← België

Arrest 152376 - - 08/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.376 Rolnummer: A. 83795/VII-18286 Zaak: Arrest 152376 - - 08/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-14 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-03 06:06 Fiche Arrest nr 152.376 van 8 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.376 van 8 december 2005 in de zaak A. 83.795/VII-18.286 In zake : Marc LAUWEREYS, die woonplaats kiest bij Advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te BRUSSEL, Franklin Rooseveltlaan 156 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat H. LANGE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Schermersstraat 30 tussenkomende partij : Guido POELMANS, wonende te VORSELAAR, Strateneinde 4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc LAUWEREYS op 27 april 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 30 maart 1999 houdende opheffing van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 2 april 1998 houdende gedeeltelijk verlenen van de vergunning aan verzoeker om een veeteeltbedrijf gelegen te 2290 Vorselaar, Strateneinde 3, te exploiteren; Gelet op het arrest nr. 83.519 van 18 november 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door verzoeker; VII-18.286-1/6 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 24 februari 2000, ingediend door Guido POELMANS; Gelet op de beschikking van 29 februari 2000 die de tussenkomst van Guido POELMANS toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 6 juni 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door verzoeker; Gelet op de beschikking van 27 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 november 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. Haegeman, die, loco Advocaat A. Navasartian, verschijnt voor verzoeker, en van Advocaat A. Thienpont, die, loco Advocaat H. Lange, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. de feitelijke gegevens van de zaak Overwegende dat de voornaamste feitelijke gegevens van de zaak zich als volgt aandienen: VII-18.286-2/6 1.1. Op 28 april 1988 dient verzoeker bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen een exploitatievergunningsaanvraag in voor het exploiteren van een veeteeltinrichting, omvattende: - 2 stallen voor het houden van 2 x 32.000 kippen; - 3 ondergrondse houders voor 3 x 5.400 l gasolie. 1.2. Bijna 10 jaar later, op 2 april 1998, verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen een exploitatievergunning voor (onder meer) een stal voor het houden van 32.000 kippen, gelegen op de kadastrale percelen te Vorselaar, sectie C, nrs. 306a en 307a. De vergunning wordt geweigerd voor een tweede stal met 32.000 kippen, gelegen te Vorselaar, kadastraal perceel sectie C, nr. 311a. 1.3. Eveneens op 2 april 1998 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen een bouwvergunning voor het oprichten van twee mestkippenstallen, gelegen te Vorselaar, kadastraal perceel sectie C, nr. 312a. 1.4. Tegen het gedeeltelijk verlenen/gedeeltelijk weigeren van de exploitatievergunning tekenen zowel verzoeker als derden-belanghebbenden beroep aan bij de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu. In zijn beroepschrift vraagt verzoeker om gehoord te worden. 1.5. In het kader van de beroepsprocedure worden een reeks adviezen uitgebracht: (

  1. a)de Vlaamse Milieumaatschappij stelt dat zij "geen bevoegdheid (heeft) in dit dossier"; (
  2. b)de administratie Gezondheidszorg adviseert ongunstig; (
  3. c)de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van AROHM adviseert ongunstig; (
  4. d)de Vlaamse Landmaatschappij adviseert ongunstig; (
  5. e)de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL adviseert ongunstig. Eveneens tijdens de beroepsprocedure herhaalt verzoeker op 29 mei 1998 zijn wens om gehoord te worden. 1.6. Op 30 maart 1999 wordt de thans bestreden beslissing genomen; VII-18.286-3/6 2. de ontvankelijkheid van het beroep 2.1. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord betoogt dat verzoeker geen belang heeft bij voorliggend beroep, dat met name uit de bestreden beslissing en uit de ontwikkeling van het vierde middel blijkt dat de oorspronkelijke aanvraag een inrichting betrof voor twee kippenstallen van elk 32.000 stuks pluimvee, gelegen op een andere plaats dan deze die thans door verzoeker wordt beoogd, dat, vermits verzoeker geenszins van plan is een inrichting uit te baten op de plaats omschreven in de oorspronkelijke aanvraag, maar op een gans andere inplantingsplaats, hij er geen belang bij heeft in het huidige verzoek te volharden; 2.2. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord betoogt dat het bestreden besluit de exploitatievergunning weigert in de onmiddellijke omgeving van de percelen waarvoor hij een bouwvergunning bekwam voor het oprichten van de stallen, dat de weigeringsgronden "mestdecreet, visuele verstoring van het landschap, geurhinder, onvoldoende wegenis" indicatief zijn voor elke mogelijke vergunning op een naburig terrein, dat hij er dus alle belang bij heeft de thans bestreden weigeringsbeslissing uit het rechtsverkeer te laten verdwijnen, dat bij het overdoen van de gebeurlijk vernietigde bestreden beslissing de verwerende partij rekening kan houden met de gewenste andere nabijgelegen vestigingsplaats van de inrichting, dat de vergunningsaanvraag misschien wijzigingen onderging op het vlak van de inplanting, dat die wijziging van de plannen dan ook misschien invloed kon hebben op de bouwvergunningsaanvraag, dat de aspecten van de aanvraag om exploitatievergunning echter onaangetast bleven, dat het immers ging om een inrichting met evenveel dieren, in een agrarisch gebied; 2.3. Overwegende dat bij de uiteenzetting van de feitelijke gegevens van de zaak is gebleken dat verzoeker op 2 april 1998 een exploitatievergunning verkreeg voor onder meer een stal voor het houden van 32.000 kippen, gelegen op de kadastrale percelen te Vorselaar, sectie C, nrs. 306a en 307a, en dat de vergunning werd geweigerd voor een tweede stal met 32.000 kippen, gelegen te Vorselaar, kadastraal perceel sectie C, nr. 311a; dat de in het geding zijnde exploitatievergun- ningsaanvraag bijgevolg op de percelen nrs. 306a, 307a en 311a sloeg, vermits de uitspraak van de vergunningverlenende overheid over de aanvraag geen betrekking kan hebben op percelen die niet in de vergunningsaanvraag begrepen zijn; dat eveneens op 2 april 1998 de bestendige deputatie van de provincieraad van VII-18.286-4/6 Antwerpen een bouwvergunning verleent voor het bouwen van twee mestkippenstal- len, gelegen te Vorselaar, kadastraal perceel sectie C, nr. 312a; Overwegende dat redelijkerwijze moet worden aangenomen dat wanneer verzoeker de twee kippenstallen waarvoor de milieuvergunning werd aangevraagd wil exploiteren, dit zal gebeuren in de stallen waarvoor de bouwvergun- ning van 2 april 1998 werd verleend; dat verzoeker dit in de memorie van wederant- woord ook toegeeft en dat nergens sprake is van de intentie om een nieuwe bouwvergunning aan te vragen; dat de bouw- en exploitatievergunning dienen te corresponderen; dat, zelfs in de hypothese dat verzoeker na een vernietigingsarrest een exploitatievergunning zou bekomen om twee kippenstallen te exploiteren op de percelen nrs. 306a, 307a en 311a, dit hem dan nog geen direct voordeel oplevert, vermits de stallen waarin de exploitatie moet gebeuren op een ander perceel ingeplant dienen te worden, met name op nr. 312a en verzoeker derhalve toch een nieuwe exploitatievergunningsaanvraag moet indienen die betrekking heeft op het perceel nr. 312a, vermits de stallen zich blijkens de bouwvergunning daar zullen bevinden; dat in de bestreden beslissing overigens in die zin wordt overwogen dat "indien de exploitant een milieuvergunning wenst te bekomen volgens de nieuwe inplantings- plaats een nieuwe aanvraag moet worden gedaan"; dat ook verzoeker zelf in de uiteenzetting van zijn vierde middel betoogt dat er "een bouwvergunning voor een gewijzigde inplanting van de stallen werd afgeleverd"; Overwegende dat het in de memorie van wederantwoord aangevoerde argument dat de weigeringsgronden (mestdecreet, visuele verstoring van het landschap, geurhinder, onvoldoende wegenis) indicatief zijn voor elke mogelijke vergunning op een naburig terrein, niet overtuigt; dat verzoeker alzo zijn belang gaat zoeken in de mogelijk educatieve en informatieve waarde die een arrest van de Raad van State zou hebben ten aanzien van overheden die over toekomstige vergunnings- aanvragen dienen te oordelen; dat dergelijk belang evenwel geen rechtstreeks belang is en dat de vordering van verzoeker alsdan neerkomt op een actio popularis; Overwegende dat het beroep bijgevolg onontvankelijk is, VII-18.286-5/6 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het annulatiebe- roep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht december tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-18.286-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.376 Gerelateerde publicatie(
  6. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.83.519 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.