← België

Arrest 152344 - - 07/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.344 Rolnummer: A. 134200/XIV-14226 Zaak: Arrest 152344 - - 07/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-06 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 06:04 Fiche Arrest nr 152.344 van 7 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.344 van 7 december 2005 in de zaak A. 134.200/XIV-14.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat Ph. JANSSENS, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Duboisstraat 43 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 1 januari 1956 en van Turkse nationaliteit, op 27 februari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de Minister van Binnenlandse Zaken van onbekende datum tot weigering van regularisatie, en van het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 februari 2003 om het grondgebied van het Rijk te verlaten, beide beslissingen aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 5 februari 2003; Gelet op het administratief dossier; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag d.d. 1 april 2005 opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, overgemaakt aan de bevoegde kamer op 25 april 2005; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 1 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 12 oktober 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-14.226-1/10 Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. CLOOSEN, die loco Advocaat Ph. JANSSENS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. XXX heeft op 27 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 2/. 1.
  4. Op 19 april 2001 stelde het Onderzoekssecretariaat vast dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig was, en zond de aanvraag met een negatief advies voor beslissing over aan de Minister van Binnenlandse Zaken. Verzoeker werd er op latere datum van in kennis gesteld dat hij over een termijn van drie dagen beschikte om zijn standpunt uiteen te zetten aan de Minister. 1.
  5. Op 25 mei 2001 richtte verzoeker een schrijven naar de Commissie voor Regularisatie met bijkomende stukken, en opnieuw op 25 juni
  6. 1.
  7. Op 19 november 2001 is verzoeker door de Commissie voor Regularisatie, in aanwezigheid van een Advocaat, gehoord. Op de zitting werd afstand gedaan van de aanvraag op basis van artikel 2, 2/ van de Regularisatiewet en werd de uitbreiding naar artikel 2, 4/, van dezelfde wet gevraagd. 1.
  8. Op 20 november 2001 verstuurde de Advocaat van verzoeker twee faxberichten met bijkomende stukken aan de Commissie voor Regularisatie. 1.
  9. Op 25 februari 2002 heeft de Kamer van de Commissie voor Regularisatie een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat de volgende overwegingen: “(...) Ontvankelijkheid De regularisatieaanvraag is tijdig en rechtsgeldig ingediend op grond van artikel 2, 2/ regularisatiewet. Ter zitting doet de aanvrager enerzijds afstand van de regularisatieaanvraag XIV-14.226-2/10 op grond van artikel 2, 2/ regularisatiewet, en formuleert hij anderzijds een eisuitbreiding op grond van artikel 2, 4/ regularisatiewet. Betrokkene bewijst zijn identiteit en nationaliteit voldoende. Het Onderzoekssecretariaat betwistte destijds de identiteit bij gebrek aan een document. Toen het Onderzoekssecretariaat op 19.6.2001 de ingebrekestelling van 15.5.2001 aan betrokkene liet betekenen voor het onvolledige dossier met toepassing van artikel 12, § 1, lid 2 regularisatiewet, stuurde de raadsman slechts op 25.6.2001 een bundel bijkomende stukken op, waarvan een identiteitsdocument, een huurovereenkomst en een arbeidsovereenkomst op grond van een voorlopige vergunning tot tewerkstelling moesten blijken als teken van integratie. XXX toont ter zitting een originele Turkse identiteitskaart met uitgifte op 31.7.1991, waarvan hij een kopie neerlegt (bijkomend stuk 1, neergelegd 19.11.2001) terwijl het dossier eveneens een verklaring van 5.5.2001 van verlies van zijn Turkse identiteitskaart bevat (bijkomend stuk 2, 19.11.2001). Verder beweert betrokkene ter zitting een Nederlands rijbewijs te hebben behaald op 30.12.
  10. Hij toont het niet en legt ervan geen kopie neer ter zitting. De Commissie stelt tevens vast, aan de hand van het DVZ-dossier dat tijdig door de griffie was aangevraagd, dat betrokkene op 25.10.1993 een bijlage 26bis heeft ontvangen onder deze identiteit en nationaliteit, hoewel hij bij de regularisatieaanvraag geen melding maakte van een DVZ-nummer (stuk 14 DVZ-dossier). Hiermee geconfronteerd, antwoordde betrokkene dat hij slechts eenmaal asiel had aangevraagd, en dat hij na zijn eerste weigering in oktober 1993 terug naar Turkije was vertrokken, maar dat hij daarna weer naar België terugkeerde. Vandaar de verklaring als bijkomend stuk dat hem de laatste 5 jaar geen uitvoerbaar bevel werd betekend. De Commissie beschikt zelf niet over elementen om te moeten twijfelen aan deze identiteit en nationaliteit. Betrokkene is bovendien gekend onder deze identiteit bij de DVZ. XXX staaft verder afdoende zijn verblijf in het land op 1.10.1999 door drie stukken: een huurovereenkomst die aanvangt op 15.8.1999 en eindigt op 15.8.2001 (stuk 1 bij aanvraag), (door) een bloedgroepattest van een medisch labo afgeleverd op 11.10.1999 (stuk 2 bij aanvraag) en (door) een doktersattest met vermelding van diverse bezoeken van 1995 tot 1999 (stuk 3 bij de aanvraag). De niet geregistreerde huurovereenkomst op zich komt niet overtuigend over; de medische stukken des te meer, zodat de Commissie meent dat betrokkene met deze combinatie van stukken aan alle wettelijke ontvankelijkheidsvereisten voldoet. Onderzoek ten gronde Artikel 2, 4/ regularisatiewet: duurzame sociale bindingen XXX verkreeg niet het statuut van ontheemde of ontving niet een attest dat een significant wettig verblijf kan doen gelden. Aangezien betrokkene zich op 9 juni 1993 niet bij de DVZ had aangeboden voor verhoor, werd hem een uitvoerbaar bevel betekend om het grondgebied te verlaten op 25.10.
  11. Daarop heeft XXX "het land vrijwillig verlaten om terug te keren naar zijn vrouw en zijn drie kinderen" in Turkije: Zuleyka, /15.2.1980, Leyla, /11.5.1980 en Memet, /28.2.1986 (zie ook stuk 20, aansluiting bij de mutualiteit). Betrokkene verklaart verder dat zijn echtgenote toen al ziek was. XXX voert als duurzame binding een ononderbroken verblijf aan in het Rijk van einde 1995 tot heden. Naar eigen zeggen, zou betrokkene in november 1995 weer naar België zijn teruggekeerd terwijl zijn echtgenote en de kinderen in Turkije bleven. Klaarblijkelijk diende XXX geen tweede asielaanvraag in. -Voor 1995 meldt het neergelegde doktersattest een consultatie in 1995 (stuk 3 bij aanvraag). - In 1996 heeft betrokkene zijn huisarts tweemaal bezocht. - In 1997 heeft betrokkene de dokter eenmaal bezocht. - In 1998 heeft betrokkene zijn huisarts tweemaal bezocht. Buiten dit medisch aftest, beschikt betrokkene zelf over geen enkel bewijs van zijn daadwerkelijk en onafgebroken verblijf in het Rijk gedurende deze ruim drie jaar. Een lid van de derde kamer vraagt zich af of dit stuk op zich dan ook een voldoende bewijs kan uitmaken van een ononderbroken daadwerkelijk verblijf, aangezien het dossier geen bijkomend element bevat ter corroboratie. Daarnaast blijkt uit het DVZ-dossier dat betrokkene op 20.12.1996 geseind is geweest, door de politie City Antwerpen wegens het toebrengen van vrijwillige slagen en (lichte) verwondingen op het Sint-Jansplein met een mes en een tafelpoot. Op dat moment was het adres van betrokkene niet gekend. Desgevraagd antwoordt betrokkene dat hij slechts getuige was tijdens (van) een caféruzie. Deze versie strookt niet met de inhoud van de seiningsdocumenten (stukken uit het DVZ-dossier), wat de Commissie onder de aandacht van de heer Minister wenst te brengen. XXX legt verder bijkomende stukken neer om duurzame sociale bindingen te bewijzen vanaf 1999 tot het einde van de wettelijke referentieperiode als volgt: - Voor 1999 moeten zeven neergelegde overschrijvingsformulieren internationale stortingen voor rekening van de kinderen in Turkije staven (bijkomende stukken 12). Uit deze stukken kan echter niet steeds met zekerheid worden opgemaakt dat het wel degelijk overschrijvingen ten gunste van de kinderen van betrokkene geldt. Van één stuk is de datum onleesbaar, van de vijf andere komt de naam en het adres van de overschrijver niet overeen met die van XXX (Hasun XIV-14.226-3/10 Demirci, Hamit Karagöz, Hasan Degicmenci, Karaca). Desgevraagd hierover antwoordt betrokkene dat vrienden de stortingen voor hem uitvoerden. Het stuk van de Generale Bank vermeldt niet de naam van de opdrachtgever, maar wel een rekeningnummer, terwijl de andere overschrijvingen via postcheque gebeurden. Verder is er voor deze stukken geen bevestiging van betaling voorhanden daar het telkens enkel een "kopie cliënt" betreft. Ten slotte is er zeer veel met de hand bijgeschreven op deze papiertjes, wat hun leesbaarheid niet bevordert. - In 1999 heeft betrokkene zijn dokter tweemaal bezocht en een vergeefse sollicitatiepoging gedaan bij een transportfirma in Lier (bijkomend stuk 3). - Hij gaat tevens een eerste schriftelijke huurovereenkomst aan vanaf 15.8.1999 tot 15.8.2001 met als adres Van Kerckhovenstraat - Antwerpen (bijkomend stuk 16). De Commissie stelt vast dat dit stuk niet het origineel document is, en dat betrokkene bij diverse overschrijvingsformulieren voor de periode januari -juni 2000 een ander adres opgeeft: Biekorfstraat - Antwerpen (bijkomende stukken 12). - Op 20.7.1999 overlijdt de echtgenote van de aanvrager. De Commissie begrijpt moeilijk dat betrokkene niet is teruggekeerd naar zijn land om in het bijzijn van zijn kinderen afscheid te nemen van zijn stervende vrouw, laat staan om de begrafenis te regelen... Desgevraagd antwoordt betrokkene dat zijn kinderen hem destijds zouden hebben afgeraden over te komen, zo niet zou hij België nadien niet meer binnen mogen. - Op 1.4.2000 sluit XXX aan bij de socialistische mutualiteit Antwerpen en op 1.5.2000 ontvangt hij een voorlopige arbeidsvergunning voor de bouwfirma Marmont in Tienen, waarna hij op 15.5.2000 aan de slag gaat. Hij legt hiervoor loonbonnen neer van mei 2000 tot september 2000 met als adres Van Kerckhovenstraat - Antwerpen (bijkomend stuk 4b). Hij legt eveneens een treinabonnement neer Antwerpen-Tienen (bijkomend stuk 15). - Ook voor dit jaar legt hij bancaire overschrijvingen neer (bijkomende stukken 12). De Commissie stelt vast dat deze veel eenvormiger zijn dat de stukken die 1999 betreffen. - Einde juni 2000 laat betrokkene de Commissie weten dat hij zijn adres wijzigt naar Heusden-Zolder. Hiervoor blijkt hij geen geschreven huurovereenkomst te hebben aangegaan. - In september 2000 gaat XXX een nieuwe huurovereenkomst aan vanaf 25.9.2000 tot 25.9.2001 met adres Maaldersstraat in Antwerpen (stuk juni 2001), wat hij stipt meldt bij de Commissie. Betrokkene werkt dan tijdelijk als grondwerker voor een bedrijf in Lokeren vreemd genoeg opnieuw met opgave van zijn eerste verblijfsadres: Van Kerkhovenstraat, hoewel hij intussen minstens tweemaal is verhuisd (bijkomend stuk 6). Aldus acht de Commissie dat de neergelegde huurovereenkomsten niet blijken overeen te stemmen met de door betrokkene opgegeven adressen in andere door hem neergelegde stukken, wat eveneens onder de aandacht van de heer Minister moet worden gebracht. - In juni 2001 schrijft XXX zich in bij de VDAB als werkzoekende (bijkomend stuk 9). - Vanaf 1.9.2001 werkt XXX bij de transportfirma Lamcoo ; de loonbon vermeldt als adres Maaldersstraat 17 (bijkomende stukken 4g, 5 en 7). - Er zijn ten slotte zeven getuigenissen van particulieren en buren, allochtonen en Belgen, de ene al specifieker en overtuigender dan de andere, die moeten aantonen dat zij betrokkene kennen en dat hij geïntegreerd is (bijkomende stukken 10, 14 en 20). Over deze stukken wenst de Commissie te beklemtonen dat zij nauwelijks nog de wettelijke referentieperiode betreffen, vanaf het aangevoerde verblijf van einde 1995 tot 31.1.
  12. Verder acht de Commissie het zeer opmerkelijk dat de "partner" van XXX, geen enkele getuigenis heeft ingediend over hun verhouding. Mevrouw MAKHPIROVA Chadiya beviel van een dochter op 14.10.2001, en legt een zwangerschapsvergoedingsattest neer waarin overigens alleen zij als moeder staat vermeld zonder XXX als vader (bijkomend stuk 11). Het stuk vermeldt verder dat mevrouw Makhpirova op een ander(s) adres verblijft dan XXX, Pothoekstraat -Antwerpen. Een lid van de derde kamer vraagt zich dan ook af of een dergelijke situatie nog wijst op een duurzame relatie. De Commissie wenst daarom te vernemen of XXX nog duurzame bindingen heeft met deze vrouw en wat haar statuut is in het Rijk. Betrokkene beweert ter zitting dat hij het kind is gaan erkennen bij zijn bezoek aan de stadsdiensten op 25 oktober dit jaar en dat hij daarvan een stuk kan neerleggen, dat hij op dit moment niet bij zich heeft. Aangezien de derde Kamer van de Commissie met deze specifiek samengestelde zetel op 19.11.2001 haar voorlaatste zitting houdt, nodigt zij XXX uit onverwijld deze erkenningsakte mee te delen aan de griffie, waarna de zaak ambtshalve in beraad zal worden genomen. Zoals gevraagd, ontvangt de griffie tijdig een bericht van de raadsman van XXX (bijkomend stuk toegevoegd aan het dossier). Hieruit blijkt dat XXX het kind erkend heeft echter niet einde oktober, wel slechts op 20.11.2001, daags na de zitting, hetgeen de Commissie eens te meer verwondert en wat zij tevens onder de aandacht van de heer Minister wenst te brengen. -Uit al deze gegevens leidt de Kamer af dat de aanvrager weliswaar een aantal stukken heeft ingediend ter staving van zijn aanvraag. Uit deze veelheid van stukken blijken echter geen onbetwiste duurzame bindingen gekoppeld aan een onafgebroken daadwerkelijk verblijf in het Rijk sedert oktober 1995, aangezien de Commissie het doktersattest op zich hiervoor onvoldoende bewijskrachtig acht. Hetzelfde geldt voor de stukken vanaf
  13. De bancaire documenten zijn evenmin eenduidig te noemen gelet op de diverse opdrachtgevers. Wanneer betrokkene wel elementen XIV-14.226-4/10 voor bindingen neerlegt, zoals een arbeidsovereenkomst, een huurovereenkomst, stelt de Commissie vast dat deze eigenlijk al buiten de wettelijke referteperiode vallen. Zo ook de geboorte van het kindje in oktober 2001, dat pas daags na de zitting werd erkend door betrokkene, terwijl hij ter zitting volhield dat hij het kind reeds had erkend, wat dus een leugen uitmaakt tegenover de Commissie, hetgeen eens te meer moet worden gemeld aan de heer Minister. Verder heeft betrokkene zich nooit ingeschreven voor lessen Nederlands, en ter zitting stelt de Commissie vast dat de aanvrager een zwak Nederlands praat. Hierop antwoordt betrokkene dat hij zich wel heeft aangeboden voor een taalcursus, ongeveer twee maanden geleden, bij de aanvang van een nieuwe job als vrachtwagenchauffeur, maar dat hij daarvan geen bewijsstuk kan voorleggen. De Commissie meent streng te moeten zijn en het onderscheid te moeten maken tussen zuiver opportunistische aanvragen op basis van slechts een verblijf in het Rijk zonder daadwerkelijke duurzame bindingen enerzijds en anderzijds de verzoeken van werkelijk geïntegreerde medeburgers die hun aanvraag kunnen staven op grond van overeenstemmende stukken. In het geval van XXX komt het de Commissie voor dat hij niet steeds overtuigende of zelfs tegenstrijdige stukken heeft ingediend, wat het bewijs van zijn onafgebroken verblijf of een duurzame integratie zeker niet ten goede komt. Hetzelfde betreft de tegenstrijdige verklaringen over de slagen toegebracht in 1996 en ten slotte de zeer laattijdige erkenning van het kind, van wie de moeder op een ander adres dan dat van de aanvrager verblijft. OM DEZE REDENEN wenst de Commissie een ongunstig advies op tegenspraak uit te brengen. (...)”. 1.
  14. Op 25 april 2002 richtte de Advocaat van verzoeker een schrijven met opmerkingen omtrent dit advies en bijkomende stukken aan de Minister van Binnenlandse Zaken. 1.
  15. Op onbekende datum heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor Regularisatie. Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.
  16. Op 5 februari 2003 werd aan verzoeker het bevel van dezelfde datum ter kennis gebracht van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de tweede bestreden beslissing.
  17. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1.
  18. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de beginselen van behoorlijk bestuur, van de rechten van de verdediging, en van de zorgvuldigheidsplicht; dat verzoeker aanvoert dat de eerste bestreden beslissing tot weigering van regularisatie hem nooit werd ter kennis gebracht; dat verzoeker eveneens stelt dat de eerste bestreden beslissing enkel het advies van de Commissie voor Regularisatie volgt en dat de Minister geen rekening heeft gehouden met de brief van zijn Advocaat van 25 april 2002; dat verzoeker meent dat hierdoor geen rekening werd gehouden met zijn familiale situatie; dat verzoeker aanvoert dat hij bijna tien jaar in België verblijft, en dat niet hij in gebreke is gebleven, maar wel de overheid die twee jaar de procedure heeft laten aanslepen; dat verzoeker daaraan toevoegt dat er geen grondig onderzoek werd gevoerd om tot de negatieve beslissing te komen; dat verzoeker met betrekking tot de tweede bestreden beslissing doet gelden dat hiervoor evenmin een XIV-14.226-5/10 onderzoek werd gevoerd en dat geen rekening werd gehouden met de bijkomende stukken, en dat enkel als motief wordt vermeld dat de Minister de regularisatie heeft afgewezen terwijl geen rekening werd gehouden met het feit dat de afwijzing van de regularisatieaanvraag ten onrechte werd genomen; dat verzoeker tenslotte aanvoert dat hij hier zijn leven heeft uitgebouwd en dat zijn Kazachse partner en hun kind hier verblijven; 2.1.
  19. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord in hoofdorde repliceert dat het middel niet ontvankelijk is omdat het onvoldoende precies is en onvoldoende uitgewerkt; dat de verwerende partij in ondergeschikte orde repliceert dat verzoeker in het verzoekschrift zelf uitdrukkelijk aangeeft dat de beide bestreden beslissingen hem werden betekend op 5 februari 2003, en dat dit tevens blijkt uit het bericht van kennisgeving (stuk 28 van het administratief dossier); dat de verwerende partij stelt dat de Minister van Binnenlandse Zaken geen rekening kon houden met het aangetekend schrijven van de Advocaat van verzoeker omdat dit op het ogenblik van het nemen van de eerste bestreden beslissing geen deel uitmaakte van het dossier; dat de bestreden beslissing dateert van vóór dit schrijven; dat zelfs indien dit schrijven tijdig zou zijn ontvangen, de verwerende partij stelt dat zij tot dezelfde beslissing zou zijn gekomen; dat bovendien in dit schrijven geen bijkomende elementen worden aangevoerd; dat de verwerende partij besluit dat uit het omstandig gemotiveerd advies van de Commissie voor Regularisatie blijkt dat er een grondig onderzoek is gebeurd naar de aanvraag van verzoeker; 2.1.
  20. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord daaraan toevoegt dat de regularisatieaanvraag van de partner van verzoeker ook werd afgewezen; dat verzoeker van Turkse nationaliteit is en zijn partner van Kazachse nationaliteit; dat zij noch naar Turkije, noch naar Kazachstan kunnen terugkeren als gezin; dat verzoeker betoogt dat hij van zijn partner en hun kind zou worden gescheiden bij een eventuele verwijdering van het grondgebied; dat verzoeker in zijn brieven aan de Minister heeft laten weten dat hij reeds een asielaanvraag had ingediend in 1993 en dat zijn echtgenote in Turkije overleden is, zodat hij pas daarna op een goede basis kon samenwonen met zijn partner in België; dat hij weinig tijd heeft om Nederlandse lessen te volgen, gelet op zijn lange werkdagen; dat verzoeker betoogt dat met deze elementen geen rekening werd gehouden; 2.1.
  21. Overwegende dat zich in het administratief dossier een “bericht van kennisgeving” van de lokale politie van Antwerpen bevindt d.d. 5 februari 2003; dat hieruit blijkt dat de eerste bestreden beslissing aan verzoeker werd ter kennis gebracht op 5 februari 2003; dat dit formulier zeker betrekking heeft op de eerste bestreden beslissing omdat de tweede bestreden beslissing afzonderlijk aan verzoeker werd ter kennis gebracht, eveneens op 5 februari 2003, wat blijkt uit de datumstempel en de handtekening van verzoeker op de tweede bestreden beslissing; XIV-14.226-6/10 Overwegende dat de Minister van Binnenlandse Zaken de overwegingen van het advies van de Commissie voor Regularisatie heeft onderschreven en als de zijne heeft overgenomen; dat de Minister van Binnenlandse Zaken door zich de motieven van de Kamer van de Commissie voor Regularisatie eigen te maken, zorgvuldig heeft gehandeld; dat aan de formele motiveringsplicht is voldaan wanneer wordt verwezen naar de bijgevoegde bijlage die deel uitmaakt van de bestreden beslissing; Overwegende dat niet vaststaat op welke datum de eerste bestreden beslissing werd genomen; dat een mogelijke aanwijzing is de vermelding in de tweede bestreden beslissing van een beslissing tot weigering van regularisatie van 25 maart 2002; dat zich in het administratief dossier evenwel geen gedateerde beslissing bevindt; dat bijgevolg niet kan worden uitgemaakt of het schrijven van de Advocaat van verzoeker van 25 april 2002, dat handelt over de gezinsband van verzoeker met de moeder van het door hem erkende kind, werd ontvangen vóór of na het nemen van de eerste bestreden beslissing; dat alleszins in het advies van de Commissie voor Regularisatie melding wordt gemaakt van de erkenning door verzoeker van dit kind; dat, ongeacht de datum van de eerste bestreden beslissing, de verplichting van de administratieve overheid om te antwoorden op de door de burger aangevoerde argumenten of bezwaren in beginsel slechts geldt in de mate dat deze argumenten of bezwaren in het kader van een tegensprekelijke procedure worden naar voor gebracht; dat uit de samenlezing van de artikelen 3, 4, 10 en 11 van de Regularisatiewet blijkt dat het tegensprekelijk karakter van de regularisatieprocedure beëindigd is wanneer de Commissie voor Regularisatie haar advies ter kennis van de aanvrager en de Minister heeft gebracht; dat artikel 12, § 1, tweede lid van deze wet enkel een tegensprekelijke procedure bij de Minister van Binnenlandse Zaken voorziet wanneer, nadat het secretariaat van de Commissie voor Regularisatie heeft vastgesteld dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig is, de Commissie een negatief advies voor beslissing aan de Minister overmaakt; dat er geen wettelijke bepaling is die voorziet dat de aanvrager kan reageren op een door de Commissie voor Regularisatie verleend advies; Overwegende dat de argumenten van verzoeker betreffende zijn gezinsband met de moeder van het kind dat hij heeft erkend, niet werden meegedeeld aan de Regularisatiecommissie, wat onder meer blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van 19 november 2001 en uit de stukken voorgelegd aan de Commissie; dat verzoeker er niet in slaagt aan te tonen dat de Commissie voor Regularisatie geen grondig onderzoek heeft gevoerd, gelet op verzoekers verklaringen en de stukken die werden voorgelegd aan de Commissie; dat de Minister zich bijgevolg kon beperken tot het overnemen van het advies van de Regularisatiecommissie; Overwegende dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de regularisatieaanvraag te beoordelen, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State er bij de uitoefening XIV-14.226-7/10 van zijn wettelijk toezicht enkel toe is gehouden na te gaan of de betrokken overheid bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en op grond daarvan wettig tot haar besluit is kunnen komen; dat dit in casu het geval is; Overwegende dat de tweede bestreden beslissing, met name het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, onder meer verwijst naar het feit dat de regularisatieaanvraag van verzoeker werd verworpen en tevens dat zijn asielaanvraag definitief werd afgesloten; dat uit wat voorafgaat, en uit wat zal blijken uit de analyse van het tweede middel, volgt dat de Minister van Binnenlandse Zaken op goede gronden tot de beslissing tot weigering van regularisatie is gekomen; dat verzoeker niet betwist dat zijn asielaanvraag definitief werd afgesloten; dat bijgevolg ook de tweede bestreden beslissing wettig is tot stand gekomen en steunt op juiste gegevens; Overwegende dat het eerste middel in al zijn onderdelen ongegrond is; 2.2.
  22. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht en van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); dat verzoeker aanvoert dat de overheid geen rekening heeft gehouden met zijn aangetekend schrijven en dat in de eerste bestreden beslissing niet wordt ingegaan op de feitelijke problematiek van het dossier; dat verzoeker stelt dat hij wel humanitaire redenen en duurzame bindingen heeft aangehaald en dat een loutere verwijzing naar het advies van de Commissie voor Regularisatie niet voldoende is om aan verzoeker duidelijk te maken waarom zijn regularisatieaanvraag werd afgewezen; dat verzoeker in verband met de schending van artikel 8 van het E.V.R.M. aanvoert dat zijn kind recht heeft op hulp, bijstand, onderhoud en opvoeding door beide ouders en dat dit alleen kan mits beide ouders samen blijven wat in casu enkel mogelijk is in België; dat verzoeker tenslotte aanvoert dat hij werkt als vrachtwagenchauffeur en dat de inkomsten van dit werk hem in staat stellen om voor hun kind te zorgen; 2.2.
  23. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord in hoofdorde repliceert dat het middel niet ontvankelijk is omdat het onvoldoende precies is en onvoldoende is uitgewerkt; dat de verwerende partij in ondergeschikte orde repliceert dat aan de formele motiveringsplicht is voldaan omdat verzoeker zich met huidig verzoekschrift heeft kunnen verweren tegen de bestreden beslissingen; dat het advies van de Commissie voor Regularisatie deel uitmaakt van de eerste bestreden beslissing en dat dit advies zeer duidelijk talrijke bedenkingen maakt bij de door verzoeker ingediende stukken; XIV-14.226-8/10 2.2.
  24. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord uiteenzet wat reeds werd samengevat onder punt 2.1.3.; 2.2.
  25. Overwegende dat aan de formele motivering is voldaan wanneer wordt verwezen naar de bijgevoegde bijlage die deel uitmaakt van de bestreden beslissing; dat verzoeker niet duidelijk maakt op welk punt deze motivering hem niet in staat stelt te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de bestreden beslissing is genomen derwijze dat hierdoor niet zou zijn voldaan aan het doel van de formele motiveringsplicht; Overwegende dat de Minister de overwegingen van het advies onderschrijft en als de zijne overneemt; dat deze motieven gedetailleerd zijn en aantonen dat de Commissie een uitgebreid onderzoek heeft gevoerd naar de duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen die verzoeker deed gelden; dat verzoeker geen enkel motief van de eerste bestreden beslissing aanvecht; dat deze beslissing steunt op motieven die pertinent, afdoende, terzake dienend en deugdelijk zijn; Overwegende dat, wat betreft het aangetekend schrijven van de Advocaat van verzoeker van 25 april 2002, wordt verwezen naar de analyse van het eerste middel; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van artikel 8 van het E.V.R.M. betreft, de Regularisatiewet een gunst- en uitzonderingsmaatregel is die meer welomschreven omstandigheden en striktere voorwaarden bevat dan het gemeen recht, vervat in de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat de beslissingen, genomen op basis van de Regularisatiewet, voorzien zijn bij wet, zoals bepaald in artikel 8, § 2, van het E.V.R.M., en bestaan uit het toestaan of de weigering van een gunst, die de Belgische staat niet verplicht is toe te staan ter naleving van zijn internationale verplichtingen; dat hieraan kan worden toegevoegd dat uit de memorie van wederantwoord blijkt dat ten opzichte van de moeder van het door verzoeker erkend kind een beslissing werd genomen tot weigering van de aanvraag om machtiging tot verblijf; Overwegende dat het tweede middel in al zijn onderdelen ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  26. Het beroep wordt verworpen. XIV-14.226-9/10 Artikel
  27. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven december tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-14.226-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.344 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.