← België

Arrest 152434 - - 09/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.434 Rolnummer: A. 126044/XIV-11461 Zaak: Arrest 152434 - - 09/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-19 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-03 06:08 Fiche Arrest nr 152.434 van 9 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.434 van 9 december 2005 in de zaak A. 126.044/XIV-11.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat I. FLACHET, kantoor houdende te 9040 GENT (SINT-AMANDSBERG), Halvemaanstraat 7 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Ghanese nationaliteit, op 14 augustus 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 juni 2002 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 27 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 november 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-11.461-1/4 Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. FLACHET, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat C. DECORDIER die, loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Ghanese nationaliteit, heeft op 27 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. 1.
  4. Op 21 juli 2001 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen. 1.
  5. Op 6 februari 2002 is aan verzoeker een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten ter kennis gebracht. 1.
  6. Op 28 maart 2002 heeft verzoeker een aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) ingediend. 1.
  7. Op 25 juni 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de voormelde aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet onontvankelijk verklaard. Dit is de bestreden beslissing : “(...) ONONTVANKELIJKHEID VAN EEN AANVRAAG OM MACHTIGING TOT VERBLIJF De aanvraag om machtiging tot verblijf, ingediend op 28/03/2002 bij de burgemeester van Gent door XXX geboren te Kumasi op 25/04/1954, onderdaan van Ghana, verblijvende Maria Theresiastraat 61, in toepassing van art 9§3 van de wet van 15 XIV-11.461-2/4 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, is onontvankelijk. MOTIVERING: Artikel 16 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk verbiedt betrokkene om, na de indiening van een aanvraag op basis van hogergenoemde wet, nog een aanvraag in te dienen op grond van art. 9§3 van de wet van 15/12/
  8. Bijgevolg dient de vreemdeling: " na afloop van zijn studies het land te verlaten X gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten, hem betekend op 06/02/2002 " gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten hem op heden betekend (...).”.
  9. Over de ontvankelijkheid. Overwegende dat uit de stukken van het dossier blijkt dat verzoeker op 27 januari 2000 een regularisatieaanvraag heeft ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk; dat deze aanvraag op 21 juli 2001 door de Minister van Binnenlandse Zaken werd verworpen; dat artikel 16 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk luidt als volgt : “De indiening van een aanvraag op grond van artikel 2 verbiedt de aanvrager om een aanvraag in te dienen op grond van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De indiening, na de inwerkingtreding van deze wet, van een aanvraag op grond van artikel 9, derde lid van voornoemde wet van 15 december 1980 verbiedt de aanvrager om, gelijktijdig of daarna, een aanvraag in te dienen op grond van artikel 2.”; dat bij een eventuele vernietiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 juni 2002 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet onontvankelijk wordt verklaard, de Minister niet anders vermag dan dezelfde beslissing te nemen; dat derhalve een eventuele vernietiging van de voormelde beslissing aan verzoeker geen nut kan opleveren;
  10. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-11.461-3/4 BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen december tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-11.461-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.434 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.