← België

Arrest 152401 - - 08/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.401 Rolnummer: A. 114382/XIV-7735 Zaak: Arrest 152401 - - 08/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-03 06:07 Fiche Arrest nr 152.401 van 8 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.401 van 8 december 2005 in de zaak A. 114.382/XIV-7735. In zake : 1.XXX, 2. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat J. BOULBOULLE-KACZOROWSKA, kantoor houdende te 4621 FLERON, rue Bureau 87 tegen : 1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, 2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 29 september 1973, en XXX, geboren op 31 december 1974 en beiden van Oezbeekse nationaliteit, op 17 december 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 november 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 juni 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gelet op het arrest nr. 130.881 van 30 april 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gelet op het administratief dossier; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag d.d. 10 juni 2005 opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, overgemaakt aan de bevoegde kamer op 13 juni 2005; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partijen; XIV-7735-1/8 Gelet op de beschikking van 1 september 2005 waarbij de terechtzitting wordt vastgesteld op woensdag 12 oktober 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. SPELEERS die, loco Advocaat J. BOULBOULLE-KACZOROWSKA, verschijnt voor de verzoekende partijen, van Attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. De verzoekende partijen komen België binnen op 16 december 1999 en verklaren zich vluchteling op 17 december 1999. 1.2. Op 23 juni 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 23 november 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de eerste bestreden beslissing uitmaakt, is ten aanzien van verzoeker, XXX, als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Oezbeeks staatsburger van Russische origine, verklaarde op het Commissariaat- generaal dat U en uw echtgenote, G. O., omwille van jullie Russische origine door burgers en politieagenten werden bedreigd en belaagd. Zo verklaarde U dat jongelui van Oezbeekse origine, (U en uw vrouw) na de voltrekking van de huwelijksceremonie in 1994 te Tashkent, met stokken en stenen naar jullie wierpen. Toen U in 1997 voor de Automobieldienst werkte, werd U door enkele jongelui van Oezbeekse origine geslagen, omdat U weigerde uw plaats af te staan in een theehuis. In het begin van november 1999 werd U door politieagenten geslagen, toen deze laatsten weigerden hun onkosten voor de reparaties aan hun auto te betalen. U diende hierna klacht in bij de lokale politiedienst (ROVD), waar ze uw verklaring in ontvangst namen. XIV-7735-2/8 Op 13 november 1999 vielen dezelfde agenten uw huis binnen en begonnen ze U te slagen. Ze vernielden allerlei meubilair en namen de paspoorten van U en uw vrouw mee. Toen U klacht wilde indienen bij het parket van het Jakasaraysky-district, werd U door een agent aangemaand op te hoepelen, gezien deze klacht een klein probleem betrof. Op 18 november werd U tijdens een identiteitscontrole aangehouden door lokale agenten, omdat U geen paspoort kon voorleggen en uw propiska niet geverifieerd kon worden. U werd opgesloten in een cel van de lokale politiedienst (ROVD) van de Mirobadsky-wijk. ‘s Nachts eisten de politieagenten dat U -onterecht- uw deelname aan een diefstal zou bekennen door een papier te tekenen. Toen U weigerde, werd U door hen geslagen. ’s Anderendaags werd U naar een onderzoeksrechter gebracht die U eveneens vroeg de diefstal te bekennen. U weigerde opnieuw te tekenen en U werd opnieuw opgesloten en geslagen. Op 24 november 1999 werd U door uw moeder op het politiekantoor afgehaald, nadat zij een bewijs van uw propiska kon voorleggen. Hierna stelde U een klachtbrief op ten aanzien van het Republikeins Parket die U via een buurvrouw aan deze instantie liet overmaken. Enkele dagen na het indienen van deze klacht vielen drie agenten bij U thuis op (

  1. in)het appartement binnen. U kon met uw gezin ontsnappen door met aaneengeknoopte gordijnen via het raam naar beneden af te dalen. Uw moeder vertelde U later dat zij de agenten gezien had en dat ze op zoek waren naar drugs in uw appartement. Uw moeder weigerde een door hen voorgelegd document te tekenen waarin U werd beschuldigd van drugsbezit. U besefte dat U niet langer in het land kon blijven. Op 4 december 1999 verliet U met uw gezin Oezbekistan en op 16 december 1999 kwamen jullie in België aan. Op 17 december 1999 diende U samen met uw echtgenote, Gorbunova Olga, een asielaanvraag in bij de Belgische autoriteiten. Uit uw verklaringen voor de diverse asielinstanties blijkt dat U omwille van uw Russische origine bedreigd en geslagen werd door jongelui en door lokale politieagenten van Oezbeekse origine (DVZ, punt 42 en 45; Vragenlijst (dd. 14/12/2000), punt 23 en 24; CGVS, pp. 7 en 11). Bovendien verklaarde U dat U door de lokale politie van de Mirobadsky-wijk van Tashkent zou opgesloten zijn omwille van uw russische origine (CGVS, p. 8). Nochtans blijkt uit bronnen beschikbaar op het Commissariaat-generaal dat de Russische minderheid omwille van Russische etnie of orthodox geloof geen discriminatie of vervolging kent in Oezbekistan, en dat de etnische factor geen rol speelt in de bescherming vanwege de Oezbeekse autoriteiten. Tevens blijkt dat moslimfundamentalisten omwille van hun oppositie tegen de gematigde regering hard worden aangepakt door deze Oezbeekse autoriteiten (Cedoca, Missierapport en informatie Oezbekistan, februari 2001). Op basis van deze elementen moeten uw verklaringen over de aggressies van de autochtone Oezbeekse bevolking en de lokale autoriteiten omwille van uw Russische origine sterk in twijfel worden getrokken en zijn uw verklaringen over de algemene vervolging van Russen in Oezbekistan (zie verklaring bij Vragenlijst punt 23, p.1 en CGVS, p. 7) ongeloofwaardig. Bovendien maakt u niet aannemelijk dat U –indien u daadwerkelijk problemen kende- niet op de hulp en bescherming van de (hogere) overheden kon rekenen. U verklaart wel dat een politieagent weigerde uw klacht te aanvaarden nadat de paspoorten van U en uw echtgenote afgenomen waren, maar nergens uit uw verklaringen op het Commissariaat- generaal blijkt echter dat U hierna nog verdere pogingen heeft ondernomen om dit incident bij uw autoriteiten aan te kaarten. Wat betreft uw klacht aangaande het politieoptreden en uw opsluiting, ingediend op 25 november 2000 op het Republikeins Parket, dient gewezen te worden op het feit dat U zelf verklaarde dat U hiervan niets meer vernam tot aan uw vertrek uit Oezbekistan op 4 december 1999 (CGVS, p. 8). Hierdoor moet gesteld worden dat U de gerechtelijke beslissing van het Parket niet afwachtte : U putte zodoende niet alle bestaande rechtsmiddelen in uw land uit, maar besliste om vroegtijdig Oezbekistan te verlaten. Gelet op het voorgaande kan er in hoofde van uw persoon geen vermoeden van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève vastgesteld worden. De documenten die u voorlegt doen geen afbreuk aan de bovenstaande vaststellingen. Uit het medisch getuigschrift van een gebroken neus (d.d. 14 maart 1999) kan niets worden afgeleid over de omstandigheden waarin u werd gewond. Het document dateert trouwens van 1999, terwijl zowel U als u (
  2. uw)echtgenote (bij het Commissariaat-generaal) het incident waarbij uw neus werd gebroken in 1997 situeren. Wat betreft de door uw echtgenote voorgelegde documenten (uw geboorteakte, uw diploma secundair onderwijs en hoger onderwijs, uw militair boekje, uw huwelijksakte, uw rijbewijs en een attest voor toelating om met een bus te rijden), kan enkel gesteld worden dat deze uw identiteit bewijzen, maar ook niet van die aard zijn om bovenstaande vaststellingen te weerleggen. Tenslotte kan nog opgemerkt worden dat ook in het kader van de asielaanvraag van uw echtgenote, Gorbunova Olga (O.V. 4.911.930), door de Commissaris-generaal eveneens een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf genomen werd. (...)”. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de tweede bestreden beslissing uitmaakt, is ten aanzien van verzoekster, Olga GORBUNOVA VALERIEVNA, als volgt gemotiveerd : XIV-7735-3/8 “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Oezbeeks staatsburger van Russische origine, verklaarde op het Commissariaat- generaal dat U en uw echtgenoot, G. A., omwille van jullie Russische origine door burgers van Oezbeekse origine en de autoriteiten werden bedreigd en belaagd. U verklaarde dat U in 1991, toen U nog in de stad Namangan (Oezbekistan) woonde, samen met uw moeder door jonge Oezbeken op straat werd aangevallen en werd beledigd omwille van jullie Russische origine. U vermeldde verder dat U in 1997 omwille van uw Russische origine niet toegelaten werd te studeren aan de Hogeschool voor Textiel in Tashkent (Oezbekistan). U verklaarde dat uw man in 1997 met een gebroken neus thuiskwam, nadat hij door enkele Oezbeken was geslagen, gezien uw man als Rus niet het recht had om te eten in een Oezbeeks café. Uw man werd ook geslagen door politieagenten, die hun rekening niet wilden betalen en die vonden dat uw man als Rus geen plaats had in Oezbekistan. Hierna diende uw echtgenoot klacht in bij de lokale politiedienst (ROVD) van de Mirobadsky-wijk in Tashkent. Uw man werd hierna opnieuw (bij) door de twee bovenvermelde agenten opgezocht en geslagen. Bij deze gelegenheid nam de politie uw paspoort en deze van uw man mee. Uw man wilde klacht indienen bij het parket van de Jakasaraysky-wijk, maar deze klacht werd geweigerd. Op 18 november werd uw man tijdens een identiteitscontrole aangehouden door lokale agenten, omdat hij geen propiska kon voorleggen. Uw echtgenoot werd opgesloten in een cel van de lokale politiedienst (ROVD) van de Mirobadsky-wijk, waar hij werd geslagen. Na enkele dagen vernam uw schoonmoeder de plaats waar uw man was opgesloten. Uw schoonmoeder bekwam een bewijs van de propiska van haar zoon, waarna ze hem bevrijdde van zijn opsluiting. Hierna stelde uw man een klachtbrief op ten aanzien van het Republikeins Parket. Enkele dagen na het indienen van deze klacht vielen agenten bij U thuis op (
  3. in)het appartement binnen. U kon met uw gezin ontsnappen. U besefte dat U niet langer in het land kon blijven. Op 4 december 1999 verliet U met uw gezin Oezbekistan en op 16 december 1999 kwamen jullie in België aan. Op 17 december 1999 diende U samen met uw echtgenoot, Gorbunov Andrey, een asielaanvraag in bij de Belgische autoriteiten. Uit uw verklaringen voor de diverse asielinstanties blijkt dat U omwille van uw Russische origine bedreigd en geslagen werd door personen van Oezbeekse origine (DVZ, punt 42 en 45; Vragenlijst (dd. 14/12/2000), punt 23 en 24; CGVS, pp. 7 en 11). Nochtans blijkt uit bronnen beschikbaar op het Commissariaat-generaal dat de Russische minderheid omwille van Russische etnie of orthodox geloof geen discriminatie of vervolging kent in Oezbekistan, en dat de etnische factor geen rol speelt in de bescherming vanwege de Oezbeekse autoriteiten. Tevens blijkt dat moslimfundamentalisten omwille van hun oppositie tegen de gematigde regering hard worden aangepakt door deze Oezbeekse autoriteiten (Cedoca, Missierapport en informatie Oezbekistan, februari 2001). Op basis van deze elementen moeten uw verklaringen over de aggressies van de autochtone Oezbeekse bevolking en de lokale autoriteiten omwille van uw Russische origine sterk in twijfel worden getrokken en zijn uw verklaringen over de algemene vervolging van Russen in Oezbekistan ongeloofwaardig (zie verklaring bij Vragenlijst punt 23, p.1 en CGVS, pp. 3 en 5). Verder moet worden vastgesteld dat U bij de motivering van uw asielaanvraag voornamelijk dezelfde feiten aanbren(g)t als uw echtgenoot, Gorbunov Andrey (O.V. 4.911.930). In het kader van zijn asielaanvraag werd door de Commissaris-generaal echter eveneens een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf genomen. Gelet op het voorgaande kan er in hoofde van uw persoon geen vermoeden van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève vastgesteld worden. Wat betreft de U voorgelegde documenten (uw geboorteakte, uw diploma secundair onderwijs en van kapster, uw diploma van naaien en als stylist(e), het doopbewijs en de geboorteakte van uw minderjarig kind), kan enkel gesteld worden dat deze uw identiteit en deze van uw minderjarige dochter bewijzen, maar niet van die aard zijn om bovenstaande vaststellingen te weerleggen. (...)”. 2. Over de gegrondheid van de zaak. XIV-7735-4/8 2.1. Overwegende dat verzoekers in een enig middel de schending aanvoeren van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en van artikel 1 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat verzoekers de door de Commissaris-generaal aangewende informatie betwisten en verklaren niet op de hoogte te zijn van de inhoud van deze informatie; dat verzoekers verder aanvoeren dat zij in Oezbekistan vervolgd worden omwille van hun Russische origine maar dat de Commissaris-generaal de verklaringen van verzoekers naast zich neerlegt en zich hiervoor baseert op rapporten die slechts algemene vaststellingen bevatten die geen betrekking hebben op hun situatie; 2.2. Overwegende dat de eerste verwerende partij in de memorie van antwoord uiteenzet dat de uitdrukkelijke motiveringsplicht, vervat in de motiveringswet van 29 juli 1991, tot doel heeft aan betrokkenen een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de beslissing dat hij/zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hen verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekers de motieven van de bestreden beslissingen wel degelijk kennen waardoor het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht is bereikt; dat, wanneer verzoekers aanhalen dat de informatie waarvan de Commissaris-generaal gebruik maakt voor hen onbekend is, zij, door gebruik te maken van hun inzagerecht, de inhoud van de informatie konden kennen aangezien er een kopie in het administratief dossier is gevoegd; dat verzoekers niet aannemelijk maken dat hun persoonlijke situatie afwijkt van de op het Commissariaat-generaal algemeen bekende feiten die erop wijzen dat de Russische minderheid omwille van hun afkomst of geloof niet worden vervolgd in Oezbekistan; dat de tweede verwerende partij zich aansluit bij het verweer van de eerste verwerende partij; 2.3. Overwegende dat verzoekers in hun memorie van wederantwoord herhalen dat zij niet op de hoogte zijn van de inhoud van de door de Commissaris-generaal gebruikte informatie en zodoende geen kans kregen om deze informatie te weerleggen tijdens de verhoren op het Commissariaat-generaal zodat hun rechten van verdediging werden geschonden; 2.4. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkenen een zodanig inzicht in de motieven van de beslissingen te verschaffen, dat zij in staat zijn te weten of het zin heeft zich tegen die beslissingen te verweren met de middelen die het recht hen verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekers de motieven van de bestreden beslissingen kennen, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekers XIV-7735-5/8 bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu tot deze conclusie is gekomen op grond van het feit dat het door verzoekers aangehaalde asielmotief, de vervolging omwille van hun Russische origine door de Oezbeekse bevolking en lokale autoriteiten, niet overeenstemt met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt betreffende de toestand in Oezbekistan, en zij bijgevolg geen vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie aantonen; dat verzoekers bovendien niet aannemelijk maken dat zij niet op de hulp en bescherming van de (hogere) Oezbeekse overheden konden rekenen; Overwegende dat verzoekers verklaren Oezbekistan te zijn ontvlucht omwille van de agressie van de autochtone Oezbeekse bevolking en de lokale autoriteiten tegenover inwoners van Russische origine; dat verzoekers aanvoeren dat zij werden bedreigd en geslagen door jongeren en door lokale politieagenten van Oezbeekse origine en zij bovendien door deze politieagenten werden opgesloten omwille van hun Russische origine; dat zij verklaren dat zij niet op de bescherming van de Oezbeekse overheid konden rekenen: een politieagent weigerde verzoekers klacht te aanvaarden nadat hun paspoorten waren afgenomen; Overwegende dat de bestreden beslissingen vermelden dat de verklaringen van verzoekers niet overeenstemmen met de informatie waarover de Commissaris-generaal beschikt en waaruit blijkt dat de Russische minderheid, omwille van Russische etnie of orthodox geloof, geen discriminatie of vervolging kent in Oezbekistan, en dat de etnische factor geen rol speelt in de bescherming vanwege de Oezbeekse autoriteiten; dat uit deze informatie bovendien blijkt dat moslimfundamentalisten omwille van hun oppositie tegen de gematigde regering hard worden aangepakt door deze autoriteiten; dat verzoekers in wezen de door de Commissaris-generaal aangewende informatie betwisten, die evenwel op onafhankelijke en zorgvuldige wijze is samengesteld; XIV-7735-6/8 dat, wanneer verzoekers aanvoeren dat zij de inhoud van de door de Commissaris-generaal aangewende informatie niet kenden en er bijgevolg niet konden op reageren, uit het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal deze informatie bij het dossier heeft gevoegd; dat verzoekers inzage hadden kunnen vragen in hun dossier en eventueel kopieën hadden kunnen vragen; dat verzoekers en hun Advocaat eveneens het rechtsplegingsdossier en het administratief dossier ter griffie van de Raad van State konden inkijken; dat dit expliciet werd meegedeeld in de beschikking tot vaststelling d.d. 1 september 2005; dat de door de Commissaris-generaal aangewende informatie op onafhankelijke en zorgvuldige wijze is samengesteld en zich in het administratief dossier bevindt; dat verzoekers enkel verklaren dat deze informatie niet met de werkelijkheid overeenstemt, maar geen concrete elementen aanhalen die hun bewering staven en zij bijgevolg de informatie, waarvan de Commissaris-generaal gebruik heeft gemaakt, niet weerleggen; Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat de Commissaris-generaal hun individuele situatie niet heeft onderzocht, maar zich enkel steunt op rapporten om algemene vaststellingen te doen; dat verzoekers aanvoeren dat zij niet op de bescherming van de Oezbeekse autoriteiten konden rekenen; dat uit de bewoordingen van de bestreden beslissingen blijkt dat de Commissaris-generaal rekening heeft gehouden met de individuele elementen van het asielrelaas van verzoekers; dat hij in een eerste deel van de bestreden beslissingen de feiten weergeeft en in een tweede deel deze feiten aan een analyse onderwerpt; dat de eerste bestreden beslissing vermeldt dat de paspoorten van verzoekers werden afgenomen en een politieagent weigerde hun klacht hierover te aanvaarden; dat verzoekers geen verdere pogingen hebben ondernomen om dit incident bij de Oezbeekse autoriteiten aan te kaarten, en dat zij het land verlieten voordat zij de gerechtelijke beslissing van het Republikeins Parket, naar aanleiding van hun klacht over het politieoptreden en verzoekers opsluiting, ontvingen en zodoende niet alle rechtsmiddelen in hun land hebben uitgeput; dat verzoekers geen concrete gegevens aanbrengen die deze vaststelling van de Commissaris-generaal ontkrachten; dat uit wat voorafgaat blijkt dat de Commissaris- generaal de individuele elementen van de asielaanvragen van verzoekers heeft onderzocht; Overwegende dat het asielrelaas van verzoekers bovendien geïsoleerde en in de tijd verspreide incidenten bevat die in hun geheel genomen niet doen blijken van een systematische vervolging van verzoekers, gesteund op hun Russische afkomst, omdat de gerelateerde incidenten plaatselijk gebonden zijn en uitgaan van een beperkt aantal lokale overheidsagenten, waartegen klacht kan worden neergelegd bij de hogere autoriteiten van Oezbekistan; dat verzoekers, zoals werd overwogen, niet alle interne rechtsmiddelen hebben uitgeput; Overwegende dat de bestreden beslissingen werden genomen in overeenstemming met de motiveringsplicht, aangezien zij de feitelijke en juridische XIV-7735-7/8 overwegingen vermelden die eraan ten grondslag liggen; dat de motiveringen de beslissingen kunnen dragen en bijgevolg deugdelijk en afdoende zijn; dat verzoekers er niet in slagen aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal, en de gevolgtrekkingen die hij daaruit in rechte afleidt, onwettig zijn; dat het enig middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 694,10 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht december tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-7735-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.401 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.