← België

Arrest 152208 - - 05/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.208 Rolnummer: A. 127813/XIV-12060 Zaak: Arrest 152208 - - 05/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-16 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-03 06:03 Fiche Arrest nr 152.208 van 5 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.208 van 5 december 2005 in de zaak A. 127.813/XIV-12.

  1. In zake : 1.XXX 2.XXX, die wonen te 1030 BRUSSEL tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Macedonische nationaliteit, op 3 augustus 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 16 juli 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 mei 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 27 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partijen en van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; XIV-12.060-1/6 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partijen België binnenkomen op 8 mei 2001 en zich vluchteling verklaren op 17 mei 2001; dat op 22 mei 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 16 juli 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissingen zijn, die luiden als volgt: - Inzake de eerste verzoekende partij: “Volgens uw verklaringen bent u een etnische Albanees afkomstig uit Stajkovc (Skopje) in Macedonië. U diende op 20 januari 1997 in België een eerste asielaanvraag in, die door het Commissariaat-generaal op 22 mei 1997 werd afgesloten met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf In juni 2000 zou u naar Macedonië teruggekeerd zijn. U zou daar lid geworden zijn van de Democratische Partij van Albanezen (DPSh). Rond juli 2000 zou u door de politie betrapt zijn toen u affiches plakte voor deze partij. Samen met drie anderen zou u meegenomen zijn naar het politiebureau, waar men u gedurende twee dagen vastgehouden en mishandeld zou hebben. In augustus 2000 zou de politie twee keer bij u thuis langs geweest zijn op zoek naar materiaal van de PDSh, maar ze zouden niets gevonden hebben. Om verdere problemen te vermijden zou u in oktober 2000 beslist hebben uit de partij te stappen. Tot april 2001 zou u geen problemen gehad hebben. Op 25 april 2001 zou de politie bij u thuis naar wapens gezocht hebben. U zou meegenomen zijn naar het politiebureau en u zou daar mishandeld zijn. Men zou ook gepolst hebben of u nog steeds actief was voor de PDSh. Na twee dagen zou men u vrijgelaten hebben, maar men zou u mondeling meegedeeld hebben dat u zich om de week bij de politie diende aan te bieden. Onmiddellijk na uw vrijlating zou u ondergedoken zijn bij een tante in Studenican. Op 30 april 2001 zou de politie u thuis komen zoeken zijn. Op 3 mei 2001 zou uw echtgenote ook naar Studenican gekomen zijn en de volgende dag zou u samen met haar Macedonië verlaten hebben richting België, waar u zou zijn aangekomen op 8 mei
  3. Op 17 mei 2001 diende u hier een tweede asielaanvraag in. U beschikt over een Macedonisch rijbewijs en over uw huwelijksakte. Er dient te worden opgemerkt dat u geenszins aannemelijk hebt gemaakt werkelijk lid geweest te zijn van de PDSh. U stelde immers dat op het moment dat u lid geworden zou zijn van de PDSh (na uw terugkeer naar Macedonië in juni 2000) deze partij geen deel uitgemaakt zou hebben van de regeringscoalitie (p. 4 van het verhoorverslag). In werkelijkheid echter maakt de PDSh sinds 30 november 1998 officieel deel uit van de Macedonische regering. Het is uiterst, ongeloofwaardig dat een activist van een politieke partij (zoals u zichzelf noemde, p. 3 van het verhoorverslag) niet zou weten of zijn partij al dan niet aan de macht is. Bovendien wist u de datum niet van de verkiezingen waarvoor u nochtans beweerde affiches geplakt te hebben. U stelde op de Dienst Vreemdelingenzaken dat deze verkiezingen plaatsvonden in juli 2000 en op het Commissariaat-generaal dat deze gehouden werden in juli of augustus
  4. In werkelijkheid werd er in september 2000 gestemd in Macedonië. Bovendien stelde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat het parlementsverkiezingen betroffen en dat na de verkiezingen de voorzitter van de DPSh minister van binnenlandse zaken werd. In werkelijkheid werden in 2000 in Macedonië alleen lokale verkiezingen gehouden. De laatste parlementsverkiezingen in Macedonië vonden plaats in 1998 en leidden er niet toe dat een lid van de DPSh minister van binnenlandse zaken geworden zou zijn. Daarnaast dient nog gewezen te worden op een aantal tegenstrijdigheden tussen uw opeenvolgende verklaringen. Zo stelde u op de dient Vreemdelingenzaken dat u reeds in juli 1997 (vraag 41) vanuit België naar Macedonië terugkeerde, terwijl u op het commissariaat- generaal verklaarde pas in juni 2000 teruggekeerd te zijn. Verder beweerde u ten overstaan van de dienst Vreemdelingenzaken in juni 2000 gedurende zes uur door de politie opgesloten te zijn, terwijl u op het commissariaat-generaal verklaarde toen gedurende twee dagen vastgehouden te zijn. Ten slotte stelde u op de dienst Vreemdelingenzaken dat u na uw aanhouding in april 2000 van de politie een aangetekende brief meekreeg waarin stond dat u XIV-12.060-2/6 zich elke week moest aanbieden, terwijl u ten overstaan van het commissariaat-generaal verklaarde dat dit u mondeling meegedeeld werd en dat u geen brief meekreeg (p 7 van het verhoorverslag) Gelet op bovenstaande vaststellingen kan geen geloof gehecht worden aan uw vluchtrelaas.”; - Inzake de tweede verzoekende partij: “Volgens uw verklaringen bent u een etnisch Albanese afkomstig uit Stajkovc (Skopje, Macedonië). Op 4 mei 2001 zou u Macedonië verlaten hebben richting België, waar u aankwam op 8 mei 2001 en waar u op 17 mei 2001 een asielaanvraag indiende. U beschikt over een Macedonische identiteitskaart. Er dient te worden opgemerkt dat u uw asielaanvraag steunt op de motieven die werden ingeroepen door uw echtgenoot, H. B.. In het kader van het door deze laatste ingediende dringend beroep werd echter door het Commissariaat-generaal een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen. Bijgevolg kan ook wat u betreft niet besloten worden tot het bestaan van een ge de vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie.”;
  5. Overwegende dat het voordeel van de kosteloze rechtspleging aan de verzoekende partijen werd geweigerd bij beschikking nr. 11.018 van 18 oktober 2002; dat de verzoekende partijen, na het verzoek het verzoekschrift te zegelen, slechts voor 175 euro aan fiscale zegels hebben opgestuurd; dat krachtens artikel 70, §3, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State collectieve verzoekschriften aanleiding geven tot het betalen van zoveel malen het recht als er verzoekende partijen zijn; dat derhalve het beroep van de tweede verzoekende partij niet ontvankelijk is, zodat alleen het beroep van de eerste verzoekende partij wordt behandeld; 3.
  6. Overwegende dat de eerste verzoekende partij twee middelen aanvoert die luiden als volgt: “Schending van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en van artikel 52, §1, 2/ van de wet van 15.12.1980 en van het begrip ‘Vluchteling’ in de zin van artikel 1, A, 2) van de Vluchtelingenconventie Bij arrest nr. 46086 van 08.02.1994 heeft de Raad van State zich bevoegd geacht om het bestaan en het afdoend karakter van de redenen te onderzoeken, die een aanvraag tot politieke asiel steunen. De aangevochten beslissing werd voornamelijk gemotiveerd op grond van het feit dat betrokkene niet kon antwoorden dat de politieke partij PDSh waarvan hij lid was geworden al dan niet deel uitgemaakt heeft van de regeringscoalitie, noch dat de verkiezingen in september 2000 plaatsgrepen en dat hij de datum niet kende van de verkiezingen waarvoor hij nochtans beweerde de affiches geplakt te hebben. De onzekere verklaringen van verzoeker betreffende het feit dat de PDSh al dan niet deel uitmaakte van de Macedonische regering, is uitsluitend te wijten aan een gebrek aan concentratie en loutere memorieverwarring, waarschijnlijk door stress en zenuwachtigheid. Dit geldt eveneens voor de datum van de verkiezingen. Desbetreffend wist hij niet goed of de verkiezingen in juli of in augustus 2000 plaatsgegrepen hadden, daar waar ze feitelijk in september 2000 plaatsgrepen. Zulk een verschil van 1-2 maanden maakt niet veel uit in het relaas. Tegenpartij verwijt eveneens aan betrokkene dat hij gesproken heeft over parlementsverkiezingen, terwijl in werkelijkheid in 2000 in Macedonië alleen lokale verkiezingen gehouden werden, en de laatste parlementsverkiezingen in 1998 plaatsvonden, en er niet toe leidden dat een lid van het PDSh minister van buitenlandse zaken geworden. is. Verzoeker heeft desaangaande een verwarring gemaakt tussen parlementsverkiezingen en lokale verkiezingen. Zulk een verwarring is echter niet van die aard dat ze het geheel van het relaas in gedrang brengen. XIV-12.060-3/6 Tenslotte stelt tegenpartij enige tegenstrijdigheden vast in de opeenvolgende verklaringen van verzoeker die ten overstaan van de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde in juni 2000 gedurende 6 uur door de politie opgesloten geweest te zijn, terwijl hij op het Commissariaat- generaal verklaarde gedurende 2 dagen toen vastgehouden te zijn. In werkelijkheid werd verzoeker wèl degelijk 2 dagen opgesloten en niet 6 uur. Een laatste tegenstrijdigheid betreft de manier waarop hij het bevel kreeg na zijn aanhouding in april 2000 zich elke week op het politiecommissariaat aan te bieden. In werkelijkheid kreeg hij bevel mondeling, en niet per aangetekend schrijven. Verzoeker blijft nochtans vasthouden dat hij vrees voor vervolgingen koestert ingeval van terugkeer in zijn land, gelet op de thans heersende ethnische vijandigheden die er heersen tussen Macedoniërs en ethnische Albanezen zoals hijzelf. Aldus heeft tegenpartij geen rekening gehouden zoals het behoort met de thans heersende golf van vijandigheden in de regio van oorsprong van verzoekers. Bovendien, volgens de ‘Gude des procedures et criteres a appliquer pour determiner le status de refugie’, p
  7. n` 210: ‘De toute fagon, il faudra alléger le fardeau de la preuve qui pèse normalement sur le demandeur et s'adresser á d'autres sources pour obtenir les renseignements que celui-ci ne saurait foumir. On pourra aussi étre amené á tirer certaines conclusions de la situation de fl'entourage. Si, par exemple, Ie demandeur appartient á un groupe de réfugiés et se trouve en leur compagnie, ifl y a lieu de présumer qu'il partage leur sort et que sa position peut étre assimilée á la leur.’ De door verzoekers aangehaalde vrees voor geweld en onzekerheid is recentelijk in de regio nóg toegenomen. Door zijn beslissingen te nemen zonder rekening te houden met de hierboven vermelde zorgwekkende realiteit, heeft tegenpartij het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur miskend. Bij arrest nr. 5421 van 25.11.94 (R.A.C.E, 1994) heeft de Raad van State geoordeeld: ‘Est manifeste, au sens de l'art. 52 de la loi du 15.12.80 sur 1'accés au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, ce dont l'existence ou la nature sympose á un esprit raisonnable avec une force de conviction tellé que de plus amples investigations n'apparaissent pas nécessaires. Lorsque Ie candidat réfugié a foumi des éléments pour expliquer tlès circonstances de son arrestation, sa détention et la fuite de son pays qui, avérés ou non, sont circonstanciés, le délégué du ministre commet une effeur manifeste d'appréciation en retenant, pour rejeter le demande urgente de réexamen, le caractère manifestement non fondé de la demande d'asile.’ Deze rechtspraak in casu eveneens precies toepasselijk is. In casu hebben verzoekers op voldoende wijze gegevens aangebracht dat, wat hen betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A, van de Conventie van Genève, zodat hun asielaanvraag niet kennelijk ongegrond mocht verklaard worden, waarvan de motieven wèl met de criteria van de Conventie van Genève overeenstemmen. Het middel blijkt aldus gegrond te zijn. Schending van artikel 62 van de wet van 15.12.1980 en van artikel 3 van de wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Volgens bovenvermeld artikel 62 moeten de bestuurshandelingen gemotiveerd zijn, en luidens artikel 3 van bovenvermelde wet: ‘De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moeten afdoende zijn.’ Inderdaad, volgens een algemeen geldend rechtsbeginsel, moet een administratieve beslissing steeds de rechtens vereiste feitelijke grondslag hebben, en het bestaan van die grondslag moet kunnen bewezen worden in geval van betwisting aan de hand van stukken die de overheid, wanneer ze haar beslissing nam, bij haar oordeel kunnen betrekken. De aangevochten beslissingen van het CGVS sluiten de gegevens en elementen van risico van vrees voor vervolgingen uit door geen rekening te hebben gehouden met het algemene context in de regio van oorsprong van verzoekers. Bijgevolg zijn de aangevochten beslissingen niet deugdelijk gemotiveerd.”; 3.
  8. Overwegende dat de commissaris-generaal tot de conclusie komt dat de aanvraag bedrieglijk is; dat hij eerst omstandig motiveert dat de eerste verzoekende partij niet aannemelijk heeft gemaakt werkelijk lid te zijn geweest van de PDSh omdat zij niet wist dat deze partij deel uitmaakte van de regeringscoalitie, de datum van de verkiezingen niet kende en niet wist dat het om lokale verkiezingen ging en vervolgens die tegenstrijdigheden tussen de opeenvolgende verklaringen van de verzoekende partij bespreekt; XIV-12.060-4/6 Overwegende dat de eerste verzoekende partij haar gebrekkige kennis over de PDSh en de politieke situatie wijt “aan een gebrek aan concentratie en loutere memorieverwarring, waarschijnlijk door stress en zenuwachtigheid”; dat de verzoekende partij zich aldus beperkt tot een algemene bewering, die niet wordt gestaafd door het verhoorverslag van het commissariaat-generaal; dat de verzoekende partij de tegenstrijdigheden tussen haar opeenvolgende verklaringen niet weerlegt of verklaart, doch zich beperkt tot het bevestigen van de versie die zij op het commissariaat-generaal heeft gegeven; dat haar verwijzing naar de Proceduregids van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen bij de Verenigde Naties niet dienstig is, vermits deze geen afdwingbare rechtsregels bevat; dat de verzoekende partij nog verwijst naar de algemene toestand in Macedonië, zonder deze op haar eigen concrete situatie te betrekken; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het eerste middel ongegrond is; Overwegende dat in het tweede middel aangehaalde bepalingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat de verzoekende partij in het tweede middel op algemene wijze de motieven van de bestreden beslissing op inhoudelijke wijze aanvecht en aldus in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt; dat zij niet anders aanvoert dan in het eerste middel, zodat naar de bespreking van het eerste middel kan worden verwezen; dat het tweede middel ongegrond is;
  9. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  10. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  11. XIV-12.060-5/6 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de eerste verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf december tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-12.060-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.208 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.