← België

Arrest 152445 - - 09/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.445 Rolnummer: A. 126973/XIV-11781 Zaak: Arrest 152445 - - 09/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-19 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 06:09 Fiche Arrest nr 152.445 van 9 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.445 van 9 december 2005 in de zaak A. 126.973/XIV-11.781. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat D. MONFILS, kantoor houdende te 1090 BRUSSEL, R. Soetensstraat 12 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift datXXX, van Albanese nationaliteit, op 19 september 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 augustus 2002 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 14 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 25 september 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 26 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 november 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-11.781-1/9 Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. HAEGEMANS die, loco Advocaat D. MONFILS verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. XXX, van Albanese nationaliteit, is op 23 oktober 2000 in België binnengekomen waar hij zich op 24 oktober 2000 vluchteling heeft verklaard. 1.2. Op 14 december 2000 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 19 augustus 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 14 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de bestreden beslissing : “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Buiten dit criterium steun ik mij op de volgende grond, voorzien in art. 52 van de Vreemdelingenwet: uw asielaanvraag houdt geen verband met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. U kan tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring of/en een beroep tot schorsing, eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid, instellen voor de afdeling Administratie van de Raad van State. Deze beroepen zijn niet opschortend. Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: XIV-11.781-2/9 Volgens uw verklaringen bezit u de Albanese nationaliteit en bent u afkomstig uit Pogradec. Sinds november 1995 zou u passief lid zijn van Democratische Partij (DP). Op 14 september 1998 zou u deelgenomen hebben aan een betoging in Tiranë naar aanleiding van de moord op democratisch afgevaardigde Azem Hajdari. Na de betoging zou de politie u samen met verschillende andere mensen hebben opgepakt en naar het politiecommissariaat van Tiranë overgebracht hebben. Daar zou de politie u ondervraagd hebben en gezegd hebben dat ze u gefilmd had. Na zes uur zou u vrijgelaten zijn. Medio 1999 zou er een manifestatie van de DP geweest zijn in Korçe. U zou deelgenomen hebben aan de begeleiding van Sali Berisha. Op de weg van Pogradec naar Korçe zou u door de politie zijn tegengehouden en geslagen. Op 18 oktober 2000 zou u opgepakt zijn door de politie omdat u naar aanleiding van een onbesliste stembusgang deelnam aan een meeting in Tiranë. De volgende dag zou u vrijgelaten zijn. U zou na uw vrijlating onmiddellijk naar uw neef in Tiranë zijn gegaan. Daar zou u via uw ouders vernomen hebben dat er een arrestatiebevel op uw naam was toegekomen. Omdat u schrik had om opgesloten te worden, besloot u Albanië te verlaten op 20 oktober 2000 richting België, waar u op 21 oktober 2000 aankwam en waar u op 24 oktober 2000 asiel aanvroeg. Ter staving van uw asielaanvraag legde u een geboorteakte neer. Er dient te worden vastgesteld dat u onvoldoende feiten of elementen hebt aangebracht waaruit zou kunnen blijken dat u uw land van herkomst verlaten heeft omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of dat u alsnog bij een eventuele terugkeer naar Albanië een dergelijke vrees zou dienen te hebben. Vooreerst heeft u niet aannemelijk gemaakt dat u werkelijk deelgenomen hebt aan de protestmanifestaties op 14 september 1998, die u overigens op de Dienst Vreemdelingenzaken in 1997 situeerde (verhoorverslag DVZ vraag 42), noch dat u omwille van deze deelname een arrestatiebevel zou hebben ontvangen ((verhoorverslag CGVS 1 p. 5 en verhoorverslag CGVS 2 p. 7). Zo verklaarde u dat de betoging geen echt parcours heeft afgelegd. Ze zou enkel op een plein, waarvan u de naam niet kende, hebben plaatsgevonden (verhoorverslag CGVS 2, p. 1 en 2). U bent verder evenmin op de hoogte van de gebeurtenissen die op die dag gebeurd zijn (verhoorverslag CGVS 2 p.2). Uit de op het Commissariaat-generaal beschikbare informatie blijkt echter dat de betoging vertrok van op het Skenderbegplein en dat de betogers o.a verschillende malen over de hoofdlaan van Tiranë getrokken zijn (SWB BBC Monitoring, Part 2, dd. 14 september 1998). Bovendien zou u, na uw kortstondige vasthouding op 14 september 1998, tot 18 oktober 2000 geen enkele oproeping of andere documenten in verband met uw deelname aan hogergenoemde protestactie hebben ontvangen (verhoorverslag CGVS 1 p. 6). U zou in de periode 14 september 1998 tot begin oktober 2000 slechts éénmaal een kortstondige aanvaring met de politie hebben gekend, met name toen u medio 1999 aan een meeting in Korçe wilde deelnemen (verhoorverslag CGVS 1 p. 6 en verhoorverslag CGVS 2 p. 8). Verder dient overigens te worden vastgesteld dat uw vader uitdrukkelijk verklaarde dat de politie tijdens haar bezoeken aan uw ouderlijke woning geen arrestatiebevel bij zich had en enkel vroeg waar u zich bevond (verhoorverslag Meleq Jaupi CGVS 1 p. 4). Evenmin repte uw vader op het Commissariaat-generaal over de ontvangst van een arrestatiebevel. Nochtans verklaarde u dat u van uw familie had vernomen dat er op 18 oktober 2000 een arrestatiebevel op uw naam in uw ouderlijke woning was toegekomen (verhoorverslag CGVS 1 p. 5). Bijgevolg heeft u geenszins aannemelijk gemaakt dat u daadwerkelijk in oktober 2000 een arrestatiebevel zou hebben ontvangen in verband met uw beweerde deelname aan de protestmanifestatie van 14 september 1998 (verhoorverslag CGVS 1 p. 5 en verhoorverslag CGVS 2 p. 7). Wat betreft uw vasthouding naar aanleiding van uw deelname aan een gewelddadige manifestatie op 18 oktober 2000 (verhoorverslag CGVS 1 p. 4), dient opgemerkt te worden dat deze bezwaarlijk als een vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie kan worden beschouwd. U verklaarde immers zelf dat jullie tijdens deze betoging overheidsgebouwen met stenen bekogelden en dat u omwille van deze reden door de politie werd opgepakt (verhoorverslag CGVS 2 p. 6). Bijgevolg dient de door u aangehaalde tijdelijke aanhouding gezien te worden als een feit van gemeenrechtelijke aard dat als dusdanig niet onder de criteria van de Vluchtelingenconventie kan ressorteren. Bovendien werd u luidens uw verklaringen de volgende dag zonder meer vrijgelaten (verhoorverslag CGVS 1 p. 5 en verhoorverslag CGVS 2 p. 6). XIV-11.781-3/9 In het kader van de asielaanvraag van uw ouders, Meleq en Henna Jaupi (O.V. 5.227.632), nam ik eveneens een bevestigende beslissing van weigering van verblijf.”. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert : “= schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en schending van het principe van goed bestuur Verzoeker werpt een middel op wegens schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Een administratieve akte is inderdaad onwettelijk wanneer zij niet formeel gemotiveerd is of wanneer zij geen pertinente bewezen en aanvaardbare motivering ten gronde bevat. De Raad van State is aldus belast met het onderzoeken van het feit of "l'autorité dont l'acte administratif émane n'a pas tenu pour établis des faits qui ne résultent pas de son dossier, si elle a donné à ceux-ci une interprétation non déraisonnable et si cette interprétation ne procède pas d'une erreur manifeste d'appréciation" (F. Bernard, La procédure belge de reconnaissance de la qualité de réfugié à l'épreuve de la censure du Conseil d'Etat, R.D.E., 1999, p. 114).

  1. a)Eerste deel van het middel : De aangevochten beslissing is gesteund op het feit dat "Vooreerst heeft u niet aannemelijk gemaakt dat u werkelijk deelgenomen hebt aan de protestmanifestaties op 14 september 1998". De elementen die door het C.G.V.S. worden weerhouden, zijn echter onvoldoende om tot dit besluit te komen. Zo, • is het feit dat verzoeker de naam van het centrale plein waarop de protestbeweging plaatsvond (Skenderberg plein) niet kent, irrelevant, aangezien de heer JAUPI niet afkomstig is van Tirana maar van Pogradec dat daar ver vanaf ligt. Indien de heer JAUPI overigens de naam van het plein niet gegeven heeft, heeft hij toch wel gepreciseerd dat ze zich «200 á 300 m. van het ministerie van justitie» bevond hetgeen perfect correct is. • weerhoudt het C.G.V.S. in haar beslissing de omstandigheid dat 'U bent verder evenmin op de hoogte van de gebeurtenissen die op die dag gebeurd zijn (verhoorverslag CGVS 2p.2) " Het C.G.V.S. preciseert echter in zijn beslissing niet de gebeurtenissen waar het over wil spreken en het legt dit aspect van de motivering van de beslissing niet uit. Het gaat hier uiteraard om een motiveringsgebrek. • is het feit dat verzoeker op de vraag "welk parcours heeft de betoging vertrokken? Het was ongeveer 200 á 300 m. van het ministerie van justitie” geantwoord heeft en op de vraag "hebben ze een parcours afgelegd of stonden ze stil ? Ze hebben 200 á 300 m. gelegd" totaal niet tegenstrijdig met het feit dat, zoals het C.G.V.S. verduidelijkt in zijn beslissing "de betogers o.a. verschillende malen over de hoofdlaan van Tirana getrokken zijn". Inderdaad, de hoofdlaan van Tirana is de laan die precies op het Skenderberg plein toekomt en waarop zich het ministerie van justitie bevindt. Er bestaat hier dus geen specifieke tegenstrijdigheid.
  2. b)Tweede deel van het middel : Het is overigens ten onrechte dat het C.G.V.S. heeft besloten dat "vooreerst heeft u niet aannemelijk gemaakt dat u omwille van deze deelname een arrestatiebevel zou hebben ontvangen." De elementen die worden weerhouden door het C.G.V.S. zijn echter onvoldoende om tot dit besluit te komen. Inderdaad, XIV-11.781-4/9 • is enerzijds, het feit dat "U zou in de periode 14 september 1998 tot begin oktober 2000 slechts éénmaal een kortstondige aanvaring met de politie hebben gekend, met name toen u medio 1999 aan een meeting in Korçe wilde deelnemen (verhoorverslag CGVS 1 p. 6 en verhoorverslag CGVS 2 p. 8)" niet voldoende op zich om er dit besluit uit af te leiden. Deze omstandigheid laat inderdaad niet toe te betwisten dat verzoeker, na zijn vrijlating d.d. 18 oktober een arrestatiebevel heeft ontvangen eveneens omtrent zijn deelname aan de manifestatie d.d. 14 september 1998. • is er anderzijds, in tegenstelling tot wat het C.G.V.S. beweert, geen tegenstrijdigheid op dit vlak tussen de verklaringen van verzoeker en die van zijn vader. De vader van verzoeker heeft eenvoudigweg uitgelegd dat de politie hem niets had laten zien (« ze hebben mij niets laten zien ») - wat niet wil zeggen, zoals het C.G.V.S. beweert « dat de politie tijdens haar bezoeken aan uw ouderlijke woning geen arrestatiebevel bij zich had en enkel vroeg waar u zich bevond ». Verzoeker heeft, voor wat hem betreft, uitgelegd een arrestatiebevel gekregen te hebben op 18 oktober 2000. (« Wanneer heeft U dit arrestatiebevel gekregen ? 18 oktober 2000 nadat ik was vrijgelaten is die brief aangekomen » (C.G.V.S. I - p. 5). Bovendien houdt het C.G.V.S. totaal geen rekening in zijn beslissing met het feit dat verzoeker wel degelijk heeft uitgelegd dat hij door de politie samen met verschillende andere mensen opgepakt en naar het politiecommissariaat van Tiranë overgebracht werd. In zijn aangevochten beslissing vermeldt het C.G.V.S. op geen enkel moment de reden waarom het zou menen dat deze omstandigheid niet waar is - hetgeen een motiveringsgebrek vormt (dat des te belangrijker is daar het C.G.V.S. wel degelijk verwijst naar deze arrestatie in de herhaling van de feiten).
  3. c)Derde deel van het middel : De aangevochten beslissing is ook gesteund op het feit dat “Wat betreft uw vasthouding naar aanleiding van uw deelname aan een gewelddadige manifestatie op 18 oktober 2000 (verhoorverslag CGVS 1 p. 4), dient opgemerkt te worden dat deze bezwaarlijk als een vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie kan worden beschouwd. U verklaarde immers zelf dat jullie tijdens deze betoging overheidsgebouwen met stenen bekogelden en dat u omwille van deze reden door de politie werd opgepakt (verhoorverslag CGVS 2 p. 6). Bijgevolg dient de door u aangehaalde tijdelijke aanhouding gezien te worden als een feit van gemeenrechtelijke aard dat als dusdanig niet onder de criteria van de Vluchtelingenconventie kan ressorteren. Bovendien werd u luidens uw verklaringen de volgende dag zonder meer vrijgelaten (verhoorverslag CGVS 1 p. 5 en verhoorverslag CGVS 2 p. 6)”. Dit deel van de beslissing is manifest tegenstrijdig met wat verzoeker verklaard heeft. Inderdaad heeft men hem tijdens zijn interview op het C.G.V.S. ondervraagd en heeft hij geantwoord: “Ik ben tussen 12-15 uur vastgehouden door de politie. Het was de 18de oktober 2000. Waarom ? Omdat komt het dat de menigste stenen tegen de hoofdzetel van de regering had gegooid. Had u geparticipeerd bij dat ? Nee”. In tegenstelling tot wat vermeld is, heeft verzoeker dus niet verklaard dat hij gearresteerd was ten gevolge van het gooien van stenen. In zijn persoonlijk geval, kan dus geen omstandigheid van gemeen recht worden ingeroepen. Bovendien is de vermelding “Bovendien werd u luidens uw verklaringen de volgende dag zonder meer vrijgelaten” niet gepast, rekening houdend met het feit dat verzoeker ook heeft uitgelegd een arrestatiebevel gekregen te hebben net na zijn vrijlating («Wanneer heeft U dit arrestatiebevel gekregen ? 18 oktober 2000 nadat ik was vrijgelaten is die brief aangekomen» (C.G.V.S. I - p. 5))”; XIV-11.781-5/9 2.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : “2.1 In een eerste en enige middel beroept verzoekende partij zich op een schending van de Wet van 29 juli 1991 en op een schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet 2.1.1 Verzoeker merkt op dat de bestreden beslissing steunt op het feit dat hij niet aannemelijk maakte werkelijk te hebben deelgenomen aan de manifestatie van 14 september 1998. Verzoeker meent dat de elementen die door het CGVS worden weerhouden, onvoldoende zijn om tot dit besluit te komen. - Het feit dat verzoeker de naam van het centrale plein waarop de protestbeweging plaatsvond niet kent is irrelevant, aangezien verzoeker niet afkomstig is van Tirana maar van Pogradec. Ten eerste wenst verweerder te antwoorden dat redelijkerwijs kan verwacht worden dat iemand die beweert deel te hebben genomen aan een protestmanifestatie en er werd gearresteerd door de politie, de naam van het plein kan vertellen waar de manifestatie plaatsvond. Ten tweede merkt verweerder op dat uit verzoekers verklaringen voor het Commissariaat-generaal blijkt dat verzoeker verklaarde de laatste jaren voor zijn vertrek in Tirana te hebben gewoond (verhoorverslag 1 CGVS p. l). - Verzoekende partij geeft aan dat het Commissariaat-generaal in haar beslissing niet preciseert welke gebeurtenissen van 14 september 1998 verzoeker verwacht werd te kennen. Verweerder merkt op dat in de bestreden beslissing duidelijk staat aangegeven op welke bron de Commissaris-generaal zich baseerde. Tevens is er een copie hiervan terug te vinden in het administratief dossier. Van een motiveringsgebrek kan aldus geen sprake zijn. - Aangaande het afgelegde parcours op de manifestatie werpt verzoekende partij op dat het afleggen van 200 á 300 meter niet tegenstrijdig is met verschillende malen over de hoofdlaan van Tirana trekken. Verweerder stelt dat er wel degelijk een verschil bestaat tussen 200 á 300 meter stappen en het aflopen van een hoofdlaan en dit verschillende keren. Bij wijze van besluit benadrukt verweerder dat de in de bestreden beslissing aangegeven leemtes omtrent verzoekers deelname aan de manifestatie van 14 september 1998 wel degelijk voldoende zwaarwichtig zijn om te kunnen stellen dat zijn verklaringen hieromtrent niet geloofwaardig zijn. Bovendien werd door de Commissaris-generaal niet enkel tot de ongeloofwaardigheid hieromtrent besloten op basis van het hier boven gestelde. Verzoeker situeerde namelijk de Hajdari-manifestatie op de Dienst Vreemdelingenzaken in 1997, wat een bijzonder zwaarwichtige tegenstrijdigheid vormt met zijn verklaringen afgelegd op het Commissariaat-generaal en met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en die in het administratief dossier werd bijgevoegd. 2.1.2 Verzoeker meent dat het Commissariaat-generaal ten onrechte heeft besloten dat hij niet aannemelijk maakte een arrestatiebevel te hebben ontvangen. Verweerder wenst dienaangaande op te merken dat de leemtes en de tegenstrijdigheden die verzoeker in zijn verklaringen aangaande het arrestatiebevel aflegde voldoende zwaarwichtig zijn om tot het besluit te komen dat er geen geloof kan aan worden gehecht. Vooreerst maakt verweerder duidelijk dat de beslissing door de Commissaris-generaal werd genomen op basis van alle in het dossier aanwezige elementen. Verweerder stelt vast dat verzoeker het betrokken arrestatiebevel noch op de Dienst Vreemdelingenzaken, noch op het Commissariaat-generaal heeft voorgelegd. Verweerder stelt trouwens vast dat verzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken geen melding maakte van het arrestatiebevel (vraag 42 verhoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken). Verzoekers bewering al zou het antwoord van verzoekers vader "de politie liet me niks zien" niet tegenstrijdig zijn en niet toelaten de conclusie te maken dat "de politie had tijdens haar bezoeken aan uw ouderlijke woning geen arrestatiebevel bij zich (had) en vroeg enkel waar u zich bevond" wenst verweerder als volgt te pareren: - verhoorverslag 2 verzoeker CGVS p. 7: "Ik heb het arrestatiebevel niet gezien, mijn ouders hebben dat gezien" - verhoorverslag 1 verzoeker CGVS p. 5: "Hoe weet u dat u een arrestatiebevel gekregen heeft ? Via mijn ouders" XIV-11.781-6/9 - verhoorverslag 1 verzoeker CGVS p. 7: "Was u toen u vrijgelaten werd op de hoogte van het arrestatiebevel? Die dag heeft mijn familie mij gebeld en gezegd dat er een arrestatiebevel was. Naar mijn neef hadden ze gebeld. Hoe wisten uw ouders dat u bij uw neef was ? Ik woonde samen met hem reeds 3 jaar" - verhoorverslag vader CGVS p. 2: “Heeft u ooit een convocatie of arrestatiebevel ontvangen voor uw zoon ? geen documenten ontvangen. Ik heb niks gezien" 2.1.3 Verzoeker stelt niet te hebben verklaard dat hij gearresteerd werd omwille van het gooien van stenen, waardoor geen omstandigheid van gemeenrecht kan worden ingeroepen. Verweerder merkt op dat verzoeker in zijn twee interviews op het Commissariaat- generaal hieromtrent tegenstrijdige verklaringen aflegde. Op zijn tweede interview dd. 29 juli 2002 verklaarde verzoeker wel degelijk het volgende (p. 6): Waar was die betoging ? Voor het ministerie. We zijn daar gearresteerd geweest. We hebben met stenen gegooid " Tot slot zijn verzoekers opmerkingen aangaande het ongepast zijn van de vermelding "bovendien werd u luidens uw verklaringen de volgende dag zonder meer vrijgelaten" wegens het feit dat hij een arrestatiebevel kreeg, irrelevant gezien in de bestreden beslissing en zoals hierboven herhaald, duidelijk werd aangetoond dat er geen geloof kan gehecht worden aangaande dit arrestatiebevel. Het middel is niet gegrond.”; 2.3.1.1. Overwegende dat in het eerste deel van het enig middel verzoeker meent verzoeker meent dat de elementen die door het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen de staatlozen zijn gebruikt om tot het besluit te komen dat hij het niet aannemelijk heeft gemaakt aan de protestmanifestaties te hebben deelgenomen, onvoldoende zijn; dat verzoeker stelt dat het feit dat hij de naam van het centrale plein waarop de protestmanifestatie plaatsvond niet kent, irrelevant is; dat hij immers niet afkomstig is van Tirana, dat hij preciseerde dat het zich “ 200 à 300 m. van het ministerie van justitie” bevond; 2.3.1.2. Overwegende dat van iemand die beweert te hebben deelgenomen aan een manifestatie en hierbij werd opgepakt door de politie, redelijkerwijze mag verwacht worden dat hij weet op welk plein de manifestatie plaatsvond; dat bovendien uit het eerste verhoorverslag van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen blijkt dat verzoeker de laatste jaren in Tirana heeft gewoond zodat verzoeker bezwaarlijk kan opwerpen niet afkomstig te zijn van Tirana om zijn gebrek aan kennis van de naam van het plein te verantwoorden; dat het feit dat hij het plein ten aanzien van het ministerie van justitie kon situeren hieraan geen afbreuk doet; dat voorts verzoeker meent een motiveringsgebrek vast te stellen nu de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet in zijn beslissing motiveert welke gebeurtenissen van 14 september 1997 hij verwacht werd te kennen; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verwijst naar een bron waarop hij zich baseert en die zich in het administratief dossier bevindt; dat er geen sprake is van een motiveringsgebrek; dat tot slot verzoeker meent dat het “afleggen van 200 à 300 m.” niet tegenstrijdig is met verschillende malen over de hoofdlaan van Tirana trekken; dat met de verwerende partij dient vastgesteld dat er wel degelijk een verschil is tussen “200 à 300 m. afleggen” en verschillende malen over de hoofdlaan van Tirana trekken; dat verzoeker niet overtuigt van XIV-11.781-7/9 de kennelijk onredelijkheid van de tegenstrijdigheid; dat volledigheidshalve dient nog aangestipt dat verzoeker de protestmanifestatie in 1997 situeerde, wat in tegenspraak is met zijn verklaringen op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en de informatie uit het administratief dossier; dat verzoeker geen enkele moeite doet om deze zwaarwichtige tegenstrijdigheid te verklaren; dat verzoeker niet aantoont dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet in alle redelijkheid kon concluderen dat verzoeker niet aannemelijk maakt aan de protestmanifestaties te hebben deelgenomen; 2.3.2.1. Overwegende dat in het tweede deel van het enig middel verzoeker meent dat de elementen die door het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn aangewend, om tot het besluit te komen dat hij het niet aannemelijk heeft gemaakt omwille van zijn deelname aan de protestmanifestatie een arrestatiebevel te hebben ontvangen, onvoldoende zijn; dat verzoeker meent dat de vaststelling van de Commissaris- generaal dat “U zou in de periode 14 september 1998 tot begin oktober 2000 slechts éénmaal een kortstondige aanvaring met de politie hebben gekend, met name toen u medio 1999 een meeting in Korçe wilde deelnemen” een dergelijke conclusie niet toelaten; dat voorts verzoeker meent ook geen tegenstrijdigheid te zien tussen verzoekers verklaringen en die van zijn vader (het feit dat verzoekers vader vertelde “zij hebben mij niets laten zien”, betekent niet dat de politie geen arrestatiebevel op zak had); dat verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen totaal geen rekening hield met het feit dat hij heeft uitgelegd dat hij door de politie samen met verschillende mensen werd opgepakt en naar het politiecommissariaat van Tiranë werd overgebracht; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geenszins motiveert waarom deze omstandigheid niet waar is; 2.3.2.2. Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vaststelde dat verzoeker verklaarde in de periode 14 september 1998 tot begin oktober 2000 slechts éénmaal een kortstondige aanvaring te hebben gehad met de politie (omwille van zijn deelname aan meeting in Korçe); dat verder de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vaststelde dat verzoekers vader uitdrukkelijk verklaarde dat de politie tijdens haar bezoeken aan de ouderlijke woning geen arrestatiebevel bij zich had en enkel vroeg waar verzoeker zich bevond; dat verzoekers vader evenmin een woord repte over de ontvangst van een arrestatiebevel, terwijl verzoeker verklaarde van zijn familie te hebben vernomen dat er op 18 oktober 2000 een arrestatiebevel op zijn naam zou zijn toegekomen; dat op basis van deze elementen de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen redelijkerwijze kon concluderen dat verzoeker niet aannemelijk maakte een arrestatiebevel te hebben ontvangen; dat verzoeker er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen en de gevolgtrekkingen die de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zijn; XIV-11.781-8/9 2.3.3.1. Overwegende dat verzoeker in het derde onderdeel van het enig middel meent dat zijn tijdelijke aanhouding geenszins kan worden gezien als een feit van gemeenrechtelijke aard, nu hij geenszins heeft verklaard te zijn gearresteerd omwille van het gooien van stenen; 2.3.3.2. Overwegende dat verzoeker uit het oog verliest dat met betrekking tot de reden van zijn arrestatie hij tegenstrijdige verklaringen aflegde tijdens zijn twee verhoren op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat op zijn tweede verhoor verzoeker wel degelijk verklaarde dat zij met stenen hadden gegooid en werden gearresteerd; dat voorts verzoeker meent dat de vermelding “Bovendien werd u luidens uw verklaringen de volgende dag zonder meer vrijgelaten” niet gepast is, rekening houdend met het feit dat verzoeker ook heeft uitgelegd een arrestatiebevel te hebben gekregen net na zijn vrijlating; dat, zoals reeds vermeld de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen terecht geen geloof hechtte aan het arrestatiebevel zodat het citaat uit de bestreden beslissing bezwaarlijk als ongepast kan worden beschouwd; 2.4. Overwegende dat, gelet op het voorgaande, dient vastgesteld dat de bestreden beslissing afdoende is gemotiveerd, zodat het enig middel in al zijn onderdelen niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen december tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-11.781-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.445 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.