← België

Arrest 152519 - - 12/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.519 Rolnummer: A. 121862/IX-3349 Zaak: Arrest 152519 - - 12/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-21 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-07-03 07:53 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) DE Fiche Arrest nr 152.519 van 12 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.519 van 12 december 2005 in de zaak A. 121.862/IX-

  1. In zake : Marie-Jeanne MOONEN, die woonplaats kiest bij advocaten V. DE WOLF en P. SIMONART, kantoor houdende te BRUSSEL, Guldenvlieslaan 68/9 tegen :
  2. de stad BRUSSEL,
  3. de politiezone Brussel-Elsene, die woonplaats kiezen bij advocaat J.-P. LAGASSE, kantoor houdende te BRUSSEL, de Jamblinne de Meux plein 41,
  4. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marie-Jeanne MOONEN op 27 mei 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van : “- de beslissing van onbekende datum en van onbekende auteur waarbij eerste verwerende partij besloten heeft de diensten van verzoekende partij niet meer te gebruiken en/of verzoekster naar de Politiezone Brussel/Elsene te ‘affecteren’; - de beslissing van onbekende datum en van onbekende auteur waarbij tweede verwerende partij besloten heeft de diensten van verzoekende partij te gebruiken en/of verzoekster aan zijn diensten te ‘affecteren’; - de gedeeltelijke vernietiging van het Koninklijk Besluit van 28 februari 2002 waarbij de lokale politiezone van Brussel/Elsene op 1 januari 2002 werd ingesteld (B.S., 26 maart 2002, p. 12.393), met dien verstande waarin verzoekende partij als ‘geaffecteerde’ hernomen, geïntegreerd werd binnen de Politiezone Brussel/Elsene vanaf 1ste januari 2002.”; IX-3349-1/15 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikking van 19 april 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 12 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. PENNINCKX die, loco advocaat P. SIMONART verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat D. VERMER die, loco advocaat J.-P. LAGASSE verschijnt voor de eerste twee verwerende partijen, en van attaché J. KERREMANS, die verschijnt voor de derde verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : IX-3349-2/15 1.
  6. Bij besluit van 28 september 1973 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel wordt verzoekster toegelaten tot de stage als klerk-typiste. Bij besluit van 2 maart 1976 wordt zij vast benoemd. Bij besluit van 7 september 1984 van het college van burgemeester en schepenen wordt zij bevorderd tot eerste klerk. Blijkens de preambule van die beslissingen wordt verzoekster benoemd “bij de politie”. 1.
  7. Op 21 juni 1993 neemt de gemeenteraad van de stad Brussel een besluit betreffende de “Reorganisatie van de Diensten - Personeel - Formatie - Statuut - Bezoldigingsregeling”. In het verslag aan de gemeenteraad wordt onder meer gesteld wat volgt : “Zeer concreet werd, buiten een reeks van algemene maatregelen die van toepassing zijn voor alle departementen, een personeelsformatie vastgesteld, een tabel die toegang verleent tot de verschillende graden en begeleidende maatregelen voor ieder van de 11 departementen”. Artikel 1 van het gemeenteraadsbesluit, dat luidens artikel 19 uitwerking heeft op 1 maart 1993, bepaalt wat volgt : “De personeelsformaties van de departementen gevoegd bij huidig besluit vervangen deze die voortvloeien uit de overeenkomstige besluiten die tot op heden werden getroffen betreffende dezelfde voorwerpen”. Blijkens de bijlagen gevoegd bij het gemeenteraadsbesluit, beschikt het departement Politie over een personeelsformatie van administratief personeel en werkliedenpersoneel. Met een dienstorder nr. 4685 van 10 september 1993 wordt het personeel in kennis gesteld van het gemeenteraadsbesluit van 21 juni
  8. 1.
  9. In het Belgisch Staatsblad van 5 januari 1999 verschijnt de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (hierna : de WGP). 1.
  10. In uitvoering van artikel 9 van deze wet verschijnt in het Belgisch Staatsblad van 29 juli 2000 het koninklijk besluit van 28 april 2000 houdende de IX-3349-3/15 indeling van het grondgebied van het arrondissement Brussel-Hoofdstad in politiezones. De stad Brussel en de gemeente Elsene worden als een meergemeente- zone opgericht. 1.5.
  11. Luidens artikel 235, eerste lid, van de WGP gaan de leden van de gemeentelijke politiekorpsen over naar het operationeel korps van de lokale politie. Luidens het tweede lid van het artikel gaan de leden van het administratief en logistiek kader van de gemeentelijke politiekorpsen over naar het administratief en logistiek kader van de lokale politie. Luidens het derde lid kan het niet politioneel gemeentelijk personeel in dienst bij de gemeentelijke politiekorpsen overgaan naar het administratief en logistiek kader van de lokale politie. 1.5.
  12. Luidens artikel 248, eerste lid, van dezelfde wet wordt de lokale politie per groep van politiezones ingesteld, wanneer de Koning vaststelt dat de in dat lid opgesomde voorwaarden die noodzakelijk zijn voor de oprichting van een lokale politie vervuld zijn. Luidens het tweede lid maakt het koninklijk besluit tot inrichting van de lokale politie (onder meer) artikel 235 van kracht in de politiezone. 1.
  13. Bij besluit van 14 september 2000 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel wordt verzoekster, op dat ogenblik administratief adjunct bij het departement Politie, op proef bevorderd tot administratief hoofdadjunct. 1.7.
  14. In het Belgisch Staatsblad van 17 februari 2001 verschijnt de omzendbrief nr. PLP 4 van 14 februari 2001 “betreffende het behoud van het oorspronkelijk statuut”. In die omzendbrief wordt er op gewezen dat, gelet op de inwerkingtreding op 1 april 2001 van het nieuwe statuut van het personeel van de politiediensten, de personeelsleden die hun oorspronkelijke rechtspositie willen behouden hun keuze moeten meedelen ten laatste op 31 maart 2001, dat het voor de gemeentepolitie in concreto gaat over de leden van de gemeentelijke politiekorpsen, met inbegrip van de hulpagenten van politie alsmede de leden van het administratief IX-3349-4/15 en logistiek kader van de gemeentelijke politiekorpsen, maar dat het niet-politioneel gemeentelijk personeel in dienst bij de gemeentelijke politiekorpsen daarentegen slechts zal kiezen op het ogenblik dat het overgaat naar de lokale politie, zijnde het ogenblik van totstandkoming van die lokale politie overeenkomstig artikel 248 van de wet van 7 december
  15. 1.7.
  16. In het Belgisch Staatsblad van 21 juli 2001 verschijnt de omzendbrief ZPZ 18 “betreffende de toewijzing van de nieuwe graad en de nieuwe loonschaal aan de actuele leden van de gemeentepolitie en de toepassing van artikel 29 WGP”. In die omzendbrief wordt er op gewezen dat, ingevolge de bekendmaking van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten en het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot bepaling van de loonschalen die van toepassing zijn op de personeelsleden van het administratief en logistiek kader van de politiediensten, aan ieder actueel personeelslid van de gemeentepolitie de graad en loonschaal moet toegewezen worden die hem toekomen in de lokale politie op basis van de situatie op 1 april 2001, dat het hier de personeelsleden van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader, met uitzondering van het niet-politioneel gemeentelijk personeel in dienst bij de gemeentelijke politiekorpsen betreft, dat laatstgenoemden hun nieuwe graad en nieuwe loonschaal immers zullen verkrijgen bij hun overgang na de instelling van de lokale politie, dat de toewijzing van de nieuwe graad en loonschaal, in afwachting van de effectieve inplaatsstelling van de lokale politie, bekrachtigd door een koninklijk besluit in toepassing van artikel 248 WGP, dient te gebeuren door de gemeenteraad, en dat zulks concreet inhoudt dat de gemeenteraad vóór 30 september 2001 een besluit moet nemen waarin hij aan elk personeelslid van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader, uitgezonderd het niet-politioneel gemeentepersoneel in dienst bij de gemeentelijke politiekorpsen, de nieuwe graad en de nieuwe loonschaal toekent die overeenstemt met die graad. IX-3349-5/15 1.7.
  17. In het Belgisch Staatsblad van 11 december 2001 verschijnt de omzendbrief PLP 16 van 28 november 2001 “betreffende de overgang naar het administratief en logistiek kader (CALOG) van de lokale politie krachtens artikel 235, tweede, derde en vierde lid, WGP”. In die omzendbrief, die tot doel heeft alle organieke, statutaire en budgettaire aspecten van de CALOG-thematiek te bundelen in één overzichtelijke tekst, wordt er op gewezen dat de leden van het administratief en logistiek kader van de gemeentelijke politiekorpsen “automatisch” overgaan naar het CALOG van de betrokken lokale politie, dat het hier de burgerpersoneelsleden betreft die een betrekking in het personeelskader van de gemeentepolitie bekleden en op wie overigens sinds 1 april 2001 het rechtspositiebesluit van 30 maart 2001 van toepassing is, dat, ingevolge de bepalingen van de omzendbrief ZPZ 18, de gemeenteraad vóór 30 september 2001 een besluit moest nemen waarin aan deze personeelsleden, met retroactieve kracht tot 1 april 2001, een nieuwe graad en een nieuwe loonschaal worden toegekend, en dat, indien voor de betrokken personeelsleden een dergelijk besluit nog niet is genomen, dit zo snel mogelijk moet geschieden, vermits zij van 1 januari tot 30 juni 2001 hebben kunnen opteren voor het behoud van hun oorspronkelijk statuut. Wat betreft de leden van het niet-politioneel gemeentepersoneel in dienst bij de gemeentelijke politiekorpsen, die krachtens artikel 235, derde lid, van de wet van 7 december 1998 kunnen overgaan naar het CALOG van de lokale politie, wordt er op gewezen dat de definitieve beslissing van de gemeenteraad betreffende hun aanwijzing -aanwijzing die niet kan zonder hun expliciete instemming- uiterlijk daags vóór de datum van de inplaatsstelling van de betrokken lokale politie moet worden genomen. 1.
  18. Op 24 september 2001 neemt de gemeenteraad van de stad Brussel, met verwijzing naar onder meer de omzendbrief ZPZ 18, een besluit waarbij “de personeelsleden van het huidig Departement Politie, van wie de naam op de hierbijgevoegde lijsten voorkomt, worden ingeschakeld in de politiezone van Brussel-Elsene vanaf 01.04.2001”. De naam van verzoekster komt voor op de bij het gemeenteraadsbesluit gevoegde lijst. IX-3349-6/15 1.
  19. Bij koninklijk besluit van 28 februari 2002 wordt de lokale politie van de politiezone Brussel/Elsene ingesteld met ingang van 1 januari
  20. Dat koninklijk besluit, dat bij uittreksel wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 maart 2002, vormt het derde voorwerp van het onderhavig beroep in de mate dat verzoekster door dat besluit geïntegreerd wordt in de politiezone Brussel/Elsene vanaf 1 januari
  21. 1.
  22. Met een administratief order (AO) van 26 maart 2002 deelt de korpschef van de lokale politie van de politiezone Brussel/Elsene mee wat volgt : “Bij Koninklijk Besluit van 28 februari 2002 wordt de lokale politie van de Politiezone van Brussel HOOFDSTAD Elsene ingesteld op datum van 1 januari 2002 en treedt in voege op datum van 26 maart 2002 (publicatie Staatsblad). Ik maak gebruik van deze gelegenheid om u te verwelkomen in de nieuwe zonale structuur. De Heer Voorzitter van het Politiecollege en ikzelf hebben ons vandaag tot de diensthoofden gericht ten einde de hoofdlijnen van de opplaatsstelling te bepalen van ons nieuw politiekorps. AO nr 135 verschenen op 26 maart 2002 officialiseert de affectaties van het personeel”. In dat AO nr. 135 waarnaar de korpschef verwijst en waarin verzoekster wordt vermeld als “bediende HRM PREST”, leest verzoekster de beslissingen die zij aanduidt als het eerste en het tweede voorwerp van haar beroep, met name “de beslissing van onbekende datum en van onbekende auteur waarbij (de stad Brussel) besloten heeft de diensten van verzoekende partij niet meer te gebruiken en/of verzoekster naar de Politiezone Brussel/Elsene te affecteren” en “de beslissing van onbekende datum en van onbekende auteur waarbij (de politiezone Brussel/Elsene) besloten heeft de diensten van verzoekende partij te gebruiken en/of verzoekster aan zijn diensten te affecteren”. 1.
  23. Op 27 mei 2002 dient verzoekster het voorliggend beroep tot nietigverklaring in. In haar memorie van wederantwoord, ingediend op 13 november 2002, vordert verzoekster bijkomend de gedeeltelijke nietigverklaring van de beraadslaging van 17 oktober 2002 van het college van burgemeester en schepenen IX-3349-7/15 van de stad Brussel met referte A C wc F 217, met name in de mate dat zij bij haar terugkeer naar de stad, zal behandeld worden als “de definitieve ambtenaren in stage”; 2.1.
  24. Overwegende dat de derde verwerende partij de ontvankelijkheid ratione temporis van het derde voorwerp van het beroep betwist, doordat het koninklijk besluit van 28 februari 2002 bij uittreksel bekendgemaakt is in het Belgisch Staatsblad van 26 maart 2002, zodat de beroepstermijn verstreek op 25 mei 2002 en het annulatieberoep slechts ingediend is op 28 mei 2002; 2.1.
  25. Overwegende dat de termijn om tegen het koninklijk besluit van 28 februari 2002 een annulatieberoep in te stellen verstreek op 25 mei 2002; dat evenwel die dag een zaterdag was zodat de beroepstermijn overeenkomstig artikel 88 van het algemeen procedurereglement verlengd werd tot de eerstvolgende werkdag; dat de omslag waarmee het verzoekschrift aangetekend ter post verzonden is de datumstempel van 27 mei 2002 draagt; dat de verwerende partij die vermelding niet van valsheid heeft betwist; dat de exceptie niet gegrond is; 2.2.
  26. Overwegende dat de derde verwerende partij ook het rechtstreeks belang van verzoekster bij het bestrijden van het koninklijk besluit van 28 februari 2002 in vraag stelt, doordat de overgang van verzoekster naar het lokaal politiekorps niet door dit besluit bewerkstelligd is, maar door beslissingen van de lokale overheden; IX-3349-8/15 2.2.
  27. Overwegende dat uit de aangevoerde middelen blijkt dat verzoekster de vernietiging van de bestreden beslissingen nastreeft omdat zij zonder haar toestemming overgeplaatst is van het departement politie van de stad Brussel naar het administratief en logistiek kader van de politiezone Brussel/Elsene; dat het koninklijk besluit van 28 februari 2002 de politiezone Brussel/Elsene operationeel gemaakt heeft vanaf 1 januari 2002 en artikel 235 WGP betreffende de overgang van het personeel op een algemene wijze in werking gesteld heeft; dat, aangezien de individuele situatie van verzoekster geregeld was door de twee andere bestreden besluiten en het koninklijk besluit van 28 februari 2002 enkel de datum heeft bepaald waarop de overgang naar het lokaal politiekorps effectief gerealiseerd werd, zij inderdaad geen rechtstreeks belang heeft bij de vernietiging van dat koninklijk besluit in de mate dat het haar individuele situatie regelt; dat deze exceptie gegrond is; 3.
  28. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel, genomen uit de schending van artikel 235 WGP en van het beginsel ‘Patere legem quam ipse fecisti’ en uit ‘machts- en bevoegdheidsoverschrijding’, aanvoert dat artikel 235 WGP duidelijk bepaalt dat het niet politioneel gemeentelijk personeel in dienst bij de gemeentelijke politiekorpsen niet automatisch naar het administratief en logistiek kader van de lokale politie overgaat, maar enkel wanneer de betrokkenen dit wensen; dat zij betoogt dat zij de wens niet heeft geuit om over te gaan en dat de verwerende partijen artikel 235 WGP verkeerd geïnterpreteerd hebben, zoals ook nog blijkt uit de omzendbrief PLP 16 waarin bevestigd wordt dat het niet politioneel personeel van de stad Brussel dat geaffecteerd of overgeplaatst werd binnen het departement politie niet zonder zijn toestemming kan worden overgeplaatst; dat zij besluit dat, aangezien de besteden beslissingen de overgang bewerkstelligen van een betrekking bij de stad Brussel naar een betrekking bij een andere rechtspersoon, de verwerende partijen hun macht en hun bevoegdheden overschreden hebben; 3.
  29. Overwegende dat de eerste twee verwerende partijen in hun memorie van antwoord stellen dat uit het gemeenteraadsbesluit van 21 juni 1993 blijkt dat elk departement van de stedelijke administratie, dus ook het departement politie, een specifiek kader gekregen heeft met daarin administratief en logistiek IX-3349-9/15 personeel en dat, nu verzoekster reeds was opgenomen in het specifiek kader van de politie vooraleer de politiezone werd ingesteld, haar situatie geregeld is door artikel 235, lid 2 en niet door artikel 235, lid 3, WGP; 3.
  30. Overwegende dat verzoekster daar in haar memorie van wederantwoord op repliceert dat artikel 217 van de nieuwe gemeentewet, waarin bepaald is dat de gemeentepolitie administratief en logistiek personeel kan omvatten, in werking getreden is op 1 januari 1993 en dat voordien de administratieve taken op de dienst politie werden uitgevoerd door niet politioneel gemeentelijk personeel, dat zij op 1 juni 1973 in dienst van de stad getreden is en op 2 maart 1976 vast benoemd werd -lang voor het instellen van een eigen administratief personeelskader voor de politiedienst- en dat zij nadien wel geaffecteerd is naar de politiedienst maar dat “het opnemen in het kader van het politiedepartement zeker niet betekent dat zij tot het administratief en logistiek kader van het gemeentelijk politiekorps behoort”, waarvoor zij nooit haar toestemming gegeven heeft; dat zij in die memorie voorts nog erop wijst dat uit de beraadslaging van 17 oktober 2002 van het college van burgemeester en schepenen opgemaakt lijkt te kunnen worden dat de stad Brussel bereid schijnt de terugkeer van niet politioneel gemeentelijke ambtenaren te aanvaarden, maar dat zij die beslissing niet kan aanvaarden in de mate dat zij dan slechts als stagiair beschouwd zal worden en dat ook dat besluit artikel 235, derde lid WGP miskent doordat het niet politioneel gemeentepersoneel krachtens die bepaling de keuze moet hebben tussen het overgaan naar het nieuwe politiekorps en het blijven ressorteren onder de gemeentelijke administratie maar dat zulks niet het geval is wanneer zij als stagiair gereïntegreerd zou worden; 3.
  31. Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie nog benadrukt dat zij nooit haar toestemming gegeven heeft om van werkgever te veranderen en dat zij zich nooit heeft kunnen voorstellen ooit voor de politiezone Brussel/Elsene te moeten werken; 3.5.
  32. Overwegende dat naar luid van artikel 235, lid 2, WGP de leden van het administratief en logistiek kader van de gemeentelijke politiekorpsen IX-3349-10/15 overgaan naar het administratief en logistiek kader van de lokale politie; dat overeenkomstig artikel 235, lid 3, van dezelfde wet, het niet politioneel gemeentelijk personeel in dienst bij de gemeentelijke politiekorpsen kan overgaan naar het administratief en logistiek kader van de lokale politie; Overwegende dat artikel 217 van de nieuwe gemeentewet, ingevoegd bij de wet van 15 juli 1992, de gemeentebesturen de mogelijkheid heeft geboden om specifiek voor de politiedienst een kader van administratief en logistiek personeel in te stellen; dat artikel 235, lid 2 WGP, doelt op de personeelsleden die een betrekking van dat personeelskader bekleden; dat de toewijzing van een personeelslid aan een betrekking van het personeelskader gebeurt door middel van een affectatie, die kan gebeuren hetzij door een bijzondere vermelding in het benoemingsbesluit, hetzij door een expliciet besluit van de overheid hetzij, bij ontstentenis daarvan, op basis van de feitelijke tewerkstelling; dat in logica aangenomen dient te worden dat de personeelsleden, die op het ogenblik dat het personeelskader wordt ingesteld, niet specifiek voor een bepaalde betrekking aangewezen zijn, door hun feitelijke tewerkstelling op de desbetreffende dienst automatisch een affectatie op het nieuwe personeelskader ervan verwerven; dat, in het algemeen, de instemming van de betrokken ambtenaar geen relevant criterium is om tot een affectatiewijziging te besluiten, aangezien het statuut van de ambtenaar er geenszins door gewijzigd wordt; 3.5.
  33. Overwegende dat de gemeenteraad van Brussel op 21 juni 1993 een specifiek kader van administratief en werkliedenpersoneel, verbonden aan de gemeentelijke politiedienst, vastgesteld heeft; dat verzoekster, die in 1976 vast benoemd werd in een betrekking van klerk-typiste met een benoemingsbesluit waarvan de aanhef verwees naar een betrekking “bij de politie” en die ook niet betwist dat zij in feite ook steeds op die dienst gewerkt heeft, bij de inwerkingtreding van het nieuwe personeelskader een betrekking ervan bezet heeft; dat overigens het sub 1.6 vermelde besluit van 14 september 2000 uitdrukkelijk melding maakt van de benoeming op proef van verzoekster in een vacante betrekking van administratief hoofdadjunct “bij het Departement Politie”, waarmee de affectatie van verzoekster IX-3349-11/15 op het kader van het administratief personeel van de politiedienst geformaliseerd is; dat, als reeds gesteld, zij ten onrechte ervan uitgaat dat het indelen van haar betrekking bij dat kader van de politie niet zonder haar toestemming kon gebeuren, aangezien die integratie in het kader van de politiedienst haar statuut van gemeentelijk ambtenaar niet wijzigde; Overwegende dat verzoekster op 31 december 2001 lid was van het administratief en logistiek kader van het gemeentelijk politiekorps van de stad Brussel; dat haar situatie geregeld is door artikel 235, lid 2, WGP; dat het middel niet gegrond is; 4.
  34. Overwegende dat verzoekster in het tweede middel de schending aanvoert van artikel 12, lid 1, van de Grondwet, van artikel 4.
  35. van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en van het algemeen rechtsbeginsel dat niemand kan gedwongen worden in dienst van een overheid te treden en een overheidsfunctie uit te oefenen; dat zij van oordeel is dat de tweede bestreden beslissing -waarbij de politiezone Brussel-Elsene haar inschakelt in het personeel van de zone- haar dwingt om voor een publieke rechtspersoon te werken die zij niet als werkgever gekozen heeft; dat zij verwijst naar het arrest nr. 67.283 van 2 juli 1997 inzake MICHEL; 4.
  36. Overwegende dat de tweede verwerende partij daar op antwoordt dat artikel 12, lid 1, van de Grondwet de fysieke integriteit van de persoon garandeert, dat het bestreden besluit niets te maken heeft met de fysieke integriteit van verzoekster en dat artikel 12 van de Grondwet in ieder geval beperkingen toelaat die “ingegeven (zijn) door de noden van de openbare dienst”, zodat de besturen bij de installatie van de nieuwe politiediensten de situatie van hun personeel konden wijzigen; 4.
  37. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord betoogt dat artikel 12 van de Grondwet samengelezen moet worden met artikel 4.
  38. EVRM, dat er sprake is van verplichte arbeid wanneer de werknemer geen IX-3349-12/15 toestemming geeft voor het verrichten van het werk of wanneer het werk een “onjuist of onderdrukkend” karakter heeft en dat zij, nu zij geen toestemming gegeven heeft om voor de politiezone Brussel/Elsene te gaan werken, de bescherming van die bepaling kan inroepen; 4.
  39. Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie stelt dat artikel 12 van de Grondwet en artikel 4.
  40. EVRM “hogere rechtsnormen” zijn dan artikel 235 WGP en dat de verwerende partijen haar “dwingen om voor een ander werkgever te werken”; 4.5.
  41. Overwegende dat uit het onderzoek van het eerste middel gebleken is dat haar nieuwe administratieve situatie door de wetgever zelf geregeld is; dat de desbetreffende beslissing van de tweede verwerende partij dan ook slechts een declaratief karakter heeft; dat in zoverre verzoekster dat besluit strijdig acht met de Grondwet, zij eigenlijk de Raad van State uitnodigt om de grondwettigheid van artikel 235 WGP te onderzoeken, waarvoor hij niet bevoegd is; Overwegende dat aan de Raad van State ook geen algemeen rechtsbeginsel bekend is dat de wetgever zou verbieden om, in het belang van de openbare dienstverlening, statutair personeel van een gemeente onder de bevoegdheid te brengen van een nieuw opgerichte rechtspersoon die voortaan de politiezorg van de gemeente overneemt; 4.5.
  42. Overwegende dat artikel 4.2 EVRM bepaalt dat “niemand gedwongen (mag) worden dwangarbeid of verplichte arbeid te verrichten”; dat buiten betwisting staat dat er van dwangarbeid, d.w.z. arbeid die gebeurt onder fysieke of morele druk, geen sprake is; dat, naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zijn arrest van 23 november 1983 in de zaak VAN DER MUSSELE t/België heeft gesteld, verplichte arbeid veronderstelt dat een individu arbeid moet verrichten onder twee cumulatieve voorwaarden, enerzijds de bedreiging van een of andere strafmaatregel en anderzijds de ontstentenis van toestemming met het te verrichten werk; dat in dit geval verzoekster vrijwillig in dienst van de gemeente getreden is, dat IX-3349-13/15 artikel 235 WGP haar rechtstoestand op zich niet wijzigt, maar haar enkel afdeelt naar een nieuwe rechtspersoon die de specifieke taak van de politiezorg van de gemeente overneemt; dat verzoekster niet aantoont dat haar werk bij die nieuwe werkgever dermate van dat bij de stad Brussel verschilt dat zij dit werk nooit vrijwillig aangenomen zou hebben; dat de mogelijkheid waarover het nieuwe bestuur beschikt om, zonder de instemming van verzoekster, haar statuut of haar feitelijke situatie te wijzigen -mogelijkheid waarover trouwens ook de stad Brussel beschikte- niet gezien kan worden als een bedreiging die haar situatie verzwaart en die haar zou kunnen toelaten haar nieuwe opdracht als een vorm van verplichte arbeid in de zin van artikel 4.2 EVRM te aanzien; 4.5.
  43. Overwegende dat het tweede middel niet gegrond is; 5.
  44. Overwegende dat verzoekster in het derde middel de schending aanvoert van de nieuwe gemeentewet en van het statuut van het personeel van de stad Brussel doordat het statuut van gemeentelijke ambtenaren in de eerste plaats door de nieuwe gemeentewet geregeld wordt en het statuut van het personeel van de stad Brussel geen bepaling bevat die toelaat dat de “betrekking van een agent (onderbroken wordt) door de instelling van een politiezone” zodat de eerste verwerende partij haar relatie met verzoekster niet kon “verbreken zonder de statutaire teksten te eerbiedigen”; 5.
  45. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat verzoekster niet aanduidt welke bepaling van de nieuwe gemeentewet of van het personeelsstatuut van de stad Brussel zij geschonden zou hebben, dat artikel 235 WGP “een rechtsnorm (poneert)” die maakt dat het bestreden besluit niet meer bekritiseerd kan worden op grond van de schending van een gemeentelijke statutaire bepaling en dat artikel 235 WGP als lex posteriori en lex specialis voorrang heeft op de nieuwe gemeentewet; 5.
  46. Overwegende dat verzoekster een statutair personeelslid van de stad Brussel was; dat haar rechtstoestand inderdaad geregeld was door de nieuwe IX-3349-14/15 gemeentewet en door de statutaire bepalingen die op grond daarvan door de stad Brussel uitgevaardigd werden; dat evenwel de wetgever met artikel 235 WGP een regeling uitgewerkt heeft die zich voegt bij de bepalingen van de nieuwe gemeentewet en die evident de reglementaire bepalingen die geen kracht van wet hebben buiten werking stelt; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  47. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  48. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf december 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-3349-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.519 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.