← België

Arrest 152406 - - 08/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.406 Rolnummer: A. 122164/XIV-10334 Zaak: Arrest 152406 - - 08/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 06:07 Fiche Arrest nr 152.406 van 8 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.406 van 8 december 2005 in de zaak A. 122.164/XIV-10.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat C. DIERCKX, kantoor houdende te 4020 LUIK, Quai du Condroz 11 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 23 maart 1947 en van Iraanse nationaliteit, op 6 juni 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 7 mei 2002 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 september 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 7 mei 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 12 juni 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 4 januari 2005, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 11 januari 2005; XIV-10.334-1/9 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 28 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 16 november 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. VAN CUTSEM die, loco Advocaat C. DIERCKX verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 21 april 2000 en verklaart zich vluchteling op 25 april
  4. 1.
  5. Op 27 september 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 7 mei 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd: “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Verder meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Iraans staatsburger afkomstig uit Teheran, verklaarde op de zetel van het Commissariaat - generaal uw land te zijn ontvlucht omwille van politieke redenen. Op 25/1/1379 (volgens (de) Iraanse kalender; komt overeen met 14/4/2000 volgens (de) Westerse kalender) verliet u Iran. Op 21 april 2000 kwam u aan in België waar u op 25 april 2000 asiel aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. Sinds 1361

(1982)bent u sympathisant van de royalistische partij Masrouteh Saltanati. Toen hebt u ook meegeholpen om de vlucht van Bani XIV-10.334-2/9 Sadr naar het buitenland te organiseren. Uw politieke activiteiten beperkten zich tot deelname aan manifestaties. Zo nam u deel aan de studentenbetogingen in Teheran van 19 tot 22/4/1378 (10 tot 13/7/1999). Samen met enkele partijleden scandeerde u slogans. Op 22/4/1378 (13/7/1999) werd u door leden van de Bassidj opgepakt, maar een groepje betogers bestormden het minibusje en u kon ontsnappen. Uw partijgenoot Kazem Modjoudi slaagde hier echter niet in. U vluchtte naar uw schoonvader en daar vernam u dat de Bassidj en de politie bij uw vrouw waren geweest en het huis hadden doorzocht. Op 25/4/1378 (16/7/1999) ging u naar Shiraz omdat uw vrouw u gevraagd had niet naar huis terug te keren omdat de autoriteiten u nog tweemaal waren komen zoeken. In Shiraz dook u onder bij een ver familielid. Uw vrouw verhuisde naar een ander adres in Teheran omdat jullie problemen hadden met de buren omwille van jullie royalisme. Na ongeveer vier maanden vernam u van uw vrouw dat uw vriend Kazem Modjoud(u)(
  1. i)was gearresteerd en bezweken aan de folteringen. De autoriteiten waren nog vaak naar u op zoek geweest bij uw vrouw. Toen besloot u om het land te verlaten. U verbleef dan nog enige tijd in Isfahan alvorens u effectief vertrok. Uw verklaringen tijdens uw interview bij de Dienst Vreemdelingenzaken en later in dringend beroep zijn dermate tegenstrijdig dat weinig geloof kan worden gehecht aan uw verklaringen. Zo verklaart u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u niets meer heeft vernomen over uw vriend die gearresteerd is (zie verhoorverslag punt 42), terwijl u op het Commissariaat -generaal verklaarde (
  2. u)dat u tijdens uw verblijf in Shiraz vernam dat uw gearresteerde vriend overleden was tijdens zijn detentie, door de ondergane folteringen (zie verhoorverslag p.10 en p.14). Alsook verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u twee dagen van de drie mee had betoogd (zie verhoorverslag punt 42), terwijl u op het Commissariaat - generaal verklaarde (
  3. u)dat u vier dagen had betoogd (zie verhoorverslag p. 12). Deze uiteenlopende verklaringen ondermijnen ten zeerste de geloofwaardigheid van uw vluchtmotieven. Indien nog enig geloof zou worden gehecht aan uw verklaringen, dan nog dient te worden vastgesteld dat u onvoldoende aannemelijk kan maken omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève uw land te hebben verlaten. U kunt onvoldoende aannemelijk maken dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van uw betrokkenheid bij politieke activiteiten en dat u daardoor geviseerd wordt. U verklaart dat de autoriteiten een bewijs zochten om uw betrokkenheid bij de vlucht van Bani Sadr aan te tonen in 1361
(1982)en dit omdat u vroeger een belangrijke functie had bij de luchtmacht en de autoriteiten op de hoogte waren van uw betrokkenheid hierbij, omdat toen, vrienden van u waren gearresteerd (zie verhoorverslag dringend beroep p. 6-7). Maar u verklaart bij de luchtmacht te hebben gewerkt tot 1371
(1982), en u maakt geen gewag van vroegere arrestaties, bijgevolg is uw vrees hiervoor enkel gebaseerd op vermoedens, hetgeen onvoldoende is als aanwijzing van uw actuele vervolgingsvrees voor een feit dat dateert van 1361
(1982). Daarnaast verklaart u dat de autoriteiten op de hoogte zijn van uw aanwezigheid op de betoging omdat uw vriend Kazem Modjoudi werd gearresteerd en gefolterd (zie verhoorverslag dringend beroep p. 7). Het vermoeden dat uw vriend u zou verklikt hebben na zijn arrestatie is onvoldoende als objectieve aanwijzing dat de autoriteiten op de hoogte zijn van uw deelname aan de betogingen en uw politieke activiteiten. In verband met uw politieke activiteiten dient te worden opgemerkt dat deze vrij beperkt waren. U maakt immers enkel gewag van deelname aan demonstraties (verhoorverslag dringend beroep p.5-6). Bovendien dient te worden vastgesteld dat u geen enkel begin van bewijs aanbrengt m.b.t. uw politieke activiteiten noch m.b.t. het feit dat u gezocht werd door de autoriteiten na de betoging, alhoewel u verklaarde dat meerdere convocaties aan uw echtgenote werden bezorgd. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat u nog acht maanden in het land verbleef alvorens te vluchten naar het buitenland. Zelfs nadat u vernomen had dat uw vriend was overleden, bleef u nog vier maanden in het land. De weinige haast waarmee u Iran verliet bevestigt nogmaals het kennelijk ongegrond karakter van uw vervolgingsvrees. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging zoals omschreven in de Conventie van Genève van 28 juli 1951. De door u neergelegde documenten, uw identiteitskaart, uw rijbewijs en uw militaire kaart wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet, gezien het enkel persoonsgegevens betreft waar niet wordt aan getwijfeld. (...).”. 2.1. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 1, A
(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); XIV-10.334-3/9 Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de in de bestreden beslissing vastgestelde tegenstrijdigheden niet aantonen dat zijn asielrelaas ongeloofwaardig is; dat verzoeker stelt dat de tegenstrijdigheden het gevolg zijn van de korte en onnauwkeurige ondervraging op de Dienst Vreemdelingenzaken, en van de Afghaanse tolk die de Perzische taal niet machtig was; dat verzoeker uiteenzet dat het Commissariaat-generaal zijn appreciatiebevoegdheid manifest heeft overschreden door verzoeker het verblijf op het grondgebied van het Rijk te weigeren; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid laat, meer in het bijzonder voor wat de organisatie betreft van de procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat de Belgische overheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat bijgevolg in voorliggend geval voornoemde schending van artikel 1, A
(2), van de Vluchtelingenconventie niet dienstig kan worden aangevoerd, aangezien verzoeker niet tegelijkertijd de schending inroept van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat het eerste middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; 2.
  1. Overwegende dat verzoeker een tweede middel put uit de “schending van de algemene rechtsbeginselen “nemo judex in causa sua”, “justice should not only be done, it must also be seen to be done” en “Likelihood of bias”, zie art. 57/2 van de Wet van 15.12.1980 en art. 6 van het EVRM.”; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat deze beginselen gegrond zijn op de vrees dat “de rechters niet in alle objectiviteit hebben geoordeeld”; dat verzoeker stelt dat voormelde beginselen tot doel hebben de schijn van partijdigheid van de rechter en van de administratie te vermijden; dat verzoeker overweegt dat de inbreuk op deze beginselen niet vereist dat het bewijs van de partijdigheid wordt geleverd, maar dat een schijn van partijdigheid volstaat; dat verzoeker betoogt dat “het middel genomen uit een niet-naleving van deze beginselen (...) van openbare orde (is).”; dat verzoeker uiteenzet dat, overeenkomstig artikel 57/2 van de Vreemdelingenwet, de Commissaris-generaal en zijn adjuncten hun beslissingen nemen en hun adviezen verlenen in alle onafhankelijkheid; dat verzoeker aanvoert dat Pascal SMET, voordat hij werd benoemd tot Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, kabinetschef was van de Minister van Binnenlandse Zaken, “die de beslissingen nam waartegen verzoekers een dringend beroep instelden bij” het Commissariaat-generaal; dat verzoeker stelt dat dit een voldoende schijn van partijdigheid is; XIV-10.334-4/9 Overwegende dat, waar verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal niet onpartijdig is, wordt vastgesteld dat verzoeker nalaat in concreto aan te tonen dat er sprake is van partijdigheid; dat de omstandigheid dat de Commissaris-generaal voordien kabinetschef was van de Minister van Binnenlandse Zaken, die de beslissing heeft genomen waartegen verzoeker bij de Commissaris-generaal dringend beroep heeft ingediend, niet volstaat om een schijn van partijdigheid met zich mee te brengen; dat uit de bestreden beslissing niet kan worden afgeleid dat de asielaanvraag van verzoeker niet individueel en objectief zou zijn onderzocht; dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat Pascal SMET als kabinetschef persoonlijk zou hebben deelgenomen aan de totstandkoming van de beslissingen genomen door de Minister van Binnenlandse Zaken; dat de onpartijdigheid van de Commissaris-generaal bovendien wettelijk is vastgesteld, hetgeen wordt bevestigd door het feit dat de Minister van Binnenlandse Zaken zijn hiërarchisch gezag niet kan laten gelden ten opzichte van de beslissingen van de Commissaris-generaal; Overwegende dat volgens een constante rechtspraak van de Raad van State artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (EVRM), niet van toepassing is op beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, omdat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest van 5 oktober 2000, in de zaak MAAOUIA tegen Frankrijk, heeft beslist dat artikel 6 van het EVRM niet van toepassing is op het asielrecht, zodat niet kan worden ingezien waarom verzoeker artikel 6 van het EVRM inroept; dat bijgevolg dit onderdeel van het tweede middel niet dienstig kan worden aangevoerd omdat het niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; Overwegende dat het tweede middel, in al zijn onderdelen, ongegrond is; 2.
  2. Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van de artikelen 52 en 62 van de Vluchtelingenwet, en van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de tegenstrijdigheden in zijn opeenvolgende verklaringen het gevolg zijn van een gebrekkige vertaling door een Afghaanse tolk die de Perzische taal niet machtig is; dat verzoeker stelt dat hij dit feit heeft gesignaleerd bij aanvang van zijn verhoor op het Commissariaat-generaal, maar dat de Commissaris-generaal er geen rekening mee heeft gehouden en de bestreden beslissing uitsluitend op de vermeende tegenstrijdigheden heeft gesteund; dat verzoeker betoogt dat het Commissariaat-generaal niet aantoont dat de beweerde tegenstrijdigheden zodanig zwaarwichtig zouden zijn dat zij het relaas van verzoeker ernstig zouden ondermijnen; dat XIV-10.334-5/9 verzoeker overweegt dat twijfel in het voordeel van de asielzoeker dient te spelen; dat verzoeker besluit dat het Commissariaat-generaal niet bewijst dat de aanvraag van verzoeker bedrieglijk is en derhalve geen beslissing kon nemen op basis van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, waardoor de aanvraag tevens kennelijk ongegrond werd verklaard; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag tevens onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
  3. van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten omdat: - de verklaringen van verzoeker tijdens zijn verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken en later in dringend beroep dermate tegenstrijdig zijn dat er weinig geloof aan kan worden gehecht; op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaart verzoeker dat hij niets meer heeft vernomen over zijn vriend die werd gearresteerd, terwijl hij op het Commissariaat-generaal XIV-10.334-6/9 verklaarde dat hij tijdens zijn verblijf in Shiraz vernam dat zijn vriend, door de ondergane folteringen, tijdens zijn detentie overleden was; - verzoeker verklaarde op de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij twee van de drie dagen had mee betoogd, terwijl hij op het Commissariaat-generaal verklaarde dat hij vier dagen had betoogd; - verzoeker het niet aannemelijk maakt dat hij zijn land van herkomst heeft verlaten omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; hij het evenmin aannemelijk maakt dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van zijn betrokkenheid bij politieke activiteiten en dat hij daarom wordt geviseerd; - verzoeker verklaart dat de autoriteiten een bewijs zochten voor zijn betrokkenheid bij de vlucht van Bani Sadr in 1361
(1982), omdat hij vroeger een belangrijke functie had bij de luchtmacht, en omdat de autoriteiten op de hoogte waren van zijn betrokkenheid; verzoeker evenwel verklaart bij de luchtmacht te hebben gewerkt tot 1371
(1982), en geen gewag maakt van vroegere arrestaties; verzoekers vrees is bijgevolg enkel gebaseerd op vermoedens, hetgeen onvoldoende is als aanwijzing van diens actuele vrees voor vervolging voor een feit dat dateert van 1361
(1982); - verzoeker verklaart dat de autoriteiten op de hoogte zijn van zijn aanwezigheid op de betoging omdat zijn vriend Kazem Modjoudi werd gearresteerd en gefolterd; het vermoeden dat verzoekers vriend hem zou hebben verklikt evenwel onvoldoende is als objectieve aanwijzing dat de autoriteiten op de hoogte zijn van zijn deelname aan de betogingen en zijn politieke activiteiten; - verzoekers politieke activiteiten vrij beperkt waren; verzoeker geen gewag maakt van zijn deelname aan demonstraties en evenmin het feit bewijst dat hij werd gezocht door de autoriteiten na de betoging, hoewel hij verklaarde dat meerdere convocaties aan zijn echtgenote werden bezorgd; - verzoeker bovendien nog acht maanden verbleef in zijn land van herkomst alvorens te vluchten naar het buitenland; zelfs nadat zijn vriend was overleden, verbleef hij nog vier maanden in het land; de weinige haast waarmee verzoeker Iran verliet, bevestigt nogmaals het kennelijk ongegrond karakter van zijn vrees voor vervolging; - er kan in hoofde van verzoeker niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; Overwegende dat verzoeker voor de Commissaris-generaal zijn twijfels heeft geuit omtrent de vertaling van de verklaringen die hij heeft afgelegd op de Dienst Vreemdelingenzaken; dat verzoeker hieromtrent geen opmerkingen heeft geformuleerd tijdens zijn verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken, hoewel hij hiertoe de mogelijkheid heeft gehad; dat het verhoorverslag hem werd voorgelezen in het Perzisch waarna verzoeker door het plaatsen van zijn handtekening te kennen gaf dat hij volhardde in zijn verklaringen, dat de door hem verstrekte inlichtingen oprecht waren en dat het verhoorverslag overeenstemde met de inlichtingen die hij verschafte; dat de Commissaris-generaal de verklaringen van verzoeker derhalve in aanmerking kon nemen bij het nemen van de XIV-10.334-7/9 bestreden beslissing; dat verzoeker niet kan worden gevolgd waar hij aanvoert dat de tegenstrijdigheden niet voldoende zwaarwichtig zijn, vermits zij betrekking hebben op essentiële elementen uit zijn asielrelaas; dat verzoeker bovendien geen enkele poging doet om het motief in verband met het “kennelijk ongegrond” zijn van zijn asielaanvraag te weerleggen; dat dit motief op zich reeds volstaat om te besluiten tot de onontvankelijkheid van verzoekers asielaanvraag; dat verzoeker het niet aannemelijk maakt dat de Commissaris- generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat het asielrelaas van verzoeker grondig werd onderzocht en dat rekening werd gehouden met alle relevante elementen van dit relaas en van het administratief dossier; dat de bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, afdoende en pertinente motieven; dat het derde middel, in al zijn onderdelen, ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-10.334-8/9 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht december tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-10.334-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.406 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.