← België

Arrest 152525 - - 12/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.525 Rolnummer: A. 165402/IX-5013 Zaak: Arrest 152525 - - 12/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-18 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 06:26 Fiche Arrest nr 152.525 van 12 december 2005 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.525 van 12 december 2005 in de zaak A. 165.402/IX-5013. In zake : Hendrik VAN DER VENNET, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te MARIAKERKE, Mazestraat 16 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat 47. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Hendrik VAN DER VENNET op 24 augustus 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van de hem met een brief van 29 juni 2005 medegedeelde beslissing van de directeur van de directie van de recrutering en van de selectie van de federale politie waarbij zijn kandidatuur voor het ambt van inspecteur van politie niet aanvaard wordt om reden dat de selectiecommissie, wegens het momenteel niet-voldoen aan het vereiste profiel, hem ongeschikt bevonden heeft voor dat ambt; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 12 oktober 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 7 november 2005; IX-5013-1/12 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur P. VERHEYDEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Blijkens een door de verwerende partij neergelegd attest van 7 september 2005 van de politiezone Gent was verzoeker in dienst bij de lokale politie van Gent sinds 1 september 2002 op basis van een arbeidscontract, en is dat contract per 31 oktober 2004 door de gemeenteraad beëindigd. Volgens de verklaring van de verwerende partij in haar nota met opmerkingen is verzoeker ontslagen omwille van zijn betrokkenheid “in een gerechtelijk en een tuchtrechtelijk onderzoek”. 1.2. Met een brief van 27 april 2004 deelt de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie aan verzoeker mee dat hij slaagde voor het geheel der selectieproeven in het kader van zijn kandidatuur als inspecteur bij de geïntegreerde politie en dat hij, in functie van de beschikbaarheden per politieschool, de mogelijkheid zou krijgen zijn opleiding te volgen in het opleidingscentrum van zijn keuze. Op dezelfde datum wordt een attest terzake afgeleverd, dat een geldigheidsduur heeft van drie jaar. 1.3. Met een brief van 23 augustus 2004 nodigt de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie verzoeker uit om op 4 oktober 2004 de opleiding van inspecteur bij de geïntegreerde politie aan te vangen. IX-5013-2/12 1.4. Met een brief van 23 september 2004 deelt de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie aan verzoeker mee wat volgt : “Betreft : uw kandidatuur bij de geïntegreerde politie - intrekking uitnodiging tot aanvang opleiding. Artikel IV.I.15, alinea 2 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten en de artikels IV.14 tot IV.21 van het ministerieel besluit tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 hebben betrekking op het onderzoek van de omgeving en de antecedenten. Op 09-09-2004 werden we, door de lokale politie Gent, in kennis gesteld dat u heden betrokken bent in een gerechtelijk en tuchtrechtelijk onderzoek. Ingevolge de toepassing van artikel IV.II.46 van hogervermeld koninklijk besluit zal u de basisopleiding tot inspecteur slechts kunnen aanvangen nadat de lopende onderzoeken zijn afgehandeld en een bijkomend onderzoek is ingesteld door de selectiecommissie. In afwachting blijft u opgenomen op de lijst van de wervingsreserve der kandidaten aspirant-inspecteur.” 1.5.1. Met een brief van 9 juni 2005 nodigt de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie verzoeker uit voor een selectiegesprek met de selectiecommissie. 1.5.2. Op een onbekende datum beslist de selectiecommissie met unanimiteit van stemmen dat verzoeker ongeschikt is. De verwerende partij legt een met de hand geschreven motivering van die beslissing voor. De handgeschreven motivering van die beslissing luidt als volgt : “Motivering + : voldoende algemene ontwikkeling, volgt actualiteit. - : praat minder vlot (haperend), motivatie ([?] werk en loon, weigert [?] in Brussel omdat momenteel bij Volvo hij meer verdient), bekent geen schuld (weigert opschorting van de uitspraak van veroordeling), normvervaging (‘daar ik niet kon vervolgd worden, weigerde ik te betalen voor parking’), minimaliseert de feiten van [?] jetons, moeite met erkenning van zijn fouten (legt systematisch klacht neer), geeft toe flagrant gelogen te hebben tijdens ondervraging intern toezicht, onvoldoende integriteit, star, niet voorbereid, beperkte beroepskennis.” 1.6. Met een brief van 29 juni 2005 deelt de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie aan verzoeker mee wat volgt : IX-5013-3/12 “Betreft : Uw kandidatuur als inspecteur bij de politie Mijnheer Het spijt me u te melden dat uw kandidatuur als inspecteur niet weerhouden werd. Tengevolge het gesprek met de selectiecommissie van 24-6-05 werd vastgesteld dat u momenteel niet beantwoordt aan het vereiste profiel voor een kandidaat inspecteur. Volgens het K.B. van 30 maart 2001, Art. IV.I.5, hebt u de mogelijkheid om maximum 3 maal aan deze proef deel te nemen. De wachttijd tussen een mislukking en een nieuwe kandidatuur is bepaald op 1 jaar. Art. IV.I.29 van het zelfde K.B. bepaalt dat wanneer u opnieuw wenst deel te nemen, binnen de 2 jaar volgend op deze kennisgeving, je een vrijstelling kan krijgen voor de selectieproeven waarvoor je geslaagd was. Indien u meer gegevens wenst omtrent uw resultaat, staat het u vrij schriftelijk te solliciteren tot 3 maand na de bovenvermelde datum van deze kennisgeving. Feedback wordt gegeven op woensdag van 08.00 tot 16.00 uur. Wij nemen zo spoedig mogelijk contact met u op. Mogen wij wel vragen in uw schrijven het telefoonnummer en het tijdstip te vermelden waarop u op woensdag bereikbaar bent. Deze beslissing kan het voorwerp uitmaken van een beroep tot nietig- verklaring bij de Raad van State. (...).” De in dit schrijven neergelegde beslissingen enerzijds van de directeur van de recrutering en van de selectie om de kandidatuur van verzoeker niet te weerhouden en anderzijds van de selectiecommissie waarbij hij ongeschikt wordt bevonden, vormen het voorwerp van de onderhavige vordering. 2. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker uiteenzet dat de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit hem een moreel en een materieel nadeel berokkent; dat hij een moreel nadeel ontwaart in het feit dat hij welbewust gekozen heeft voor een tewerkstelling bij de politie, maar dat zijn kansen op dergelijke tewerkstelling nu sterk gefnuikt worden doordat hij met name reeds eenmaal niet geslaagd is verklaard in de selectieprocedure terwijl hij volgens de reglementering slechts drie kansen heeft en doordat hij volgens diezelfde reglementering niet vóór 29 juni 2006 voor een nieuwe selectieprocedure inge- schreven kan worden, terwijl hij sinds 27 april 2005 beschikt over een attest dat hij de selectieproeven met succes afgelegd heeft; dat hij betoogt dat, zo hij een IX-5013-4/12 annulatiearrest moet afwachten, reeds lang een andere baan gevonden zal hebben en dat bijgevolg alleen een schorsing hem in de mogelijkheid kan stellen om op korte termijn de opleiding aan te vatten; dat hij ook van oordeel is dat, in zoverre de rechtspraak stelt dat een moreel nadeel door een vernietigingsarrest wordt goedgemaakt, in dit geval de onwettigheid die hij aanklaagt toch flagrant is; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij daar in haar nota met opmerkingen op antwoordt dat een hypothetisch of onzeker nadeel geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel is, dat het verlies van een kans dat evenmin is en dat het nadeel dat te wijten is aan de duur van een annulatieprocedure niet betrokken wordt bij de beoordeling van het nadeel; dat zij ook stelt dat verzoeker, ingeval van schorsing, nog niet tot de opleiding toegelaten kan worden -volgens haar is de vordering zelfs onontvankelijk omdat op 23 september 2004 besloten is dat verzoeker de opleiding slechts zal mogen aanvangen na het beëindigen van de gerechtelijke onderzoeken en nadat een bijkomend onderzoek ingesteld is door de selectiecommissie- zodat de schorsing onmogelijk het beoogde doel kan verwezen- lijken; 3.3.1. Overwegende dat het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna : RPPol) voorziet in de mogelijkheid om drie keer aan de selectieproeven deel te nemen (artikel IV.I.5,3/); dat buiten betwisting staat dat het bestreden besluit betrekking heeft op een eerste mislukking; dat, bekeken vanuit het oogpunt van de mogelijkheid om bij de politie in dienst te treden, het nadeel niet ernstig is; Overwegende dat de omstandigheid dat verzoeker niet in dienst kan treden zonder met gunstig gevolg de selectieproeven doorlopen te hebben, een nadeel is dat elke kandidaat ondervindt die mislukt in een examen; dat verzoeker het uitstel van de indiensttreding tot aan het welslagen in een volgende selectieprocedure op zich niet als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aanwijst, maar wel het wachten op een annulatiearrest; dat de duur van een annulatieprocedure in beginsel niet betrokken wordt bij de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel; 3.3.2. Overwegende dat in dit geval de zaak wel bijzonder is, in die zin dat buiten betwisting staat dat verzoeker reeds door de selectiecommissie geschikt werd verklaard en dat hij zelfs reeds uitgenodigd werd om op een bepaalde datum -4 oktober 2004- de opleiding aan te vangen, om vervolgens te moeten vernemen dat IX-5013-5/12 die uitnodiging ingetrokken werd en hij een “bijkomend onderzoek door de selectiecommissie” zou moeten ondergaan; dat, inzonderheid wanneer vastgesteld zou moeten worden dat de verwerende partij op grond van de bestaande reglementen geen reden had om, met de gegevens waarover zij beschikte, verzoeker aan een bijkomende selectieproef te onderwerpen -wat verzoeker in het eerste middel aanvoert-, het niet verantwoord is verzoeker langer dan strikt nodig op een uitspraak te doen wachten, al was het maar om hem aldus niet nodeloos te dwingen tot deelname aan een nieuwe selectie waarvan na een annulatiearrest misschien zelfs kan blijken dat zij nutteloos is geweest; dat gewis de schorsing van het bestreden besluit op grond van de vaststelling dat de verwerende partij verzoeker niet regelmatig aan een bijkomende selectieproef onderworpen heeft, niet betekent dat de verwerende partij de absolute verplichting heeft om verzoeker tot de opleiding toe te laten, maar dat de schorsing verzoeker -voorlopig, in afwachting van een annulatiearrest- toch opnieuw in de positie plaatst van een geslaagde kandidaat die wacht op de aanvang van zijn opleiding, welke dan nog enkel tegengehouden wordt door een gerechtelijk en een tuchtonderzoek; Overwegende dat de verwerende partij wel aanvoert dat de schorsing van het bestreden besluit verzoeker geen voordeel kan bezorgen omdat hem reeds vroeger was medegedeeld dat hij een bijkomend selectieonderzoek diende te ondergaan -zij acht daarom de vordering zelfs onontvankelijk-; dat evenwel, zo verzoeker er alsnog in slaagt vastgesteld te zien dat hij ten onrechte aan een bijkomende selectieproef onderworpen werd -wat onderzocht wordt bij de bespreking van het eerste middel-, de desbetreffende beslissing van 23 september 2004, wat dat punt betreft geen rechtskracht meer heeft en, vanuit dat oogpunt, verzoeker opnieuw uitzicht krijgt op de aanvang van zijn opleiding; 3.3.3. Overwegende dat, gelet op de bijzondere gegevens van de onderhavige zaak, wordt aangenomen dat aan de tweede schorsingsvoorwaarde voldaan is; 4.1. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel aanvoert dat de bestreden beslissing geen deugdelijke juridische basis heeft, aangezien zij de artikelen IV.I.4, 3/, IV.I.15, lid 2 en IV.II.46 RPPol miskent; dat hij betoogt dat artikel IV.II.46 RPPol de mogelijkheid biedt om aan de selectiecommissie een bijkomend onderzoek te vragen ten aanzien van de in artikel IV.I.15, lid 1, 2/ en 3/, bepaalde vereisten wanneer daar ingevolge het tijdsverloop tussen de opname in de wervings- IX-5013-6/12 reserve en de nakende toelating tot de basisopleiding aanwijzingen voor bestaan, dat in zijn geval er geen sprake meer was van een “nakende” toelating aangezien hij reeds toegelaten was en dat overigens artikel IV.II.46 “slaat op een onderzoek m.b.t. de in artikel IV.I.15. eerste lid, 2/ en 3/ bepaalde vereisten”, dit is ofwel de persoonlijk- heidsproef ofwel de fysiek-medische geschiktheidsproef; dat hij laatstvermeld aspect van het middel als volgt verduidelijkt: de “aanwijzingen” waarover artikel IV.II.46 RPPol het heeft, moeten in verband staan met de proeven vermeld in artikel IV.I.15, lid 1, 2/ of 3/, en niet met de vraag of de betrokkene voldoet aan artikel IV.I.15, lid 2, RPPol, waarin verwezen wordt naar de vereiste bepaald in artikel IV.I.4, 3/ RPPol, zijnde de toelatingsvoorwaarde van “van onberispelijk gedrag (

  1. te)zijn”; in dit geval vormen de aanwijzingen die door de overheid naar voren worden geschoven ter ondersteuning van het bijkomend selectieonderzoek “een kennisgeving door de lokale politie Gent dat verzoeker betrokken is in een gerechtelijk en tuchtrechtelijk onderzoek” en als zodanig linkt het bestuur de aanwijzingen aan het onderzoek van het onberispelijk gedrag van verzoeker en heeft het als uitgangspunt voor het nieuwe selectieonderzoek artikel IV.I.15, lid 2, genomen; de vraag naar het onberispelijk gedrag is aan de orde op het ogenblik van de organisatie van de proeven, maar verzoeker voldeed daaraan aangezien hij over een attest beschikt dat hij de proeven succesvol heeft afgesloten; in die zin beschikt de bestreden beslissing over geen “wetttelijke juridische basis”; Overwegende dat, daarbij aansluitend, verzoeker in het derde middel ook de schending van de materiële motiveringsverplichting aan de orde stelt, onder meer in die zin dat van de verwerende partij verwacht mocht worden dat zij aanduidt op grond van welke redenen zij tot het besluit is kunnen komen dat hij, na in het kader van een “reguliere selectie door deskundigen” geschikt te zijn bevonden, in het licht van artikel IV.II.46 RPPol -met name ten aanzien van de criteria “persoonlijkheidsproef en/of fysiek-medische geschiktheidsproef”- dan toch niet langer geschikt zou zijn en een bijkomend onderzoek zou moeten ondergaan; 4.2. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat het eerste middel niet ontvankelijk is, aangezien het geen betrekking heeft op het bestreden besluit maar op de beslissing van 23 september 2004, dat die beslissing met een annulatieberoep bestreden kon worden maar dat verzoeker zulks niet gedaan heeft zodat zij definitief geworden is en verzoeker zich derhalve, wegens zijn onzorgvuldigheid, nu bij de Raad van State niet kan beklagen over de miskenning van zijn rechten; dat zij, ondergeschikt, betoogt dat verzoeker nog niet effectief IX-5013-7/12 toegelaten was tot de basisopleiding toen hem werd medegedeeld dat er een bijkomend onderzoek ingesteld zou worden en dat artikel IV.II.46 RPPol bepaalt dat in het geval van een heronderzoek door de selectiecommissie, de artikelen IV.I.15 tot IV.I.17 RPPol van toepassing zijn en dat artikel IV.I.17 bepaalt dat de selectie- commissie een kandidaat geschikt of ongeschikt verklaart “op grond van artikel IV.I.15, lid 1, 1/ tot 4/ en het punt 4/ een selectiegesprek (betreft)”; Overwegende dat de verwerende partij op het derde middel antwoordt dat aan verzoeker medegedeeld is dat hij de mogelijkheid had om bijkomende inlichtingen in te winnen over zijn uitslag, maar dat hij dat niet gedaan heeft; 4.3.1.1. Overwegende, wat de ontvankelijkheid van het middel betreft, dat verzoeker betwist dat de verwerende partij een deugdelijke basis had om hem tot het afleggen van een bijkomende selectieproef te dwingen; dat hij de beslissing waarbij de verwerende partij verzoeker gedwongen heeft een bijkomende selectieproef af te leggen niet in het voorwerp van de onderhavige vordering, die enkel strekt tot de schorsing van zijn resultaat voor de bijkomende proef en de daaruit voortvloeiende weigering om hem tot de opleiding toe te laten, begrepen heeft; dat dan de vraag rijst of het definitief worden van dat besluit niet belet dat verzoeker de onwettigheid van die beslissing van 23 september 2004 thans nog kan inroepen om de onwettigheid van zijn uitslag aan te tonen; 4.3.1.2. Overwegende gewis dat op 23 september 2004, met de uit- drukkelijke verwijzing naar artikel IV.I.15, lid 2 RPPol, aan verzoeker medegedeeld is dat uit inlichtingen verkregen van de politie te Gent gebleken was dat verzoeker op dat ogenblik betrokken was in een gerechtelijk en tuchtrechtelijk onderzoek en dat hij, overeenkomstig artikel IV.II.46 RPPol, zijn basisopleiding slechts zou mogen aanvangen na de beëindiging van die onderzoeken en na afloop van “een bijkomend onderzoek ingesteld door de selectiecommissie”; dat met die individuele beslissing de verwerende partij de rechtstoestand van verzoeker gewijzigd heeft, inzonderheid waar zij het starten van de opleiding van verzoeker afhankelijk maakte van (het slagen
  2. in)een bijkomende proef voor de selectiecommissie; dat deze mededeling duidelijk het standpunt van de verwerende partij weergeeft, zodat het hem mogelijk was er met kennis van zaken een annulatieberoep tegen in te stellen; dat verzoeker dat niet gedaan heeft; IX-5013-8/12 Overwegende evenwel dat de verwerende partij harerzijds het bewijs niet voorlegt dat bij de kennisgeving van de beslissing verzoeker attent gemaakt werd op artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat, zoals de Raad van State in het arrest nr. 134.024 van 19 juli 2004 inzake LECOCQ gesteld heeft, die omissie met betrekking tot een voorschrift dat de openbare orde raakt, tot gevolg heeft dat de termijn om tegen dat besluit in beroep te komen niet aangevangen is, zonder dat daarbij onderzocht moet worden of, in casu, er naar redelijkheid aan verzoeker geen tekortkomingen verweten kunnen worden; dat daaruit volgt dat, voor de vaststelling van de rechtstoestand van verzoeker, het besluit van 23 september 2004 geen definitieve plaats in het rechtsverkeer verworven heeft; 4.3.1.3. Overwegende dat verzoeker de onregelmatigheid van het besluit waarbij hij tot een bijkomende selectieproef gedwongen wordt kan aangrijpen om de onwettigheid aan te tonen van het besluit dat daarin zijn noodzakelijke juridische grondslag vindt; dat het middel ontvankelijk wordt aangevoerd; 4.3.2.1. Overwegende, wat de grond van de zaak betreft, dat artikel IV.II.46 RPPol bepaalt : “Zo daar, ingevolge het tijdsverloop tussen de opname in de wervingsreserve en de nakende toelating tot de basisopleiding, aanwijzingen toe zijn, kan de (...) commissaris-generaal (...), de betrokken selectiecommissie om een bijkomend onderzoek verzoeken met betrekking tot de in artikel IV.I.15, eerste lid, 2/ en 3/ bepaalde vereisten. In dat geval zijn de artikelen IV.I.15 tot en met IV.I.17 van toepassing”; Overwegende dat artikel IV.I.15 bepaalt wat volgt : “De selectieprocedure bedoeld in deze afdeling omvat: 1/ een proef die toelaat de cognitieve vaardigheden te beoordelen; 2/ een persoonlijkheidsproef met aan het ambt aangepaste selectietechnieken; 3/ een fysiek-medische geschiktheidsproef met onderzoek van beide componenten in relatie tot het ambt; 4/ een selectiegesprek met de betrokken selectiecommissie waarna een eindevaluatie wordt uitgebracht. De kandidaat maakt eveneens het voorwerp uit van een onderzoek met het oog op het nagaan of de vereiste bepaald in artikel IV.I.4,3/, vervuld is.”; Overwegende dat artikel IV.I.4,3/, in het kader van de toelatings- voorwaarden voor de opleiding, bepaalt dat de kandidaat “van onberispelijk gedrag (moet) zijn”; dat die voorwaarde, welke vervuld moet zijn “op de datum waarop hij IX-5013-9/12 aan de selectieproeven deelneemt” en bewezen wordt met “een bewijs van goed zedelijk gedrag dat minder dan drie maanden oud is op de datum van de kandidaat- stelling” (artikel IV.I.6), ter beoordeling staat van de “directeur van de directie van de recrutering en de selectie (...), overeenkomstig de richtlijnen van de minister” (artikel IV.I.18), met de mogelijkheid van administratief beroep (artikel IV.I.19); 4.3.2.2. Overwegende aldus dat het RPPol een verschillende regeling instelt voor de beoordeling van het onberispelijk gedrag van de kandidaten en voor de beoordeling van de eigenlijke selectieproeven en dat uit artikel IV.I.15, IV.I.17 en IV.I.18 RPPol volgt dat de selectiecommissie geen bevoegdheid heeft ten aanzien van de controle van het onberispelijk gedrag van de kandidaat; dat, met dat gegeven voor ogen, de “aanwijzingen” die overeenkomstig artikel IV.II.46 RPPol een bijkomend onderzoek vanwege de selectiecommissie rechtvaardigen, evident verband moeten houden met de aangelegenheden waarvoor de selectiecommissie bevoegd is; dat een nieuw gegeven dat relevant kan zijn in het kader van de appreciatie van de “omgeving en antecedenten” -de vraag of de kandidaat van onberispelijk gedrag is- niets te maken heeft met het onderzoek van de persoonlijkheid van de betrokkene - zeker niet met zijn fysieke en medische geschiktheid- en dat dergelijk gegeven dan ook geen reden kan zijn om de betrokkene aan een nieuw persoonlijkheidsonderzoek te onderwerpen; dat wel bedacht kan worden dat bepaalde gegevens, hoewel zij op zich de beoordeling van het onberispelijk karakter van de kandidaat betreffen - bijvoorbeeld een relaas van feiten waaraan de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt-, een invloed kunnen hebben op de beoordeling van de persoonlijkheid van de betrokkene -een van de beoordelingsitems die in de bijlage 4 bij het ministerieel besluit van 28 december 2001 tot uitvoering van het RPPol opgesomd zijn betreft immers “de integriteit”- maar dat zulks, in acht genomen dat de kandidaat in de eigenlijke selectie ook op het vlak van zijn persoonlijkheid reeds geschikt was bevonden, niet wettig kan gebeuren dan op grond van een bijzondere motivering waarmee aangetoond wordt dat deze feiten het tegenbewijs bevatten van het eerste oordeel van de selectiecommissie; 4.3.2.3. Overwegende in dit geval, dat de verwerende partij in de brief van 23 september 2004 aan verzoeker medegedeeld heeft dat zij, in het kader van het onderzoek van de omgeving en de antecedenten -dus voor de toepassing van artikel IV.I.15, lid 2- in kennis was gesteld van een gerechtelijk en een tuchtonderzoek tegen hem en dat hij, volgens het voorschrift van artikel IV.II.46 RPPol, de opleiding slechts zal kunnen aanvangen na de afhandeling van de lopende onderzoeken en een IX-5013-10/12 bijkomend onderzoek door de selectiecommissie; dat aldus de verwerende partij op grond van bezwaren die rechtstreeks betrekking hebben op de vraag naar het onberispelijk gedrag van de kandidaat, verzoeker verplicht om de selectieprocedure opnieuw te doorlopen; dat dergelijke beslissing niet kadert in de voorwaarden waarin artikel IV.II.46 RPPol aan het bestuur toelaat de selectieprocedure weer te openen; dat in ieder geval, aangenomen dat de verwerende partij uit de haar medegedeelde gegevens -waarover zij overigens geen enkele nadere informatie verstrekt- zou hebben kunnen opmaken dat de feiten waaraan verzoeker zich schuldig gemaakt zou hebben, het tegenbewijs opleveren van de eerdere beoordeling die uitgelopen was op het eindbesluit dat verzoeker geschikt was, vastgesteld moet worden dat het dossier geen enkel gegeven bevat dat erop wijst dat de verwerende partij die mogelijkheid voor het geval van verzoeker overwogen heeft en dat, a fortiori, uit het dossier niet blijkt welke precieze redenen dergelijke uitzonderlijke beslissing -uitzonderlijk omdat zij haar toelaat terug te komen op een eindbeslissing die aan verzoeker rechten toekent- konden verantwoorden; dat het middel ernstig is; 4.3.3. Overwegende dat, afgaand op de gegevens van het dossier, de verwerende partij niet regelmatig heeft kunnen beslissen dat verzoeker opnieuw aan een onderzoek van de selectiecommissie onderworpen diende te worden; dat daaruit volgt dat de selectiecommissie niet wettig tot het besluit is kunnen komen dat verzoeker niet geschikt is, BESLUIT: Artikel 1. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bij brief van 29 juni 2005 aan Hendrik VAN DER VENNET medegedeelde beslissing waarbij hij door de selectiecommissie niet geschikt wordt verklaard en waarbij hij om die reden belet wordt de opleiding tot inspecteur van politie aan te vatten. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-5013-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf december 2000 en vijf, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5013-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.525 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.917 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.