id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.378 Rolnummer: A. 100884/VII-23196 Zaak: Arrest 152378 - - 08/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-15 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 06:07 Fiche Arrest nr 152.378 van 8 december 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.378 van 8 december 2005 in de zaak A. 100.884/VII-23.196. In zake : 1. Anna OVYN, 2. Geert LEYN, 3. Roger VANLERBERGHE, 4. Marius MISPLAN, 5. Jozef CARPENTIER, 6. Paul DECAPMAKER, 7. Willy GRAF, die woonplaats kiezen bij Advocaat F. SOETAERT, kantoor houdende te KORTRIJK, Doorniksewijk 66 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaten G. MARTYN, P. DEJONCKHEERE en J. COLPAERT, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg 82. tussenkomende partij : de n.v. AQUAFIN, die woonplaats kiest bij Advocaat B. ASSCHERICKX, kantoor houdende te BRUSSEL, Ninoofsesteenweg 643. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Anna OVYN, Geert LEYN, Roger VANLERBERGHE, Marius MISPLAN, Jozef CARPENTIER, Paul DECAPMAKER en Willy GRAF op 26 februari 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 18 december 2000 waarbij het beroep van de n.v. AQUAFIN tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 22 juni 2000 houdende het weigeren van de vergunning aan de n.v. AQUAFIN om een nieuwe rioolwaterzuiveringsinstallatie, gelegen te Moorslede, Zonnebeeksestraat, te exploiteren, gegrond wordt verklaard en de vergunning wordt verleend; VII-23.196-1/21 Gelet op het arrest nr. 103.898 van 21 februari 2002 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt bevolen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verwerende partij en de belanghebbende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 24 maart 2002 ingediend door de n.v. AQUAFIN; Gelet op de beschikking van 10 april 2002 die de tussenkomst van de n.v. AQUAFIN toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 3 maart 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 8 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 oktober 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. SOETAERT, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat J. BERGÉ die, loco Advocaat G. MARTYN verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat P. LONDERS die, loco Advocaat B. ASSCHERICKX verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-23.196-2/21 1. De rechtspleging 1.1. Overwegende dat de tussenkomende partij op haar verzoekschrift tot voortzetting en tussenkomst zegels heeft aangebracht ten belope van 175 euro; dat het teveel betaalde recht van 50 euro haar moet worden terugbetaald; 1.2. Overwegende dat de n.v. AQUAFIN op 6 november 2002 een "synthesememorie" heeft ingediend ter vervanging van haar eerder ingediende "memorie van antwoord"; dat deze "synthesememorie", die buiten de termijn voor het indienen van een aanvullende memorie werd ingediend en die niet in het procedurereglement is voorzien, ambtshalve uit de debatten moet worden geweerd; 2. De feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.1. De tussenkomende partij vraagt op 15 februari 2000 aan de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen een milieuvergun- ning voor een inrichting van klasse 1, namelijk een rioolwaterzuiveringsinstallatie met inbegrip van het lozen van effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie, voor behandeling van afvalwater aangevoerd via openbare riolen en/of collectoren met een zuiveringscapaciteit van meer dan 500 vervuilingseenheden, namelijk 6.000 inwonersequivalenten (i.e.). Gedurende het openbaar onderzoek worden 39 bezwaren ingediend die betrekking hebben op het niet thuishoren van de inrichting bij een woonkern daar er betere locaties voorhanden zouden zijn en op de vrees voor geurhinder, lawaaihinder, verkeersdrukte, ongedierte en visuele hinder. Met een besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 22 juni 2000 wordt de gevraagde vergunning geweigerd, in essentie omdat de inrichting abnormale geluidshinder en gedurende sommige periodes onaanvaardbare geurhinder kan veroorzaken. Met een ter post aangetekend schrijven van 19 juli 2000 tekent de tussenkomende partij administratief beroep aan tegen voormeld weigeringsbesluit. De tussenkomende partij stuurt met een schrijven van 25 september 2000 twee nota’s aan het bestuur Milieuvergunningen volgens dewelke enerzijds de geluidsimmissienorm net zou kunnen worden gehaald bij afdekking van VII-23.196-3/21 bepaalde onderdelen van de inrichting en anderzijds de verwachte geurimpact van de inrichting minimaal zou zijn. Gedurende de beroepsprocedure worden de volgende adviezen gegeven: - de Vlaamse Milieumaatschappij op 8 augustus 2000 : gunstig met bijzondere voorwaarden inzake het maximum geloosd debiet en de emissiegrenswaarden; - het hoofdbestuur Milieuvergunningen op 27 september 2000 : ongunstig voor de inrichting omwille van risico voor geur- en geluidshinder; - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen op 28 september 2000 : gunstig voor de inrichting; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie op 2 oktober 2000 : ongunstig voor de inrichting omwille van risico voor geur- en geluidshinder. Met een schrijven van 9 oktober 2000 deelt de tussenkomende partij nog een geluidsstudie en een geurstudie mee aan de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, telkens opgesteld door een erkend bureau. Met het thans bestreden ministerieel besluit van 18 december 2000 wordt het administratief beroep van de vergunningsaanvrager gegrond verklaard en wordt de gevraagde milieuvergunning verleend, doch met als bijzondere vergunningsvoorwaarden dat de 1 ge/m³-contour volledig buiten de perceelsgrenzen van de aanpalende woningen en tuinen moet vallen en dat de exploitant een volledig akoestisch onderzoek moet laten uitvoeren door een erkend deskundige binnen de zes maanden na de oplevering van de installatie, met goedkeuring van het rapport door de toezichthoudende overheid en met uitvoering van de eventueel voorgestelde saneringsmaatregelen binnen een met de milieu-inspectie overeen te komen termijn; 3. De gegrondheid van het beroep 3.1.1. Overwegende dat de verzoekende partijen als eerste middel de schending aanvoeren van artikel 5.2.1.4. van het besluit van de Vlaamse regering houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II); dat zij het middel als volgt adstrueren : "1. De rioolwaterzuiveringsinstallatie, waarvoor de bestreden milieuvergunning werd afgeleverd, wordt ingeplant in een agrarisch gebied (deels) en op een afstand van 0 meter van een woongebied met landelijk karakter. Aan weerszijden van het perceel bevinden zich meerdere woningen. Ook langs de overzijde van de straat bevinden zich meerdere woningen. Achter het perceel waarop de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal ingeplant worden, is de omgeving agrarisch en onbebouwd. De dichtst bijgelegen woningen bevinden zich onmiddellijk naast het bedrijfsperceel, en op een 30-tal meter van de eigenlijke installatie. VII-23.196-4/21 Er bevinden zich een 25-tal woningen binnen een straal van 100 meter rond de inrichting. Op 125 meter van de bovenste perceelgrens (richting NW) ligt bovendien een landschappelijk waardevol agrarisch gebied (zie stuk 4). 2. Bij het inrichten van een inrichting voor het verwerken van afvalstoffen, zoals een rioolwaterzuiveringsinstallatie (zie verder), dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid in de omgeving en de afstand tot woonwijken, recreatiegebieden, wegen en waterwegen, waterrijke gebieden zoals oppervlaktewateren en andere waterpartijen, moerassen, veengebieden en natte weilanden, industrie, landbouw- en woongebieden, groen- en parkgebieden, het culturele erfgoed, zoals beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten, gerangschikte landschappen en beschermde archeologische goederen en tenslotte waterwingebieden en beschermingszones (art. 5.2.1.4 Vlarem II). Uit de inplantingsplaats van de rioolwaterzuiveringsinstallatie, waarvoor de bestreden vergunning werd afgeleverd, blijkt dat deze in het licht van voornoemd artikel uit het Vlarem II-besluit een ongemeen ongunstige ligging heeft. Bij het bepalen van de inplantingsplaats van de bij het bestreden besluit vergunde installatie werd aldus helemaal geen rekening gehouden met de aanwezigheid van en de afstand tot de in art. 5.2.1.4 van het Vlarem II-besluit vermelde gebieden en woningen, zodat wegens de schending van dit art., het bestreden besluit volledig onwettig is. De Vlaamse Minister van Leefmilieu en Landbouw heeft geenszins de inplanting getoetst aan de bepaling van art. 5.2.1.4 van het Vlarem II-besluit, hetgeen overduidelijk blijkt uit de motivatie van het bestreden besluit van de Vlaamse Minister. De bepalingen van art. 5.2.1.4 van het Vlarem II-besluit komen zelfs niet ter sprake. 3. Uit de toepasselijkheid van art. 5.2.1.4 van het Vlarem II-besluit volgt bovendien dat bij de vergunning van de erin vermelde exploitaties met de nabijheid van de erin vermelde gebieden rekening moet worden gehouden in die zin dat de exploitatie niet kan worden vergund indien de exploitatie op deze gebieden effecten ressorteert die ervoor nadelig zijn, of die met deze gebieden niet verenigbaar zijn. Nu in het bestreden besluit zelf wordt toegegeven dat de bewoning in de onmiddellijke omgeving tot gevolg zal hebben dat de omwonenden van de exploitatie geur- en lawaaihinder zullen ondervinden, kan hieruit enkel volgen dat, in toepassing van art. 5.2.1.4 van Vlarem II een dergelijke exploitatie niet op een dermate kleine afstand van bewoning kan worden vergund. Uw raad heeft overigens in een arrest van 25 februari 1999 (R.v.St., nr. 78.964 van 25 februari 1999, PETERS - VERRETH - VERWIMP - DE MEES) reeds beslist dat de bedoelde bepaling van Vlarem II weliswaar geen dwingende verbods- of afstandsregels bevat, maar dat dit niet betekent dat die bepaling compleet genegeerd mag worden. 4. Het kan overigens evenmin betwist worden dat de RWZI, waarvoor het bestreden besluit van de Vlaamse Minister van leefmilieu en landbouw een vergunning heeft verleend, een inrichting is voor het verwerken van afvalstoffen, en nog wel een bijzondere afvalstof. De betrokken waterzuiveringsinstallatie omvat immers o.m. een slibbehande- lingsinstallatie. Blijkens de bijlage 2 bij de milieuvergunningsaanvraag van AQUAFIN NV, wordt het slib als volgt behandeld : gemaal naar een gravitaire indikker met zwak hellende bodem gebracht, waar de indikking plaats vindt. Vanuit de indikker wordt het ingedikte slib in de slibbuffer gepompt, waar het tijdelijk gestockeerd wordt. VII-23.196-5/21 Van hieruit wordt het slib vloeibaar afgevoerd naar een andere installatie waar het ontwaterd wordt ... (zie bijlage 2 bij milieuvergunningsaanvraag van AQUAFIN NV)'. Het slib wordt aldus niet enkel ter plaatse opgevangen in buffertanks om vervolgens afgevoerd te worden om te worden verwerkt in een inrichting in de zin van art. 5.2.1.4, § 1 van Vlarem II, doch ondergaat duidelijk een volumereductie en wordt aldus In het voornoemd arrest van 25 februari 1999 (R.v.St., nr. 78.964 van 25 februari 1999) heeft overigens uw raad reeds beslist dat een gelijkaardige rioolwaterzuiveringsinstallatie een inrichting is voor het verwerken van afvalstoffen"; 3.1.2. Overwegende dat in haar memorie van antwoord de verwerende partij als volgt repliceert : "Zowel in de voorbereidende adviezen (o.a. van de afdeling Stedenbouw- kundige vergunningen) als in het bestreden besluit is wel degelijk rekening gehouden (met) Het is een feit dat artikel 5.2.1.4 van Vlarem II niet uitdrukkelijk vermeld wordt, doch dit is ook niet noodzakelijk, nu het bestreden besluit wel voldoende andere feitelijke juridische en feitelijke argumenten vermeldt, die de beslissing schragen. Het genoemde artikel is in elk geval niet geschonden. De verzoekende partijen of iemand anders hebben ook nooit in de loop van de administratieve procedure uitdrukkelijk artikel 5.2.1.4 Vlarem II opgeworpen, zodat de Minister niet kan verweten worden er niet op Overigens kan prima facie de vraag gesteld worden of de slibindikker of andere delen van de vergunde exploitatie een 3.1.3. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord betogen dat artikel 5.2.1.4. van Vlarem II wel degelijk toegepast moest worden op de betwiste vergunningsaanvraag aangezien de vergunde inrichting een slibbehandelingsinstallatie omvat waar het slib, afkomstig van de waterzuivering, wordt ingedikt door ontwatering en dergelijke installatie moet worden beschouwd als een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen en dat het gegeven dat de tussenkomende partij in haar vergunningsaanvraag geen melding heeft gemaakt van de desbetreffende indelingsrubriek de betrokken installatie haar karakter van afvalstoffenverwerking niet ontneemt; dat, voorts, de verzoekende partijen herhalen dat uit de motivering van het bestreden besluit, waarin artikel 5.2.1.4. van Vlarem II zelfs niet wordt vermeld, niet blijkt dat voormelde bepaling daadwerkelijk werd toegepast; VII-23.196-6/21 3.1.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar "memorie van antwoord" meerdere argumenten aanvoert om aan te tonen dat artikel 5.2.1.4. van Vlarem II niet van toepassing is op de ingediende milieuvergunningsaanvraag; dat die argumenten, die er in essentie op neerkomen dat de waterzuiveringsinstallatie in kwestie geen "inrichting voor de verwerking van afvalstoffen" is, als volgt kunnen worden samengevat : - luidens artikel 4, 3/, van het Afvalstoffendecreet is afvalwater geen afvalstof, zodat een installatie waar zoals te dezen afvalwater wordt verwerkt bezwaarlijk kan beschouwd worden als een inrichting waar "afvalstoffen" worden verwerkt; - in de bij Vlarem I gevoegde lijst van hinderlijke inrichtingen wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen indelingsrubriek 2 betreffende "afvalstoffen" en indelingsrubriek 3 betreffende "afvalwater" waaronder de afvalwater- zuiveringsinstallaties ressorteren; - kwestieuze zuiveringsinstallatie moet, gelet op haar aard en technische kenmerken, louter onder indelingsrubriek 3.6.4.3/ ondergebracht worden; in 1999 werd rubriek 3.6. van de indelingslijst trouwens gewijzigd waardoor in die rubriek voortaan uitdrukkelijk verwezen wordt naar het "ontwateren van de bijbehorende slibproductie"; de wijziging van de indelingslijst was ingegeven door de bedoeling om "te voorkomen dat de afvalwaterzuiveringsinstallaties die enkel het ter plaatse geproduceerde slib ontwateren nog langer geheel of ten dele als inrichtingen voor afvalstoffenverwerking zouden worden beschouwd"; - in de ingediende milieuvergunningsaanvraag wordt enkel melding gemaakt van rubriek 3.6. en niet van enige rubriek die betrekking heeft op inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen; - het procédé waarbij het overtollige slib wordt ingedikt met het oog op de afvoer ervan, komt procesmatig louter neer op het "ontwateren" van het slib; het ontwaterde slib wordt voor het overige niet verwerkt maar louter opgeslagen met het oog op een georganiseerde en regelmatige afvoer ervan; - de verwijzing naar het arrest PEETERS van 25 februari 1999 gaat niet op omdat er een wezenlijk verschil bestaat tussen de betrokken waterzuiveringsinstallaties; in de zaak PEETERS werd in de vergunningsaanvraag zelf verwezen naar verschillende indelingsrubrieken m.b.t. de opslag en verwijdering van afvalstoffen omdat de aangevraagde installatie ook was bedoeld voor de opslag en behandeling van afvalstoffen (slib) afkomstig van andere RWZI's, terwijl in voorliggende zaak het louter gaat om een afvalwaterzuiveringsinstallatie waar het ingedikte slibresidu tijdelijk wordt gestockeerd in afwachting van transport naar een inrichting in de zin van artikel 5.2.1.4, § 1, van Vlarem I; anders gesteld bestaan de verschillen erin dat “in casu (...) er enkel en alleen sprake (
- is)van de VII-23.196-7/21 indikking van het na het procédé van afvalwaterzuivering ontstane slib, hetgeen slechts één van de vele noodzakelijke stappen in het waterzuiveringsproces is en geen verwerking van afvalstoffen in de zin van rubriek 2 inhoudt, daar waar het in de geciteerde zaak ging over waterzuivering gecombineerd met de exploitatie van een slibbehandelingsinstallatie waarin intern en extern geproduceerde afvalstoffen werden verwerkt"; - uit de adviezen die uitgebracht werden naar aanleiding van andere milieuvergunningsaanvragen voor vergelijkbare waterzuiveringsinstallaties blijkt steevast dat de adviesverlenende instanties de mening zijn toegedaan dat de ontwatering van het intern geproduceerde slib niet als afvalverwerking moet aanzien worden; sinds de wijziging van de indelingslijst bij besluit van 12 januari 1999 zijn verschillende lopende milieuvergunningen voor de exploitatie van een rioolwaterzuiveringsinstallatie aangepast in de zin dat de rubrieken met betrekking tot de verwerking van afvalstoffen uit de vergunning worden geschrapt; - indien het indikken van het interne slib zou worden gekwalificeerd als het verwerken van afvalstoffen en de overeenkomstige sectorale voorwaarden van Vlarem II van toepassing zouden zijn, zou zulks tot "absurde situaties" leiden waarbij bepaalde onaangepaste voorwaarden zouden moeten worden nageleefd (bv. de visuele inspectie van de afvalstoffen wat onmogelijk is bij een automatische aanvoer van afvalwater in een zuiveringsproces); - indien - per impossibile - zou worden geoordeeld dat artikel 5.2.1.4., § 1, van Vlarem II toch van toepassing is op voorliggende aanvraag, werd die bepaling de facto nageleefd bij het nemen van het bestreden besluit ook al wordt in dat besluit niet uitdrukkelijk naar die bepaling verwezen : meer dan vier bladzijden van de bestreden beslissing zijn immers gewijd aan de vestigingsplaats van de inrichting (zo wordt bv. aandacht besteed aan omgevingsfactoren zoals de aanwezigheid van een woonkern, weilanden, groenzone’s,...) en aan de maatregelen die genomen moeten worden om de hinder voor de omwonenden tot een aanvaardbaar niveau te beperken (zo worden bv. bijkomende milderende maatregelen opgelegd en wordt de uitvoering van een geur- en geluidsstudie verplicht gesteld); 3.1.5. Overwegende dat in hun aanvullende memorie van wederantwoord, ingediend binnen de termijn voorgeschreven voor het indienen van een memorie van wederantwoord, de verzoekende partijen een repliek geven op het betoog van de tussenkomende partij; dat zij daarin dieper ingaan op de VII-23.196-8/21 toepasselijkheid van artikel 5.2.1.4. van Vlarem II; dat zij hun standpunt als volgt toelichten : - om te bepalen of de afvalwaterzuiveringsinstallatie onderdelen bevat die te beschouwen zijn als een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen, moet niet uitgegaan worden van de wijze waarop de betrokken activiteit in de indelingslijst bij Vlarem I wordt gecatalogeerd; die vraag moet onderzocht worden in het licht van de begripsomschrijvingen die gegeven worden in het Afvalstoffendecreet en zijn uitvoeringsbesluiten, alsmede in Vlarem I en II; - slib dat afkomstig is van een rioolwaterzuiveringsinstallatie is krachtens artikel 3, § 5, j), van het Afvalstoffendecreet van 2 juli 1981 en artikel 2.3.1., § 1, 10/, van het Vlarea-besluit van 17 december 1997 een bijzondere afvalstof; het slib hoeft daarvoor niet ontwaterd en ingedikt te zijn; - het procédé waarbij het slib eerst wordt ontwaterd om het nadien gedurende enkele dagen te laten aandikken tot een drogestofgehalte is een procédé waarbij de chemische eigenschappen van het slib, de chemische samenstelling of minstens de aggregatietoestand van het slib wordt gewijzigd en als zodanig is er sprake van de verwerking van afvalstoffen in de zin van de artikelen 1.3.1. en 1.4.1. van het Vlarebo en van de rubrieken 2.2.5. en 2.3.2. van de bij Vlarem I gevoegde indelingslijst van hinderlijke inrichtingen; - te dezen moeten de in Vlarem II bepaalde sectorale voorwaarden met betrekking tot rioolwaterzuiveringsinstallaties en inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen cumulatief worden toegepast; - de wijziging van de indelingslijst door het besluit van de Vlaamse regering van 12 januari 1999 verhindert niet dat bepaalde onderdelen van de inrichting tegelijk vallen onder de indelingsrubrieken 2.2., 2.3., 2.2.5. of 2.3.2.; die wijziging verandert bovendien niets aan de reglementaire definities inzake het verwerken van afvalstoffen; - het komt niet aan de aanvrager van de vergunning toe om via zijn aanvraag te bepalen of een bepaalde activiteit al dan niet betrekking heeft op de verwerking van afvalstoffen; - het arrest PEETERS van 25 februari 1999 blijft relevant in voorliggende zaak; in casu wordt immers ook een slibbehandelingsinstallatie vergund; het is voor het overige niet relevant te weten of in die installatie ook slib wordt verwerkt dat van externe oorsprong is; 3.1.6. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie samengevat doet gelden dat afvalwater geen afvalstof is zodat de verwerking -in de indikker- van dit afvalwater tot slib ook niet als een "verwerking van afvalstoffen" VII-23.196-9/21 kan worden aanzien, dat immers in 1999 het ontwateren van het slib expressis verbis werd ondergebracht in rubriek 3.6. van de nieuwe indelingslijst bij Vlarem I, namelijk "Afvalwaterzuiveringsinstallaties met inbegrip van het lozen van effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie", dat dienvolgens, aangezien de betrokken waterzuiveringsinstallatie niet onder het begrip "inrichting voor de verwerking van afvalstoffen" valt, de sectorale milieuvoorwaarden vervat in artikel 5.2.1.4, § 1, van Vlarem II, in casu niet van toepassing zijn, dat naar haar oordeel een onderscheid moet worden gemaakt tussen spuislib en slib, waarbij het laatste het "ingedikte slib" betreft, dat enkel en alleen wordt opgeslagen en niet wordt verwerkt, dat ook kan worden verwezen naar de milieuvergunningsaanvraag waarin wordt gesteld "4.3. In geval de aanvraag betrekking heeft op de verwerking van de afvalstoffen (...) niet van toepassing"; dat de verwerende partij daarop een overzicht geeft van de wetshistoriek van bijlage 1 van Vlarem I waarbij zij benadrukt dat rubriek 3.6., die oorspronkelijk luidde "Afvalwaterinstallaties met inbegrip van het lozen van het effluentenwater" bij ministerieel besluit van 12 januari 1999 werd uitgebreid met de woorden "en het ontwateren van de bijkomende slibproductie"; dat zij stelt dat uit het feit dat de rubrieken 2.2.5 en 2.3.2 die handelen over "opslag en fysisch-chemische behandeling” al of niet in combinatie met een chemische behandeling van afvalstoffen bij de laatste wetswijziging in 1999 niet werden veranderd, onomstotelijk blijkt dat het de bedoeling was duidelijkheid te scheppen voor waterzuiveraars van industrieel, huishoudelijk en stedelijk afvalwater en te voorkomen dat de afvalwaterzuiveringsinstallaties die enkel het ter plaatse geproduceerd slib ontwateren nog langer geheel of gedeeltelijk als inrichtingen voor afvalstoffenverwerking zouden worden beschouwd; dat de verwerende partij nog doet gelden dat haar stelling wordt bevestigd door de houding van diverse betrokken overheden, waaronder OVAM, en dat het arrest nr. 78.964, Frans PEETERS e.a., van 25 februari 1999 met betrekking tot de rioolwaterzuiveringsinstallatie te Boortmeerbeek niet relevant is daar de vernietigde beslissing dateerde van vóór de wetswijziging in 1999 en er bovendien extern aangevoerd slib werd verwerkt; dat zij nog betoogt dat zelfs indien zou worden geoordeeld dat artikel 5.2.1.4., § 1, van Vlarem II toch van toepassing zou zijn op de onderhavige rioolwaterzuiveringsinstallatie, zij -zonder evenwel uitdrukkelijk naar die bepaling te hebben verwezen- wel degelijk rekening heeft gehouden met de in die bepaling gestelde vereisten, daar in het bestreden besluit zeer uitvoerig aandacht werd besteed aan de aanwezigheid in de omgeving van en de afstand tot de woonwijken en de nabijgelegen woningen en dat er maatregelen werden genomen om de hinder voor omwonenden tot een aanvaardbaar niveau te beperken; VII-23.196-10/21 3.1.7.1. Overwegende dat zowel de verwerende partij als de tussen- komende partij van oordeel zijn dat de betrokken inrichting geen inrichting is voor de verwerking van afvalstoffen, zoals bedoeld in het geschonden geacht artikel 5.2.1.4, § 1, van Vlarem II, dat luidt als volgt : "Bij het inrichten van een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen dient ter bescherming van de plaats en de omgeving rekening te worden gehouden met de aanwezigheid in de omgeving van en de afstand tot : - woonwijken; - recreatiegebieden; - wegen en waterwegen; - waterrijke gebieden zoals oppervlaktewateren en andere waterpartijen, moerassen, veengebieden en natte weilanden; - industrie-, landbouw- en woongebieden; - groen- en parkgebieden; - het culturele erfgoed, zoals beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten, gerangschikte landschappen en beschermde archeologische goederen; - waterwingebieden en beschermingszones"; dat uit de uiteenzetting van de verzoekende partijen wel degelijk de elementen blijken waarmede geen rekening werd gehouden, met name de aanwezigheid in de omgeving van en de afstand van de inrichting tot de aanwezige woonwijk en het onmiddellijk aansluitend woongebied met landelijk karakter; 3.1.7.2.1. Overwegende dat eerst dient te worden onderzocht of in deze zaak evengeciteerde bepaling van toepassing is; 3.1.7.2.2. Overwegende dat uit voornoemde omschrijving niet blijkt dat die bepaling enkel zou toepasselijk zijn op inrichtingen die uitsluitend gericht zijn op het verwerken van afvalstoffen, hetgeen overigens logisch is daar de effecten van dergelijke activiteiten immers niet verschillen al naargelang de bewuste activiteit de enige is van de betrokken inrichting, dan wel kadert in één of meer andere activiteiten van een inrichting; dat uit de neergelegde stukken blijkt dat de betrokken waterzuive- ringsinstallatie onder meer een slibbehandelingsinstallatie bevat; dat slib dat afkomstig is van een rioolwaterzuiveringsinstallatie luidens artikel 3, § 5, j, van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, een afvalstof is; dat uit het bestreden besluit blijkt dat het slib wordt ingedikt en aldus een volumereductie ondergaat; dat de bepalingen van hoofdstuk 5.2. "Inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen" van Vlarem II luidens artikel 5.2.1.1., § 1, van toepassing zijn "op de inrichtingen bedoeld in rubriek 2 van de indelingslijst" als bijlage van Vlarem I; dat de rubrieken 2.2.5 en 2.3.2 van die indelingslijst vergunningsplichtig maken "opslag en fysisch-chemische behandeling ... van
- a)niet- VII-23.196-11/21 gevaarlijke slibs,
- b)gevaarlijke slibs ..." en dat daarbij wordt gespecifieerd dat onder het fysisch-chemisch behandelen van afvalstoffen wordt verstaan "de chemische eigenschappen, de chemische samenstelling of de aggregatie-toestand van de afvalstoffen wijzigen. Het is o.m. het decanteren, distilleren, extraheren, mengen, neerslaan, neutraliseren, ontwateren, oxyderen, raffineren, reduceren, regenereren, smelten, soldifiëren"; dat de slibbehandelingsactiviteiten van de geplande inrichting, die onder meer het “indikken” en aldus zeker het ontwateren en reduceren van het slib inhouden, onder evengeciteerde definitie moeten worden ondergebracht; 3.1.7.2.3. Overwegende dat bij besluit van 12 januari 1999 van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van het besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1985 houdende reglementering en vergunning voor het gebruik van grondwater en de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones onder meer de als bijlage 1 bij Vlarem I gevoegde lijst van als hinderlijk beschouwde inrichtingen werd vervangen; dat de in rubriek 3.6. van die nieuwe indelingslijst bedoelde inrichtingen voortaan als volgt zijn omschreven : "Afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie"; dat de vraag rijst of, zoals de verwerende en de tussenkomende partij doen gelden, het ontwateren van slibproductie behorend bij een afwaterzuiveringsinstallatie niet langer als een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen zoals bedoeld in hoofdstuk 5.2. "Inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen" kan worden beschouwd; 3.1.7.2.4. Overwegende dat uit het gegeven dat de lijst van de als hinderlijk ingedeelde inrichtingen bestaat uit afzonderlijke rubrieken en subrubrieken niet de conclusie kan worden getrokken dat het voorwerp van een vergunningsaanvraag slechts onder één van die rubrieken kan worden ondergebracht; dat het immers niet uitgesloten is dat de inrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd volgens de indelingslijst onder meerdere rubrieken of subrubrieken valt waardoor verschillende rubrieken gecumuleerd moeten worden toegepast; dat de indelingslijst ook zo is opgebouwd dat ze niet alleen een opsomming geeft van inrichtingen of installaties die een volledige activiteit of bedrijvigheid dekken maar ook van bepaalde deelactiviteiten die kunnen variëren naargelang de specifieke kenmerken van de hoofdactiviteit; dat de Vlarem-indelingsrubrieken ook niet de mogelijkheid van zogenaamde dubbele rubricering volledig uitsluiten; dat het in principe mogelijk blijft dat één inrichting tegelijk onder meerdere indelingsrubrieken valt; dat het met name mogelijk is wanneer de indelingslijst naast een rubriek die de hoofdactiviteit dekt, VII-23.196-12/21 ook een specifieke rubriek bevat voor een bepaald onderdeel van de inrichting; dat daarbij komt dat wat de aanduiding van afvalstoffen en de behandelingstechnieken ervan betreft, het afvalstoffendecreet waarnaar in rubriek 2 expliciet wordt verwezen, de "lex specialis" vormt en niet de indelingslijst bij Vlarem, dat in beginsel een procedurebesluit is en een lagere norm betreft dan het afvalstoffendecreet; dat dienvolgens een wijziging van de indelingslijst door het besluit van de Vlaamse regering van 12 januari 1999 niet zo gelezen mag worden dat ze expliciet of impliciet een wijziging aanbrengt aan het karakter dat het afvalstoffendecreet toeschrijft aan de betrokken installaties; dat de aangebrachte wijziging dan ook niet kan meebrengen dat het ontwateren van het in een afvalwaterreinigingsinstallatie geproduceerde slib niet langer zou kunnen worden aangemerkt als een handeling waarbij afvalstoffen worden verwerkt en die onder andere bedoeld worden in rubriek 2 van de indelingslijst; dat de verwerende partij niet aantoont, en dat nergens uit blijkt, dat de a a n g e br acht e wijziging t o t do el had het o nt t r ekk e n va n afvalwaterzuiveringsinstallaties met een slibbehandelingsinstallatie aan de strengere exploitatievoorwaarden die Vlarem II stelt voor inrichtingen waar afvalstoffen worden verwerkt en behandeld; dat indien dit de bedoeling zou zijn geweest -hetgeen evenwel niet vaststaat- de Vlaamse regering op ondubbelzinnige wijze Vlarem II had dienen aan te passen door uitdrukkelijk te vermelden dat sommige van die strengere voorwaarden (waaronder artikel 5.2.1.4.) niet van toepassing zijn op de afvalwaterzuiveringsinstallaties zoals deze die door de tussenkomende partij worden geëxploiteerd; 3.1.7.2.5. Overwegende dat de overige desbetreffende verweerargumenten als volgt kunnen worden beoordeeld : - het betoog van de verwerende partij dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen spuislib, dat niet ingedikt slib zou zijn en ook geen afvalstof, en slib, dat ingedikt spuislib is en wel een afvalstof betreft, gaat niet op omdat, indien dat zo zou zijn, niet valt in te zien waarom er onder rubriek 3.6 van de indelingslijst bij Vlarem I sprake is van "het ontwateren van de bijhorende slibproductie" bij een afvalwaterzuiveringsinstallatie. Luidens het afvalstoffendecreet is slib dat bekomen wordt bij het zuiveren van afvalwater wel degelijk een afvalstof; - het "ontwateren" van dergelijke afvalstoffen wordt uitdrukkelijk vermeld als behandelingsprocédé in de rubrieken 2.2.5 en 2.3.2 van de indelingslijst; daarbij is het niet doorslaggevend of het gaat om intern geproduceerd dan wel aangevoerd slib; - het komt niet exclusief aan de aanvrager van de vergunning toe om via zijn vergunningsaanvraag te bepalen welke indelingsrubrieken (en afgeleid welke VII-23.196-13/21 sectorale milieuvoorwaarden) op de aangevraagde activiteiten van toepassing zijn; in elk geval kan een "niet aangevraagde" activiteit er niet toe leiden dat voor die activiteit toch de milieuvergunning wordt verleend; de vergunningverlenende overheid zou dan namelijk ultra petita oordelen); - het standpunt dat de adviesverlenende instanties gebeurlijk hebben aangenomen naar aanleiding van andere vergunningsaanvragen voor vergelijkbare inrichtingen, doet niets af aan de juridische conclusies die naar aanleiding van voorliggend annulatieberoep getrokken moeten worden; - de bewering dat Vlarem II onaangepaste exploitatievoorwaarden bevat is niet relevant voor de kwalificatie van de betrokken installatie in het licht van de Vlarem I-reglementering; 3.1.7.2.6. Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat moet worden besloten dat de bestreden milieuvergunning onder meer betrekking heeft op een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen, hetgeen betekent dat artikel 5.2.1.4., § 1, van Vlarem II op de kwestieuze inrichting van toepassing is; 3.1.7.3. Overwegende dat vervolgens de vraag rijst of de laatstvermelde bepaling van Vlarem II in casu werd toegepast; 3.1.7.3.1. Overwegende dat de tussenkomende partij kan worden gevolgd waar zij stelt dat voormeld artikel 5.2.1.4. geen dwingende verbods- of afstandsregels bevat; dat dit uiteraard niet inhoudt dat die bepaling mag worden genegeerd; dat die bepaling voor de vergunningverlenende overheid inhoudt dat zij aan de hand van het haar voorgelegde aanvraagdossier nagaat of de plaats en de omgeving niet in het gedrang worden gebracht door de concrete ligging van de inrichting voor de verwerking van afvalstoffen in het licht van de aanwezigheid en afstand tot de in dat artikel vermelde gebieden, wegen, goederen en zones; 3.1.7.3.2. Overwegende dat wordt vastgesteld dat het bestreden besluit in zijn motivering geen enkele vermelding bevat van de bewuste bepaling; dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord overigens zelf de vraag stelt of "de slibindikker of andere delen van de vergunde exploitatie een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen kunnen genoemd worden"; dat zoals hierna zal blijken bezwaarlijk het betoog van de verwerende partij kan worden aanvaard als dat zij -zonder verwijzing naar artikel 5.2.1.4., § 1- deze bepaling toch heeft toegepast; dat in het bestreden besluit wordt gesteld "dat de inplantingsplaats aansluit bij de woonzone (woongebied met landelijk karakter) (...), dat in een straal van 100 m VII-23.196-14/21 rondom de perceelsgrens circa 29 woningen staan, dat de twee dichtste woningen, langsheen de Dadizeelsestraat en de Grote Potterijstraat palen aan de perceelsgrens van de inrichting en op circa 35 m ten noordoosten en ten zuidoosten van de installaties (respectievelijk de nabezinktank en het beluchtingsbekken) zijn gelegen (de tuinen op circa 12 m en 25 m van de installaties); dat gelet op de ligging van de woningen en de overheersende zuidwestenwinden het noodzakelijk is dat er curatieve maatregelen worden genomen om de geluids- en geurhinder te beperken"; dat daarop de door de tussenkomende partij voorgestelde maatregelen ter beperking van de geluids- en geurhinder, die de basis vormden voor de ongunstige adviezen verleend d o o r d e afd eling M ilie u ve r g u nning e n e n d e Gewest elijk e Milieuvergunningscommissie worden weergegeven en worden besproken alsook de door de exploitant met een faxbericht bezorgde berekeningen inzake de geur- en geluidshinder, waarna de conclusie wordt getrokken dat het risico op geluids- en geurhinder voor de nabijgelegen woningen, in het bijzonder voor de woningen die zeer dicht bij de installatie liggen, reëel is; dat op basis van die overwegingen bezwaarlijk kan worden gesteld dat op impliciete wijze toepassing werd gemaakt van artikel 5.2.1.4., § 1, van Vlarem II, ook al beslaan die overwegingen "3 bladzijden"; dat de verwerende en de tussenkomende partij eraan voorbij gaan dat de in evengenoemde bepaling opgelegde vereiste, om bij het inrichten van een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen rekening te houden met de aanwezigheid in de omgeving van en de afstand tot onder meer woonwijken en woongebieden, tot doel heeft de "bescherming van de plaats en de omgeving"; dat blijkens het bestreden besluit alsnog de vergunning werd toegestaan op basis van een op 11 oktober 2000 door de exploitant aan de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie overgemaakte geluids- en geurstudie, waaruit zou blijken dat door het opleggen van nog andere bijzondere maatregelen, die niet in het concept waren opgenomen, geur- en geluidshinderproblemen tot een aanvaardbaar niveau zouden kunnen worden beperkt; dat dergelijke toetsing niet voldoet aan de veel bredere toetsing en belangenafweging die bij het vergunnen van een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen wordt voorgeschreven door artikel 5.2.1.4., § 1, van Vlarem II; dat daarbij nog komt dat die studies aan de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie werden bezorgd nadat alle adviesverlenende instanties hun advies reeds hadden uitgebracht, dat uit niets blijkt dat die studies door de afdeling Milieuvergunningen of door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie werden bestudeerd en geëvalueerd, alhoewel de bestreden beslissing meer dan twee maanden na het voorleggen van de kwestieuze studies werd genomen, dat de erin bijkomend nodig geachte bijzondere maatregelen niet expliciet als bijzondere vergunningsvoorwaarden werden opgelegd, maar dat de verwerende partij er zich toe beperkt als bijzondere vergunningsvoorwaarden op te VII-23.196-15/21 leggen, enerzijds, dat de 1 ge/m³-contour volledig buiten de perceelsgrenzen van de aanpalende woningen en tuinen moet vallen en, anderzijds, dat binnen een periode van zes maanden na oplevering van de installatie er een akoestisch onderzoek moet gebeuren en dat desgevallend de voorgestelde saneringsmaatregelen moeten worden uitgevoerd, zodat blijkbaar pas nadat de waterzuiveringsinstallatie in werking is, zal worden nagegaan of de geur- en geluidshinder wel tot een aanvaardbaar niveau zijn beperkt; dat niet valt in te zien hoe dergelijke werkwijze tegemoet komt aan de vereiste van artikel 5.2.1.4., § 1, van Vlarem II; 3.1.7.3.3. Overwegende dat het gegeven dat de verzoekende partijen in de loop van de administratieve procedure nooit uitdrukkelijk artikel 5.2.1.4. van Vlarem II hebben opgeworpen, geen reden vormt voor de vergunningverlenende overheid om deze reglementaire bepaling niet toe te passen; dat daarenboven in casu de vergunning in eerste aanleg werd geweigerd zodat de verzoekende partijen geen reden hadden om beroep aan te tekenen tegen dat weigeringsbesluit; 3.1.7.4. Overwegende dat het eerste middel gegrond is; 3.2.1. Overwegende dat de verzoekende partijen in het tweede middel de schending aanvoeren van de artikelen 11 en 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen; dat zij het middel als volgt adstrueren : "1.Overeenkomstig art. 20 van het KB van 28.12.1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen (B.S. 10.02.1973, err., B.S., 11.08.1973) kunnen bouwwerken voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen ook buiten de daarvoor speciaal bestemde gebieden worden toegestaan, voor zover ze verenigbaar zijn met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied. Luidens art. 20 van het voornoemd KB kunnen bouwwerken voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen slechts buiten de daarvoor speciaal bestemde gebieden worden gevestigd, voor zover ze verenigbaar zijn met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het gebied. De algemene bestemming van het gebied mag aldus de uitvoering van werkzaamheden voor bouwwerken voor openbare diensten en gemeenschaps- voorzieningen niet verhinderen. Art. 43 Stedenbouwwet (thans art. 41 van het gecoördineerde decreet) bepaalt dat in dat geval de Koning (thans de Vlaamse Regering) het gewestplan moet herzien, en dat het bevoegde lid van de regering, of zijn gemachtigde, zodra die herziening bij een met redenen omkleed besluit is bevolen, op de aanvraag van de betrokken publiekrechtelijke rechtspersoon, de uitvoering van werken van algemeen belang onmiddellijk kan toestaan (R.v.St., 3 maart 1988, gemeente Merchtem, nr. 29.512). 2. Overeenkomstig art. 11 van het voornoemd KB van 28.12.1972 zijn agrarische gebieden bestemd voor de landbouw in de ruime zin. VII-23.196-16/21 Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Een ontsluitingsweg voor een rioolwaterzuiveringsinstallatie kan aldus niet worden aangelegd in een agrarisch gebied. De algemene bestemming van een agrarisch gebied verzet zich hiertegen. De Vlaamse Minister van leefmilieu en landbouw kon aldus geen toepassing maken van art. 20 van het voornoemd besluit van 28.12.1972. De Vlaamse Minister heeft aldus zowel art. 11 als art. 20 van het voornoemd KB van 28.12.1972 geschonden. 3. Zelfs in de veronderstelling dat de algemene bestemming van een agrarisch gebied de inplanting van een ontsluitingsweg voor een RWZI niet alsdusdanig zou verhinderen, quod non, moet de inplanting van een gelijkaardige ontslui- tingsweg in een agrarisch gebied hoe dan ook uitzonderlijk blijven en voldoen aan enkele voorwaarden. Het feit zelf dat er voor de gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen een eigensoortig bestemmingsgebied in het leven werd geroepen, impliceert dat de inrichting van zulke voorzieningen in gebieden die daarvoor niet specifiek zijn aangewezen, uitzonderlijk moet blijven en slechts verantwoord is in zoverre die voorzieningen, overeenkomstig de aard van het gebied, werkelijk onontbeerlijk zijn, anders heeft de regeling geen zin. De Vlaamse Minister heeft geenszins onderzocht of de gedeeltelijke inplanting in agrarisch gebied wel degelijk onontbeerlijk was, laat staan dat zou zijn bewezen dat deze voorwaarde is vervuld. De Vlaamse Minister van leefmilieu en landbouw heeft aldus ook om deze redenen art. 20 van het voornoemd KB geschonden"; 3.2.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het toepasselijke gewestplan in 1998 gewijzigd werd met de uitdrukkelijke bedoeling om ter plaatse een rioolwaterzuiveringsinstallatie in te richten, dat enkel de toegangsweg tot de inrichting in agrarisch gebied gelegen is, dat in een agrarisch gebied ook een (gedeelte van) gemeenschapsvoorziening kan ingericht worden mits zulks "verenig- baar is met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het gebied", dat op voormelde aspecten uitvoerig wordt ingegaan in het bestreden besluit, dat daarbij onder meer de respectievelijke eigenschappen van de inrichting en het landschap worden vergeleken, en dat de verzoekende partijen niet aanduiden welke alternatieven er voor de toegangsweg aanwezig zijn; 3.2.3. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord de verzoekende partijen herhalen dat de ontsluitingsweg niet verenigbaar is met de bestemming agrarisch gebied en stellen dat de toepassing van artikel 20 van het Inrichtingsbesluit niet voldoende wordt verantwoord met de in het bestreden besluit opgegeven motieven, dat uit die motieven namelijk niet afdoende blijkt dat de vergunde toegangsweg verenigbaar is met de bestemming en het architectonisch karakter van het gebied en dat de noodzaak en het onontbeerlijk karakter van die weg VII-23.196-17/21 evenmin werd onderzocht, en, ten slotte, dat het niet de taak van de omwonenden is om alternatieven voor de vergunde ontsluitingsweg te suggereren; 3.2.4. Overwegende dat de tussenkomende partij uiteenzet dat de rioolwaterzuiveringsinstallatie zelf volledig in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen gelegen is waarmee ze verenigbaar is, dat slechts de toegangsweg met een oppervlakte van 70 m2 volgens het toepasselijke gewestplan in een agrarisch gebied gelegen is, dat voor voormeld onderdeel van de inrichting artikel 20 van het Inrichtingsbesluit kan toegepast worden, dat de bestreden beslissing voldoende aandacht heeft gehad voor aspecten met betrekking tot de hoogte, omvang, aanleg van een groenscherm, helling e.d. die er toe strekken de inrichting (inclusief de toegangsweg) verenigbaar te maken met de omgeving, dat "uit de aard zelf van de inrichting" volgt dat de inplanting in agrarisch gebied van de toegangsweg onontbeerlijk is, omdat een ontsluitingsweg "een noodzakelijke voorwaarde (
- is)voor het goed functioneren van de waterzuiveringsinstallatie, aangezien deze niet alleen voor onderhoud maar tevens voor het wegvoeren van het spuislib bereikbaar moet zijn", dat voor de effectieve ontsluiting van het betrokken gebied voor gemeenschapsvoorzieningen een klein stuk landbouwgebied moet ingenomen worden zonder dat echter een wijziging wordt aangebracht aan de ruimtelijke ordening die door het gewestplan werd vastgesteld, en dat de toegangsweg op zich niet vergunningsplichtig is zodat de ligging ervan geen "obstakel kan vormen voor het toestaan van een milieuvergunning voor de rioolwaterzuiveringsinstallatie zelf"; 3.2.5. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog beklemtoont dat enkel de toegangsweg in agrarisch gebied is gelegen; dat zij stelt dat ook in een dergelijk gebied een gemeenschapsvoorziening kan worden aangebracht, mits het verenigbaar is met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het gebied, dat dit in casu het geval is, dat, hoe dan ook, een dergelijke toegangsweg niet vergunningsplichtig is, waaruit noodzakelijkerwijze volgt dat de ligging ervan geen obstakel kan vormen voor het toestaan van een milieuvergunning voor de waterzuiveringsinstallatie zelf; dat zij er nog aan toevoegt dat de toegangsweg niet noodzakelijk in agrarisch gebied diende te liggen, maar dat dit zo werd voorzien op uitdrukkelijke vraag van de omwonenden; 3.2.6.1. Overwegende dat in het bestreden besluit wordt vermeld dat de inrichting gelegen is "deels in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en deels in een agrarisch gebied volgens het gewestplan Roeselare-Tielt vastgesteld bij VII-23.196-18/21 koninklijk besluit van 17 december 1971 en gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 15 december 1998"; dat alhoewel in het bestreden besluit precieze gegevens ontbreken over het gedeelte van de inrichting dat in agrarisch gebied gesitueerd is, de partijen in het geding eensgezind blijken over die onduidelijkheid : het in agrarisch gebied gelegen gedeelte van de inrichting heeft concreet betrekking op de toegangsweg met een oppervlakte van ca. 70 m2 die van de Zonnebeeksestraat naar de zuiveringsinstallatie leidt; 3.2.6.2. Overwegende dat de betrokken waterzuiveringsinstallatie en de toegangsweg één onlosmakelijk geheel vormen; dat de tussenkomende partij in haar memorie zelf stelt dat de ontsluitingsweg een "noodzakelijk voorwaarde (
- is)voor het goed functioneren van de waterzuiveringsinstallatie, aangezien deze niet alleen voor onderhoud maar tevens voor het wegvoeren van spuislib bereikbaar moet zijn"; dat ook in het bestreden besluit wordt gesteld dat de "inrichting” deels gelegen is in gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en deels in agrarisch gebied, zodat in dat besluit er zelf wordt van uitgegaan dat de rioolwaterzuiveringsinstallatie en de toegangsweg één geheel vormen; dat dienvolgens wanneer de toegangsweg -zelfs al is die op zich beschouwd niet milieuvergunningsplichtig- niet verenigbaar is met de gewestplanbestemming, de gehele exploitatie stuit op een stedenbouwkundige onverenigbaarheid; 3.2.6.3. Overwegende dat een toegangsweg naar een rioolwaterzuiverings- installatie geen uitstaans heeft met de bestemming van een agrarisch gebied; dat de verwerende en de tussenkomende partij in de procedurestukken zich ten onrechte beroepen op de mogelijkheid tot afwijking van het gewestplanvoorschrift agrarisch gebied zoals vastgelegd in artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen; dat, vooreerst, in het bestreden besluit nergens wordt verwezen naar enige bestaande regeling waarbij van de voorschriften van het gewestplan kan worden afgeweken, laat staan specifiek naar artikel 20 en dat ook nergens in de voorbereiden- de adviezen enige verwijzing naar die bepaling te bespeuren valt; dat de overwegingen in het bestreden besluit waarop desbetreffend wordt gealludeerd, zoals de aspecten betreffende de hoogte en omvang van een gedeelte van de constructies, de aanleg van een groenscherm en van een berm, louter betrekking hebben op de evaluatie van de visuele hinder die door de rioolwaterzuiveringsinstallatie zelf zou worden veroorzaakt in het "open landschap" en niet op de verenigbaarheid van de toegangsweg waaromtrent in het bestreden besluit met geen woord wordt gerept; dat, voorts, artikel 20 van evengenoemd koninklijk besluit alleen betrekking heeft op "bouwwer- VII-23.196-19/21 ken" terwijl het in casu gaat om een milieuvergunning; dat, tenslotte, de bewering van de verwerende partij dat de toegangsweg niet noodzakelijk in agrarisch gebied diende te liggen, maar dat dit voorzien werd "op uitdrukkelijke vraag van de omwonenden" - het staat trouwens niet vast dat deze omwonenden ook de verzoekende partijen zijn - geen afbreuk doet aan het gegeven dat die weg als zonevreemd dient te worden aangemerkt: dat het middel in de besproken mate gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 18 december 2000 waarbij het beroep van de n.v. AQUAFIN tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 22 juni 2000 houdende het weigeren van de vergunning aan de n.v. AQUAFIN om een nieuwe rioolwaterzuiveringsinstallatie, gelegen te Moorslede, Zonnebeeksestraat, te exploiteren, gegrond wordt verklaard en de vergunning wordt verleend. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing; bepaald op 1.214,71 euro, komen ten laste van het Vlaamse gewest. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 1.225 euro, komen ten laste van de het Vlaamse gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-23.196-20/21 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht december tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-23.196-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.378 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.103.898 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div