← België

Arrest 152443 - - 09/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.443 Rolnummer: A. 115468/XIV-8057 Zaak: Arrest 152443 - - 09/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-20 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-03 06:09 Fiche Arrest nr 152.443 van 9 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.443 van 9 december 2005 in de zaak A. 115.468/XIV-8057. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat D. MONFILS, kantoor houdende te 1090 BRUSSEL, R. Soetensstraat 12 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 10 januari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 14 december 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 26 april 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 1 februari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 26 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 november 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-8057-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. HAEGEMANS die, loco Advocaat D. MONFILS verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. XXX, van Russische nationaliteit, krijgt op 26 april 2001 de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten wegens het feit dat hij, binnen de maand na de verzending, geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kon opgeven. 1.2. Op 14 december 2001 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een beslissing tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 26 april 2001 tot weigering van verblijf. Dit is de bestreden beslissing, die als volgt luidt : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 14 november 2001 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”. XIV-8057-2/5 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert : “E. Ingeroepen middel: schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Verzoeker werpt een middel op wegens schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

  1. a)Eerste deel van het middel: Volgens J. Salmon, "une décision administrative est dépourvue de base juridique (et est par conséquent entachée d'un vice de motivation) lorsque celle sur laquelle a cru pouvoir se fonder l'autorité administrative était inapplicable en l'espèce " (J. Salmon, Le Conseil d'Etat, Bruylant, 1994, tome I, p. 474). In casu heeft het Commissariaat-Generaal haar beslissing uitdrukkelijk gegrond op artikel 52 (paragraaf 2, alinéa 4) van de wet van 15 december 1980. Dit artikel kan in casu nochtans niet worden toegepast, daar het slechts betrekking heeft op de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn aangestelde (cfr: " Le Ministre de I'Intérieur ou son délégué peut décider...") en geenszins op het Commissariaat-Generaal. De Commissaris Generaal is niet de aangestelde van de Minister van Binnenlandse Zaken en handelt in volledige onafhankelijkheid, overeenkomstig artikel 57-2 van de wet van 15 december 1980. De bepalingen, welke toepasselijk zijn op zijn handeling, bevinden zich niet in artikel 52 van de wet, maar wel verder in de wet. De aangevochten beslissing is aldus manifest aangetast door een eerste schending van het motiveringsbeginsel (motieven naar recht).
  2. b)Tweede deel van het middel: De Raad van State is ook belast met het onderzoeken van het feit of "l'autorité dont l’acte administratif émane n'a pas tenu pour établis des faits qui ne résultent pas de son dossier, si elle a donné à ceux-ci une interprétation non déraisonnable et si cette interprétation ne procède pas d'une erreur manifeste d'appréciation " (F. Bernard, La procédure belge de reconnaissance de la qualité de réfugié à l'épreuve de la censure du Conseil d'Etat, R.D.E., 1999, p. 114). In casu, is het ten onrechte dat het Commissariaat-Generaal heeft gedacht objectieve elementen uit het dossier te moeten afleiden, nl. "U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping". Inderdaad op 04 december 2001 heeft verzoeker het Commissariaat-Generaal een omstandig schrijven gericht, waarin de motieven van zijn asielaanvraag worden weergegeven. Het betreft daar wel degelijk een gevolg, gegeven naar aanleiding van de oproeping van 14 november 2001 - zodat het Commissariaat niet kan besluiten tot de afwezigheid van enig gevolg op deze oproeping. De aangevochten beslissing is aldus manifest aangetast met een tweede schending van het motiveringsbeginsel (materiële onjuistheid van de feitelijke motieven).”; 2.2.1. Overwegende dat verzoeker als enig middel de schending van het motiveringsbeginsel, van de uitdrukkelijke-motiveringswet en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) aanvoert; dat in het eerste onderdeel van het middel verzoeker stelt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing niet op grond van artikel 52 van de Vreemdelingenwet kon nemen aangezien dit artikel slechts kan worden toegepast door de Minister van XIV-8057-3/5 Binnenlandse Zaken; dat in het tweede onderdeel van het middel verzoeker stelt dat hij wel degelijk gevolg heeft gegeven aan de oproeping van 14 november 2001 door middel van zijn omstandig schrijven op 4 december 2001 en waarin hij de motieven van zijn asielaanvraag uiteenzet; 2.2.2.1. Overwegende dat, met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel, dient opgemerkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in het kader van het dringend beroep over dezelfde beslissingsbevoegdheid beschikt als de Minister van Binnenlandse Zaken met betrekking tot de beoordeling van de ontvankelijkheid van de asielaanvraag; dat hij deze dan ook onontvankelijk kan verklaren om dezelfde redenen als deze welke door artikel 52, § 2 van de Vreemdelingenwet worden voorzien; dat de aanvraag in casu onontvankelijk werd verklaard op grond van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet verplicht is om uitdrukkelijk een gebrek aan belangstelling vast te stellen; 2.2.2.2. Overwegende dat, met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel, uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij zich niet heeft aangemeld voor de asielinstanties om er te worden gehoord; dat de oproepingsbrief van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen duidelijk vermeldt dat ingeval verzoeker wordt verhinderd, enerzijds, een bewijs van de ingeroepen overmacht dient te worden bezorgd en dat, anderzijds, ook eventuele elementen ter ondersteuning van de asielaanvraag ter kennis moeten worden gebracht van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat de verzoekende partij dit niet heeft gedaan; dat het feit dat verzoeker op 4 december 2001 een omstandig schrijven heeft gezonden geen afbreuk doet aan het feit dat verzoeker geen geldige reden in de zin van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet heeft laten geworden om niet op het voorziene verhoor te verschijnen; dat nergens uit het administratief dossier, noch uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker overmacht heeft ingeroepen als reden om niet op het voorziene verhoor te verschijnen; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bijgevolg gerechtigd was om artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet toe te passen; dat het enig middel in zijn beide onderdelen niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. XIV-8057-4/5 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen december tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-8057-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.443 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.