id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.405 Rolnummer: A. 123198/XIV-10633 Zaak: Arrest 152405 - - 08/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-03 06:07 Fiche Arrest nr 152.405 van 8 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.405 van 8 december 2005 in de zaak A. 123.198/XIV-10.
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat M. ELLOUZE, kantoor houdende te 4020 LUIK, Quai du Roi Albert 77 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 23 maart 1952 en XXX geboren op 12 oktober 1952, en beiden van Georgische nationaliteit, op 28 juni 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 31 mei 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 31 mei 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op 31 mei 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 9 juli 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 15 oktober 2004, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 18 oktober 2004; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-10.633-1/7 Gelet op de beschikking van 28 september 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op woensdag 16 november 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. MAIRESSE die, loco Advocaat M. ELLOUZE, verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX komt België binnen op 30 maart 2000 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. XXX komt België binnen op 23 augustus 2000 en verklaart zich vluchteling op 4 september
- 1.
- Op 31 mei 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenland- se Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 31 mei 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchte- lingen en de staatlozen deze beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal, genomen ten aanzien van XXX, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Georgisch staatsburger van Armeense origine, verklaart dat u op 23 maart 1952 in Saramitch (Armenië) geboren bent. U verklaart dat uw zoon Artiom tijdens de oorlog in Abchazië (Georgië), in 1994, gesneuveld is. Naar gelang de oorlog vorderde, groeide de agressie van de Georgische bevolking ten opzichte van de burgers van Armeense origine. Begin 1995 werd uw andere zoon Arkadi door gewapende Georgische jongeren geslagen, bedreigd en mishandeld, omwille van zijn origine. Een maand later werd u, en uw gezin, thuis, door vier Georgische mannen aangevallen. Jullie werden door hen meegenomen en gedurende drie dagen opgesloten, bedreigd en mishandeld, eveneens omwille van jullie Armeense oorsprong. Op weg naar huis, na jullie vrijlating, ontmoetten jullie een kennis die jullie naar huis bracht en jullie XIV-10.633-2/7 aanraadde om naar Europa te vluchten. Jullie vluchtten op 23 maart 1995 naar Duitsland, waar jullie een asielaanvraag indienden. Het verblijf op Duits grondgebied werd u, uw vrouw en (uw) dochter geweigerd. Op 15 december 1999 werden jullie gerepatrieerd. In Georgië aangekomen werden jullie, net zoals alle anderen van niet-Georgische oorsprong, door de Georgische politie opgepakt. U werd meegenomen naar het bureau van de K.G.B.. U werd er bedreigd en geslagen. U werd, na een week, vrijgelaten op voorwaarde dat u, binnen de drie dagen, 10.000 U.S. $ zou betalen. U ging onmiddellijk naar uw vrouw en dochter, die bij kennissen logeerden. U vernam dat er, op uw domicilie, een oproepingsbrief ter uwer attentie, van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, was aangekomen. U heeft hierop niet gereageerd. U besloot terug naar Europa te vluchten. In maart 2000 trok u naar Duitsland, waar u bij uw zoon Arkadi introk. Na het overlijden van uw zoon Arkadi bent u, door uw zoons vrienden, naar België gebracht. U bent op 30 april 2000 in België aangekomen, waar u dezelfde dag uw asielaanvraag indiende. U bent in het bezit van uw identiteitskaart, medische attesten, een oproepingsbrief, de overlijdensakte van uw zoon. Er dient te worden opgemerkt dat de door u aangehaalde persoonlijke en algemene vervolging door de Georgische overheid omwille van etnische motieven na uw terugkeer naar Georgië in december 1999, niet overeenstemt met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. In deze documentatie (Cedoca, “Missie naar Georgië (23 oktober tot 1 november 2001)”; Immigratie- en naturalisatiedienst Nederland, “Situatie in Georgië, 25 mei 2000; Cedoca, “Rapport final de la mission d’évaluation de la délégation belge en Géorgie (4 au 15 octobre 1999)” wordt nergens melding gemaakt van dergelijke vervolging. Meer nog, uit deze informatie blijkt dat er geen sprake is van enige vervolging, zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie, van de Armeense bevolkingsgroep. Gelet op het voorgaande kan er in hoofde van uw asielaanvraag geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals omschreven in de Conventie van Genève, worden vastgesteld. Ik meen dat u niet dient te worden gehoord aangezien uit uw verklaringen afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken voldoende blijkt dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten (uw identiteitskaart, medische attesten, een oproepingsbrief, de overlijdensakte van uw zoon) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. Ook in het kader van uw vrouw, T. A., (o.v. 4.946.907) werd een bevestigende beslissing genomen. (...).”. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, genomen ten aanzien van A. T., is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Georgisch staatsburger van Armeense origine, verklaart dat u op 12 oktober 1952 te Tbilisi (Georgië) geboren bent. U verklaart dat uw zoon Artiom vermoedelijk tijdens de oorlog in Abchazië (Georgië) gesneuveld is. In februari 1995 werd uw andere zoon Arkadi op straat door gewapende jongeren geslagen, bedreigd, mishandeld. Korte tijd later werd u, en uw gezin, thuis, door vier Georgische mannen aangevallen. Jullie werden door hen meegenomen en gedurende drie dagen opgesloten en mishandeld. Op weg naar huis, na jullie vrijlating, ontmoetten jullie een kennis die jullie naar huis bracht en jullie aanraadde om naar Europa te vluchten. Jullie vluchtten naar Duitsland, waar jullie op 27 maart 1995 een asielaanvraag indienden. Het verblijf op Duits grondgebied werd u, uw man en dochter geweigerd. Op 15 december 1999 werden jullie gerepatrieerd. In Georgië aangekomen werden jullie door de Georgische politie opgepakt. Uw dochter en uzelf werden vrijgelaten. Jullie trokken in bij kennissen, tot uw man vrijgelaten werd. Uw man diende 10.000 U.S. $ te betalen aan de politie of K.G.B. . Via een kennis, vernamen jullie dat de politie op zoek was naar uw man. Er waren oproepingsbrieven aangekomen op het adres, waar u voor uw vertrek ingeschreven was, in Georgië. Gezien jullie verwachtten nooit door de politie met rust gelaten te worden, besloten jullie opnieuw te vluchten. Op 5 maart 2000 vertrok uw man naar Duitsland. In augustus 2000 XIV-10.633-3/7 vernam u dat uw man zich in België bevond. U vervoegde hem en kwam op 23 augustus 2000 in België aan. Op 4 september diende u een asielaanvraag in. U bent niet in het bezit van enig identiteitsdocument. Uit uw relaas blijkt dat de motieven voor uw asielaanvraag gebaseerd zijn op dezelfde feiten welke zijn aangehaald door uw man T. A. tijdens zijn asielaanvraag. U maakt geen gewag van enige problemen na het vertrek van uw man, vijf maanden voor uw vlucht uit Georgië. Vermits ten aanzien van uw man Tatevosjan Ahvan een negatieve beslissing werd genomen, kan ten aanzien van uw asielaanvraag onmogelijk een positief antwoord worden weerhouden en kan er in uw hoofde evenmin een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève, worden vastgesteld. Ik meen dat u niet dient te worden gehoord aangezien uit uw verklaringen afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken voldoende blijkt dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. (...).”.
- Overwegende dat verzoekers in een enig middel de schending aanvoeren van de artikelen 1, 2, 3 en 4 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat, op basis van de door de verwerende partij aangevoerde rapporten, niet automatisch tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag van verzoeker kan worden besloten; dat verzoekers stellen dat de door de Commissaris-generaal geraadpleegde bronnen partijdig zijn; dat verzoekers uiteenzetten dat verschillende rapporten van internationale organisaties de informatie van de Commissaris- generaal tegenspreken; dat verzoeker tenslotte overweegt dat uit de door hem neergelegde medische attesten blijkt dat hij chronisch depressief is ten gevolge van de slechte behandeling in zijn land van herkomst, en door het overlijden van zijn zoon, hetgeen volgens verzoeker een bevestiging inhoudt van het asielrelaas van verzoekers; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkenen een zodanig inzicht in de motieven van de beslissingen te verschaffen, dat zij in staat zijn te weten of het zin heeft zich tegen die beslissingen te verweren met de middelen die het recht hen verschaft; dat uit de verzoek- schriften blijkt dat verzoekers de motieven van de bestreden beslissingen kennen, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekers bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat waar verzoekers aanvoeren dat, op basis van de door de verwerende partij aangevoerde rapporten, niet automatisch tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag kan worden besloten, de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen (Vreemdelingenwet), nochtans niet verhindert dat de Commissaris-generaal bij de beoordeling van de zaak rekening houdt met de verklaringen die verzoekers hebben afgelegd op de Dienst Vreemdelingenzaken, de inhoud van deze verklaringen vergelijkt met die welke verzoekers hebben afgelegd voor het Commissariaat-generaal, eventuele tegenstrijdigheden XIV-10.633-4/7 vaststelt, en daaruit de nodige gevolgtrekkingen afleidt; dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten immers een ruime appreciatie-bevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag tevens onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissingen onder punt 1.
- van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag van verzoeker heeft besloten omdat : - de door verzoeker aangehaalde persoonlijke en algemene vervolging door de Georgische overheid omwille van etnische motieven na zijn terugkeer naar Georgië in december 1999, niet overeenstemt met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt; uit deze documentatie blijkt dat er geen sprake is van enige vervolging, zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie, van de Armeense bevolkingsgroep; - er in hoofde van verzoeker geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals omschreven in de Vluchtelingenconventie, kan worden vastgesteld; Overwegende dat de Commissaris-generaal tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag van verzoekster heeft besloten omdat: - uit verzoeksters asielrelaas blijkt dat de motieven voor haar asielaanvraag gebaseerd zijn op dezelfde feiten die door haar echtgenoot, tijdens zijn asielaanvraag, werden aangehaald; - verzoekster geen blijk geeft van problemen na het vertrek van haar man, vijf maanden vóór haar vlucht uit Georgië; vermits ten aanzien van verzoeksters echtgenoot een negatieve beslissing werd genomen, kan ten aanzien van verzoeksters asielaanvraag onmogelijk een positief antwoord worden weerhouden en kan er in haar hoofde evenmin een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie worden vastgesteld; XIV-10.633-5/7 Overwegende dat waar verzoekers aanvoeren dat de door de Commissaris-generaal geraadpleegde bronnen partijdig zijn, blijkt dat verzoekers zich beperken tot vage beweringen, zonder deze concreet te betrekken op de werkelijke vaststellingen van de bestreden beslissingen, noch op hun persoonlijke situatie; dat, waar verzoekers aanvoeren dat verschillende rapporten van internationale organisaties de informatie van de Commissaris-generaal tegenspreken, vaststaat dat verzoekers nalaten te preciseren om welke rapporten het precies gaat; dat verzoekers hun grief geenszins ondersteunen met concrete en pertinente gegevens en niet aantonen dat de bestreden beslissingen niet op goede gronden door de Commissaris-generaal werden genomen; dat, waar verzoekers aanvoeren dat uit medische attesten blijkt dat verzoeker chronisch depressief is, blijkt dat de algemene bewoordingen van de medische attesten geen afbreuk doen aan de vaststellingen en overwegingen van de Commissaris-generaal; dat verzoekers niet uitleggen waarom deze medische attesten pas voor de eerste maal worden ingeroepen voor de Raad van State; dat het niet aan de Raad van State toekomt om zich uit te spreken over deze medische attesten; Overwegende dat uit de bestreden beslissingen blijkt dat het asielrelaas van verzoekers grondig werd onderzocht en dat rekening werd gehouden met alle relevante elementen van dit relaas en van het administratief dossier; dat de bestreden beslissingen steunen op ter zake dienende, afdoende en pertinente motieven; dat het enig middel, in al zijn onderdelen, ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- XIV-10.633-6/7 De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht december tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-10.633-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.405 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.