id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.408 Rolnummer: A. 120176/XIV-9742 Zaak: Arrest 152408 - - 08/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-03 06:07 Fiche Arrest nr 152.408 van 8 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.408 van 8 december 2005 in de zaak A.120.176/XIV-
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat N. DIRICKX, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 213, bus 15 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 21 maart 1971 en van Iraanse nationaliteit, op 24 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 3 april 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 20 augustus 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 3 april 2002; Gelet op de beschikking van 29 april 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag dd. 2 juni 2004 opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, overgemaakt aan de bevoegde kamer op 7 juni 2004; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 12 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 26 oktober 2005 om 14.00 uur; XIV-9742-1/7 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die, loco Advocaat N. DIRICKX verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 5 juli 2000 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.
- Op 20 augustus 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 3 april 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Iraans staatsburger, verklaarde op de zetel van het Commissariaat-generaal op 12 maart 2002 uw land, in casu Iran, te zijn ontvlucht omwille van onderstaande redenen. Vanaf 1997 (1376 volgens Iraanse kalender) was u werkzaam voor het bedrijf ‘ Abzian’, waarvan uw vader samen met twee andere vennoten de leiding had. Het bedrijf kocht grond van een overheidsinstelling (Djahad Sazandegui), een Ministerie dat onder leiding stond van minister Forouzesh. Uw vader wilde een recreatiepark beginnen maar voor de realisatie ervan was de toelating nodig van de Djahad. Deze laatste wenste enkel toelating te verlenen op voorwaarde dat het bedrijf zou samenwerken met de onderneming Ta’avon, waarvan minister Forouzesh deel uitmaakte. Deze onderneming zou 90 procent van de winst opstrijken. Op 23/04/2000 (03/02/1379 volgens Iraanse kalender) werd het dossier heropend en opnieuw werden dezelfde voorwaarden gesteld. Op 10/05/2000 (20/02/1379 volgens Iraanse kalender) werd het bedrijf gesloten. U bent dan samen met uw vader en de twee andere vennoten meegenomen naar de administratie van het parket (Edareh-yé Dadsetani). Uw vader en de twee vennoten werden na twee à drie dagen vrijgelaten. U bent nog tien dagen vastgehouden en gefolterd. U werd er immers van verdacht illegale feestjes te organiseren waarop jongens en meisjes aanwezig waren XIV-9742-2/7 en alcohol werd geschonken. Op 22/05/2000 (01/03/1379 volgens Iraanse kalender) werd u vrijgelaten na 70 zweepslagen te hebben gekregen. Na uw vrijlating schreef u een protestartikel waarin u het dictatoriaal regime in Iran en de wijze waarop het Djahad te werk ging aankloeg. Op 05/06/2000 (15/03/1379 volgens Iraanse kalender) heeft u dit artikel verspreid onder de vorm van een pamflet. Uit vrees voor uw leven dook u vervolgens onder. Van uw moeder vernam u dat uw vader was gearresteerd en dat u werd gezocht. Op dat moment besloot u om te vluchten en met de hulp van een vriend hebt u op 22/06/2000 ( 01/04/1379 volgens Iraanse kalender) uw land verlaten. U kwam via Turkije naar Europa en op 05/07/2000 (14/04/1379 volgens Iraanse kalender) vroeg u in België asiel aan. U bent in het bezit van een kopie van uw boekje van burgerlijke stand. Er dient te worden opgemerkt dat nergens uit uw asielrelaas blijkt dat u uw land heeft verlaten uit vrees voor vervolging omwille van één van de motieven zoals voorzien in de Conventie van Genève. U ontvluchtte uw land omwille van de verspreiding van een pamflet dat u schreef naar aanleiding van een handelsgeschil met een overheidsinstelling (Djahad Sazandegui). Dit geschil draaide rond het bekomen van toelating voor de realisatie van een bouwproject. Dergelijke geschillen vallen buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie van Genève. Als reactie op het niet bereiken van een akkoord met de Djahad en Ta’avon, schreef u een pamflet waarin u de corruptie aankloeg bij de Iraanse administratie. Corruptie is echter een fenomeen dat zich voordoet in alle regimes en is een feit van gemeenrechtelijke aard. In dit verband dient ook te worden vastgesteld dat u zich tot geen enkele instantie hebt gewend naar aanleiding van uw conflict met de Djahad. Hoewel er een Administratieve Rechtbank bestaat in Iran die bevoegd is voor corruptie en klachten over corrupte ambtenaren behandeld. Bovendien blijkt uit de objectieve Iraanse context dat corruptie wel degelijk wordt vervolgd door de Iraanse autoriteiten (zie antwoord CEDOCA IR2001- 099w). Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging zoals omschreven in de Conventie van Genève van 28 juli
- Het door u neergelegde document op de Dienst Vreemdelingenzaken, een kopie van uw boekje van burgerlijke stand, is slechts een kopie waaraan weinig bewijswaarde wordt gehecht en wijzigt dus hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. Ook het medisch attest dat u voorlegt in verband met uw hardhorigheid, verandert niets aan deze conclusie. Het stelt weliswaar de omstandigheden waarin u gewond geraakt zou zijn (slagen op het rechteroor), maar dit is echter een weergave van uw verklaringen aan de Belgische dokter. Het behoort niet tot de bevoegdheid van de arts om de waarachtigheid ervan na te gaan en dus kan er ook geen bewijswaarde aan worden gehecht. (...)”.
- Over de gegrondheid van de zaak. 2.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste en tweede middel de schending aanvoert van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, evenals een “overschrijding en/of afwending van macht.”; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker aanvoert dat er wel degelijk een vrees voor vervolging blijkt uit zijn asielrelaas; dat verzoeker stelt dat de bestreden beslissing uitdrukkelijk vermeldt dat verzoeker uit vrees voor zijn leven onderdook, en dat zijn moeder hem verwittigde dat hij werd gezocht; dat verzoeker uiteenzet dat hij wordt vervolgd omwille van politieke motieven; dat verzoeker betoogt dat zijn pamfletten niet louter een gemeenrechtelijk fenomeen van corruptie aanklagen, maar dat zij een politiek geïnspireerde boodschap verkondigen en dat zij het Iraanse regime als dusdanig in vraag stellen; dat verzoeker stelt dat hij bijgevolg als een contrarevolutionair wordt beschouwd en dat hij, omwille van deze politieke stellingname, vervolging vreest; dat verzoeker betoogt dat de Commissaris-generaal de bewijswaarde van het door hem neergelegde medisch attest miskent; dat verzoeker uiteenzet dat hij met voormeld attest niet wil aantonen dat de Iraanse XIV-9742-3/7 overheid hem heeft geslagen op het rechteroor doch benadrukt dat het medisch attest zijn oorletsel bevestigt; dat verzoeker betoogt dat het medisch attest zijn verklaringen ondersteunt; dat verzoeker tenslotte aanvoert dat het feit dat een kopie van het boekje van de burgerlijke stand werd voorgelegd, op zich niet volstaat om de geloofwaardigheid van het asielrelaas aan te tasten; dat verzoeker stelt dat de bestreden beslissing, in de mate dat zij voormelde kopie miskent als element ter ondersteuning van het asielrelaas, met machtsoverschrijding is behept; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat er meerdere aanwijzingen zijn waardoor komt vast te staan dat verzoeker niet werd vervolgd omwille van zijn politieke overtuiging; dat de verwerende partij zich terzake beroept op de verklaringen van verzoeker voor de Dienst Vreemdelingenzaken; dat de verwerende partij uiteenzet dat “het concept zelf van de ‘politieke overtuiging’ zoals dat in artikel 1 van de Conventie van Genève als criterium is opgenomen (...) geen andere interpretatie (toelaat).”; dat de verwerende partij tenslotte aanvoert dat er verzoeker diverse alternatieven ter beschikking stonden, die de facto het bestaan van nationale bescherming impliceren; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord aanvoert dat de verwerende partij alles herleidt tot een zakelijk conflict dat bij verzoeker tot wraakgevoelens zou hebben geleid, maar waaruit geen vrees voor vervolging wegens een politieke overtuiging zou voortvloeien; dat verzoeker stelt dat het pamflet duidelijk een politieke boodschap verkondigt en dat hij wegens de verspreiding van deze boodschap vervolging vreest vanwege de Iraanse autoriteiten; dat verzoeker uiteenzet dat hij in zijn conflict werd geconfronteerd met het dictatoriaal systeem en de corruptie van de politieke autoriteiten in Iran; dat verzoeker betoogt dat wie zich daartegen verzet, een politieke overtuiging heeft; dat verzoeker stelt dat het feit dat deze kritiek naar boven komt in een situatie waarin men zakelijke besprekingen voert met politieke autoriteiten, niet wegneemt dat de overtuiging die men heeft van politieke aard is; dat verzoeker tenslotte betoogt dat het normaal is dat men geen beroep doet op instanties die aanleunen bij de nationale autoriteiten of die er de emanatie van zijn, wanneer men ervan overtuigd is dat deze autoriteiten behoren tot een politiek systeem dat dictatoriaal en corrupt is; 2.1.
- Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoeker bijgevolg de XIV-9742-4/7 schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij geen verband houdt met de criteria van de Vluchtelingenconventie noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat de Commissaris-generaal in casu tot dit besluit komt omdat verzoeker geen feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat hij Iran heeft verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker een pamflet heeft geschreven naar aanleiding van een handelsgeschil met een overheidsinstelling, en dat dergelijke geschillen vallen buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie; dat verzoeker in zijn pamflet de corruptie aanklaagt bij de Iraanse administratie; dat de Commissaris-generaal hieromtrent enerzijds oordeelt dat corruptie zich voordoet in alle regimes en derhalve een feit van gemeenrechtelijke aard is, en anderzijds vaststelt dat verzoeker zich in het kader van zijn conflict tot geen enkele andere instantie heeft gewend, hoewel uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, blijkt dat er een administratieve rechtbank bestaat die bevoegd is voor dit soort geschillen; dat uit diezelfde informatie eveneens blijkt dat corruptie wel degelijk wordt vervolgd door de Iraanse autoriteiten; dat verzoeker niet aantoont dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; dat van een kandidaat-vluchteling wordt verwacht dat hij voldoende concrete elementen aanbrengt die wijzen op een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat verzoeker in zijn verzoekschrift enkel een andere interpretatie tracht te geven aan de feiten uit zijn asielrelaas; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat het asielrelaas van verzoeker grondig werd onderzocht en dat rekening werd gehouden met alle relevante elementen van dit relaas en van het administratief dossier; dat de bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, deugdelijke, afdoende en pertinente motieven; Overwegende dat waar verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal de bewijswaarde van het door hem neergelegde medisch attest miskent, blijkt dat de XIV-9742-5/7 Commissaris-generaal niet ontkent dat verzoeker hardhorig is, doch stelt dat het niet tot de bevoegdheid van de arts behoort om de waarachtigheid van de verklaringen van verzoeker na te gaan; dat verzoeker niet aantoont dat de Commisaris-generaal niet op goede gronden heeft besloten dat het medisch attest geen bewijswaarde heeft; Overwegende dat waar verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal zijn asielrelaas tracht af te doen als ongeloofwaardig door te stellen dat het neergelegde boekje van de burgerlijke stand slechts een kopie betreft, waaraan bijgevolg weinig bewijswaarde kan worden gehecht, kan worden verwezen naar bovenstaande analyse, waar- uit blijkt dat de Commissaris-generaal de asielaanvraag heeft afgewezen omdat zij geen verband houdt met de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat de overwegingen aangaande de door verzoeker neergelegde kopie van zijn boekje van de burgerlijke stand geenszins een doorslaggevend motief uitmaakt van de bestreden beslissing; Overwegende dat het eerste en het tweede middel ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van artikel 1, A,
(2)van de Vluchtelingenconventie, en van artikel 1, lid 2, van het Protocol van New York van 31 januari 1976 betreffende de status van de vluchtelingen; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissing ten onrechte stelt dat niet kan worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging zoals omschreven in de Vluchtelingenconventie; dat verzoeker aanvoert dat hij wel degelijk valt onder de definitie van het begrip “vluchteling”, vervat in artikel 1, A,
(2), van de Vluchtelingenconventie en artikel 1, lid 2 van het Protocol van New York van 31 januari 1967; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat “formeel beschouwd een schending van deze rechtsregels niet dienstig in solo voor Belgische rechtscolleges kan worden ingeroepen wegens gebrek aan directe werking van deze bepalingen.”; 2.2.
- Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid laat, meer in het bijzonder voor wat de organisatie van de procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag betreft; dat de Belgische overheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van Vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat bijgevolg in voorliggend geval voornoemde schending van artikel 1, A
(2), van de Vluchtelingenconventie en artikel 1, lid 2, van het Protocol van New York van 31 januari 1967, niet dienstig kan worden aangevoerd, aangezien verzoeker niet XIV-9742-6/7 tegelijkertijd de schending inroept van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat het derde middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht december tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-9742-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.408 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div