← België

Arrest 152209 - - 05/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.209 Rolnummer: A. 148780/XIV-18950 Zaak: Arrest 152209 - - 05/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-16 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-03 06:03 Fiche Arrest nr 152.209 van 5 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.209 van 5 december 2005 in de zaak A. 148.780/XIV-18.

  1. In zake :
  2. XXX
  3. XXX die woonplaats kiezen bij advocaat G. VERGAUWE, kantoor houdende te 9940 EVERGEM, Belzeelsestraat
  4. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Bulgaarse nationaliteit, op 12 maart 2004 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 11 februari 2004 waarbij hun aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf niet-ontvankelijk wordt verklaard; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 24 maart 2004 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 5 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 september 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-18.950-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VERGAUWE, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van advocaat S. DE VRIESE, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Overwegende dat de verzoekende partijen België binnenkomen op 30 juli 1998 en zich vluchteling verklaren op 10 augustus 1998; dat op 13 november 1998 de minister van binnenlandse Zaken inzake de beide verzoekende partijen beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het land te verlaten; dat op 22 maart 1999 de commissaris-generaal deze beslissingen bevestigt; dat op 29 januari 2004 de verzoekende partijen een tweede asielaanvraag indienen; dat op 11 februari 2004 deze asielprocedure wordt afgesloten met de beslissing van de minister van binnenlandse Zaken tot weigering van inoverwegingname van een vluchtelingenverklaring; Overwegende dat op 31 mei 2000 de verzoekende partijen een eerste aanvraag indienen om machtiging tot voorlopig verblijf; dat de minister van Binnenlandse Zaken deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaart met een beslissing van 15 juni 2000; Overwegende dat op 14 mei 2002 de verzoekende partijen een tweede aanvraag indienen om machtiging tot voorlopig verblijf; dat de minister van Binnenlandse Zaken deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaart met een beslissing van 28 juli 2003; Overwegende dat op 12 december 2003 de verzoekende partijen een derde aanvraag indienen tot machtiging om voorlopig verblijf; dat de minister van Binnenlandse Zaken deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaart met een beslissing van 11 februari 2004; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Dat de betrokkenen zich hier goed aangepast hebben, dat zij een grote vrienden- en kennissenkring hebben opgebouwd, dat zij werkwillig zijn en dat de kinderen perfect Nederlands spreken en geen contacten meer hebben met land van herkomst vormen geen uitzonderlijke omstandigheden die het indienen van een art. 9 van de vreemdelingenwet in België verantwoorden. De elementen met betrekking tot hun integratie kunnen het voorwerp uitmaken van een onderzoek op het moment dat de aanvraag conform art. 9,2 van de vreemdelingenwet ingediend wordt. Dat de minderjarige kinderen schoolgaand zijn, verandert niets aan bovenstaande vaststelling. Wat de scholing van de kinderen betreft wordt er geen enkel element aangebracht dat aantoont dat deze niet tijdelijk kan worden verdergezet in het land waar de aanvraag om XIV-18.950-2/6 machtiging tot verblijf dient aangevraagd te worden. De scholing van de kinderen vergt immers geen bijzonder onderwijs, noch een infrastructuur die niet ter plaatse zou aanwezig zijn.”; 2.1.
  6. Overwegende dat de verzoekende partijen een eerste middel aanvoeren dat luidt als volgt: “Schending van de artikelen 2 en 3 van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (wet van 29 juli 1991) en van de artikelen 7 en 62 van de Vreemdelingenwet (wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen). Aan verzoeker werd op 11.02.2004 een beslissing betekend wat o.m. tot gevolg had dat zij het grondgebied zouden moeten verlaten. Zoals ieder administratieve akte dient ook deze akte betekend te worden en gemotiveerd conform de hierboven vermelde bepalingen. De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn. Uit de inhoud van de overhandigde akte kan evenwel niet worden uitgemaakt op welke grond het verzoek onontvankelijk werd verklaard. Blijkbaar is er een verwarring tussen de motieven nopens de ontvankelijkheid en nopens de grond van de zaak. In ieder geval wordt geenszins een onderscheid gemaakt tussen de juridische en feitelijke argumentatie hetgeen van primordiaal belang is. Het is duidelijk dat een motivering correct dient te zijn en in detail dient aan te duiden op basis waarvan de beslissing is genomen. De motivering is thans zo algemeen dat niet voldaan is aan de verplichting om individueel aan te duiden waarop deze beslissing is gemotiveerd. De motivering moet volkomen afdoende zijn hetgeen in casu helemaal niet het geval is. Er is dan ook geenszins voldaan aan de bovenvermelde verplichting.” 2.1.
  7. Overwegende dat de formele motiveringsplicht, zoals vastgelegd in artikel 62 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, vereist dat de rechtsonderhorige in de hem aanbelangende beslissing kan lezen op welke gronden die beslissing is gesteund, zodat hij met kennis van zaken kan oordelen of het zinvol is gebruik te maken van de rechtsmiddelen waarover hij in rechte beschikt; dat die gronden op eenvoudige wijze in de bestreden beslissing kunnen worden gelezen, namelijk dat de verzoekende partijen geen uitzonderlijke omstandigheden hebben aangehaald waarom zij de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure zoals voorzien in artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet, namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland; dat daarmee aan de voornaamste vereiste van de formele motiveringsplicht is voldaan; dat daarenboven de verzoekende partijen niet verduidelijken in welke mate de bestreden beslissing artikel 7 van de Vreemdelingenwet zou hebben geschonden; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partijen een tweede middel aanvoeren dat luidt als volgt: “Daarenboven is de beslissing in strijd met art. 3.1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, aangenomen te New York op 20 november
  9. XIV-18.950-3/6 Inderdaad, dit artikel bepaalt: Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging. Het hoeft geen betoog dat een beslissing tot weigering van verblijf in de gegeven omstandigheden geenszins in het belang van de minderjarige is. De familie telt 2 minderjarige kinderen die op het ogenblik van aankomst in België 9 en 10 jaar waren. Thans zijn deze kinderen 15 en 16 jaar en hebben zij in volle ontwikkeling geen ander contact gehad dan met Belgische kinderen op Belgische bodem. Zij hebben enkel geëvolueerd en in de Belgische maatschappij en hebben zich enkel kunnen ontwikkelen in deze maatschappij. Zij hebben derhalve bijna de helft van hun leven in België verbleven en zijn dan ook volledig georiënteerd op de Belgische maatschappij en de scholen die zij hebben gevolgd. Is het zo dat oudere personen zich wellicht nog veel onderhouden met landgenoten of mensen uit het land van herkomst, dan is dit zeker niet het geval met kinderen die op vrij jeugdige leeftijd naar België zijn gekomen. Het is evident dat deze kinderen onmiddellijk ‘opgeslorpt’ worden in hun omgeving. Ontegensprekelijk zal het feit dat zij weggerukt worden uit deze vertrouwde omgeving voor deze kinderen een negatief gevolg zal teweeg brengen. Het belang van de kinderen is dan ook dat zij zich verder kunnen ontplooien in een voor hun gunstig en sereen klimaat. Verweerder kan terzake geen garanties bieden dat de kinderen dit kunnen in het land van herkomst. Na zes jaar zijn zij totaal vervreemd van hun land van herkomst. De beslissing is dan ook manifest in strijd met de belangen van de kinderen en schendt bovenvermelde bepaling.” 2.2.
  10. Overwegende dat artikel 9 van de Vreemdelingenwet als algemene regel stelt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of plaats van oponthoud in het buitenland, maar dat het in buitengewone omstandigheden is toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat die buitengewone omstandigheden niet mogen worden verward met de argumenten ten gronde die worden ingeroepen om de verblijfsmachtiging in België te bekomen; dat de verzoekende partijen met het louter verwijzen naar artikel 3.1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, aangenomen te New York op 20 november 1989, niet aannemelijk maken dat zij in de onmogelijkheid verkeren om zich te gedragen naar de bepaling van artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet; dat die verdragsbepaling evenmin een vrijbrief vormt om niet aan de voorwaarden van de verblijfswetgeving te voldoen met betrekking tot de vereiste binnenkomstdocumenten, a fortiori na twee eerdere gelijkaardige weigeringsbeslissingen; dat het tweede middel derhalve ongegrond is; 2.3.
  11. Overwegende dat de verzoekende partijen een derde middel aanvoeren dat luidt als volgt: “Schending van het gelijkheidsbeginsel. Verzoekers waren reeds in het land aanwezig toen de regularisatieprocedure ingevolge de wet van 22 december 1999 in voege trad. Op advies (achteraf bekeken wellicht verkeerd) hebben zij geen regularisatieaanvraag ingediend op basis van deze wet. Andere personen die zich in dezelfde omstandigheden van verzoekers bevonden zijn ondertussen geregulariseerd. XIV-18.950-4/6 Verzoekers zijn dan ook benadeeld en zijn van oordeel dat een gelijke behandeling ook hen ten gunste zou moeten komen. Zij menen dan ook dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.”; 2.3.
  12. Overwegende dat het de minister van Binnenlandse Zaken uiteraard niet ten laste kan worden gelegd dat de verzoekende partijen zelf geen aanvraag tot regularisatie hadden ingediend op grond van voormelde wet van 22 december 1999; dat de verzoekende partijen met de verwijzing naar "andere" personen die wel dergelijke aanvraag hebben ingediend, derhalve niet aantonen dat de bestreden beslissing het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden; dat het derde middel ongegrond is;
  13. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  14. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf december tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-18.950-5/6 M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-18.950-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.209 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.