← België

Arrest 152447 - - 09/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.447 Rolnummer: A. 127371/XIV-11913 Zaak: Arrest 152447 - - 09/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-19 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-03 06:09 Fiche Arrest nr 152.447 van 9 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.447 van 9 december 2005 in de zaak A. 127.371/XIV-11.913. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat M. DEKUYPER, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 83, bus 1 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Armeense nationaliteit, op 27 september 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 augustus 2002 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 2 oktober 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 26 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 november 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-11.913-1/10 Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. DEKUYPER, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. XXX, van Armeense nationaliteit, is op 26 december 2000 in België aangekomen waar zij zich op 28 december 2000 vluchteling heeft verklaard. 1.2. Op 28 december 2000 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 28 augustus 2002 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 december 2000 tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten De motivering van deze beslissing luidt als volgt : “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. U kan tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring of/en een beroep tot schorsing, eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid, instellen voor de afdeling Administratie van de Raad van State. Deze beroepen zijn niet opschortend. Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Armeens staatsburger, verklaarde tijdens uw interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat uw echtgenoot Sudoyan Ashot (OV 4.910.337) lid was van een politieke partij. In 1999 kreeg uw echtgenoot problemen nadat er lokale XIV-11.913-2/10 verkiezingen werden gehouden. Sindsdien werd uw echtgenoot bedreigd door Suren Grigoryan, de broer van een hoog geplaatst lid van de regering in Armenië. Nadat uw echtgenoot werd opgepakt door leden van Sureh verliet hij in december 1999 Armenië. Op 13 december 1999 vroeg uw echtgenoot de status van vluchteling aan in België. Na het vertrek van uw echtgenoot keerde u soms naar huis terug. In september 2000 vernam u van de buren dat er iemand aan de deur had gestaan. Vier dagen later, toen u terug naar huis ging, werd u door enkele personen uw woning ingeduwd. De personen wilden weten waar uw echtgenoot was. Daarna sloegen ze de inboedel van uw woning stuk en zochten ze naar bepaalde documenten. Daarop vreesde u voor het leven van uw kinderen. Op 16 december 2000 verliet u Armenië. U reisde in de richting van België waar u 28 december 2000 de status van vluchteling aan. U legde in het kader van uw asielaanvraag geen enkel document voor. Er dient te worden opgemerkt dat uw problemen voortvloeien uit de problemen die uw echtgenoot heeft meegemaakt. In het kader van de asielaanvraag van uw echtgenoot werd echter een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen op grond van bedrieglijke verklaringen. Zodoende kan er geen geloof meer worden gehecht aan de problemen die u in het kader van uw asielverzoek aanhaalde aangezien zij het rechtstreekse gevolg zijn van de problemen van uw echtgenoot. Bovendien dient te worden opgemerkt dat, zelfs indien uw verklaringen geloofwaardig zouden zijn, u na incidenten van september 2000 nog drie maanden in Armenië verbleef zonder dat u er nog ernstige problemen kende. Volgens uw verklaringen verliet pas op 16 december 2000 Armenië (DVZ, vraag 41). Hierdoor kan er ernstig getwijfeld worden aan uw beweerde vrees. Bijgevolg kan er in uw hoofde niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie. Aangezien uit uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken duidelijk blijkt dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is, acht ik het niet meer nodig om u op te roepen voor een verhoor in dringend beroep.”. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.1. Overwegende dat verzoekster als eerste middel aanvoert : “1. EERSTE MIDDEL. Schending van de motiveringsplicht voorgeschreven door art. 62 van de Vreemdelingenwet van 15.12.1980 en door de art. 2 en 3 van de Motiveringswet van 29/07/1991. Het is duidelijk, dat de beslissing heel mank is tot stand gekomen. Eerste Onderdeel. 1.1. Van het dossier is geen enkele inventaris aan te treffen in het dossier zelf, zoals het ter inzage én afschrift ter beschikking is gesteld op het CGVS. Zo heeft de heer Commissaris-Generaal in zijn eindbeslissing ten gronde nagelaten de procedurestukken in detail te vermelden op basis waarvan hij tot zijn besluit komt. Een exacte controle van het dossier is aldus onmogelijk. Tweede onderdeel. 1.2. Door het ontbreken van een chronologische inventaris van alle procedurestukken, correspondentiestukken en overtuigingsstukken (er zijn er neergelegd door betrokkenes echtgenoot) is het onmogelijk een exacte controle van het dossier te doen. Aan het dossier zijn wel (onvolledige) franse vertalingen toegevoegd, maar zonder enige datum ervan en zonder datum van neerlegging. Op welk moment waren die ter beschikking? Dit is niet na te gaan. Derde onderdeel. 1.3. Van het verhoor op de DVZ werd aan betrokkene geen kopie afgeleverd, zodat deze nooit in de mogelijkheid is geweest om eventuele foute noteringen te doen corrigeren en desnoods nog aanvullingen te verrichten. Het belang is des te groter, gezien de CGVS geen verhoor in dringend beroep heeft gehouden. Vierde onderdeel. XIV-11.913-3/10 1.4. Dit DVZ-verhoor werd op vraag van ondervrager overigens eerder beperkt gehouden. De meest recente gebeurtenissen (dus in het jaar 2000) waren nochtans doorslaggevend om ook te vluchten. Gezien geen CGVS-verhoor plaats had, heeft betrokkene het volledige verhaal niet kunnen vertellen (in het klassieke vraag- en antwoordsysteem dat aldaar gehanteerd wordt). Vijfde onderdeel. 1.5. De CGVS bestempelt de aanvraag van betrokkene als "kennelijk ongegrond" daartoe verwijzend naar de beslissing in hoofde van echtgenoot Ashot, waarvan de aanvraag - overigens volkomen onterecht - als "bedrieglijk" wordt afgewezen (op grond van "tegenstrijdigheden", die evenwel enerzijds onbenullig van aard zijn daar zij de grond van de asielaanvraag zelf niet aantasten en die anderzijds tot stand komen in een rapport, dat in het Nederlands is opgesteld na een vertaling van gezegdes vanuit het Armeens en dat niet eens na de redactie ervan wordt voorgelezen en zelfs door niemand ondertekend). Zesde onderdeel. 1.6. De tolk op de DVZ blijkt helemaal geen eed te hebben afgelegd, zelfs de identiteit blijft onbekend : de DVZ-tolk tekent immers met een volkomen onleesbare handtekening en voegt er "Marina" bij. Het feit, dat geen vertaling onder eed tot stand kwam en de onleesbare ondertekening laten de mogelijkheid open, dat de beroepsernst en de verantwoordelijkheidszin van de tolk in kwestie niet optimaal is, gezien iedere controle achteraf onmogelijk is. De tolk weet dit. Daarbij weze uitdrukkelijk opgemerkt, dat tijdens het DVZ-verhoor een raadsman niet toegelaten is. De aanwezigheid van een raadsman vergroot toch enigszins de kans op correcte vertalingen. Daarenboven dient opgemerkt, dat de ervaring (helaas) leert, dat uitgerekend de tolken Armeens (zoals in casu) zich globaal een uiterst bedenkelijke reputatie hebben weten te verwerven door ongehoord slechte vertalingen. Er dient dan ook alle voorbehoud gemaakt omtrent de juistheid van de opname van de gezegdes in het dossier van de echtgenoot, waarnaar in casu verwezen wordt. Zevende onderdeel. 1.7. Door zich te (

  1. te)vergenoegen met een verwijzing naar het dossier van echtgenoot A. S. en de beslissing daarin, als zou haar aanvraag gebaseerd zijn op de motieven welke zijn aangebracht door hem, voldoet de CGVS geenszins aan de wettelijke motiveringsplicht. Deze gratuite bewering strookt immers helemaal niet met de gegevens van het dossier van betrokkene zelf. Zij kon persoonlijke redenen doen gelden om een terugkeer naar Armenië te vrezen. Er is betrokkenes eigen DVZ-verhoor en er is de eigen beroepsakte. De CGVS had haar minstens de kans moeten laten om in een verhoor de persoonlijke vrees voor terugkeer duidelijk te maken. De bestreden beslissing komt derhalve niet tot stand conform de wet. Een juridische motivering i.v.m. de werkelijke weigeringsgronden ontbreekt volkomen. De motivering van de CGVS is derhalve niet aanvaardbaar met het oog op het recht, d.w.z. het hanteren van de juiste wettelijke grond en de juiste interpretatie van de wet. Alleszins zijn met de hic et nunc beslissing de grenzen van de redelijkheid overschreden. De zogeheten tegenstrijdigheden en onnauwkeurigheden, die de CGVS meende te moeten constateren in een totaal ander dossier, namelijk dat van echtgenoot Ashot, zijn niet evident genoeg, het gaat uiteindelijk om details die de kern van het verhaal en dus de aanvraag niet aantasten : betrokkene zelf was zonder enige twijfel een actief voorstander van een politieke partij en precies daardoor kwam hij in moeilijkheden. Juist daarom werden zij allebei belaagd en bedreigd. Daarbij was een politiebescherming, gelet op de clanvorming en de corruptie in hun land, precies niet mogelijk.”; XIV-11.913-4/10 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : “2.1. In het eerste middel beroept verzoekster zich op een schending van de motiveringsplicht (artikel 62 Vreemdelingenwet en artikelen 2 en 3 van de Uitdrukkelijke motiveringswet). 2.1.1. In het eerste en het tweede onderdeel werpt verzoekster op dat er geen controle van het dossier mogelijk is, omdat er geen chronologische inventaris aan te treffen is van de procedurestukken, correspondentie- en overtuigingsstukken. Verweerder antwoordt dat de bestreden beslissing kadert binnen een administratieve instantie die niet kan worden gelijkgesteld met een administratief rechtscollege. In casu bestaat dan ook geen wettelijke bepaling die het bijhouden van een inventaris vereist. 2.1.2. In het derde onderdeel werpt verzoekster op dat haar geen kopij werd afgeleverd van het verhoorrapport van de Dienst Vreemdelingenzaken. Verweerder antwoordt dat er geen verplichting bestaat in hoofde van de Dienst Vreemdelingenzaken dit te doen. Evenwel heeft verzoekster het verhoorrapport ondertekend na voorlezing. Ze kon na voorlezing eventuele fouten corrigeren. 2.1.3. Wat het vierde onderdeel betreft verwijst verweerder naar punt 2.1.2. Het is overigens de verantwoordelijkheid van de kandidaat-vluchteling om vanaf de aanvang van de asielprocedure alle dienstige elementen aan te brengen ter staving van het asielverzoek. 2.1.4. In het vijfde onderdeel werpt verzoekster op dat de asielaanvraag als kennelijk ongegrond werd beschouwd, onterecht verwijzend naar de bedrieglijke beslissing van haar echtgenoot. Vooreerst wenst verweerder te antwoorden dat verzoekster geen concrete gegevens aanbrengt waarom de beslissing van haar echtgenoot onterecht als bedrieglijk werd bestempeld. Vervolgens wenst verweerder opnieuw te benadrukken dat het beroep tot nietigverklaring van verzoeksters echtgenoot, S. A. (G/A 93.351), op 25 september 2002, werd verworpen (arrest nr. 110.618). 2.1.5. In het zesde onderdeel werpt verzoekster op dat er van een eedaflegging van de tolken en de vertaler in het dossier geen spoor is terug te vinden. Bovendien stelt verzoeker dat de identiteit van de tolken niet is vermeld. Verweerder antwoordt dat geen enkele wettelijke bepaling ter zake vereist dat de tolken werkzaam op de Dienst Vreemdelingenzaken een eed moeten afleggen. Niet alleen kan elke kandidaat-vluchteling zijn eigen tolk naar keuze meebrengen, maar bovendien merkt verweerder nogmaals op dat de ontvankelijkheidsprocedure een administratieve procedure is, die niet kan worden gelijkgesteld met een procedure voor een administratief rechtscollege, waar de waarborg van de hoorplicht en de rechten van de verdediging moeten worden gerespecteerd. Verweerder merkt op dat de identiteit van de tolken werkzaam op de Dienst Vreemdelingenzaken confidentieel is, hetgeen hun onafhankelijkheid garandeert. Verzoeker duidt trouwens niet aan op welke concrete punten hij opmerkingen heeft met betrekking tot het geleverde vertaalwerk. Wat verzoekster wel doet is stellen dat de Armeense tolken een uiterst bedenkelijke reputatie hebben door ongehoord slechte vertalingen. Verzoekende partij brengt hiervan evenwel geen begin van bewijs voor aan. 2.1.6. In het zevende onderdeel betwist verzoekster opnieuw de verwijzing naar de beslissing van haar echtgenoot. Verweerder beperkt zich dan ook tot een verwijzing naar punt 2.1.4. Alle stukken die hebben geleid tot de beslissing van haarechtgenoot bevinden zich in het administratief dossier van verzoekster en de motieven van de beslissing van verzoekster werden vermeld in de beslissing. De beslissing is bijgevolg afdoende gemotiveerd. Het eerste middel is niet ernstig.”; 2.1.3. Overwegende dat verzoekster repliceert : “1. EERSTE MIDDEL. Schending van de motiveringsplicht voorgeschreven door art. 62 van de Vreemdelingenwet van 15.12.1980 en door de art. 2 en 3 van de Motiveringswet van 29/07/1991. Het is duidelijk, dat de beslissing heel mank is tot stand gekomen. XIV-11.913-5/10 Eerste Onderdeel. 1.1. Van het dossier is geen enkele inventaris aan te treffen in het dossier zelf, zoals het ter inzage én afschrift ter beschikking is gesteld op het CGVS. Zo heeft de heer Commissaris-Generaal in zijn eindbeslissing ten gronde nagelaten de procedurestukken in detail te vermelden op basis waarvan hij tot zijn besluit komt. Een exacte controle van het dossier is aldus onmogelijk. De procedure moge dan al een "administratieve" zijn, het ontbreken van een inventaris laat niet toe een beslissing tot stand te brengen die conform de wettelijke beschikkingen gemotiveerd is. Tweede onderdeel. 1.2. Hier geldt dezelfde commentaar als onder 1.1. Door het ontbreken van een chronologische inventaris van alle procedurestukken, correspondentiestukken en overtuigingsstukken (er zijn er neergelegd door betrokkenes echtgenoot) is het onmogelijk een exacte controle van het dossier te doen. Aan het dossier zijn wel (onvolledige) franse vertalingen toegevoegd, maar zonder enige datum ervan en zonder datum van neerlegging. Op welk moment waren die ter beschikking ? Dit is niet na te gaan. Derde onderdeel. 1.3. Al bestaat er geen verplichting om aan de KV een kopie van het eerste interview af te leveren, het resul(t)aat daarvan is onbetwistbaar dat deze nooit in de mogelijkheid was om eventueel foute noteringen of onvolledigheden te doen recht zetten. Het belang is des te groter, gezien de CGVS geen verhoor in dringend beroep heeft gehouden. Vierde onderdeel. 1.4. Dit DVZ-verhoor werd op vraag van ondervrager overigens eerder beperkt gehouden. De meest recente gebeurtenissen (dus in het jaar 2000) waren nochtans doorslaggevend om ook te vluchten. De ondervraging geschiedt in een klassiek vraag- en antwoordsysteem dat aldaar gehanteerd wordt. Het verhaal wordt niet als één ononderbroken verhaal verteld en genoteerd. De CGVS betwist dit ook niet. Vijfde onderdeel. 1.5. De CGVS bestempelt de aanvraag van betrokkene als "kennelijk ongegrond" daartoe verwijzend naar de beslissing in hoofde van echtgenoot Ashot, waarvan de aanvraag - overigens volkomen onterecht - als "bedrieglijk" wordt afgewezen (op grond van "tegenstrijdigheden", die evenwel enerzijds onbenullig van aard zijn daar zij de grond van de asielaanvraag zelf niet aantasten en die anderzijds tot stand komen in een rapport, dat in het Nederlands is opgesteld na een vertaling van gezegdes vanuit het Armeens en dat niet eens na de redactie ervan wordt voorgelezen en zelfs door niemand ondertekend). Dit is duidelijk een miskenning van de eigen motieven van verzoekster. Hier wordt verwezen naar haar verhaal (interview op de DVZ van 28/12/00) Ik ben gehuwd en heb 2 kinderen. In 1999 kreeg mijn man problemen omwille van de gemeenteverkiezingen en de verkiezing van de burgemeester. Mijn man was lid van een politieke partij ik weet niet van welke. Hij werkte in de gemeente. Ik ben huisvrouw. Eén van de kandidaten voor het burgemeesterschap was Suren Grigoryan de broer van Manwel Grigoryan die zeer hoog geplaatst is in de regering van Armenië. Mijn man steunde een andere kandidaat nl. Ahvanyan Jervand die de verkiezingen won. Sindsdien werd mijn man bedreigd door de aanhangers van Suren. Daarom verliet mijn man in december 1999 Armenië en kwam hij naar België. In de zomer van 1999 zijn we vertrokken naar Shamshadin (district) in het dorp Tchinari bij familie van mijn man. Mijn man is opgepakt geweest en opgesloten door de mannen van Suren. Na het vertrek van mijn man keerde ik soms terug naar mijn huis. Zo kwamen ze te weten dat ik nog steeds in Armenië was en dachten ze dat ook mijn man in Armenië was. In september 2000 ging ik verschillende keren naar huis om de schoolsituatie van mijn kinderen in orde te brengen . Ik had papieren nodig om mijn kinderen in een andere school te laten inschrijven. In september 2000 ging ik terug naar huis om kledij te gaan halen voor kinderen en ik vernam van de buren dat de hele dag iemand aan de deur was geweest. Vier dagen later ging ik terug naar huis met een vriend Musheh. Toen hij me afgezet had kwamen er vier mannen binnen ik werd geduwd. Ze wilden weten waar mijn man was maar ik zei hen dat ik het niet wist. XIV-11.913-6/10 Alles in ons huis werd kapot gemaakt en ze zochten naar bepaalde documenten. Ze dreigden ermee met ons te doen wat ze met mijn man van plan waren om te doen. Als hij dit zou horen zou hij zeker komen. Ze zeiden ook dat ze wisten waar ik momenteel verbleef en dat ze me altijd zouden weten te vinden. Ik was bang voor het leven van mijn kinderen en vroeg aan Musheh om ons te helpen vertrekken. Via de reisagent Armen werd mijn reis geregeld. Hij zei dat het onmogelijk was om samen met de kinderen te vertrekken. Hij beloofde om later de kinderen naar België te sturen. Zesde onderdeel. 1.6. De tolk op de DVZ blijkt helemaal geen eed te hebben afgelegd, zelfs de identiteit blijft onbekend : de DVZ-tolk tekent immers met een volkomen onleesbare handtekening en voegt er "Marina" bij. Het feit, dat geen vertaling onder eed tot stand kwam én de onleesbare ondertekening laten de mogelijkheid open, dat de beroepsernst en de verantwoordelijkheidszin van de tolk in kwestie niet optimaal is, gezien iedere controle achteraf onmogelijk is. De tolk weet dit. Daarbij weze uitdrukkelijk opgemerkt, dat tijdens het DVZ-verhoor een raadsman niet toegelaten is. De aanwezigheid van een raadsman vergroot toch enigszins de kans op correcte vertalingen. Daarenboven dient opgemerkt, dat de ervaring (helaas) leert, dat uitgerekend de tolken Armeens (zoals in casu) zich globaal een uiterst bedenkelijke reputatie hebben weten te verwerven door ongehoord slechte vertalingen. Er dient dan ook alle voorbehoud gemaakt omtrent de juistheid van de opname van de gezegdes in het dossier van de echtgenoot, waarnaar in casu verwezen wordt. Een bewijs inzake slechte vertalingen van een tolk ARMEENS wordt juist wèl aangebracht, zie stuk 3 (een beslissing van de V.B. Cie dd. 10/10/00). Zevende onderdeel. 1.7. Door zich te (
  2. te)vergenoegen met een verwijzing naar het dossier van echtgenoot A. S. en de beslissing daarin, als zou haar aanvraag gebaseerd zijn op de motieven welke zijn aangebracht door hem, voldoet de CGVS geenszins aan de wettelijke motiveringsplicht. Deze gratuite bewering strookt immers helemaal niet met de gegevens van het dossier van betrokkene zelf, zie het DVZ-verhoor van 28/12/00. Zij kon persoonlijke redenen doen gelden om een terugkeer naar Armenië te vrezen. Er is betrokkenes eigen DVZ-verhoor en er is de eigen beroepsakte. De CGVS had haar minstens de kans moeten laten om in een verhoor de persoonlijke vrees voor terugkeer duidelijk te maken. De bestreden beslissing komt derhalve niet tot stand conform de wet. Een juridische motivering i.v.m. de werkelijke weigeringsgronden ontbreekt volkomen. De motivering van de CGVS is derhalve niet aanvaardbaar met het oog op het recht, d.w.z. het hanteren van de juiste wettelijke grond en de juiste interpretatie van de wet. Alleszins zijn met de hic et nunc beslissing de grenzen van de redelijkheid overschreden. De zogeheten tegenstrijdigheden en onnauwkeurigheden, die de CGVS meende te moeten constateren in een totaal ander dossier, namelijk dat van echtgenoot Ashot, zijn niet evident genoeg, het gaat uiteindelijk om details die de kern van het verhaal en dus de aanvraag niet aantasten : betrokkene zelf was zonder enige twijfel een actief voorstander van een politieke partij en precies daardoor kwam hij in moeilijkheden. Juist daarom werden zij allebei belaagd en bedreigd. Daarbij was een politiebescherming, gelet op de clanvorming en de corruptie in hun land, precies niet mogelijk.”; 2.1.4. Overwegende dat verzoekster stelt dat de motivering van de bestreden beslissing “heel mank tot stand (
  3. is)gekomen”, maar niet aanduidt op welke punten de motivering inhoudelijk te kort schiet; dat in de uiteenzetting van de verschillende onderdelen (eerste t.e.m. derde onderdeel, zesde onderdeel) verzoekster niet aantoont hoe de wijze waarop de beslissing tot stand is gekomen een negatieve invloed heeft gehad op de motivering ervan; dat verzoekster de mogelijkheid had om op eenvoudige aanvraag het dossier in te kijken; dat zij niet uiteenzet hoe het ontbreken van een inventaris haar belangen schaadt; dat er voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en XIV-11.913-7/10 voor de Dienst Vreemdelingenzaken geen verplichting is voor de tolken om een eed af te leggen; dat in een vierde onderdeel verzoekster erop wijst dat het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken eerder beperkt werd gehouden; dat, aangezien geen verhoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft plaatsgevonden, zij niet volledig haar verhaal heeft kunnen doen; dat van een kandidaat-vluchteling, die beweert te vrezen voor zijn leven en vrijheid en daarom de bescherming van de Belgische autoriteiten vraagt, mag verwacht worden hij alle elementen ter ondersteuning van zijn asielaanvraag op correcte wijze en zo accuraat mogelijk aanbrengt, zeker de elementen die de directe aanleiding van zijn vertrek of vlucht uit zijn land van herkomst zijn geweest; dat hij dit zo volledig en gedetailleerd mogelijk dient te doen en dit vanaf het begin; dat in een vijfde onderdeel verzoekster stelt dat haar asielaanvraag als kennelijk ongegrond werd beschouwd, hierbij onterecht verwijzend naar de bedrieglijke aanvraag van haar echtgenoot; dat verzoekster geen concrete elementen aanbrengt die aantonen dat de beslissing genomen ten aanzien van haar echtgenoot onterecht als bedrieglijk werd beschouwd; dat in een zevende onderdeel verzoekster de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ten grieve duidt zich te vergenoegen met een verwijzing naar het dossier van haar echtgenoot en de beslissing daarin, terwijl zij persoonlijke redenen heeft doen gelden om een terugkeer naar Armenië te vrezen; dat, wat de verwijzing naar de beslissing genomen ten aanzien van haar echtgenoot betreft, dient aangestipt, dat verzoekster niet aantoont dat zij haar asielaanvraag steunt op problemen die niet rechtstreeks het gevolg zijn van de problemen van haar echtgenoot; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen voor de motivering in casu kon verwijzen naar de beslissing die werd genomen ten aanzien van haar echtgenoot; dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat verzoekster als tweede middel aanvoert : “2. TWEEDE MIDDEL. Schending van de voorziene taalregeling, het art. 51/4 van de Vreemdelingenwet van 15.12.1980. Door betrokkenes overtuigingsstukken, zijnde deze van haar man, niet te voorzien van een volledige Nederlandse vertaling blijven deze stukken in feite deels onvertaald en in een andere taal dan de proceduretaal in het dossier. Deze stukken aanwenden of eventueel zelfs niet aanwenden om tot de besluitvorming te komen betekent meteen de ingebouwde taalregeling niet naleven. Het gaat om stukken die duidelijk de lijdensweg én de gegrondheid van de aanvraag van betrokkene aantonen. Ziedaar het belang ervan. Er wordt ook opgemerkt, dat de ondervrager niet noodzakelijk alle bewoordingen in het Frans correct begrijpt. Een voorbeeld uit de praktijk : een "jurist"-in-opleiding vroeg aan zijn "opleider" in een verhoor van een Albanese vluchteling (in het bijzijn van ondergetekende) wat het woord "interprète" betekent... Bij navraag op het CGVS blijkt deze kloeke borst ondertussen wel met de Noorderzon te zijn verdwenen, maar het toont schrijnend aan dat de tweetaligheid van het personeel een mooie wensdroom is, meer niet. D. BESLUIT. De gehaalde wetsartikelen zijn zwaar geschonden. De motiveringsplicht is geenszins nageleefd. De grenzen van de redelijkheid zijn ruimschoots overschreden. Het is duidelijk, dat in casu betrokkene geen eerlijke behandeling van haar zaak heeft gehad. Betrokkenes rechten zijn op zeer ernstige wijze geschonden en dit herhaaldelijk. XIV-11.913-8/10 Substantiële pleegvormen zijn niet nageleefd. De meest elementaire rechten van de mens werden met de voeten getreden.”; 2.2.2. Overwegende dat verwerende partij antwoordt : “2.2. In het tweede middel beroept verzoekster zich op een schending van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet, doordat in het dossier anderstalige stukken werden opgenomen, die niet werden vertaald, terwijl de taal van het onderzoek evenwel het Nederlands is. Verzoeker begrijpt niet in hoeverre hier sprake zou zijn van de bovenvermelde regel. De stukken neergelegd door verzoeksters echtgenoot betroffen allen identiteitsdocumenten. Deze stukken werden allen geïdentificeerd (huwelijksakte, geboorteakte en rijbewijs). Deze documenten werden vermeld in de beslissing. De taalregeling werd volledig gevolgd: de neerslag van het verhoor werd opgesteld in het Nederlands, de beslissing eveneens. Nergens stelt artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet impliciet of expliciet dat elk stuk van het administratief dossier volledig in het proceduretaal moet worden weergegeven. De opmerkingen van verzoekster omtrent de taalkennis van de behandelende jurist doet hier niet ter zake: verzoekende partij geeft zelf toe dat de anekdote die hij weergeeft een ander dossier betrof. Het tweede middel is niet ernstig.”; 2.2.3. Overwegende dat verzoekster repliceert : “2. TWEEDE MIDDEL. Schending van de voorziene taalregeling, het art. 51/4 van de Vreemdelingenwet van 15.12.1980. Door betrokkenes overtuigingsstukken, zijnde deze van haar man, niet te voorzien van een volledige Nederlandse vertaling blijven deze stukken in feite deels onvertaald en in een andere taal dan de proceduretaal in het dossier. Deze stukken aanwenden of eventueel zelfs niet aanwenden om tot de besluitvorming te komen betekent meteen de ingebouwde taalregeling niet naleven. Het gaat om stukken die duidelijk de lijdensweg én de gegrondheid van de aanvraag van betrokkene aantonen. Ziedaar het belang ervan. Er wordt ook opgemerkt, dat de ondervrager niet noodzakelijk alle bewoordingen in het Frans correct begrijpt. Een voorbeeld uit de praktijk : een "jurist"-in-opleiding vroeg aan zijn "opleider" in een verhoor van een Albanese vluchteling (in het bijzijn van ondergetekende) wat het woord "interprète" betekent... Bij navraag op het CGVS blijkt deze kloeke borst ondertussen wel met de Noorderzon te zijn verdwenen, maar het toont schrijnend aan dat de tweetaligheid van het personeel een mooie wensdroom is, meer niet. Het moge dan al een ander dossier betreffen, de argumentatie duidt op een zeer markante wijze het schrijnend gebrek aan behoorlijke kennis van de tweede landstaal aan, om nog niet te spreken van het doorgaans totale gebrek aan kennis van het Nederlands bij franstalige ondervragers. D. BESLUIT. De gehaalde wetsartikelen zijn zwaar geschonden. De motiveringsplicht is geenszins nageleefd. De grenzen van de redelijkheid zijn ruimschoots overschreden. Het is duidelijk, dat in casu betrokkene geen eerlijke behandeling van haar zaak heeft gehad. Betrokkenes rechten zijn op zeer ernstige wijze geschonden en dit herhaaldelijk. Substantiële pleegvormen zijn niet nageleefd. De meest elementaire rechten van de mens werden met de voeten getreden.”; XIV-11.913-9/10 2.2.4. Overwegende dat in een tweede middel verzoekster aanvoert dat artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen werd geschonden omdat aangewende stukken dienen in vertaling aanwezig te zijn; dat zij voorts opmerkt dat de ondervrager niet noodzakelijk alle bewoordingen in het Frans correct begrijpt; dat verzoekster echter niet aanduidt hoe haar belangen geschaad zijn door de niet-vertaling van bepaalde stukken; dat zij bovendien nalaat aan te duiden om welke stukken het precies gaat; dat voorts verzoekster met de algemene bewering dat de ondervrager niet noodzakelijk alle bewoordingen in het Frans correct begrijpt, niet bewijst dat dit in huidige zaak het geval is; dat een schending van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet niet bewezen is; dat het tweede middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen december tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-11.913-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.447 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.