id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.526 Rolnummer: A. 165843/IX-5041 Zaak: Arrest 152526 - - 12/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-19 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-03 06:26 Fiche Arrest nr 152.526 van 12 december 2005 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.526 van 12 december 2005 in de zaak A. 165.843/IX-5041. In zake : Christophe VANDERVOORT, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te MARIAKERKE, Mazestraat 16 tegen : de stad GENT, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-72. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Christophe VANDERVOORT op 7 september 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van het besluit van 13 juli 2005 van de hogere tuchtoverheid van de politiezone Gent waarbij hij van ambtswege ontslagen wordt; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 26 oktober 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 14 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-5041-1/13 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat H. VERMEIRE die, loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.1. Bij besluit van 25 februari 2003 van de gemeenteraad van Gent wordt verzoeker met ingang van 1 januari 2003 benoemd tot hulpagent van politie in vast dienstverband. Op het ogenblik dat de feiten zich voordoen die uiteindelijk tot zijn tuchtrechtelijk ontslag van ambtswege zullen leiden, is hij bij de lokale politie Gent binnen de dienst “Parkeer- en Verkeerseenheid” (PVE-bureau) specifiek belast met de controle en het toezicht op het “reglement op het betalend parkeren”, opdracht die onder meer het uitschrijven van parkeerretributies inhoudt. 1.2. Blijkens een “synthese proces-verbaal inzake oplichting door diverse personeelsleden Politiezone Gent”, dat op 14 juli 2004 aan de procureur des Konings te Gent wordt bezorgd, kreeg de dienst Intern Toezicht van het diensthoofd van het PVE-bureau kennis van het vermoeden dat de leden van die dienst op grote schaal fraude plegen door middel van parkeerjetons, met name doordat testjetons worden aangewend voor het verkrijgen van een testticket dat gebruikt wordt om achter de voorruit van hun persoonlijk voertuig te plaatsen en doordat, bij eventuele controle, door de collega’s geen retributies worden uitgeschreven. Nog volgens dit synthese proces-verbaal zouden de feiten vermoedelijk een aanvang genomen hebben begin april 2004 (tijdstip van verhuizing van het PVE-bureau naar de Grauwpoort) en werd door de dienst Intern Toezicht een onderzoek gestart waarbij tussen 23 juni 2004 en 3 juli 2004 (voornamelijk na aanvang van de dienstbeurt van het PVE- bureau) dagelijks controles gebeurden van de geparkeerde voertuigen in de omgeving van de Grauwpoort, werden 68 positieve vaststellingen verricht ten laste van 18 personeelsleden, en werd per personeelslid een proces-verbaal opgesteld dat bij het synthese proces-verbaal werd gevoegd. IX-5041-2/13 Blijkens een bij het synthese proces-verbaal gevoegde lijst “overzicht vaststellingen per voertuig”, stond het persoonlijk voertuig van verzoeker op 23 en 24 juni 2004 geparkeerd zonder ticket en op 28 en 29 juni 2004 geparkeerd met een testticket. Wat betreft de door verzoeker uitgevoerde controle op betalend parkeren op 29 juni 2004, luidt de bijlage aan zijn proces-verbaal als volgt : "Conclusie: Door hulpagent van politie Vandervoort Christophe werd controle op betalend parkeren uitgevoerd op 29/06/2004 van 13.04u tot 13.55u in Kern 2 (Tichelrei-Tempelhof (parking Volkskliniek) - W. Churchillplein - Fratersplein e.d.). Hij schreef er 6 retributies uit voor burgers die geen geldig betaalticket hadden. Hij schreef geen retributie voor zijn collega's hulpagenten die er geparkeerd stonden met een test-ticket met inbegrip van zijn eigen persoonlijk voertuig." 1.3. Op 6 juli 2004 wordt verzoeker door de dienst Intern Toezicht verhoord. Hij verklaart dat hij zijn testjeton nooit gebruikt heeft voor persoonlijke doeleinden, dat hij niet op de hoogte was van het feit dat de testjetons onrechtmatig gebruikt worden door leden van het PVE-bureau, dat hij slechts éénmaal een testticket, dat hij van een collega gekregen had, op het dashboard van zijn voertuig heeft gelegd, dat hij op dat moment opteerde voor tarief 1, dat hij zich van geen kwaad bewust was, dat hij bij de aanvang en het einde van zijn dienst wel voertuigen met een testticket heeft opgemerkt maar nooit bij een effectieve controle, en dat hij de omgeving niet controleert waar zijn voertuig geparkeerd staat. 1.4. Op 8 juli 2004 wijst de korpschef van de lokale politie Gent -de gewone tuchtoverheid van verzoeker- Maurice DE GRAUWE, hoofdinspecteur van politie verbonden aan de dienst Intern Toezicht, aan als voorafgaande onderzoeker. 1.5. Op 16 juli 2004 bezorgt de procureur des Konings een afschrift van de opgestelde processen-verbaal aan de burgemeester van de stad Gent. Hij deelt mee dat de betrokken hulpagenten hoe dan ook voor de correctionele rechtbank zullen gedagvaard worden, vermits hun houding onaanvaardbaar is. 1.6. Bij vonnis van 29 oktober 2004 van de correctionele rechtbank te Gent wordt verzoeker voor het misdrijf “verduistering door ambtenaren” veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van een maand en tot een geldboete van 500 euro, IX-5041-3/13 verhoogd met vijfenveertig opdeciemen, met dien verstande dat de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt uitgesteld voor een termijn van drie jaar. Verzoeker heeft tegen dat vonnis hoger beroep aangetekend. 1.7. Nadat een verhoor van verzoeker enkele malen wegens medische redenen is uitgesteld, wordt verzoeker op 29 november 2004 door de voorafgaande onderzoeker gehoord. Verzoeker verklaart dat hij geen verklaringen wenst af te leggen, en dat hij te gepasten tijde zal repliceren na ontvangst van het eventueel inleidend verslag. 1.8. Op 1 december 2004 stelt de voorafgaande onderzoeker een syntheserapport op, waarin onder meer wordt gesteld dat verzoeker de feiten erkent, met name door op 6 juli 2004 te verklaren : “Ik heb éénmaal het test-ticket, die ik had verkregen, gebruikt en op het dashboard van mijn voertuig gelegd” 1.9. Op 14 december 2004 beslist de korpschef de hogere tucht- overheid -de burgemeester- te vatten omdat de feiten die aan verzoeker ten laste worden gelegd een zware tuchtstraf kunnen genereren. Met name wordt verzoeker tuchtrechtelijk ten laste gelegd : “In de uitoefening van zijn functie bij het PVE-bureau onregelmatigheden te hebben gesteld: - door op respectievelijk 28 juni 2004 en 29 juni 2004 een jeton, die dient om de werking van parkeerautomaten te testen, aan te wenden voor eigen gebruik en daarbij een testticket te hebben genomen teneinde zijn persoonlijk voertuig, in de zone betalend parkeren, te plaatsen op de openbare weg zonder de verplichte betalingsmodaliteiten na te leven; - door op 29 juni 2004 tussen 13.04 uur en 13.55 uur, tijdens een controle- opdracht in kern twee, retributies te hebben uitgeschreven voor voertuigen van burgers en in dezelfde periode voor de voertuigen van collega’s, die er geparkeerd stonden met een testticket of zonder geldig parkeerticket geen retributies te hebben uitgeschreven spijts deze in dezelfde str(a)at(
- en)geparkeerd stonden als voornoemde burgers”. 1.10.1. Met een inleidend verslag van 16 december 2004 stelt de hogere tuchtoverheid verzoeker ervan in kennis dat zij, voor de feiten zoals hierboven omschreven, het voornemen heeft verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. IX-5041-4/13 1.10.2. Op 24 januari 2005 verschijnt verzoeker, bijgestaan door zijn verdedigers, voor de burgemeester. De burgemeester gaat in op het verzoek van de verdediging om zich voor het volledige verloop van de procedure te laten vervangen door de eerste schepen. 1.11.1. Op 28 januari 2005 beslist de hogere tuchtoverheid een voorstel van de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege uit te spreken. 1.11.2. Op 4 februari 2005 dient verzoeker tegen dat voorstel een verzoek tot heroverweging in bij de tuchtraad. 1.12. Op 30 mei 2005 geeft de tuchtraad zijn advies. Hij is van oordeel dat aan verzoeker als tuchtstraf de schorsing gedurende twee maanden opgelegd moet worden. 1.13. Op 29 juni 2005 beslist de hogere tuchtoverheid om af te wijken van het advies van de tuchtraad en het voorstel van de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege te behouden. 1.14. Op 7 juli 2005 dient de raadsman van verzoeker een verweerschrift in. 1.15. Op 13 juli 2005 neemt de hogere tuchtoverheid de definitieve beslissing om aan verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Deze beslissing maakt het voorwerp uit van de onderhavige vordering tot schorsing. 2. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1. Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna : de IX-5041-5/13 tuchtwet) in relatie tot het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de feiten niet bewezen zijn en hij dan ook niet tuchtrechtelijk vervolgd kon worden; dat hij in het tweede, daarbij aansluitend middel, aanvoert dat, wat de in aanmerking genomen feiten betreft, de “motivering niet aanvaardbaar is”; dat hij ter zake de volgende uiteenzetting geeft: de eerste tenlastelegging (het gebruik van een testticket op 28 en 29 juni 2004 om te ontsnappen aan de parkeervergoeding) is niet bewezen aangezien hij niet de bedoeling had te ontsnappen aan het parkeergeld aangezien de aanwezigheid van een testticket in zijn wagen puur toeval is en uit het tuchtdossier blijkt dat zijn voertuig op 23 en 24 juni 2004 werd aangetroffen zonder ticket; de verwerende partij heeft zijn verklaring dat het aangetroffen testticket afkomstig was van een collega niet onderzocht en de tuchtraad heeft de tenlastelegging voor bewezen gehouden door “voort te borduren op de aanwezigheid van een fraude- mechanisme” terwijl de correctionele rechtbank reeds heeft bevestigd dat dit niet het geval was; de tweede tenlastelegging (het niet uitschrijven van retributies voor collega’s wier wagen geparkeerd was met een testticket of zonder geldig parkeer- ticket) is evenmin terdege bewezen aangezien uit het tuchtdossier blijkt dat op 29 juni 2004 een aantal wagens van collega’s in zijn controlezone zijn opgemerkt “een divers aantal uren” voordat hij met dienst was en één wagen “meer dan een uur nadat hij controle uitvoerde” en het argument dat het irreëel zou zijn te veronderstellen dat de collega’s hun voertuig verplaatst zouden hebben tegengesproken wordt door de vaststellingen van de dienst Intern Toezicht die niet geakteerd heeft dat de voertuigen, die in de loop van de voormiddag waren opgemerkt, er nog stonden toen verzoeker daar in de vroege namiddag toezicht uitvoerde maar enkel vastgesteld heeft dat er nog één voertuig van een collega aanwezig was; dat hij daar aan toevoegt dat het niet aan hem is om zijn onschuld te bewijzen en dat de eigen vaststellingen van de overheid aantonen dat de tweede tenlastelegging niet op waarheid berust; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij daar in haar nota met opmerkingen op antwoordt dat verzoeker geen nuttige gegevens aanbrengt waaruit zou blijken dat feit 1 niet zou bestaan en dat, wat het tweede feit betreft, uit het dossier wel blijkt dat verzoeker op 29 juni 2004 op de Tichelrei controles uitgevoerd heeft tussen 13u04 en 13u55, dat gedurende die tijdspanne daar wagens van collega’s geparkeerd stonden zonder ticket of met een testticket en dat die collega’s geen retributie opgelegd hebben gekregen terwijl dat wel is gebeurd ten aanzien van vijf wagens van andere burgers; IX-5041-6/13 3.3.1. Overwegende, vooraf, dat de Raad van State ten aanzien van het bewijs van de feiten moet nagaan of het bestuur, met inachtneming van alle gegevens van het dossier dat het in de besluitvorming betrokken heeft, naar redelijkheid de feiten bewezen heeft kunnen achten; 3.3.2. Overwegende, wat de eerste tenlastelegging betreft, dat verzoeker niet betwist dat zijn voertuig op 28 en 29 juni 2004 geparkeerd stond met een testticket op het dashboard; dat de tuchtoverheid, die daarvoor kan verwijzen naar de vaststellingen van de dienst Intern Toezicht dat op een week tijd 68 overtredingen lastens 18 personeelsleden geconstateerd werden, het argument van verzoeker dat het ticket onbewust in zijn auto was achtergebleven, in redelijkheid kon verwerpen en kon besluiten dat hij een testticket had aangewend om de parkeervergoeding niet hoeven te betalen; dat, waar verzoeker verwijst naar de negatie van het vonnis van de correctionele rechtbank waarin gesteld was dat er geen fraudemechanisme opgezet binnen de groep hulpagenten was ontdekt, het volstaat vast te stellen dat het vonnis aan de desbetreffende overweging toevoegt dat “het algemeen geweten was” dat de feiten gebeurden “en (dat) iedereen er zich schuldig aan maakte”; dat daaruit blijkt dat de tuchtoverheid, waar zij het onbewust achterlaten van een testticket verwerpt, in wezen dezelfde redenering aanhoudt als de strafrechter; dat ten slotte niet wordt ingezien op welke wijze het nader onderzoeken van de vraag of het testticket in de wagen van verzoeker afkomstig was van een collega, een duidelijker licht zou hebben kunnen werpen op de inbreuk van verzoeker; 3.3.3. Overwegende, wat de tweede tenlastelegging betreft, dat de lijst van vaststellingen, opgemaakt door de dienst Intern Toezicht, op zich het bewijs niet bevat dat de voertuigen die in de voormiddag van 29 juni 2004 werden aangetroffen daar niet meer geparkeerd waren toen verzoeker er controle uitoefende; dat immers niet wordt ingezien om welke reden de dienst het in overtreding staan van die voertuigen na de middag nogmaals genoteerd zou moeten hebben; dat de verwerende partij in de vaststelling van de verbalisanten -die bewijswaarde heeft tot bewijs van het tegendeel- terecht het bewijs heeft gevonden dat verzoeker op 29 juni 2004 geen retributie uitgeschreven heeft voor zijn collega’s die er geparkeerd stonden met een testticket; dat op grond van de voorliggende stukken de tuchtoverheid wel degelijk ook feit twee voor bewezen kon houden; 3.3.4. Overwegende dat het eerste en het tweede middel niet ernstig zijn; IX-5041-7/13 4.1. Overwegende dat verzoeker in het vijfde middel de schending aanvoert van het proportionaliteitsbeginsel; dat hij het middel als volgt adstrueert: de verwerende partij verwijt aan verzoeker dat hij zich verweert en de tenlasteleggingen ontkent, maar waarom zou hij fout erkennen als hij niets verkeerd gedaan heeft; bij de beoordeling van een tuchtrechtelijk feit mag de overheid zich niet laten leiden door “de volkswoede” of door krantenartikels en de persoonlijke gegevens en de eigenheid van elk dossier terzijde schuiven; in dit geval is zij er zelfs van uitgegaan dat “er een boosaardige dynamiek heerste van een fraudemechanisme”, terwijl hij voor de aanwezigheid van een testticket in zijn wagen een verklaring heeft, zodat hem hoogstens enige onzorgvuldigheid of slordigheid kan verweten worden maar dat is heel wat anders dan fraude; de Raad van State mag zich bij de beoordeling van een tuchtmaatregel niet in de plaats van het bestuur stellen, maar de marginale toetsing die hij kan uitvoeren laat hem toe vast te stellen dat de tuchtraad een schorsing voor twee maanden voorstelde en dat de verwerende partij rekening gehouden heeft met de wijze waarop verzoeker zich verdedigd heeft; de concrete gegevens van de zaak verantwoorden dat het strakke standpunt van het bestuur ten aanzien van de voorbeeldfunctie van politieambtenaren gerelativeerd wordt; het bestuur heeft vanuit een soort paniekreactie wegens een vermeend fraudemechanisme bij de hulpagenten een onderzoek gevoerd en het eenmalige feit dat tegen verzoeker vastgesteld is werd in dat licht omgezet in schuldig gedrag; hij heeft een blanco tuchtrechtelijk verleden en de tuchtoverheid is er van bij de aanvang van de procedure wel vanuit gegaan dat verdere samenwerking onmogelijk was, maar zij heeft nooit een ordemaatregel getroffen die deze onmogelijkheid onmiddellijk naar de praktijk vertaalde, zoals de tuchtraad overigens ook vastgesteld heeft; 4.2. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat de bewezen feiten en de normvervaging die daaraan ten grondslag ligt een zware tuchtstraf rechtvaardigen, dat verzoeker specifiek was belast met het uitschrijven van parkeerretributies en dat hij zich gedragen heeft op een wijze die niet verzoend kan worden met de belangen van de dienst terwijl hij zeker op dat vlak een voorbeeld- functie had, dat een streng optreden van het bestuur gerechtvaardigd is om het aanzien van het politiekorps bij het publiek hoog te houden en dat er wel degelijk een ordemaatregel tegen verzoeker getroffen is, aangezien hij overgeplaatst werd naar het bureau van commissariaat Gent-West; 4.3.1. Overwegende dat de hogere tuchtoverheid besloten heeft om van het advies van de tuchtraad af te wijken, zo op het vlak van de kwalificatie van de IX-5041-8/13 feiten als op het vlak van de strafmaat; dat niet betwist wordt dat de wijziging op het vlak van de kwalificatie geen invloed heeft gehad op de beoordeling van de aan de gepleegde feiten aangepaste strafmaat; Overwegende dat uit de verwerping van het eerste middel volgt dat de feiten, zoals zij door de tuchtoverheid in aanmerking zijn genomen, vaststaan; 4.3.2.1. Overwegende dat de tuchtraad in zijn advies ten aanzien van de aan verzoeker op te leggen tuchtstraf vastgesteld heeft dat de verwerende partij in alle individuele dossiers aangaande de fraude met parkeervergoedingen het ontslag van ambtswege heeft voorgesteld, maar dat in dit geval de tuchtvordering toch steunt op “een zeer beperkt aantal feiten” en dat “bij een eerste benadering” het ontslag van ambtswege van verzoeker “voorkomt als uitzonderlijk zwaar”; dat de tuchtraad dan concreet vaststelt dat de “fraude” die aan verzoeker kan worden aangerekend niet van aard is om verdere samenwerking met de overheid, wegens definitief teloorgaan van het vertrouwen, onmogelijk te maken en dat het bestuur daarvan zelf het bewijs levert nu het verzoeker gewoon in dienst gehouden heeft, dat zelfs rekening houdend met de specifieke functie waarin verzoeker tewerkgesteld was, het ambtshalve ontslag toch onredelijk zwaar is in vergelijking met hetgeen hij concreet gedaan heeft, nu dergelijke redenering erop neerkomt dat “elke politieambtenaar die een misdrijf pleegt dat hijzelf ambtshalve moet verbaliseren ook de kans loopt automatisch te worden ontslagen” en die benadering “onvoldoende rekening houdt met de concrete invulling van het gebeuren en de nefaste gevolgen verbonden aan dit gedrag”; dat de tuchtraad daar nog aan toevoegt dat de ruchtbaarheid, die de verwerende partij inroept, “slechts in beperkte mate te maken heeft met de feiten die ten grondslag liggen van het tuchtvergrijp dat wordt toegerekend aan (verzoeker en dat) in dezelfde mate geoordeeld moet worden over de schade die (verzoeker) berokkend heeft binnen de dienst” en dat deze schade kan worden hersteld door een tuchtstraf van een schorsing voor twee maanden, omdat verzoeker zich aldus kan bezinnen over zijn ontoelaatbaar gedrag en verwittigd zal zijn zich in de toekomst verantwoordelijker te gedragen; 4.3.2.2. Overwegende dat de tuchtoverheid ter rechtvaardiging van de opgelegde ontslagmaatregel daarop repliceert : - dat zij, reeds vooraleer de bevoegde overheid in een inleidend verslag het ontslag voorstelde, maatregelen genomen heeft om de orde in de dienst PVE te herstellen, IX-5041-9/13 met name door verzoeker -en de andere statutaire hulpagenten- naar een andere dienst met andere taken te verplaatsen en de contractuelen te ontslaan, - dat de tuchtwet haar slechts de mogelijkheid laat om, als zware tuchtstraf, hetzij een terugzetting in weddeschaal hetzij het ontslag van ambtswege op te leggen en dat de normvervaging die hier aan de orde is “dermate ernstig is dat geen enkele andere zware tuchtsanctie in aanmerking komt voor het gestelde tuchtrechtelijk laakbaar gedrag”; - dat zij het gedrag van verzoeker “uitermate ernstig vindt”, nu verzoeker specifiek belast is met het uitschrijven van parkeerretributies en hij dus “over de schreef gaat op het terrein dat hij zelf dient te controleren” -terwijl hij, als politieambtenaar “steeds en altijd een voorbeeldfunctie heeft”- en nu hij “doelbewust in een betaalzone geen retributies uitschrijft voor collega’s (...) en voor burgers wel”; - dat een streng optreden gerechtvaardigd is omdat de feiten die verzoeker binnen zijn opdrachten gepleegd heeft, tegenover de publieke opinie niet verantwoord kunnen worden, omdat het aanzien van het korps bij het publiek beschadigd is en het vertrouwen dat de politie naar buiten toe moet uitstralen in opspraak gebracht is en omdat de tekortkomingen ook een nefaste invloed hebben op het vertrouwen van de gerechtelijke overheid; - dat het “repetitief karakter van de feiten” een verzwarend element vormt en dat, nu verzoeker geen blijk gegeven heeft van foutinzicht of spijt, de vraag gesteld kan worden of verzoeker zich in de toekomst wel anders zal gaan gedragen; 4.3.3.1. Overwegende dat, in tegenstelling tot de tuchtraad die zich in zijn advies in de plaats van het bestuur kan stellen, de Raad van State de discretionaire bevoegdheid van het bestuur op het vlak van de strafmaat slechts marginaal vermag te toetsen; dat evenwel het advies van de tuchtraad, die als onafhankelijk orgaan en met inachtneming van de rechten van de verdediging de hem voorgelegde zaken zowel op het vlak van de wettigheid als op het vlak van de opportuniteit onderzoekt en die bovendien een nivellerende functie heeft ten aanzien van beslissingen van de autonoom handelende politiezones, bij die marginale toetsing een belangrijke plaats inneemt; 4.3.3.2. Overwegende dat de overheid bij het bepalen van de strafmaat rekening moet houden met de persoonlijke situatie van de ambtenaar maar ook, en in de eerste plaats zelfs, met het belang van de dienst waarvoor zij instaat; dat het in dit geval gaat om een dienst die in de eerste plaats belast is met het voorkomen en het opsporen van misdrijven; dat vanuit dat oogpunt en ook omdat elke misdraging van IX-5041-10/13 de personeelsleden van dergelijke dienst afstraalt op de gehele dienst, de politie- ambtenaar een voorbeeldfunctie heeft zodat het bestuur met betrekking tot elk van hen een streng verwachtingspatroon mag hanteren; dat in die zin aangenomen kan worden dat het bestuur zich als regel stelt dat elk misdrijf, dat opzettelijk gepleegd wordt in de uitoefening van de functie en dat betrekking heeft op de concrete taak waarmee hij belast is, onaanvaardbaar is, dat het vertrouwen van de overheid er onherroepelijk door beschaamd wordt en het vertrouwen van het publiek in de dienst aangetast wordt; dat in die zin de opgelegde tuchtstraf niet als kennelijk onredelijk kan worden aangemerkt; dat zij ook niet kennelijk onredelijk is omdat de verwerende partij verzoeker in dienst gehouden zou hebben, nu de ontstentenis van een preventieve maatregel, die een andere doelstelling heeft dan een tuchtstrafbesluit, op zich de onwettigheid van de ontslagmaatregel niet aantoont en nu in dit geval de verwerende partij verzoeker wel degelijk bij wege van overplaatsing uit de betrokken dienst verwijderd heeft; 4.3.3.3. Overwegende evenwel dat de tuchtraad ook oog heeft gehad voor het gegeven dat de inbreuken die tegen verzoeker zijn vastgesteld tezelfdertijd ook vastgesteld zijn tegen verschillende andere ambtenaren van de dienst PVE, dat de tuchtoverheid in al die gevallen een ambtshalve ontslag wil opleggen maar dat, in dat perspectief, de inbreuken van verzoeker toch maar “een zeer beperkt aantal feiten” betreffen en dat de ruchtbaarheid die de zaak heeft gekregen “slechts in beperkte mate” aan verzoeker gelegen is, zodat een ambtshalve ontslag dan wel “onredelijk zwaar” is; dat die bemerking van de tuchtraad in ieder geval de stelling van de tuchtoverheid betreffende het aantasten van het vertrouwen van het publiek in de politiedienst ontkracht en dat zij de tuchtoverheid er had moeten toe aanzetten om na te denken over de vraag of zij het geval van verzoeker niet eerder moest bekijken vanuit een malaise binnen de dienst en of in dat kader het antwoord op die malaise wel vereiste dat ook verzoeker ontslagen moest worden; dat, bijkomend, de verwerende partij ook niet uiteenzet waarom zij, ondanks de verwijzing door de tuchtraad naar een “beperkt aantal feiten”, toch kon blijven verwijzen naar het “repetitief karakter” van de feiten en dat verzoeker ook terecht aanstipt dat de wijze waarop hij zich voor de tuchtoverheid verdedigd heeft -met name door daar de feiten te betwisten- geen reden mag zijn om hem een zwaardere tuchtstraf op te leggen; Overwegende dat de verwerende partij op de hiervoor vermelde opmerking van de tuchtraad geen antwoord geformuleerd heeft; dat in die zin de IX-5041-11/13 opgelegde tuchtstraf niet deugdelijk verantwoord wordt en als kennelijk onredelijk overkomt; 4.3.4. Overwegende dat de Raad van State in de huidige stand van de procedure van oordeel is dat de verwerende partij geen antwoord geeft op de opmerking van de tuchtraad dat de bestraffing van verzoeker ook bekeken diende te worden vanuit de vraag of zijn persoonlijk wangedrag, gelinkt aan het wangedrag van een belangrijk aantal andere ambtenaren van de dienst PVE, wel zijn ontslag kon verantwoorden en of er aldus geen reden was om, wat verzoeker betreft, haar principiële stellingname te nuanceren; dat het middel ernstig is; 5.1. Overwegende, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat verzoeker verwijst naar een materieel en een moreel nadeel; dat hij een moreel nadeel ziet in zijn verwijdering uit de betrekking van hulpagent -die “niet zomaar een job als een ander is maar een welbewuste keuze”- met daarbij de onmogelijkheid om daarnaar terug te keren; dat hij voorts stelt dat hij buiten de politie wordt geplaatst en ander werk moet zoeken zodat, wegens het tijdsverloop tot aan een vernietigings- arrest, zijn reïntegratie bij de politie “ernstig bemoeilijkt kan worden”; dat hij verwijst naar de arresten nr. 108.559 van 28 juni 2002 en nr. 146.734 van 27 juni 2005; 5.2. Overwegende dat de verwerende partij daar in essentie op antwoordt dat het aangevoerde nadeel louter materieel is en dat zij niet inziet waarom verzoeker na een vernietigingsarrest “niet opnieuw zou kunnen solliciteren bij de politie”, dat een reïntegratie steeds mogelijk is en dat de verwijzing naar de integratie in een ander werkmilieu geen gegeven is dat specifiek de situatie van verzoeker betreft; 5.3. Overwegende dat de arresten waarnaar verzoeker verwijst betrekking hebben op beslissingen waarbij aan de verzoekers wegens hun niet-slagen in de opleiding, de toegang tot de politie ontzegd wordt, terwijl in dit geval een tuchtstrafbeslissing aan de orde is zonder dat verzoeker aantoont dat het nadeel in beide aangelegenheden op dezelfde wijze beoordeeld moet worden; Overwegende dat verzoeker met het bestreden besluit tucht- rechtelijk ontslagen is; dat de Raad van State aanneemt dat, in de regel, dergelijke maatregel evident een moeilijk te herstellen ernstig nadeel met zich brengt; dat gewis verzoeker weinig precies is in zijn uiteenzetting, maar dat daaruit niet afgeleid mag IX-5041-12/13 worden dat hij afstand neemt van de gevestigde rechtspraak; dat de verwerende partij geen bijzondere gegevens met betrekking tot de persoonlijke situatie van verzoeker voorlegt die zouden verhinderen dat in dit concrete geval de regel gevolgd wordt; dat de tweede schorsingsvoorwaarde vervuld is, BESLUIT: Artikel 1. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 13 juli 2005 van de hogere tuchtoverheid van de politiezone Gent waarbij Christophe VANDERVOORT van ambtswege ontslagen wordt. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf december 2000 en vijf, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5041-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.526 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.918 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div