem - IX-4934-6/26 beginsel - hij is tijdens de hoorzitting van 27 september 2000 “gewezen op zijn verkeerd gedrag en aangespoord om zich voortaan te gedragen”, daarmee is hij gestraft en er kan hem nu geen tweede keer een straf worden opgelegd - en naar de verjaring - er is hem nooit medegedeeld dat een gerechtelijke einduitspraak zou afgewacht worden vooraleer een tuchtprocedure op te starten, de overheid had ten laatste in september 2000 kennis van de feiten en zij heeft toen geen tuchtprocedure opgestart, zij heeft dat ook niet gedaan nadat zij op 6 oktober 2003 in kennis was gesteld van het vonnis van de correctionele rechtbank, en door de uitspraak van het Hof van Cassatie niet af te wachten heeft zij expliciet te kennen gegeven dat zij niet op een gerechtelijke einduitspraak zou wachten, waaruit afgeleid mag worden dat zij geen toepassing wenste te maken van artikel 56, lid 2, van de tuchtwet. 1.
  20. Bij arrest van 23 november 2004 van het Hof van Cassatie wordt het cassatieberoep van verzoeker verworpen. Met een brief van 3 december 2004 bezorgt de burgemeester van de stad Antwerpen een kopie van dat arrest aan de voorzitter van de tuchtraad. 1.
  21. Op 14 december 2004 bezorgt de tuchtverdediger van verzoeker een bijkomende brief van korpschef LAMINE aan de voorzitter van de tuchtraad. In die brief verduidelijkt de korpschef dat hij bij het opleggen van de ordemaatregel -de overplaatsing naar de dienst strafregister- advies verleende aan de burgemeester, dat toen de overweging werd gemaakt dat de ordemaatregel reeds zeer ingrijpend was, dat daarenboven het afnemen van het wapen binnen het korps reeds een blamage is van zeer hoog niveau, dat met de burgemeester werd afgesproken dat deze maatregelen voldoende leken omdat zij toen op de hoogte waren van de feiten en dat hun voornaamste zorg daarbij was verzoeker in de maatschappij te reïntegreren, zorg te dragen dat hij een minimuminkomen kon behouden en dat door verdere begeleiding herhaling kon voorkomen worden. 1.13.
  22. Op 15 december 2004 vergadert de tuchtraad opnieuw. Blijkens het desbetreffend proces-verbaal adviseert de afge- vaardigde van de inspecteur-generaal, afgaand op de bijkomend neergelegde stukken dat, gelet op de inhoud van die bijkomende stukken, er geen twijfel kan bestaan dat de tuchtoverheid al had afgezien van verdere vervolging, dat hij om die reden adviseert af te zien van vervolging, dat zijn schriftelijke beschouwingen van ondergeschikte orde zijn en dat, te dien aanzien, naar zijn oordeel de gepleegde feiten IX-4934-7/26 aanleiding kunnen zijn tot een schorsing van 3 maanden. Op die zitting legt de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid volgende stukken neer :

(1)een brief van 6 september 2000 van hoofdcommissaris van politie LAMINE, waarin deze aan verzoeker meedeelt dat de raadkamer op 1 september 2000 besloten heeft om zijn aanhouding niet te verlengen, dat hij terug in vrijheid werd gesteld onder voorwaarde van onmiddellijk in behandeling te gaan bij een psychiater in verband met stalkingge- drag, verbod contact te hebben met of zich op te houden in de omgeving van de woonplaats en de werkomgeving van D.M. en verbod binnen en/of buiten dienstver- band enig wapen te dragen, dat zich, om deze voorwaarden te doen naleven, een ordemaatregel opdrong waarbij verzoeker werd overgeplaatst naar een andere locatie, namelijk de dienst Strafregister, en dat deze maatregel zal blijven gelden tot nader order;
(2)een brief van 26 september 2000 van de procureur des Konings te Antwerpen, waarin deze aan hoofdcommissaris van politie LAMINE meedeelt dat het psychiatrisch verslag in het gerechtelijk onderzoek besluit dat verzoeker in een ernstige staat van geestesstoornis verkeert waardoor hij ongeschikt is tot het controleren van zijn daden, en waarin hij het aangewezen acht dat de opdracht van verzoeker minstens zou herleid worden tot een administratieve functie;
(3)een brief van 26 september 2000 van hoofdcommissaris van politie LAMINE, waarin hij aan de procureur des Konings meedeelt dat verzoeker onmiddellijk na zijn vrijlating werd overgeplaatst naar de dienst Strafregister waar hij een administratieve taak vervult, dat zijn wapen nog steeds in verzekerde bewaring is genomen en dat vernoemde maatregelen ook werden genomen om te voldoen aan de voorwaarden die door de raadkamer voorop werden gesteld. Voorts merkt de hogere tuchtoverheid in dat proces-verbaal op dat er nooit een beslissing werd genomen om af te zien van vervolging en dat zij niet geneigd is rekening te houden met de brief van korpschef LAMINE, vraagt de tuchtverdediging, gelet op die betwisting, de voormalige burgemeester te horen, en neemt de voorzitter de zaak in beraad. 1.13.
  1. Op 20 december 2004 beveelt de tuchtraad een getuigenverhoor van voormalig burgemeester DETIEGE en hoofdcommissaris LAMINE, teneinde te vernemen : “- of zij meenden dat zij destijds voldoende waren ingelicht om te kunnen beslissen al dan niet een tuchtprocedure op te starten ? zo ja, op welk ogenblik dit tijdstip (wordt) bepaald ? zo neen, werd beslist te wachten op verdere informatie (afloop van de strafzaak) ?; - of zij formeel hebben beslist ten laste van (verzoeker) geen bijkomende tuchtprocedure op te starten ? en zo ja, op grond van welke motieven en of er van deze beslissing enig spoor kan worden teruggevonden ? IX-4934-8/26 - op welke manier en door wie destijds werd beslist over het al dan niet instellen van tuchtvorderingen ?” 1.13.
  2. Dat verhoor, afgenomen door de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie geeft volgend resultaat : Burgemeester DETIEGE antwoordt op de in het tussenadvies van de tuchtraad geformuleerde vragen als volgt : “Op basis van de documenten die ik gekregen had van de heer DUPONT, hoofdcommissariaat interne zaken, ging ik ervan uit dat ik genoeg informatie had om te weten dat betrokkene op dat ogenblik labiel was zodanig dat het Parket ook geoordeeld had dat hij moest opgenomen worden om een psychiatrisch onderzoek te kunnen doen. Gezien die informatie had ik voldoende elementen om geen tuchtprocedure op te starten maar nam wel zijn wapen af als bewarende maatregel” (antwoord op vraag 1); “Ik heb geen formele beslissing genomen maar ging ervan uit dat de afname van het wapen voldoende was en ik herinner mij niet dat er nadien nog over gesproken werd. Bij mijn weten is er hiervan geen spoor terug te vinden. Voor mij was de afname van het wapen het belangrijkste. Door mij werden er volgens ik mij herinner geen verdere maatregelen overwogen” (antwoord op vraag 2); “Het was zo dat de korpschef een voorstel deed dat mij overgemaakt werd en op basis van die voorstellen oordeelde ik. Concreet gezegd vond ik niet nodig om met de elementen waarover ik beschikte een tuchtprocedure op te starten of uit te stellen in afwachting van andere informatie. Vanuit het korps zelf werden mij geen bijkomende voorstellen gedaan zodat de zaak voor mij was afgesloten” (antwoord op vraag 3). Hoofdcommissaris LAMINE antwoordt op de in het tussenadvies van de tuchtraad geformuleerde vragen als volgt: “Zoals verklaard waren de burgemeester en ik voldoende op de hoogte van de feiten en werd er beslist geen tuchtprocedure op te starten of te wachten op de afloop van de strafzaak. Moesten er nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen, dat bij mijn weten niet het geval is in dit dossier, zouden wij bijgestuurd hebben” (antwoord op vraag 1); “Zoals verklaard zou er bijgestuurd worden indien er nieuwe feiten zouden komen. Nogmaals ik heb geen weet van nieuwe feiten” (antwoord op vraag 2); “Door de burgemeester tijdens het onderhoud dat zij had met VERMEULEN. Uit de ervaringen van de laatste twee jaar die ik zelf heb mogen meemaken, weet ik dat de cultuur van de ex rijkswacht om alles op papier te zetten nog niet zo slecht was” (antwoord op vraag 3). 1.
  3. Op 1 februari 2005 grijpt de vierde hoorzitting voor de tuchtraad plaats. IX-4934-9/26 Blijkens het desbetreffend proces-verbaal : - verklaart de afgevaardigde van de inspecteur-generaal van de lokale en federale politie dat uit de gevoegde stukken duidelijk blijkt dat de toenmalige tuchtoverheid voldoende kennis van de feiten had, dat DETIEGE en LAMINE ook duidelijk beslist hadden van vervolging af te zien, en dat het voorliggend dossier dan ook komt te vervallen; - repliceert de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid dat het noodzakelijk was de afloop van het strafrechtelijk onderzoek af te wachten en dat bovendien van de beslissing om af te zien van vervolging geen enkel formeel stuk te vinden is, en dat LAMINE en DETIEGE ook niet meer bevoegd zijn in voorliggend dossier; - verklaart de tuchtverdediging dat de hogere tuchtoverheid volledig ingaat tegen het “non-bis-in-idem-principe”. 1.
  4. Op 17 februari 2005 geeft de tuchtraad zijn advies. Onder het luik “De ontvankelijkheid van huidige tuchtvordering” adviseert de tuchtraad wat volgt : “De verdediging betoogt dat de tuchtoverheid in de loop van september 2000 definitief besliste voor de feiten van de tenlastelegging geen tuchtvervolging in te stellen zodat de thans gevoerde procedure strijdig is met het algemeen rechtsbeginsel ‘non bis in idem’. Op grond van de door de tuchtoverheid toegevoegde stukken (zie proces- verbaal van de zitting van de tuchtraad van 25 oktober 2004) staat vast dat de burgemeester van Antwerpen (mevrouw DETIEGE) op 27 september 2000 heeft geoordeeld dat de inhouding van het wapen van politiehoofdbrigadier VERMEULEN bleef gelden. In een verklaring van 15 november 2004 (zie bijlage aan het verweerschrift dat werd neergelegd op de zitting van de tuchtraad op 18 november 2004) bevestigt korpschef Luc LAMINE dat hij ‘tijdens de maand augustus 2000, na terugkomst uit vakantie, door de waarnemende korpschef werd in kennis gesteld van de vastgestelde feiten nopens de heer Erik VERMEULEN’. Volgens declarant werd destijds in samenspraak met de burgemeester beslist een maatregel te nemen op grond van Pol 26 bis (inhouding wapen) en een ordemaatregel inhoudende de interne overplaatsing. De heer LAMINE verklaart verder uitdrukkelijk dat geen andere maatregelen werden getroffen omdat de burgemeester en (hijzelf) de mening waren toegedaan dat door de ondergane voorhechtenis, de heer Erik VERMEULEN, - die toen reeds kampte met een depressie-, voldoende werd gestraft. In een bijkomende niet gedagtekende geschreven verklaring van korpschef LAMINE gericht aan Mter. EXELMANS (door de verdediging aan de tuchtraad toegezonden op 14 december 2004) stelt declarant dat na bespreking tussen hem en de burgemeester, zij toen als bevoegde tuchtoverheid de mening waren toegedaan dat de voormelde maatregelen voldoende leken. Als toelichting vermeldt hij dat het de zorg was van de burgemeester en van hemzelf dat Erik VERMEULEN zou reïntegreren in de maatschappij en dat (onder meer) door verdere begeleiding herhaling kon voorkomen worden. IX-4934-10/26 Ten einde meer duidelijkheid en inzicht te verwerven betreffende de precieze draagwijdte van de beslissingen van de burgemeester mevrouw DETIEGE werden (op verzoek van de tuchtraad) mevrouw DETIEGE en de heer LAMINE opnieuw verhoord. Mevrouw DETIEGE, die destijds optrad als tuchtoverheid van INP VERMEULEN, verklaart op 12 januari 2005 onvoorwaardelijk dat zij ‘het niet nodig vond om met de elementen waarover (zij) beschikte een tuchtprocedure op te starten of uit te stellen in afwachting van andere informatie’. Mevrouw DETIEGE voegt er aan toe dat de zaak voor haar was afgesloten. De heer LAMINE, verhoord op 14 januari 2005, bevestigt dat de burgemeester en (hijzelf) voldoende op de hoogte waren van de feiten en dat er werd beslist geen tuchtprocedure op te starten of te wachten op de afloop van de strafzaak. Niettegenstaande van deze beslissing geen geschrift werd opgesteld staat volgens de tuchtraad vast dat de op dat ogenblik bevoegde tuchtautoriteit met kennis van zaken heeft beslist geen tuchtvervolging in te stellen. De toenmalige tuchtoverheid voegt er zelfs aan toe dat zij over de feiten voldoende was ingelicht en dat voor het nemen van deze beslissing niet moest gewacht worden op andere informatie. Ter zitting van de tuchtraad betwistte de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid de draagwijdte van deze beslissing, voorhoudend dat het slechts ging om ‘een ordemaatregel’ en dat de genoemde autoriteiten vandaag geen tuchtbevoegdheid bezitten. De hogere tuchtoverheid, die vandaag optreedt, kan moeilijk voorhouden dat de bedoelde beslissing moet worden beschouwd als zijnde een ordemaatregel. De hogere tuchtoverheid verwart de maatregel van overplaatsing met de beslissing om geen tucht op te starten. Het argument dat heden noch mevrouw DETIEGE, noch de heer LAMINE enige tuchtbevoegdheid bezitten is totaal irrelevant. De tuchtoverheid die heden optreedt moet rekening houden met de rechtsgevolgen van de beslissingen getroffen door de rechtsvoorganger. Mevrouw DETIEGE heeft duidelijk gesteld dat haar beslissing niet afhankelijk is van de afloop van de strafrechtelijke vervolging. Haar beslissing was definitief en houdt in dat met kennis van zaken werd beslist af te zien van verdere bijkomende tuchtvervolging, ongeacht het resultaat van de strafrechtelijke afloop. Gelet op wat voorafgaat staat ook vast dat deze beslissing werd genomen eind september, begin oktober
  5. Niettegenstaande deze beslissing geen precieze datum heeft en ook niet formeel werd vastgelegd in een geschrift kan er geen redelijke twijfel bestaan nopens het bestaan van deze beslissing. De geldigheid van een dergelijke beslissing kan niet afhankelijk zijn van enige vormvereiste. Het volstaat dat het personeelslid het bewijs levert van de beslissing, hetgeen in casu is gebeurd. Volgens de tuchtraad kan niet ernstig getwijfeld worden aan de draagwijdte van een dergelijke beslissing. Deze beslissing impliceert dat geen tweede tuchtvordering meer kan worden ingesteld. De draagwijdte van deze beslissing negeren doet afbreuk aan de rechts- zekerheid en de ‘verworven rechten’ van INP VERMEULEN. Besluit De tuchtraad adviseert de hogere tuchtoverheid af te zien van de voorliggende vordering.” IX-4934-11/26 In ondergeschikte orde adviseert de tuchtraad dat de feiten bewezen zijn en worden toegerekend aan verzoeker en dat die feiten een tucht- vergrijp uitmaken, maar dat het dossier onvoldoende gegevens bevat om een ontslag uit het korps te verantwoorden. Hij adviseert tot het opleggen van een tuchtstraf van schorsing voor drie maanden. 1.
  6. Op 15 maart 2005 beslist de burgemeester om, in afwijking van het advies van de tuchtraad, het voorstel tot zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege te behouden. Die beslissing is uitvoerig gemotiveerd. Verzoeker dient op 25 maart 2005 een verweerschrift in. 1.
  7. Op 1 april 2005 beslist de burgemeester van Antwerpen om verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van amtswege op te leggen. Die beslissing maakt het voorwerp uit van de onderhavige vordering tot schorsing.
  8. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  9. Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat verzoeker in een eerste middel aanvoert dat het bestreden besluit het algemeen rechtsbeginsel “non bis in idem” miskent; dat hij daarvoor verwijst naar de hoorzitting die op 27 september 2000 bij de burgemeester plaatsgevonden heeft “naar aanleiding van zijn invrijheidstelling na voorhechtenis”; dat hij van oordeel is dat de verwerende partij -meer bepaald de burgemeester- met die hoorzitting de tuchtprocedure, zoals die toentertijd gevoerd diende te worden, opgestart heeft; dat hij dan betoogt dat tijdens die hoorzitting “gewezen werd op zijn verkeerd gedrag met de aansporing om zich voortaan te gedragen”, waaruit hij besluit dat hij daarmee “reeds gestraft (werd)” zodat de verwerende partij, door hem nu voor dezelfde feiten nog een tuchtstraf op te leggen, het non bis in idem-beginsel miskent; dat hij nog verduidelijkt dat de reden waarom hij deze onwettigheid niet eerder naar voren heeft gebracht ligt IX-4934-12/26 bij het feit dat hij “op dat ogenblik” in een diepe depressie verkeerde en dat de problematiek slechts door zijn verdedigers voor de tuchtraad op een rij gezet is; 3.
  10. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen in essentie stelt dat er geen stuk bestaat waaruit blijkt dat verzoeker reeds eerder werd gestraft, dat het opleggen van een ordemaatregel geen tuchtsanctie is, dat er ook geen stuk bestaat waaruit blijkt dat de tuchtprocedure in september of oktober 2000 werd opgestart -geen inleidend verslag, geen betekening daarvan of een uitnodiging van verhoor in het kader van een tuchtprocedure- of dat de tuchtoverheid zou besloten hebben dat de feiten niet tot een tuchtstraf aanleiding moest geven; dat zij benadrukt dat noch de burgemeester noch de korpschef in september 2000 de feiten, waarover de strafrechter uitspraak gedaan heeft, beoordeeld heeft “om de eenvoudige reden dat deze feiten op dat ogenblik onbekend waren aangezien ze slechts ter kennis gekomen zijn naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek”; Overwegende dat de verwerende partij dan, de uiteenzetting van de burgemeester in zijn beslissing om van het advies van de tuchtraad af te wijken overnemend, sterk samengevat betoogt wat volgt :
(1)het algemeen beginsel “non bis in idem” houdt in dat eenzelfde feit geen twee keer met een sanctie van dezelfde aard beteugeld mag worden, dat er in dit geval nog geen tuchtsanctie werd uitgesproken en dat het, nu er een gerechtelijk onderzoek tegen verzoeker was opgestart en hij de feiten ontkende, zelfs zou getuigd hebben van onzorgvuldigheid zo de burgemeester en de korpschef de uitslag van het lopende strafonderzoek niet afgewacht zouden hebben en zij reeds in september 2000 uitspraak zouden hebben gedaan in de tuchtzaak, terwijl dergelijke onzorgvuldigheid ook niet vermoed mag worden,
(2)ten onrechte wordt uit de verklaringen van de toenmalige burgemeester en korpschef afgeleid dat de burgemeester in september 2000 een beslissing genomen heeft die een latere tuchtvordering onmogelijk maakte, aangezien uit de verklaring enkel blijkt dat de burgemeester van oordeel was dat de gegevens waarover zij beschikte niet volstonden om een tuchtprocedure op te starten en er ook “bij herhaling” bij de procureur des Konings geïnformeerd is naar de stand van het onderzoek, terwijl uit de verklaring van de korpschef zelfs blijkt dat er in september 2000 geoordeeld werd dat er nog “een bijsturing” mogelijk was,
(3)bij het treffen van de zogenaamde beslissing om de tuchtvordering niet voort te zetten werd de procedure van artikel 317 van de nieuwe gemeentewet niet nageleefd, aangezien er geen inleidend verslag bestaat noch een oproeping voor een tuchtverhoor en aangezien er ook geen formeel en gemotiveerd besluit getroffen is, terwijl de IX-4934-13/26 burgemeester ook niet de bevoegdheid heeft om door zelf een eindbeslissing te nemen, de gemeenteraad, die de volheid van beslissingsbevoegdheid bezit, te binden
(4)het non bis in idem-beginsel kan slechts van toepassing zijn voor “dezelfde feiten”, maar dat is hier niet het geval aangezien het arrest van het hof van beroep -waarop de hier bestreden tuchtstraf steunt- feiten in aanmerking genomen heeft die uit het gerechtelijk onderzoek gebleken waren, terwijl de burgemeester en de hoofdcommis- saris met die feiten in september 2000 geen rekening mochten houden omdat zij geen toelating hadden gebruik te maken van stukken uit het gerechtelijk onderzoek en zij op dat ogenblik enkel beschikten over informatie die hen was medegedeeld in het kader van een beslissing over het inhouden van het wapen van verzoeker; 3.3.
  1. Overwegende dat het middel onbetwistbaar beperkt is tot de miskenning van het “non bis in idem”-beginsel; dat de Raad van State in het kader van een schorsingsprocedure, die wegens haar wezenskenmerk van de summaria cognitio voor een verzoeker de verplichting bevat om in alle duidelijkheid aan te geven welke precieze rechtsregel of rechtsbeginsel hij geschonden acht en waarom, een aangevoerd middel niet interpreteert of uitbreidt, maar zich strikt houdt aan de beoordeling van de onwettigheid zoals die door de verzoeker wordt aangevoerd; dat de omstandigheid dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen op eigen initiatief het verweer in een ruimer kader plaatst, geen reden kan zijn om het middel in de plaats van verzoeker een andere of een bijkomende grondslag te geven; Overwegende dat de schending van het non bis in idem-beginsel de vraag oproept of aan verzoeker voor dezelfde feiten twee tuchtstraffen opgelegd zijn; dat in het kader van dit middel in de huidige stand van het geding dan ook niet onderzocht wordt of er mogelijk in september 2000 zou besloten zijn om voor de feiten, waarvoor verzoeker nadien door het hof van beroep veroordeeld is, geen tuchtstraf op te leggen, in welk geval het bestuur niet zonder zijn eigen beslissing te miskennen en aldus de rechtszekerheid in het gedrang te brengen, de tuchtzaak die uitgelopen is op het bestreden besluit, heeft kunnen opstarten; 3.3.
  2. Overwegende dat, volgens verzoeker, hij op 27 september 2000 door de burgemeester gehoord is, dat daarmee een tuchtprocedure opgestart is overeenkomstig de toentertijd geldende bepalingen van de nieuwe gemeentewet en dat hij “tijdens deze hoorzitting gewezen (werd) op zijn verkeerd gedrag en aangespoord om zich voortaan te gedragen”; dat verzoeker daarin een straf IX-4934-14/26 onderkent waarmee de tuchtvordering definitief beëindigd werd, zodat de hier bestreden beslissing dan een tweede tuchtstraf voor dezelfde feiten betreft; 3.3.3.
  3. Overwegende dat verzoeker inderdaad op 27 september 2000 door de burgemeester gehoord is; dat uit de daarop betrekking hebbende stukken van het dossier en het proces-verbaal van dat verhoor duidelijk blijkt dat verzoeker toen opgeroepen was met het oog op de bevestiging van de beslissing van de korpschef om zijn dienstwapen af te nemen wegens het risico voor zijn eigen veiligheid en die van derden; dat dit verhoor daar als volgt is samengevat : “Verhoor : Betrokkene is momenteel in behandeling bij een psychiater, waar hij nog maar tweemaal op consultatie is geweest. Verdere afspraken zijn reeds gepland. Hij weet niet hoe lang de behandeling zal duren. Opvolging zal gebeuren en de behandelende psychiater zou een verslag overmaken aan de onderzoeksrechter. Hij mag ook geen wapen binnen en/of buiten dienstverband dragen. Betrokkene wacht de uitspraak af van het onderzoek. Beslissing : besluit van dit verhoor is dat de inhouding van het wapen blijft gelden.” 3.3.3.
  4. Overwegende dat uit dat proces-verbaal, noch uit de bij dat verhoor aansluitende briefwisseling opgemaakt kan worden dat de burgemeester verzoeker “gewezen heeft op zijn verkeerd gedrag en (hem) aangespoord heeft om zich voortaan te gedragen”, dat zij hem daarmee op een niet-officiële wijze heeft willen terechtwijzen, en dat zij die terechtwijzing als een echte tuchtstraf beschouwde waarmee de tuchtzaak tegen verzoeker afgesloten werd; Overwegende dat de op last van de tuchtraad uitgevoerde verhoren van toenmalig burgemeester DETIEGE en van toenmalig korpschef LAMINE evenmin met de vereiste duidelijkheid aantonen dat de burgemeester op 27 september 2000 verzoeker met een officieuze terechtwijzing heeft gestraft en aldus een eindbeslissing genomen heeft in de tuchtzaak; dat het gehele verhoor van beide gezagsdragers gericht was op de vraag of de burgemeester op 27 september 2000 besloten heeft geen tuchtvordering tegen verzoeker op te starten, hetgeen niet relevant is voor het beoordelen van het aangevoerde middel zoals het hier wordt onderzocht; dat, als er iets uit die verhoren blijkt, het precies is dat -zoals de tuchtraad heeft geconcludeerd- de burgemeester besloten heeft dat het afnemen van het wapen volstond en dat er zonder nieuwe bezwarende elementen, geen tucht- procedure moest ingesteld worden; IX-4934-15/26 Overwegende voorts dat de beslissing om het dienstwapen van verzoeker af te nemen -onderwerp van het verhoor van 27 september 2000- geen tuchtstraf is, zodat die maatregel niet tot de schending van het non bis in idem- beginsel kan leiden; dat hetzelfde geldt voor de administratieve overplaatsing van verzoeker naar een binnendienst waartoe de korpschef na de vrijlating van verzoeker had besloten; 3.3.
  5. Overwegende aldus dat het bewijs niet voorligt dat verzoeker reeds op 27 september 2000 op enige wijze tuchtrechtelijk werd gestraft voor de feiten die tot het hier bestreden besluit hebben geleid; dat het middel niet ernstig is; 4.
  6. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de verjaring van de tuchtvordering, zoals geregeld door artikel 56, lid 1, van de tuchtwet, aanvoert; dat hij stelt dat hem nooit medegedeeld is dat de tuchtoverheid zich op het standpunt plaatste dat zij een gerechtelijke eindbeslissing zou afwachten vooraleer een tuchtprocedure op te starten; dat hij betoogt enerzijds dat, zoals blijkt uit de “administratieve verhoren” -hij bedoelt de verhoren die commissaris PEENEN eind juli 2000 afgenomen heeft- en uit de kennisneming van het vonnis van de correctionele rechtbank, de tuchtoverheid medio 2000 of in ieder geval in oktober 2003 alle feiten kende maar dat zij toen nagelaten heeft de tuchtprocedure op te starten zodat zij dat op het ogenblik van het inleidend verslag niet meer kon doen en anderzijds dat de tuchtoverheid, door de tuchtvervolging uiteindelijk toch op te starten met inachtneming van de gegevens van het arrest van het hof van beroep zonder de uitslag van zijn cassatieberoep af te wachten, het bewijs levert dat zij voor de tuchtvordering afstand heeft genomen van de strafrechtelijke procedure, waardoor zij zich niet meer kan beroepen op de schorsing van de tuchtvordering bedoeld in artikel 56, lid 2, van de tuchtwet; 4.
  7. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmer- kingen betoogt dat “de feiten die aan het licht zijn gekomen n.a.v. het gerechtelijk onderzoek geenszins dezelfde feiten (zijn dan) die reeds gekend zouden zijn einde september/begin oktober 2000" en dat, zelfs als dat toch het geval zou zijn, er in dit geval geen verjaring ingetreden is, aangezien artikel 56, lid 2, van de tuchtwet duidelijk het instellen van de tuchtvordering uitstelt tot op het ogenblik van de kennisneming van de gerechtelijke eindbeslissing en aangezien het inleidend verslag aan verzoeker betekend is binnen de 6 maanden na de kennisneming van het arrest van het hof van beroep; dat zij daar aan toevoegt dat niet bewezen wordt dat de IX-4934-16/26 toenmalige burgemeester kennis heeft genomen -of rechtsgeldig kennis heeft kunnen nemen- van de processen-verbaal die commissaris PEENEN in het kader van het strafonderzoek had opgesteld, dat het vonnis van 30 september 2003 haar on- voldoende gegevens opleverde om de tuchtprocedure in te stellen en dat de tuchtoverheid die zich in het geval van artikel 56, lid 2, van de tuchtwet bevindt, niet verplicht is om de uitslag van de gerechtelijke procedure af te wachten; dat zij besluit dat het arrest van het hof van beroep een aantal tenlasteleggingen niet bewezen achtte en dat de tuchtoverheid zorgvuldig gehandeld heeft door dit arrest af te wachten en op grond daarvan de tuchtactie te voeren; 4.3.
  8. Overwegende dat voor de beoordeling van de verjaring van de tuchtvordering in de onderhavige zaak rekening gehouden moet worden met twee wetsbepalingen; dat enerzijds, wanneer zou blijken dat de burgemeester -toentertijd een gemeentelijk orgaan dat verzoeker tuchtrechtelijk kon bestraffen- einde september 2000 de vereiste kennis had van de feiten waarvoor hij met het bestreden besluit gestraft is, rekening gehouden moet worden met artikel 317 van de nieuwe gemeentewet, naar luid waarvan geen tuchtvordering meer kan ingesteld worden na verloop van zes maanden sinds de kennisneming van de feiten; dat anderzijds, in het kader van het nieuwe statuut van het politiepersoneel dat vanaf 1 april 2001 van toepassing is, artikel 56 van de tuchtwet voorschrijft dat, op straffe van verval van de tuchtvordering, het inleidend verslag aan de politieambtenaar betekend moet worden binnen de zes maanden na de kennisneming of de vaststelling van de feiten door de bevoegde tuchtoverheid; dat beide wetsbepalingen op gelijkaardige wijze voorzien in de schorsing van de strafvordering wanneer de feiten het voorwerp uitmaken van een strafrechtelijke procedure; 4.3.
  9. Overwegende dat de Raad van State in het arrest nr. 135.028 van 20 september 2004 erop gewezen heeft dat artikel 56, lid 2, van de tuchtwet geen interpretatie behoeft en dat die bepaling de termijn waarbinnen een tuchtvordering ingesteld moet worden -de termijn waarbinnen het inleidend verslag betekend moet worden- in de daar genoemde gevallen slechts laat aanvangen op het ogenblik van de kennisneming van de definitieve uitspraak van de gerechtelijke overheid; dat die stelling voor de onderhavige zaak wordt bijgevallen; dat de wet de toepassing van artikel 56, lid 2, niet afhankelijk maakt van een voorafgaande verwittiging vanwege het bestuur; dat deze door de wet vastgestelde stuiting van de verjaringstermijn aan het bestuur de mogelijkheid biedt om zonder formele beslissing de tuchtprocedure uit te stellen; dat de wet het bestuur daar evenwel niet toe verplicht; dat, in tegenstelling IX-4934-17/26 tot wat verzoeker denkt, de omstandigheid dat het bestuur aanvankelijk van oordeel is dat het niet voldoende voorgelicht is om zonder de gegevens van het strafonder- zoek de tuchtvordering te starten, niet belet dat het bestuur na verloop van tijd tot andere inzichten komt en alsnog voor het afsluiten van de strafrechtelijke procedure de tuchtvordering opstart met de gegevens waarover het op dat ogenblik beschikt; 4.3.
  10. Overwegende dat de Raad van State geen reden ziet om de redenering ten aanzien van artikel 56, lid 2, van de tuchtwet niet door te trekken naar artikel 317, lid 2, van de nieuwe gemeentewet; dat, in het kader van het hier besproken middel de conclusie dan is dat, aangezien de feiten waarvoor verzoeker tuchtrechtelijk vervolgd is geworden, in september 2000 -periode waarin de burgemeester via de korpschef kennis kreeg van de feiten- het voorwerp uitmaakten van een strafrechtelijk onderzoek, het bestuur overeenkomstig artikel 317, lid 2, van de nieuwe gemeentewet geen initiatief met betrekking tot de tuchtvervolging diende te nemen, dat bij de inwerkingtreding van het nieuwe politiestatuut, artikel 56, lid 2, van de tuchtwet dat bestuur dezelfde bescherming bood zodat de korpschef, bij de ontvangst van het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kon beslissen over voldoende gegevens te beschikken om een inleidend verslag op te stellen; dat de korpschef, door op 7 juni 2004 het inleidend verslag op te stellen, artikel 56, lid 2, van de tuchtwet niet geschonden heeft; dat verzoeker nog wel betoogt dat de korpschef voordien reeds kennis had gekregen van het vonnis van 30 september 2003 waarbij hij correctioneel veroordeeld werd, maar dat, vooreerst, zulks in het kader van de vraag naar de schending van artikel 56, lid 2, niet relevant is en dat, vervolgens, in de huidige stand van de rechtspleging te dien aanzien met de verwerende partij wordt aangenomen dat verzoeker de feiten bleef betwisten en dat hij hoger beroep aangetekend had tegen dat vonnis, zodat het niet onlogisch lijkt dat het bestuur toen wenste te wachten totdat in beroep uitspraak was gedaan over het bewijs van de feiten; dat het middel niet ernstig is; 5.
  11. Overwegende dat verzoeker in het derde middel de schending aanvoert van de zorgvuldigheids- en van de motiveringsverplichting, doordat de burgemeester besloten heeft van het advies van de tuchtraad af te wijken, maar dat hij ter verantwoording van die beslissing geen enkel gegeven aanbrengt dat niet reeds aan de tuchtraad was voorgelegd en dat die raad niet reeds in zijn advies betrokken heeft; dat hij betoogt dat het advies van de tuchtraad een centrale plaats heeft in de tuchtprocedure; dat hij ook stelt dat, hoewel de toenmalige burgemeester en korpschef verklaard hebben dat zij het niet nodig achtten een tuchtvordering op te IX-4934-18/26 starten, de burgemeester zonder zijn standpunt te staven blijft stellen dat er in 2000 geen tuchtvordering ingesteld is; dat hij besluit dat, aangezien hem een zware tuchtstraf opgelegd is, hij mocht verwachten dat deze beslissingen een “nauwkeurige en precieze” motivering zou bevatten; 5.
  12. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmer- kingen betoogt dat het middel onduidelijk is en, wat de schending van het zorgvuldig- heidsbeginsel betreft, niet geargumenteerd; dat zij, wat betreft de schending van de motiveringsverplichting, stelt dat de burgemeester van het advies van de tuchtraad mocht afwijken mits hij zijn beslissing zorgvuldig en omstandig motiveerde, dat hij dat wel degelijk gedaan heeft -ook met argumenten die niet reeds aan de tuchtraad waren voorgelegd-, dat verzoeker zich tegen die motivering eigenlijk niet verweerd heeft en dat verzoeker overigens niet aanduidt welk middel of argument van het bestreden besluit reeds door de tuchtraad beslecht zou zijn geworden; 5.
  13. Overwegende dat de beslissing van de burgemeester om af te wijken van het advies van de tuchtraad zeer uitvoerig gemotiveerd is; dat de bestreden beslissing niet onwettig is -meer bepaald in het kader van dit middel onvoldoende gemotiveerd of onzorgvuldig tot stand gekomen- om de enkele reden dat de motivering geen andere argumenten zou bevatten dan deze welke de tuchtraad reeds in zijn advies heeft kunnen betrekken -wat de verwerende partij overigens betwist-; dat in de mate dat verzoeker aanvoert dat de burgemeester zonder deugdelijke reden blijft voorhouden dat er vroeger geen tuchtvordering heeft bestaan, hij zijn eigen argumentatie onderuit haalt met het argument dat de toenmalige burgemeester en korpschef uitdrukkelijk verklaard hebben dat zij het in september 2000 niet nodig vonden een tuchtvordering op te starten; dat het middel, zoals het aan de Raad van State wordt voorgelegd, niet ernstig is; 6.
  14. Overwegende dat verzoeker in het vierde middel de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel en de rechten van verdediging, doordat in het tuchtdossier een aantal stukken ontbreken die nochtans noodzakelijk zijn om de strafmaat te kunnen bepalen, met name de stukken met betrekking tot de ordemaat- regelen die tegen hem werden genomen, de stukken met betrekking tot zijn voorlopige schorsing en alle stukken van het opsporingsonderzoek; 6.
  15. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmer- kingen daar op antwoordt dat verzoeker niet in concreto aantoont op welke wijze zijn IX-4934-19/26 rechten van verdediging en de zorgvuldigheidsverplichting geschonden zijn, dat de stukken met betrekking tot de inhouding van het dienstwapen die tijdens de procedure voor de tuchtraad werden voorgelegd reeds in het bezit van verzoeker waren, dat de rechten van verzoeker niet gekrenkt zijn doordat de stukken met betrekking tot zijn voorlopige schorsing -die hij overigens kende- niet bij het dossier gevoegd zijn, dat de stukken van het strafrechtelijk onderzoek niet in het bezit van de verwerende partij zijn -zij had zelfs geen toelating om die stukken in te zien- en dat verzoeker zelf kennis blijkt te hebben van die gegevens aangezien hij uitvoerig citeert uit bepaalde processen-verbaal; 6.
  16. Overwegende dat de stelling van de verwerende partij wordt bijgevallen; dat verzoeker inderdaad niet verduidelijkt waarom het ontbreken, in het tuchtdossier, van de stukken met betrekking tot zijn voorlopige schorsing zijn rechten van verdediging geschonden zouden hebben of op welke wijze de verwerende partij daarmee tekort zou zijn gekomen aan de zorgvuldigheidsplicht; dat de stukken met betrekking tot de inhouding van het dienstwapen van verzoeker tijdens de procedure voor de tuchtraad bij het dossier gevoegd zijn en dat niet ingezien wordt waarom de verwerende partij de stukken van het strafonderzoek bij het dossier zou moeten voegen, wanneer zij daar zelf nooit kennis van gehad heeft; dat het middel niet ernstig is; 7.
  17. Overwegende dat verzoeker in het vijfde middel, ontleend aan de schending van de zorgvuldigheidsplicht en de rechten van verdediging, uiteenzet dat de verhoren van het gerechtelijk onderzoek afgenomen zijn door commissaris PEENEN, afgevaardigde van de tuchtoverheid en dat de tuchtoverheid stukken heeft achtergehouden die belangrijk zijn voor hem, te weten de verhoren afgenomen in juli 2000 en de stukken betreffende de hoorzitting bij de burgemeester van 27 september 2000; dat hij van oordeel is dat de verwerende partij “onwaardig” gehandeld heeft en dat de objectiviteit zoek is aangezien “van een onderzoeker verwacht mag worden dat hij objectief handelt en niet later in de procedure op het voorplan treedt als vervolgende partij”; 7.
  18. Overwegende dat de verwerende partij toegeeft dat commissaris PEENEN de gerechtelijke verhoren van verzoeker afgenomen heeft maar dat het feit dat met deze stukken uit het gerechtelijk onderzoek geen rekening gehouden is, precies de objectiviteit van de betrokkene aantoont en dat hij zich in de procedure IX-4934-20/26 voor de tuchtraad onmiddellijk heeft laten vervangen toen verzoeker zijn objectiviteit in vraag stelde; 7.
  19. Overwegende dat verzoeker ook nu niet concreet aantoont op welke wijze de zogenaamd achtergehouden stukken zijn rechten van verdediging beknot hebben; dat voorts uit de door verzoeker aangebrachte gegevens noch uit het dossier dat aan de Raad van State is voorgelegd, opgemaakt kan worden dat commissaris PEENEN, die verzoeker aanvankelijk verhoorde in het kader van het strafonderzoek en die vervolgens in de tuchtzaak opgetreden is als vertegen- woordiger van de tuchtoverheid, zijn opdrachten niet met de vereiste objectiviteit vervuld zou hebben of dat hij de belangen van verzoeker zou hebben geschaad; dat het middel niet ernstig is; 8.
  20. Overwegende dat verzoeker in het zesde middel de schending aanvoert van het redelijkheids-, het evenredigheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel; dat hij betoogt wat volgt: volgens de tuchtraad kan een ontslag van ambtswege niet worden opgelegd dan wanneer blijkt dat elke samenwerking tussen de ambtenaar en het bestuur onmogelijk geworden is en betrokkene niet meer in de dienstverlening ingeschakeld kan worden, maar in dit geval is niet aangegeven of blijkt in ieder geval niet uit het dossier waarom het gedrag en de aanwezigheid van verzoeker in de dienst niet te verzoenen zijn met het dienstbelang; had de tuchtoverheid het strafdossier voorgelegd, dan was gebleken dat de tenlastelegging geen definitieve verwijdering uit de dienst noodzakelijk maakte; de strafrechter heeft overigens geen effectieve gevangenisstraf opgelegd en verzoeker heeft een blanco tuchtverleden, maar daar heeft de verwerende partij geen rekening mee gehouden; hij betwist niet dat de feiten ernstig zijn, maar hij is tot inkeer gekomen en de strafrechter heeft beslist geen effectieve straf op te leggen en daarmee moest de tuchtoverheid bij het opleggen van de tuchtsanctie rekening houden; hij heeft in zijn verdediging voor de tuchtraad er meermaals op gewezen dat hij een zeer moeilijke relationele periode doormaakte en in een depressieve toestand verkeerde; bovendien is zijn tuchtrechtelijk verleden van onberispelijke aard en heeft hij geen enkele tuchtsanctie opgelopen, ook na het plegen van de feiten heeft hij geen feiten meer gepleegd; het staat buiten kijf dat er geen enkele weerslag was op de dienst, nu de feiten zich voordeden in zijn privéleven; de kans op recidive is nihil; na het plegen van de feiten is hij terug ingezet op de dienst Strafregister; de feiten hebben dus geen definitieve verstoring ten aanzien van de uitoefening van zijn beroep met zich meegebracht; ten titel van bijzonder strenge IX-4934-21/26 waarschuwing zou het aangewezen geweest zijn een sanctie uit te spreken die zich onmiddellijk lager situeert dan de thans bestreden sanctie; 8.
  21. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmer- kingen uiteenzet wat volgt: de vraag rijst of de hogere tuchtoverheid de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid overschreden heeft, meer bepaald of er een kennelijke wanverhouding kan worden ontwaard tussen de gepleegde feiten en de opgelegde straf; bij de motivering van de strafmaat is gewezen op de ernst van de feiten, het feit dat de feiten zich hadden voorgedaan over een zeer lange periode en het voorwerp hebben uitgemaakt van verschillende individuele acties, en het feit dat klacht werd ingediend en dat verzoeker kennis had van de klacht; tevens werd gewezen op verzoekers voorbeeldfunctie en op het feit dat verzoeker door zijn handelswijze D.M. persoonlijk bedreigde; daarnaast kan worden vastgesteld dat de beslissing verzoekers pensioenrechten niet aantast; uiteraard is het niet ondenkbaar dat een tuchtoverheid voor dezelfde feiten een lichtere straf zou kunnen opleggen; het is echter eigen aan de uitoefening van de discretionaire tuchtbevoegdheid dat uiteenlopende beslissingen denkbaar zijn die nochtans elk de toets van het evenredigheidsbeginsel kunnen doorstaan; een tuchtstraf staat niet buiten verhouding tot de vastgestelde feiten omdat er afgeweken wordt van het advies van de tuchtraad; de burgemeester heeft op afdoende wijze uiteengezet waarom hij niet meer kan dulden dat verzoeker nog in het politiekorps dient; het is niet omdat een bepaalde sanctie zwaar overkomt of moeilijk kan aangenomen worden dat de grenzen van de discretionaire beslissingsbevoegdheid worden overschreden; dit zou enkel het geval zijn indien moet worden vastgesteld dat geen enkel redelijk handelende tuchtrechtelijke instantie dezelfde beslissing zou hebben genomen. 8.3.
  22. Overwegende dat de tuchtraad in zijn advies van 17 februari 2005 heeft gesteld dat de tuchtoverheid het bewijs van de feiten en van de strafmaat steunt op het arrest van het hof van beroep en dat zij geen kennis genomen heeft van het strafdossier, hetgeen de vraag oproept of de verwerende partij wel over alle appreciatiegegevens beschikt terwijl de citaten uit het arrest de voorgestelde strafmaat niet grondig onderbouwen en rechtvaardigen; dat hij vervolgens vastgesteld heeft dat de feiten zich buiten de ambtsuitoefening situeren, dat het slachtoffer door de gepleegde feiten wel gestoord is maar geen daadwerkelijke bedreiging ondervon- den heeft en dat de tuchtoverheid niet aantoont dat de “aard en de gevolgen” van de feiten de publieke opinie hebben beroerd zodat aangenomen dient te worden dat alleen de belaagde persoon kennis had van de feiten; dat hij besluit dat verzoeker IX-4934-22/26 misschien wel de waardigheid van het beroep in het gedrang gebracht heeft, maar dat zulks niet betekent dat hij daardoor elk vertrouwen verloren heeft en dat verdere samenwerking onmogelijk is, dat de strafrechter verzoeker een gunst verleend heeft door hem niet tot een verdere effectieve gevangenisstraf te veroordelen, dat verzoeker een blanco tuchtblad heeft, dat de feiten een strenge afkeuring verdienen maar dat, wegens het tijdsverloop sinds het plegen van de feiten, een schorsing van drie maanden kan volstaan; Overwegende dat het bestreden besluit, wat de strafmaat betreft, de volgende motivering bevat : “Door VERMEULEN wordt verwezen naar zijn onberispelijke staat van dienst en wordt verzocht rekening te houden met de proportionaliteit inzake bestraffing. De hogere tuchtoverheid verwijst naar hoger in deze beslissing. Zoals hoger gesteld zijn de feiten ernstig. De feiten hebben een weerslag op het aanzien van de politie en dit ondanks het feit dat de feiten niet werden gepleegd tijdens de uitoefening van zijn ambt. Het feit dat de strafrechter een gunstmaatregel verleende nu de gevangenis- straf van 4 maanden werd uitgesproken met uitstel voor een termijn van 3 jaar met uitzondering van de reeds ondergane hechtenis, neemt niet weg dat de feiten ernstig zijn nu zij zich hebben voorgedaan gedurende een zeer lange periode en voorwerp hebben uitgemaakt van verschillende individuele acties. Er kan dan ook geen sprake zijn van een eenmalige gebeurtenis. Het betreft echter een hele reeks van feiten. Ondanks het feit dat VERMEULEN kennis had van de klacht bij de Dienst Ongewenste Intimiteiten, en kennis had van de impact van zijn acties op het slachtoffer, bleef hij verdere feiten plegen. Voor een politieagent is dit uitermate ernstig. De hogere tuchtoverheid is van oordeel dat de voor de politiefunctionaris essentiële vertrouwensrelatie tussen hemzelf en de korpslei- ding definitief is verstoord. VERMEULEN heeft als politiefunctionaris de taak om de wet te doen naleven en de burgers bijstand te verlenen. Uit de inhoud van het arrest van het Hof van Beroep blijkt echter, dat betrokkene de rust van een kennis m.n. D.M. ging verstoren in een dusdanige mate, dat de vrouw zich persoonlijk bedreigd voelde, grote angst kreeg van VERMEULEN en begon te vrezen voor haar welzijn. De aangehaalde feiten stellen duidelijk dat VERMEULEN niet de juiste attitude heeft die van een politiefunctionaris mag worden verwacht en dat hij volhardt in zijn boosheid, ook al vernam hij dat D.M. wenste met rust gelaten te worden. Ook al situeren de feiten zich volledig buiten de ambtsuitoefening, toch wordt in het arrest terecht opgemerkt dat VERMEULEN een voorbeeldfunctie te vervullen heeft in die zin, dat van een dergelijk ambtenaar mag verwacht worden, dat hij zelf geen misdrijven pleegt. Dat betrokkene, door zich toch schuldig te maken aan feiten van belaging, te kort schoot in zijn voorbeeldfunctie en blijk heeft gegeven van een laakbaar gedrag. Uit de aangehaalde motiveringen die in het arrest zijn opgenomen werd van betrokkene een beeld geschetst, waarbij het vertrouwen dat de burgers in deze politiefunctionaris zouden moeten hebben, ten gronde werd geschokt en onherstelbaar werd beschadigd. IX-4934-23/26 Evenmin blijkt uit het arrest van het Hof van Beroep dat VERMEULEN oprecht zijn spijt betuigde t.a.v. het slachtoffer en tot inzicht was gekomen dat de feiten als ernstig en strafrechtelijk vervolgbare handelingen dienden te worden beschouwd. Zoals VERMEULEN het zelf aangeeft, kon hij D.M. doorgronden en was hij bijgevolg perfect op de hoogte van de angsten die hij door zijn gedrag aan haar bezorgde. Het is de taak van de tuchtoverheid om alles in het werk te stellen om de veiligheid van de burgers na te streven. Het is de taak van de tuchtoverheid om de burgers te beschermen tegen een politiebeambte die uit eigenbelang er bewust genoegen in schept om een burger angst aan te jagen. Dergelijk individu hoort niet thuis in een politiekorps. De hogere tuchtoverheid komt dan ook tot het besluit dat ondanks het blanco tuchtrechtelijk strafregister, ondanks de gunstige waarderingen, ondanks het feit dat de feiten werden gepleegd in de privé-sfeer, deze feiten als ernstig moeten worden beschouwd, een weerslag hebben op het korps en een definitieve verstoring van de vertrouwensrelatie met zich hebben meegebracht zodat het ontslag van ambtswege als tuchtstraf moet worden uitgesproken.” 8.3.
  23. Overwegende dat het advies van de tuchtraad een belangrijk stuk is in het besluitvormingsproces over een tuchtstraf; dat de onafhankelijkheid van dat orgaan borg staat voor een geobjectiveerde benadering van de concrete gevallen die hem worden voorgelegd en dat de tuchtraad, wegens zijn algemene bevoegdheid, goed geplaatst is om de beslissingen van de autonome tuchtoverheden te stroom- lijnen, ook wat de strafmaat betreft; dat, dit voor ogen houdende kritisch toegezien moet worden op een beslissing waarbij de tuchtoverheid in belangrijke mate afwijkt van de geadviseerde strafmaat, evenwel zonder daarbij uit het oog te verliezen dat het toezicht van de Raad van State ter zake slechts marginaal is; 8.3.
  24. Overwegende dat het wezenlijk gegeven waarop de tuchtraad zijn advies steunt, ligt in de omstandigheid dat de strafrechtelijk beteugelde inbreuk zich in de private levenssfeer van een beperkt aantal personen situeert, dat de rechtstreeks betrokkene er wel ongemak van heeft ondervonden maar geen materieel nadeel, dat de zaak niet in de bekendheid is gekomen en dat niet aangetoond is dat verzoeker onmogelijk nog in het korps kan functioneren; dat in het bestreden besluit daarop geantwoord wordt dat de feiten ernstig zijn aangezien zij gespreid zijn over een lange periode en bestaan uit een hele reeks van individuele acties en dat deze feiten als “uitermate ernstig” worden gezien omdat verzoeker als “politieagent” zijn acties nog heeft voortgezet nadat hij kennis had van de klacht van de betrokkene bij de dienst Ongewenste Intimiteiten en wist welke impact zijn daden hadden op het slachtoffer; dat er voorts gesteld wordt dat verzoeker de rust van een kennis in die mate verstoord heeft dat zij zich persoonlijk bedreigd voelde en hem ging vrezen, wat niet IX-4934-24/26 de correcte attitude is van een politieman die tot taak heeft de wet te doen naleven en de burgers bijstand te verlenen en dat de omstandigheid dat de feiten buiten de ambtsuitoefening zijn gebeurd niet belet dat hij tekortgekomen is aan de voorbeeld- functie van een politieman en het vertrouwen van de burger ten gronde geschokt en onherstelbaar beschadigd heeft, terwijl een politiebeambte die er “uit eigenbelang bewust genoegen in schept om een burger angst aan te jagen (...) niet thuishoort in een politiekorps”; 8.3.
  25. Overwegende dat het bestreden besluit niet duidelijk antwoordt op de vaststelling van de tuchtraad dat de feiten niet naar buiten uit bekend geraakt zijn en dat bijgevolg de stelling dat het vertrouwen dat de burgers in verzoeker zouden moeten kunnen stellen “ten gronde werd geschokt en onherstelbaar werd beschadigd” niet kan verantwoorden waarom verzoeker uit het korps verwijderd wordt; dat, los daarvan, de burgemeester evenwel ook zwaar tilt aan het feit dat verzoeker, hoewel hij wist dat zijn initiatieven geen respons kregen, zijn opzet toch doorgedreven heeft, ook nadat hij daarvoor bij de dienst Ongewenste Intimiteiten was opgeroepen, hij daar aangemaand was om de betrokken vrouw met rust te laten en hem duidelijk was gemaakt dat hij voor de feiten aangehouden kon worden; dat dan, in het kader van het hier onderzochte middel, de vraag rijst of de burgemeester kennelijk onredelijk gehandeld heeft wanneer hij, tegen de tuchtraad in, dat gegeven naar voren brengt en op grond daarvan besluit dat de vertrouwensband tussen verzoeker en de korpslei- ding definitief verstoord is; dat, nu de tuchtraad geen bijzondere aandacht besteed blijkt te hebben aan dit specifiek feitelijk gegeven, de Raad van State in de huidige stand van de zaak besluit dat, hoewel het misdrijf waarvoor verzoeker veroordeeld werd en de omstandigheden waarin het gepleegd werd -zoals door de tuchtraad geschetst- op zich niet van aard zijn om het vertrouwen van de korpsleiding onherroepelijk te verstoren, de bewezen halsstarrigheid van verzoeker een bijzonder gegeven vormt dat verhindert dat de beslissing van de burgemeester elke redelijkheid te buiten gaat; dat het middel niet ernstig is;
  26. Overwegende dat geen van de door verzoeker aangevoerde middelen ernstig zijn, IX-4934-25/26 BESLUIT: Artikel
  27. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  28. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf december 2000 en vijf, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4934-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.207 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.289 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.428 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.