← België

Arrest 152523 - - 12/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.523 Rolnummer: A. 168120/IX-5143 Zaak: Arrest 152523 - - 12/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-16 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 06:25 Fiche Arrest nr 152.523 van 12 december 2005 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.523 van 12 december 2005 in de zaak A. 168.120/IX-

  1. In zake : Ludovic CAPELLE, die woonplaats kiest bij advocaat J. MAESCHALCK, kantoor houdende te ZELLIK, Noorderlaan 30 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door :
  2. de Disciplinaire Raad voor medisch verantwoorde sportbeoefening van de Vlaamse Gemeenschap, hierna : de Disciplinaire Raad van de Vlaamse Gemeenschap,
  3. de Vlaamse Regering, die woonplaats kiest bij advocaat M. MOSSELMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, A. Dansaertstraat
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Ludovic CAPELLE op 25 november 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing genomen op 18 november 2005 door de Disciplinaire Raad van de Vlaamse Gemeenschap, waarbij hem het verbod wordt opgelegd om deel te nemen aan enige sportmanifestatie en een georganiseerde voorbereiding gedurende een termijn van 18 maanden en hem een administratieve geldboete wordt opgelegd van 500 euro; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 28 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 december 2005, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van voorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaten J. MAESCHALCK en K. DE SAEDELEER, die verschijnen voor verzoeker, en van advocaat IX-5143-1/12 K. LARDENOIT, die loco advocaat M. MOSSELMANS, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Overwegende dat de feiten kunnen worden samengevat als volgt: 1.
  6. Verzoeker is professioneel wielrenner en neemt in die hoedanigheid op 7 juni 2005 deel aan een wielerwedstrijd te Gullegem. 1.
  7. De administratie “Medisch Verantwoord Sporten” had op 30 mei 2005 aan de controlearts Filip Parmentier de opdracht gegeven om over te gaan tot een dopingcontrole. Het opdrachtenblad vermeldt dat 10 monsters zullen worden genomen van bij lottrekking aan te duiden renners. 1.
  8. Verzoeker dient zich ter controle aan te melden. Het analysecertificaat van 23 juni 2005 geeft aan dat in het urinestaal van verzoeker de stof erythropoietine (EPO) is aangetroffen. De op vraag van de verzoeker uitgevoerde tegenanalyse is eveneens positief. 1.
  9. Op de zitting van 21 september 2005 van de disciplinaire commissie verklaart verzoeker geen verklaring te hebben voor de positieve analyses. Daarnaast stelt zijn raadsman dat hij vrijuit dient te gaan, niet alleen omwille van een aantal procedurele aspecten, maar hoofdzakelijk omdat de gevoerde EPO-test thans elke betrouwbaarheid zou ontberen. 1.
  10. Op 5 oktober 2005 legt de disciplinaire commissie aan verzoeker een verbod op om gedurende 18 maanden deel te nemen aan enige sportmanifestatie en hem daar op georganiseerde wijze op voor te bereiden. 1.
  11. Op 13 oktober 2005 stelt verzoeker een beroep in bij de disciplinaire raad. In de namens verzoeker ingediende conclusie worden niet alleen de argumenten uit de eerste aanleg hernomen, bovendien voert hij in eerste instantie aan dat de controlearts bij zijn optreden niet gehandeld heeft overeenkomstig de IX-5143-2/12 opdrachten uitgaande van het afdelingshoofd preventieve en sociale gezondheidszorg. Desbetreffend argumenteert verzoeker onder andere dat van een lottrekking nooit sprake is geweest. Ter ondersteuning van dit argument legt hij een verklaring voor van de organisator van de wielerwedstrijd te Gullegem. 1.
  12. De disciplinaire raad verwerpt op 18 november 2005 alle aangevoerde argumenten en middelen. Met betrekking tot het procedurele middel dat de dopingcontrole niet zou zijn gebeurd conform de gegevens van het opdrachtenblad, stelt de disciplinaire raad dat de verklaring niet uitsluit dat de controlearts de rugnummers bij lottrekking heeft aangeduid. Louter de omstandigheid dat dit niet werd opgemerkt, om welke reden ook, levert niet het bewijs op dat de controlearts niet heeft gehandeld overeenkomstig zijn opdracht.
  13. Overwegende dat luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  14. Overwegende dat verzoeker als eerste annulatiemiddel de schending aanvoert van artikel 69, § 1, § 2 en § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 oktober 1991 houdende uitvoering van het decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening, betreffende een manifeste beoordelingsfout (onjuiste motivering), betreffende de schending van het rechtszekerheidsbeginsel en de goede rechtsbedeling, betreffende de schending van artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna EVRM) en de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat hij het middel als volgt adstrueert : “De beslissing van de Disciplinaire Raad van de Vlaamse Gemeenschap van 18 november 2005 is behept met een manifeste beoordelingsfout en onjuiste motivering nu deze zonder meer vermeldt dat het bewijs van de afwezigheid van ‘lottrekking’ niet werd geleverd. Deze procedurele grief werd uitdrukkelijk en formeel ontwikkeld als eerste middel van nietigheid in de besluiten genomen voor verzoeker voor de Disciplinaire Raad : door het niet respecteren van de verschillende richtlijnen overeenkomstig de aan hem gegeven opdracht, heeft de controlearts overduidelijk zijn bevoegdheden overschreden, hetgeen leidt tot de nietigheid van de opgelegde sanctie. IX-5143-3/12 De verzoeker had nochtans, ter ondersteuning van zijn beroepsbesluiten, de verklaring van de genaamde Sonny Descamps, organisator van de wedstrijd van 7 juni 2005 te Gullegem, voorgebracht, waarin deze melding maakte van de materiële onmogelijkheid om een lottrekking te organiseren met het oog de te controleren sportbeoefenaars aan te duiden. De heer Descamps verklaart dat de controleartsen slechts ongeveer vijf minuten voor het einde van de wedstrijd ter hoogte van de aankomst zijn toegekomen en dat hij is ingestapt in hun voertuig teneinde hen tot bij de renners te brengen die zich ter hoogte van de vestiaires bevonden. Tijdens dit kort traject heeft hij de deelnemerslijsten overhandigd aan de controlearts. Eenmaal ter plaatse heeft hij, nog steeds in hun voertuig, een aantal blancoformulieren dienen te ondertekenen. De rugnummers van die renners die aan controle zouden worden onderworpen werden op deze blanco- formulieren ‘zonder enige vorm van lottrekking aangegeven’. De Disciplinaire Raad werpt op dat deze verklaring niet uitsluit dat de controlearts de rugnummers bij lottrekking heeft aangeduid. ‘De enkele omstandigheid dat de genaamde Descamps dit niet heeft opgemerkt om welke reden dit ook is geweest, levert ,niet het bewijs dat Dr. Parmentier niet heeft gehandeld conform zijn opdracht’. Gelet op het korte tijdsverloop tussen het ogenblik waarop de deelnemerslijst (met corresponderende rugnummers) werd overgemaakt en het ogenblik waarop deze formulieren, in bijzijn van de heer Descamps, vervolledigd werden met de rugnummers van de te controleren wielrenners is zeer duidelijk dat het materieel onmogelijk was dat een lottrekking overeenkomstig de reglementaire bepalingen zou hebben plaatsgevonden. Er dient hierbij opgemerkt te worden dat de heer Descamps op elk ogenblik in het voertuig van de controleurs aanwezig is geweest en dat aldus een lottrekking onmogelijk aan zijn aandacht zou zijn ontsnapt. De interpretatie die de Disciplinaire Raad aan de verklaring van de heer Descamps geeft miskent de draagwijdte van voormelde verklaring volledig en maakt een schending uit van de bewijslast. Immers van zodra verzoeker de geldigheid van de procedure betwistte nu hij de lottrekking in twijfel trok, hierin formeel gesteund door de verklaring van de heer Descamps, behoorde het aan de administratieve overheid aan te tonen dat de procedure wel degelijk regulier en reglementair werd gevolgd, wat zij echter tot op heden nalaat. Door te eisen van verzoeker dat hij in casu het negatief bewijs dient te leveren, wordt het beginsel van de goede rechtsbedeling manifest geschonden. De tuchtoverheid is gebonden door de zorgvuldigheidsplicht bij de feitenvinding, wat impliceert dat de tuchtoverheid zal moeten overgaan tot een getuigenverhoor om een zorgvuldig oordeel te kunnen vellen over het al dan niet bestaan van de feiten of hun tuchtrechtelijke kwalificatie. Indien het relaas van de betrokkene niet onwaarschijnlijk is en wordt ondersteund door een schriftelijke getuigenverklaring, zal het bestuur, om met kennis van zaken en met respect voor de rechten van verdediging een beslissing te nemen, getuigen moeten horen om aldus zo goed mogelijk het gedrag en de goede trouw van de betrokkene te kunnen evalueren (R.v.St. 4 maart 1997, nr. 64.967). Aldus is met afdoende zekerheid aangetoond dat de controle niet werd uitgevoerd volgens de bepalingen van het opdrachtenblad, dat de controle van 10 wielrenners voorzag aangeduid bij lottrekking. Door het niet naleven van de opdracht dewelke hem werd toevertrouwd op 30 mei 2005 door Dr. Dirk Dewolf, heeft de controlearts Parmentier artikel 69 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 23 oktober 1991 geschonden volgens hetwelk : ‘§
  15. De Administratie, het controlecomité of in voorkomend geval de sportvereniging wijst, bij middel van een opdrachtenblad, de controlearts aan, belast met de uitvoering van een dopingcontrole; §
  16. Het opdrachtenblad vermeldt volgende gegevens : IX-5143-4/12 (...) 8/ de wijze waarop de sportbeoefenaars, die zich moeten onderwerpen aan de dopingcontrole, worden aangewezen; (...) §
  17. De Vlaamse minister kan bijkomende vermeldingen opleggen en voorwaarden van opmaak van het opdrachtenblad vastleggen’. In casu had Dr. Dewolf, Dr. Parmentier aangesteld als controlearts en had hem uitdrukkelijk gelast met tien monsternemingen bij lottrekking. Ten overvloede wordt erkend dat er geen enkele appreciatiebevoegdheid in hoofde van de controlearts bestaat nu deze zich strikt aan de hem gegeven opdracht dient te houden. De afgenomen stalen zijn aldus met een nietigheid behept nu de controlearts zich heeft bezondigd aan bevoegdheids- en machtsoverschrijding. Nu de controleprocedure behept is met een nietigheid volgt hieruit logischerwijze dat de disciplinaire sanctie opgelegd aan verzoeker dient te worden vernietigd. De Disciplinaire Raad heeft zelf reeds, in een beslissing van 13 juli 2004 in een andere zaak (rolnummer 30138), geoordeeld dat de wettelijke verplichting om zich te onderwerpen aan een antidopingcontrole een uitzondering uitmaakt op het algemeen principe van de individuele vrijheid. Deze uitzondering, voorzien in het decreet, beoogt de volksgezondheid, zoals gestipuleerd in artikel 8 van het EVRM. Zij dient aldus strikt en restrictief te worden geïnterpreteerd gelet op de aantasting dewelke deze inhoudt op de privacy gegarandeerd door voormeld artikel
  18. De bevoegdheid van de controlearts in de selectie van de te controleren sportbeoefenaars vindt zijn enige rechtvaardiging in de opdracht dewelke hem werd toevertrouwd. De aanduiding van de te controleren renners behoort derhalve geenszins tot de arbitraire of discretionaire bevoegdheid van de controlearts. Het Besluit van de Vlaamse Regering van 23 oktober 1991 poneert ten andere dat het opdrachtenblad dient te vermelden : ‘de wijze waarop de sportbeoefenaars, die zich moeten onderwerpen aan de dopingcontrole, worden aangewezen (artikel 69, § 2, 8/). De rechtszekerheid wordt ontegensprekelijk totaal in het gedrang gebracht, wanneer de controlearts zijn opdracht te buiten gaat. Terzake heeft deze immers geen enkele controlebevoegdheid dan deze hem expliciet toegewezen. Dezelfde overwegingen dienen gevolgd te worden ten aanzien van verzoeker die aldus werd opgeroepen tot een antidopingcontrole aan dewelke hij niet kon worden onderworpen. De omstandigheid dat hij zich heeft aangeboden op de controle kan in geen enkel geval geïnterpreteerd worden als een verzaking aan diens rechten, nu verzoeker logischerwijze, op het ogenblik waarop hij werd opgeroepen, geen kennis had van de onregelmatigheid waarmee de procedure was behept. Een verzaking dient immers uitdrukkelijk te gebeuren of met zekerheid te blijken uit de omstandigheden. Om voormelde redenen kan er van enige verzaking dan ook geen sprake zijn. Nu de sanctie werd opgelegd ten gevolge van een controle die behept is met een manifeste nietigheid, is de sanctie zelf eveneens nietig.”; IX-5143-5/12 3.
  19. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : “Verzoeker voert aan dat de aanduiding van de 10 renners, waaronder verzoeker, voor de dopingcontrole uitgevoerd na de wielerwedstrijd te Gullegem op 6 juni 2005 niet bij lottrekking gebeurd is, zoals aangegeven op het opdrachtblad van de controlearts, Dr. Parmentier. Verzoeker voerde dit middel voor de eerste maal aan in de conclusie, neergelegd ter zitting van de disciplinaire raad van 4 november 2005, en steunt zijn beweringen op de geschreven verklaring van de organisator van de wielerwedstrijd, Dhr. Descamps. Deze laatste verklaarde dat hij de controlearts in zijn voertuig naar het controlepunt bracht en dat hij tijdens deze rit de deelnemerslijst aan de controlearts overhandigde (181 deelnemers). Vervolgens zou hij een aantal blanco oproepingsformulieren moeten ondertekenen hebben, waarna de controlearts de renners ‘zonder enige vorm van lottrekking’ op deze formulieren invulde. De disciplinaire raad antwoordde op dit middel in de bestreden beslissing op volgende wijze : ‘Deze verklaring sluit niet uit dat de controlearts de rugnummers bij lottrekking heeft aangeduid. De enkele omstandigheid dat de genaamde Descamps dit niet heeft opgemerkt, om welke reden dit ook is geweest, levert niet het bewijs dat dokter Parmentier niet heeft gehandeld overeenkomstig zijn opdracht’. Vooreerst dient inderdaad opgemerkt te worden dat het allerminst zeker is dat de organisator alle verrichtingen van de controlearts daadwerkelijk gezien heeft, zodat zijn verklaring geenszins genoegzaam bewijst dat de gecontroleerde renners niet bij lottrekking werden aangeduid. Bovendien heeft verzoeker zich schriftelijk akkoord verklaard met de gevolgde procedure van monsterneming, hetgeen volgt uit het door hem ondertekende PV (adm. dossier, stuk 3). Pas vijf maanden na de feiten wordt de gevolgde procedure plots betwist. Dit is allerminst redelijk. Verder wordt er noch in de besluiten van verzoeker voor de disciplinaire raad, noch in het inleidend verzoekschrift, ook maar iets gezegd over wat verzoeker dan wel verstaat onder ‘lottrekking’. Het is uiteraard materieel onmogelijk om een lottotrommel met 181 balletjes daarin te hanteren Wat onder lottrekking verstaan moet worden, is een selectie waarbij een element van toeval aanwezig is. In casu werden de renners die zich aan de dopingcontrole zouden moeten onderwerpen geselecteerd aan de hand van hun rugnummers, hetgeen ondersteund wordt door de verklaring van Dhr. Descamps. M.a.w., de controlearts heeft een aantal rugnummers geselecteerd zonder dat hij wist welke renner correspondeerde met een geselecteerd rugnummer. Deze procedure die door de controlearts gevolgd werd staat dan ook voldoende garant voor het vereiste toevalselement. De kritiek van verzoeker is dan ook geheel onterecht. De controlearts heeft zich nauwgezet aan zijn opdracht gehouden, wat ook door de disciplinaire raad werd vastgesteld. Het was dan ook niet nodig getuigen op te roepen, zoals verzoeker meent. Bovendien moet worden vastgesteld dat verzoeker dit ook nooit gevraagd heeft. Het middel is dan ook niet ernstig.”; 3.
  20. Overwegende dat artikel 69, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering houdende de uitvoering van het decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening, bepaalt dat de controlearts belast met de uitvoering IX-5143-6/12 van een dopingcontrole wordt aangewezen bij middel van een opdrachtenblad, welk opdrachtenblad bovendien dient te vermelden “de wijze waarop de sportbeoefenaars, die zich moeten onderwerpen aan de dopingcontrole, worden aangewezen”; dat het model van dat opdrachtenblad vastgesteld is bij ministerieel besluit van 2 juni 2002 houdende de bepaling van de formulieren die inzake medisch verantwoorde sportbeoefening gebruikt dienen te worden; dat dit formulier onder het kopje “Monsterneming” voorziet in vier mogelijke wijzen van aanduiding van de te controleren personen, namelijk :
  21. (een aantal) bij lottrekking;
  22. de eerste x sportbeoefenaars in de uitslag + (een aantal) bij lottrekking;
  23. (een aantal) ingeschreven sporters van elke ploeg bij lottrekking;
  24. (een aantal) na overleg met de afgevaardigde van de sportvereniging of de organisator; Overwegende dat te dezen het opdrachtenblad duidelijk vermeldt dat de te controleren personen zullen worden aangewezen bij lottrekking; dat in totaal tien monsternemingen zouden moeten worden uitgevoerd; dat de verzoekende partij in haar eerste middel betwist dat die lottrekking ook effectief zou zijn gebeurd; Overwegende dat de verwerende partij, de bestreden beslissing bijvallend, in wezen op het standpunt staat dat de wijze waarop de te controleren personen worden aangeduid, niet van zulk een fundamenteel belang is, maar dat het volstaat dat niet kan worden aangetoond dat de controleur bewust bepaalde wielrenners heeft aangewezen; dat daartegen staat, niet alleen dat de bescherming van de privacy van de betrokkenen in het geding is, doch ook elke vorm van mogelijke willekeur en zelfs de schijn daarvan moet worden uitgesloten; dat de op het opdrachtenblad vermelde wijzen van aanduiding bovendien de enige mogelijke zijn, wat inhoudt dat de controlearts zich strikt dient te houden aan de door de opdrachtgevende overheid of vereniging gekozen wijze van selectie; Overwegende dat uit geen enkel stuk blijkt dat de door de administratie voorgeschreven en te dezen opgelegde wijze van aanwijzing van de te controleren personen conform de aanduidingen op het opdrachtenblad gebeurd is; dat integendeel, uit de door verzoeker overgelegde verklaring blijkt dat daaromtrent de grootste onduidelijkheid bestaat; dat punt 4 van die verklaring de naleving van de vermelding op het opdrachtenblad zelfs tegenspreekt; dat voorts de “verklaring (in te vullen door de sportbeoefenaar, de persoonlijke arts en de controlearts)” zoals die IX-5143-7/12 vermeld wordt op het proces-verbaal van monsterneming bij een dopingcontrole en waarin bij wijze van standaardformulering te lezen staat dat er een akkoordverklaring met de gevolgde procedure van monsterneming is, voor de gecontroleerd sporter nietszeggend is, omdat hij op dat ogenblik niet in staat is om de correctheid van een aantal van die procedurestappen te verifiëren; dat hem immers geen kennis is gegeven van het opdrachtenblad en de vermeldingen ervan, aangezien het luidens de bewoordingen van artikel 72 van het besluit van 23 oktober 1991 wordt opgemaakt in drie exemplaren: één voor de controlearts, één voor de instantie die de controle beveelt en één voor de administratie; Overwegende dat de bestreden beslissing aan de voormelde gegevens voorbijgaat; dat de overweging dat de gegeven verklaring niet uitsluit dat de controlearts de rugnummers bij lottrekking heeft aangeduid, er voor de verzoeker op het eerste gezicht op neerkomt, zoals hij terecht stelt, dat hij het bewijs dient te leveren dat geen lottrekking heeft plaatsgehad; dat daarbij nog de reeds gemaakte vaststelling komt dat hij over de wijze van aanduiding niet is ingelicht; dat de voorlegging van de bewuste verklaring op zijn minst geïnterpreteerd diende te worden als een begin van bewijs waaraan de verwerende partij niet zonder meer kon voorbijgaan; dat de disciplinaire raad en de verwerende partij zich overigens niet beroepen op de bewijskracht van een verslag van de controleur hetwelk zou hebben vastgesteld dat er wel een lottrekking is geweest; dat uit de weerlegging door de disciplinaire raad van het middel op het eerste gezicht zelfs afgeleid zou kunnen worden dat hij zelf niet weet of de op het opdrachtenblad vermelde instructies correct werden nageleefd; Overwegende, ten slotte, dat het positief bevonden worden bij een antidopingcontrole voor de betrokken sporter, zoals te dezen, gevolgen kan hebben welke die van het strafrecht benaderen; dat in die materies dan ook een exacte feitenvinding essentieel is; dat prima facie met verzoeker moet worden aangenomen dat op dit punt niet met de nodige zorgvuldigheid is te werk gegaan; dat mitsdien een overweging “dat de verklaring niet uitsluit dat de controlearts de rugnummers bij lottrekking heeft aangeduid” niet volstaat, maar voor de verwerende partij het bewijs van dat feit geleverd had moeten worden, hetgeen nu niet het geval was; dat het eerste middel ernstig is; IX-5143-8/12 4.
  25. Overwegende dat verzoeker ten aanzien van de voorwaarden van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel en van de uiterst dringende noodzakelijkheid aanvoert : “
  26. Ernstig en moeilijk te herstellen nadeel. Verzoeker heeft de leeftijd van 29 jaar, is professioneel wielrenner, Belgisch kampioen in 2001 en Belgisch vice-kampioen in
  27. Momenteel heeft hij een arbeidscontract van betaald sportbeoefenaar met het team Landbouwkrediet-Colnago. Ten gevolge van de bekendmaking van een positieve controle, heeft de ploeg bij schrijven van 22 september 2005 beslist verzoeker te verbieden aan welke wedstrijd ook nog deel te nemen tot op het ogenblik dat meer informatie zou worden verstrekt. Tevens werd hem gemeld dat, indien dat hem ten laste gelegde feiten zouden worden bewezen geacht, dit schrijven zou gelden als C4 wegens dringende reden ‘meerbepaald een ontslag dat ingaat op dezelfde dag zonder enige vergoeding’. Verzoeker is op heden aldus virtueel ontslagen wegens dringende reden. Hij wordt op heden dan ook geconfronteerd met onbetwistbare en onmiddellijke schade in termen van zijn sportieve reputatie, nu de hem opgelegde sanctie hem erkend als schuldig aan dopinggebruik, wat verzoeker echter steeds met de meeste klem heeft betwist. De uitvoering van de sanctie leidt ten andere eveneens tot belangrijke financiële schade alsook en vooral tot een verlies van palmares en sportieve prestaties, die onmogelijk te herstellen zijn bij equivalent. Deze nadelen zijn ernstig : zij krenken verzoeker in het hart van zijn professionele bezigheid, die hij gedurende 18 maanden niet kan uitoefenen en die ook nadien de invloed zal ondervinden van de schorsing. Het uitoefenen van zijn beroep wordt hem totaal onmogelijk gemaakt en dit voor een periode langer dan deze van de schorsing. Deze nadelen zijn niet te herstellen. Waar het financiële nadeel in regel hersteld kan worden door een nakomende schadevergoeding, kan dit niet gelden indien het financiële nadeel erin bestaat dat verzoeker zijn broodwinning niet meer kan uitoefenen. Daarenboven kunnen de nadelen die bestaan uit het verminderde palmares en de verminderde conditie en ervaring, onmogelijk nadien worden hersteld. Een vernietigingsarrest dat pas na enige tijd tussenkomt, kan al evenmin de gevolgen van het morele nadeel ongedaan maken. De Raad van State aanvaarde reeds eerder dat een nakomende vernietiging de schade van een sportbeoefenaar niet ongedaan kan maken, omdat een annulatiearrest onvermijdelijk na de schorsingsperiode van 24 maanden zou komen en verzoeker gedurende twee jaar zijn geprefereerde sport, en zelfs andere sporttakken, niet zal kunnen beoefenen, zich onvoldoende zal kunnen voorbereiden en vervolmaken, en aldus een ‘genotschade’ zal lijden, die op geen enkele wijze in natura zal kunnen worden hersteld. Zij oordeelde verder dat een gebeurlijke schadevergoeding na een eventueel vernietigingsarrest zeer moeilijk te begroten zal zijn - hierbij de problematiek inzake de zogenaamde ‘préjudice d’agrément’ bij lichamelijke schade na ongeval indachtig - en nooit het moreel en psychologisch leed dat verzoeker heeft ondergaan op adequate wijze zal kunnen herstellen (Zie R.v.St. 4 maart 1997, nr. 64.967). (...)
  28. Uiterst dringende noodzakelijkheid. De aan verzoeker opgelegde sanctie voor dopinggebruik, neemt thans, volgens de uitspraak in graad van beroep, aanvang op 1 december
  29. IX-5143-9/12 Verzoeker heeft steeds formeel en met de meeste klem de feiten die hem ten laste worden gelegd betwist. De litigieuze sanctie, die hem schuldig verklaart aan het gebruik van EPO en hem een schorsing oplegt van 18 maanden, veroorzaakt aldus onbetwistbaar morele schade en onmiddellijke schade in termen van zijn sportieve reputatie, nu het van kapitaal belang is, teneinde zijn carrière te vrijwaren, de schorsing van de opgelegde sanctie te bekomen bij hoogdringendheid, voor zij in werking kan treden. Buiten de onmiddellijk morele schade, die zal toegebracht worden aan zijn reputatie en eer, is tevens duidelijk dat de opgelegde sanctie eveneens verzoeker zou beletten zijn beroep uit te oefenen vanaf 1 december
  30. Op deze wijzen is het hem ten andere eveneens onmogelijk deel te nemen aan de voorbereidingsprogramma’s in het voorseizoen, waardoor er schade wordt aangebracht aan zijn sportieve capaciteiten en zijn carrière in het algemeen. Rekening houdend met de bewoordingen in het schrijven van zijn ploeg van 22 september 2005, gaat het eveneens - door de schorsing omwille van de hoogdringendheid - om het veilig stellen van de kansen van verzoeker om zijn huidige werkgever te behouden, dan wel een nieuwe te zoeken. Zulks is quasi onmogelijk in de wielerwereld in gevallen van veroordelingen wegens dopinggebruik. Er is dan ook hoogdringendheid om de bestreden sanctie te schorsen. Verzoeker onderstreept dat hij alle naarstigheid in acht heeft genomen teneinde de Raad van State te vatten, nu de beslissing waarin de sanctie wordt opgelegd dateert van 18 november 2005 en hem slechts werd betekend op 21 november
  31. Verzoeker heeft onmiddellijk met de vereiste spoed, diligentie en alertheid een vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend. De gewone schorsingsprocedure zou ontegensprekelijk ontoereikend zijn en onherroepelijk te laat komen om nog enig nuttig effect te sorteren. Het verbod om gedurende 18 maanden zijn beroep uit te oefenen zou immers de facto reeds zijn uitgevoerd. Een schorsing die pas zou tussenkomen na verloop van een gewone schorsingsprocedure zou onmiskenbaar te laat komen omdat het aangevoerde nadeel dan al gerealiseerd zou zijn en niet meer hersteld kan worden. Nu verzoeker zelf het voorwerp uitmaakt van de bestreden beslissing en hij hierdoor dreigt zijn beroep gedurende 18 maanden niet meer te kunnen uitoefenen alsmede de overige reeds vermelde nadelen, is op voldoende wijze aangetoond dat verzoeker voldoende belang heeft bij het instellen van huidig verzoek. De ontvankelijkheid van huidig verzoekschrift kan derhalve niet redelijk worden betwist daar de bestreden beslissing zondermeer verzoeker ernstig nadeel toebrengt en zij aldus alle belang heeft bij de schorsing door de Raad van State wegens uiterst dringende noodzakelijkheid van de ten onrechte genomen beslissing.”; 4.
  32. Overwegende dat de bestreden beslissing verzoeker niet enkel verbiedt deel te nemen aan wielerwedstrijden maar ook alle georganiseerde sportmanifestaties en georganiseerde voorbereidingen; dat ofschoon het gewone wielerseizoen normaal het voorjaar en de zomer omvat, wielrenners zich ook tijdens de wintermaanden georganiseerd voorbereiden op het komende wielerseizoen; dat verzoeker aldus verhinderd wordt dat laatste te doen, niet alleen niet het oog op het komende seizoen, IX-5143-10/12 doch ook voor het seizoen daaropvolgend; dat het als voldoende waarschijnlijk voorkomt dat het opgelegde verbod een zware hypotheek legt op de komende wielerseizoenen van verzoeker en meteen op het verdere verloop van zijn professionele sportloopbaan; dat een eventuele annulatie van de bestreden beslissing na een vernietigingsprocedure dat nadeel niet zal kunnen goedmaken; dat de verwerende partij zulks overigens niet betwist; dat het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel voldoende is aangetoond; Overwegende dat verzoeker eveneens dient te worden bijgevallen waar hij stelt dat ook een gewone schorsing niet kan volstaan, althans niet voor het komende seizoen; dat, immers, redelijkerwijze kan worden gesteld dat de uitspraak na een dergelijke procedure pas zal plaats hebben nadat de periode van voorbereiding op het komend wielerseizoen al voor een groot deel verstreken zal zijn; dat verzoeker hierbij ook terecht wijst op het feit dat hij “virtueel ontslagen” is; dat ook de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid vervuld is, wat evenmin door de verwerende partij wordt betwist, BESLUIT: Artikel
  33. Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing genomen op 18 november 2005 door de Disciplinaire Raad van de Vlaamse Gemeenschap, waarbij Ludovic CAPELLE het verbod wordt opgelegd om deel te nemen aan enige sportmanifestatie en een georganiseerde voorbereiding gedurende een termijn van 18 maanden en hem een administratieve geldboete wordt opgelegd van 500 euro. Artikel
  34. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. IX-5143-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf december 2000 en vijf, door : de H. J. DE BRABANDERE, voorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-5143-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.523 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.934 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.