id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.403 Rolnummer: A. 167871/XII-4580 Zaak: Arrest 152403 - - 08/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-13 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 06:07 Fiche Arrest nr 152.403 van 8 december 2005 - Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.403 van 8 december 2005 in de zaak A. 167.871/XII-
(2)Een forfaitair ereloon Het behaalde aantal punten volgens de beoordeling conform de criteria van het bestek is als volgt : AR TE + Boeckx + Grontmij FDA Arch-I Totaal punten 5.20 10.00 1.20 4.70 8.40 criteria 3b en 3c Het puntenaantal berekend door toepassing van de evenredigheidsregel is weergegeven in de volgende tabel : De evenredigheidsregel is als volgt toegepast : de laagste prijs krijgt 15 punten, de hoogste 0 punten; daartussenin worden de punten berekend volgens een regel van drie. AR TE + Boeckx + Grontmij FDA Arch-I VIPA plafond -5% 0.00 15.00 1.82 5.72 5.66 VIPA plafond 0.00 15.00 0.88 5.80 8.55 VIPA plafond + 5% 0.68 15.00 0.00 6.35 13.54 VIPA plafond + 2.19 10.27 0.00 5.55 15.00 10% Vervanging in de totaalscore van de punten toegekend conform bestekscriteria door de alternatieve puntentoekenning levert volgende totaalscores : AR TE + Boeckx + Grontmij FDA Arch-I VIPA plafond -5% 54.25 51.00 39.02 62.67 61.76 VIPA plafond 54.25 51.00 38.08 62.75 64.65 VIPA plafond + 5% 54.93 51.00 37.20 63.30 69.64 VIPA plafond + 56.44 46.27 37.20 62.50 71.10 10% Enkel bij een kostprijs gelijk aan VIPA plafond - 5% wijzigt de rangorde van de inschrijvers, in alle overige gevallen blijft ze dezelfde als bij de eerdere analyse. i Het honorariumverschil bij VIPA plafond - 5% bedraagt 860 of 0,14% van het honorarium hij dat bedrag. Onder deze omstandigheden lijkt het ons overduidelijk dat het OCMW de grootste garanties heeft voor het betalen van een minimaal ereloon bij een keuze ten voordele van Arch-I. XII-4580-5/13 De alternatieve beoordelingswijze van het honorarium en de bijkomende prijsgaranties bevestigt bijgevolg de toekenning van de punten conform het bestek. 3 Conclusies 3.1 Overzicht AR-TE- Boeckx/ Grontmi FDA Arch-I STABO D&D/ j/A20 Libost 1 ontwerpteam 20.00 18.50 11.20 20.50 20.15 2 visie 21.75 15.50 20.00 24.45 22.95 3 kostprijs 17.70 12.00 7.20 16.70 21.40 TOTAAL 59.45 46.00 38.40 61.65 64.50 3.2 Voorstel van gunning Op basis van de analyse van de offertes stellen wij voor dat de Raad de opdracht gunt aan : Arch-I, Hof ter Schriecklaan 26, B-2600 Berchem Onder de financiële voorwaarden genoemd in de offerte, te weten : Basishonorarium : 7 % op het VIPA bouwplafond voor het uit te werken project Bonus-malusformule : een verhoging, respectievelijk verlaging van het basisereloon met een bedrag van 7% van de afwijking van de totale kostprijs in vergelijking met het VIPA bouwplafond (respectievelijk onder-/overschrijding) De motivering van ons voorstel is gebaseerd op het aantal behaalde punten Wat kwaliteit van het ontwerpteam en visie betreft is er een duidelijke aftekening tussen de drie best geplaatste kandidaten enerzijds, en de twee overige anderzijds. (Wij willen hierbij wel stellen dat ook de twee laagst geplaatste teams een verdienstelijke offerte indienden.) De twee best geplaatste kandidaten zijn op dit gebied aan elkaar gewaagd, de doorslag wordt gegeven door het criterium kostprijs. Dit omvat naast de hoogste van het honorarium ook een evaluatie van de wijze waarop de ontwerpers met kostprijs omgaan, en de garanties die gebonden worden om de totale kosten en het honorarium te beperken. Arch-I biedt aan als architectenbureau, met de bureaus stabiliteit en technieken in onderaanneming. Toch geeft met name het bureau technieken een indrukwekkende voorstelling. In de presentatiebundel is onder meer een volledig uitgewerkt plan van een vorig project weergegeven als illustratie van de werkwijze en de geleverde kwaliteit. Als we het totaal van de scores (exclusief het honorarium nemen) en dit delen door het honorarium krijgen we de kwaliteit/prijsverhouding. We moeten hierbij uitdrukkelijk stellen dat dit in het bestek niet voorzien is als criterium. Toch is het interessant om op te merken dat de best geplaatste een score van 9,82 haalt, de tweede 9,21 en de derde 8,
- In bijlage 2 zijn de gegevens en referenties van Arch-I opgenomen zoals deze in het dossier gevoegd waren.”; XII-4580-6/13 De grondvoorwaarden voor schorsing Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat de eerste en de derde in het voormelde artikel 17 gestelde voorwaarden betreft, dat de verzoekende partij zich inzake het nadeel beroept op de mogelijkheid om zelf de in het geding zijnde opdracht te kunnen uitvoeren, die zij door de gevraagde schorsing wil vrijwaren; dat zij daarbij ook verwijst naar de grote financiële omvang van de opdracht en zijn referentiewaarde; dat zij voorts haar keuze voor de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid motiveert door te verwijzen naar het risico, dat de bestreden toewijzingsbeslissing aan de gekozen inschrijver zou worden betekend en aldus een overeenkomst tot stand zou komen; Overwegende dat door de betekening van de bestreden toewijzingsbeslissing tussen de verwerende en de tussenkomende partij inderdaad een overeenkomst zou tot stand komen tengevolge waarvan, in de lijn van de rechtspraak van de Raad van State, arrest nr. 87.983 van 15 juni 2000 van de algemene vergadering van de afdeling administratie, een gewone vordering tot schorsing naar alle waarschijnlijkheid zou worden afgewezen; dat het bestaan van die overeenkomst de betrachting van de verzoekende partij om zelf de opdracht nog uit te voeren, ernstig zou bemoeilijken en een mogelijk herstel in natura verderaf zou brengen; dat aldus moet worden aanvaard dat de verzoekende partij, mede gelet op de aanzienlijke waarde van de in het geding zijnde opdracht, door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing het rechtens vereiste moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan ondergaan; dat voorts, wegens de dreigende betekening die, onder verwijzing naar artikel 21 bis van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, door de verwerende partij in een brief van 3 november 2005 wordt aangekondigd, te dezen wordt aanvaard dat de verzoekende partij een beroep deed op de procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, hetgeen XII-4580-7/13 overigens door de verwerende partij niet wordt betwist en door de tussenkomende partij ter beoordeling aan de wijsheid van de Raad van State wordt overgelaten; Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij in haar eerste en tweede middel grieven aanbrengt die betrekking hebben op de wijze waarop het gunningscriterium “kostprijs” is gehanteerd; dat zij meer bepaald in het eerste middel, in het eerste onderdeel, betoogt dat de puntentoekenning dermate onduidelijk is, dat deze niet kan worden aanvaard, nu nergens wordt aangegeven uit welke berekening de precieze punten (17,7/12/7,2/16,7/21) voortvloeien en dit evenmin uit de bijlage 1 van het analyseverslag blijkt; dat zij dat nader toelicht door te verwijzen naar een verschil van (7,34 - 7 =) 0,34 % inzake honorarium dat een puntenverschil oplevert van bijna 4 punten; dat zij tevens opmerkt dat de grafiek waarop blijkbaar is gesteund bij de evaluatie, onjuist is, omdat de honoraria van de tussenkomende partij en van haarzelf met rechte lijnen zijn voorgesteld, de eerste een dalende en de tweede een horizontale, hetgeen niet overeenstemt met de realiteit; Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel betoogt dat de gunningscriteria niet zijn nageleefd; dat zij daartoe in de eerste plaats stelt dat de puntenweging voor het kostprijscriterium ervan uitgaat dat maximaal 15 punten konden worden behaald, terwijl het bestek daarvoor in 30 punten voorziet, dat zij voorts stelt dat met het deelcriterium “kostprijs van het bouwwerk” helemaal geen rekening werd gehouden en ten slotte dat betreffende het deelcriterium “honoraria” bij de vergelijking niet is uitgegaan van een voorlopige realisatieprijs van 8 600 000 euro zoals het bestek voorschrijft, maar ook andere vergelijkings-punten, zij het op onduidelijk berekende wijze, in aanmerking zijn genomen; Overwegende dat de verzoekende partij in die grieven schendingen ziet, in het eerste middel onder meer van de verplichting tot formele motivering, en in het tweede middel van artikel 110, §1, van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, en van de zorgvuldigheidsplicht; XII-4580-8/13 Overwegende dat de verwerende partij tegenwerpt, wat het eerste middel betreft, dat binnen elk hoofdcriterium voor elke offerte een uitgebreide geschreven motivering werd gegeven bij de toetsing aan de verschillende subcriteria afzonderlijk, dat deze motivering dan gediend heeft als basis voor de gegeven punten per hoofdcriterium, dat uit niets blijkt dat de NV AT Osborne zich bij het onderzoek van de gunningscriteria en de puntentoekenning zou hebben laten leiden door andere voorschriften dan deze in het bestek vermeld noch dat de bedoeling voorlag een inschrijver gunstiger dan een andere te behandelen en dat het studiebureau juist was uitgekozen om zulks te vermijden, dat ten onrechte wordt gesteld dat enkel het verschil in ereloonvoorstellen het verschil zou verantwoorden in punten, dat de punten binnen het criterium “kostprijs” immers gesteund zijn op de drie subcriteria, waarbij voor minstens twee van de drie blijkt uit de motivering dat de offerte van de verzoekende partij negatiever wordt beoordeeld, dat wat de grafiek betreft, deze enkel aantoont dat als men het door de gekozen inschrijver voorgestelde bonus- malus systeem toepast, het honorariumtarief van de gekozen inschrijver procentueel afneemt ingeval van stijging van het budget en aangezien de verzoekende partij geen dergelijk systeem voorstelde, haar honorariumtarief procentueel hetzelfde blijft, hoewel het in absolute cijfers ook zal stijgen; Overwegende dat, wat het tweede middel betreft, de verwerende partij in de eerste plaats betoogt dat met de zinsnede “voor deze elementen maximaal 15 punten te behalen” enkel het tweede en derde subcriterium wordt bedoeld, namelijk honorarium en prijsgaranties, voorts dat het subcriterium “kostprijs project” wel degelijk apart voor elke offerte wordt besproken, dat het wel zo is dat het bestek niet verplichtte om voor elk subcriterium een berekening te geven, en de berekeningen op bladzijde 13 van het analyseverslag dan ook enkel de prijsgaranties en het honorarium betreffen; dat zij ten slotte laat gelden dat bij de vergelijking van de honoraria geen andere elementen zijn betrokken dan de ereloonbedragen op grond van een voorlopige realisatieprijs en de berekeningen op bladzijden 12 en 13 van het analyseverslag geenszins betrekking hebben op de beoordeling van het subcriterium honorarium alleen en bovendien geen verantwoording zijn voor de gegeven punten, maar slechts een “alternatief bewijs voor de gegrondheid van het gegeven puntenaantal”; Overwegende dat de tussenkomende partij in dezelfde zin argumenteert als de verwerende partij; dat zij in het bijzonder nog tegenwerpt, wat het eerste middel betreft, dat het uitgaat van een foutieve weergave van haar XII-4580-9/13 honorariumvoorstel en daartoe een verschil maakt tussen basisereloon en basisereloonpercentage; dat zij voorts aan de hand van enkele extrapolaties betreffende het honorariumvoorstel van de verzoekende partij tot de slotsom komt dat het laatstgenoemde honorarium enkel vanaf het punt waarop het bouwbudget zou dalen beneden 5% van het VIPA bouwbudget lager zou zijn dan het hare; dat zij, in verband met het tweede middel, in het bijzonder laat gelden, wat het deelcriterium “honoraria” betreft, dat daarbij wel degelijk is uitgegaan van honoraria op grond van de vooropgestelde investering van 8 600 000 euro, namelijk 602 000 euro voor haar en 631 240 euro voor de verzoekende partij, en dat de berekeningen waarvan sprake, veeleer op het derde deelcriterium, namelijk de “prijsgaranties”, betrekking hebben dan op het honorariumcriterium; Overwegende, wat het eerste middel betreft, dat de verzoekende en de verwerende partij ter terechtzitting toegeven dat zij ook heden niet kunnen uitleggen hoe de punten voor het criterium “kostprijs” werkelijk tot stand gekomen zijn; dat, zoals de verwerende en de tussenkomende partijen stellen, inderdaad bij de twee in het geding zijnde offertes een geschreven motivering is gegeven onder andere betreffende de wijze waarop de kostprijs is berekend, wat het honorarium is in procenten en in een absoluut cijfer en of er een bonus-malussysteem wordt voorgesteld; dat zulks dan echter gewoon in de puntengetallen “16,7” en 21,4” resulteert; dat in de bijlage enkel deelcriteria worden ingevoerd die niet worden verbonden met getalwaarden; dat, ook al dient vooralsnog in het midden te worden gelaten of de verzoekende partij moet worden bijgevallen, waar zij aanneemt dat het puntenverschil enkel het honorarium betreft, het dan nog lijkt dat de berekenings- wijze van de betrokken punten aan alle betrokken inschrijvers onbekend is aangezien zij niet blijkt uit het analyseverslag; dat immers ook de grafische voorstelling en de berekeningen die volgen op die puntentoekenning nergens de berekening van de voormelde punten lijken in te houden, die uiteindelijk in de concluderende tabel toch als de punten zijn opgenomen voor het criterium kostprijs; dat meer in het bijzonder nog, wat de grafiek betreft, deze enkel het honorariaverloop betreft en niet de andere elementen van het criterium kostprijs en voorts dat in tegenstelling tot hetgeen de tussenkomende partij stelt bij het tweede middel, in de grafiek niet honorariapercentages maar honoraria in absolute cijfers lijken te zijn uitgedrukt; dat de verwerende partij trouwens zelf aangeeft dat de bedoelde berekeningen op bladzijden 12 en 13 van het verslag, “geen” verantwoording zijn van de gegeven punten; dat aldus het analyseverslag en dienvolgens de bestreden beslissing die ernaar verwijst en er op steunt, geen afdoende formele motivering lijken te bevatten wat het XII-4580-10/13 gunningscriterium “kostprijs” betreft, en de bestreden beslissing aldus genomen is in strijd met de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, krachtens welke bepalingen de motivering van een bestuurshandeling met individuele strekking in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan die beslissing ten grondslag liggen en afdoende moet zijn; dat het eerste middel in de besproken mate ernstig is; Overwegende, wat het tweede middel betreft, dat de laatste volzin op bladzijde 12 van het analyseverslag “conform het bestek is voor deze elementen maximaal 15 punten te behalen” op het eerste gezicht niet begrijpelijk is want niet dadelijk te betrekken op de context van de grafiek en de uitleg ervan die aan die volzin voorafgaat; dat het niet zeker lijkt, in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij beweert, dat het hier enkel om het tweede en derde subcriterium zou gaan, namelijk honorarium en prijsgaranties; dat betreffende het subcriterium “kostprijs van het bouwwerk” met de verzoekende partij lijkt te moeten worden vastgesteld, dat daaraan geen afzonderlijke waardering is gegeven; dat onder het punt “2.5.
- Kostprijs” aan de kostprijs van het bouwwerk immers als dusdanig geen aandacht en geen puntenwaarde lijkt te zijn gegeven; dat de onderscheiden beoordelingen enkel de wijze van berekening van die kostprijs lijken te betreffen (mate van detail, uitsplitsing over nieuw- en vernieuwbouw, in rekening brengen van subsidies) en niet, zoals de verwerende partij beweert, een “aparte” bespreking van die kostprijs zelf; dat ten slotte in verband met de kritiek, dat niet is uitgegaan van een voorlopige realisatieprijs van 8 600 000 euro, de verwerende partij zelf wijst op de irrelevantie van de grafiek en van de daaropvolgende berekeningen die ook andere realisatieprijzen in de vergelijkingen betrekt; dat de betrokken grafische voorstelling en de genoemde berekeningen alsdan niet op hun plaats lijken in het betrokken evaluerend verslag aangezien zij op zijn minst de indruk geven de conclusie ervan mede te schragen, des te meer daar zoals hoger is vastgesteld de wel relevante motieven niet afdoende lijken; dat ze aldus mede het verslag lijken te vitiëren; dat dientengevolge het criterium “kostprijs” niet zorgvuldig lijkt te zijn aangewend bij de beoordeling van de offertes; dat zulks schending lijkt in te houden van artikel 110, §1, van het voormelde koninklijk besluit van 8 januari 1996 volgens welke bepaling de gunning plaatsvindt op grond van de gunningscriteria en tevens schending van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat in zoverre het tweede middel eveneens ernstig is; XII-4580-11/13 Overwegende dat aldus is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§1 en 2 , van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van het Architectenbureau Arch-I in het administratief kort geding bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de Raad van het OCMW van de gemeente Bilzen van 26 oktober 2005, houdende toewijzing van de opdracht “aanstelling van een ontwerper voor de bouw van een woon- en zorgcentrum” aan de BVBA “Architectenbureau Arch-I”. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. XII-4580-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht december 2005, door : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. D. VERBIEST. XII-4580-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.403 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.194 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div