id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.527 Rolnummer: A. 165844/IX-5042 Zaak: Arrest 152527 - - 12/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-19 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-03 06:27 Fiche Arrest nr 152.527 van 12 december 2005 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.527 van 12 december 2005 in de zaak A. 165.844/IX-5042. In zake : Dagmar VANDERVOORT, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te MARIAKERKE, Mazestraat 16 tegen : de stad GENT, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende GENT, Kouter 71-72. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Dagmar VANDERVOORT op 7 september 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van het besluit van 13 juli 2005 van de hogere tuchtoverheid van de politiezone Gent waarbij zij van ambtswege ontslagen wordt; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 26 oktober 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 14 november 2005, datum waarop de zaak wordt uitgesteld tot de openbare terechtzitting van 21 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-5042-1/13 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat M. DE CLERCQ die, loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Bij besluit van 25 februari 2003 van de gemeenteraad van Gent wordt verzoekster met ingang van 1 januari 2003 benoemd tot hulpagente van politie in vast dienstverband. Op het ogenblik van de feiten die uiteindelijk tot haar tuchtrechte- lijk ontslag van ambtswege leiden is zij bij de lokale politie Gent binnen de dienst “Parkeer- en Verkeerseenheid” (PVE-bureau) specifiek belast met de controle en het toezicht op het “reglement op het betalend parkeren”, opdracht die onder meer het uitschrijven van parkeerretributies inhoudt. 1.2. Blijkens een “synthese proces-verbaal inzake oplichting door diverse personeelsleden Politiezone Gent”, dat op 14 juli 2004 aan de procureur des Konings te Gent wordt bezorgd, kreeg de dienst Intern Toezicht van het diensthoofd van het PVE-bureau kennis van het vermoeden dat de leden van die dienst op grote schaal fraude plegen door middel van parkeerjetons, met name doordat testjetons worden aangewend voor het verkrijgen van een testticket dat gebruikt wordt om achter de voorruit van hun persoonlijk voertuig te plaatsen en doordat, bij eventuele controle, door de collega’s geen retributies worden uitgeschreven. Nog volgens dit synthese proces-verbaal zouden de feiten vermoedelijk een aanvang genomen hebben begin april 2004 (tijdstip van verhuizing van het PVE-bureau naar de Grauwpoort) en werd door de dienst Intern Toezicht een onderzoek gestart waarbij tussen 23 juni 2004 en 3 juli 2004 (voornamelijk na aanvang van de dienstbeurt van het PVE- bureau) dagelijks controles gebeurden van de geparkeerde voertuigen in de omgeving van de Grauwpoort, werden 68 positieve vaststellingen verricht ten laste van 18 personeelsleden, en werd per personeelslid een proces-verbaal opgesteld, dat bij het synthese proces-verbaal werd gevoegd. IX-5042-2/13 Blijkens een bij het synthese proces-verbaal gevoegde lijst “overzicht vaststellingen per voertuig”, stond het persoonlijk voertuig van verzoekster, een grijs/blauwe Citroën Saxo met nummerplaat HUW 507, op 1 juli 2004 geparkeerd met een testticket. 1.3. Op 9 juli 2004 wordt verzoekster door de dienst Intern Toezicht verhoord. Zij verklaart dat zij in het bezit is van een persoonlijk voertuig, met name een personenwagen Citroën Saxo met nummerplaat HUW 507, dat zij af en toe dat voertuig gebruikt voor haar verplaatsingen van en naar het werk, maar meestal samen met Hendrik Van der Vennet (een collega hulpagent met wie zij een gezin vormt) met de motorfiets komt, dat zij steeds samen rijdt met Van der Vennet, ofwel met de wagen ofwel met de motorfiets, dat zij in het bezit is van een testjeton maar deze nooit gebruikt heeft voor persoonlijke doeleinden, dat zij niet op de hoogte is van het feit dat de testjetons onrechtmatig gebruikt worden door leden van het PVE-bureau, dat zij nooit een dergelijke handelwijze heeft toegepast met een testticket, dat de enige mogelijkheid die bestaat is dat zij voor haar werk een testticket heeft moeten nemen en dat ticket, na het legen van haar zakken, op haar dashboard heeft laten rondslingeren, dat het, wat betreft de vaststelling dat haar wagen werd opgemerkt op 1 juli 2004 met een testticket, zeer uitzonderlijk is dat zij met de wagen naar het werk komt, dat zij, wanneer zij parkeert in de omgeving van het werk, meestal een dagticket neemt of geen ticket en aldus opteert voor tarief 1, dat zij vermoedt dat dit die dag zo geweest is, en dat het testticket dat er lag vermoedelijk van maanden geleden dateert. 1.4. Op 16 juli 2004 bezorgt de procureur des Konings een afschrift van de opgestelde processen-verbaal aan de burgemeester van de stad Gent. Hij deelt mee dat de betrokken hulpagenten hoe dan ook voor de correctionele rechtbank zullen gedagvaard worden, vermits hun houding onaanvaardbaar is. 1.5. Bij vonnis van 29 oktober 2004 van de correctionele rechtbank te Gent wordt verzoekster voor het misdrijf “verduistering door ambtenaren” veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van een maand en tot een geldboete van 500 euro, verhoogd met vijfenveertig opdeciemen, met dien verstande dat de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt uitgesteld voor een termijn van drie jaar. Verzoekster heeft tegen dat vonnis hoger beroep aangetekend. IX-5042-3/13 1.6. In zijn syntheserapport stelt de voorafgaande onderzoeker vast dat verzoekster een tuchtvergrijp beging door een testjeton aan te wenden voor eigen gebruik, dat dit tuchtfeit vaststaat, gezien de vaststelling van de dienst Intern Toezicht, dat het feit aan verzoekster kan toegerekend worden vermits de nummer- plaat van het voertuig is afgeleverd op haar naam, en dat verzoekster de feiten ontkent. Uit het dossier blijkt niet dat verzoekster door de voorafgaande onderzoeker werd gehoord. 1.7. Op 14 december 2004 beslist de korpschef de hogere tuchtover- heid -zijnde de burgemeester- te vatten omdat de feiten die aan verzoekster ten laste worden gelegd, een zware tuchtstraf kunnen genereren. Met name wordt verzoekster tuchtrechtelijk ten laste gelegd : “In de uitoefening van haar functie bij het PVE-bureau onregelmatigheden te hebben gesteld : - door op 1 juli 2004 een jeton, die dient om de werking van parkeerautomaten te testen, aan te wenden voor eigen gebruik en daarbij een testticket te hebben genomen teneinde haar persoonlijk voertuig, in de zone betalend parkeren, te plaatsen op de openbare weg zonder de verplichte betalingsmodaliteiten na te leven”. 1.8.1. Met een inleidend verslag van 16 december 2004 stelt de hogere tuchtoverheid verzoekster ervan in kennis dat zij, voor de feiten zoals hierboven omschreven, het voornemen heeft verzoekster de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. 1.8.2. Op 24 januari 2005 verschijnt verzoekster, bijgestaan door haar verdedigers, voor de burgemeester. De burgemeester gaat in op het verzoek van de verdediging om zich voor het volledige verloop van de procedure te laten vervangen door de eerste schepen. 1.9.1. Op 28 januari 2005 beslist de hogere tuchtoverheid een voorstel van de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege uit te spreken. 1.9.2. Op 4 februari 2005 dient verzoekster tegen dat voorstel een verzoek tot heroverweging in bij de tuchtraad. IX-5042-4/13 1.9.3. Op 19 april 2005 worden de vertegenwoordiger van de hogere tuchtoverheid en verzoekster door de tuchtraad gehoord. De verdediging legt een aantal verweerschriften en stukken neer. De afgevaardigde van de inspecteur- generaal van de federale politie en van de lokale politie legt een deskundigenverslag neer, waarin geen advies ten gronde wordt gegeven maar wel een aantal vragen en opmerkingen worden geformuleerd, onder meer de vraag wie op 1 juli 2004 de chauffeur was van het voertuig met nummerplaat HUW 507. In het proces-verbaal van de hoorzitting staat, wat betreft een door de afgevaardigde van de inspecteur-generaal van de federale politie en van de lokale politie gestelde vraag naar wie op 1 juli 2004 de bestuurder van het voertuig HUW 507 was, vermeld wat volgt : “[...] 8.4. Met betrekking tot de chauffeur van het vernoemde voertuig, verklaart Mter. Vermeire [afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid] dat het voertuig is ingeschreven op de naam van de partner van HAP Vandervoort, met name Van de Vennet Hendrik. 8.4.1. HAP Vandervoort verklaart dat haar vriend op 01/07/2004 de chauffeur van het voertuig was. Niemand anders dan zijzelf en haar vriend maken gebruik van het voertuig. Zij voegt hieraan toe dat ze alletwee in dezelfde dienst werken en dat zij dezelfde uren hebben. Ook Van de Vennet Hendrik heeft een testticket. 8.4.2. Dhr. De Hous [plaatsvervangend voorzitter van de tuchtraad] merkt op dat het testticket op het dashboard van de wagen lag. Wie heeft het er gelegd? HAP Vandervoort zegt het zich niet te kunnen herinneren. [...] 9. Dhr. Torrez [bijzitter tuchtraad] vraagt of de hogere tuchtoverheid haar standpunt handhaaft dat HAP Vandervoort chauffeur van het voertuig was op 01/07/2004. Mter. Vermeire bevestigt. [...] 21. Dhr. De Hous merkt op dat de verklaring van Van de Vennet Hendrik inderdaad ontbreekt in het dossier. Mter. Vermeire wordt uitgenodigd hierop te repliceren. Mter. Vermeire verklaart hieraan weinig te kunnen toevoegen. De voorzitter vraagt of partijen bijgevolg mogen concluderen dat het mogelijk is dat Van de Vennet Hendrik met het bewuste voertuig reed op 01/07/04. Mter. Vermeire wenst deze conclusie over te laten aan de beoordeling van de tuchtraad. Dhr. Vander Peypen [bijzitter tuchtraad] vraagt of partijen mogen concluderen dat het mogelijks Van de Vennet Hendrik was die eigenlijk de feiten heeft gepleegd. Mter. Vermeire verklaart dat bij Van de Vennet de vaststellingen zijn gebeurd op 23 en 24 juni 2004. Hij veronderstelt dat Van de Vennet op 01/07/2004 niet aan het werk was. Dhr. De Hous merkt op dat HAP Vander- voort verklaard heeft dat Van de Vennet en zijzelf dezelfde uren en dagen werken, hetzelfde werk doen, met dezelfde auto rijden. De vraag stelt zich duidelijk wie de chauffeur was van het voertuig en wie het voertuig op die bewuste plek heeft geparkeerd op 01/07/2004. Mter. Vermeire wijst op stuk 4/35, waarin HAP Vandervoort verklaarde dat het uitzonderlijk is dat zij met de wagen naar het werk komt, maar dat zij desgevallend een dagticket of een tarief 1 kiest. Volgens de verklaring vermoedt betrokkene dat het die dag (01/07/2004) ook zo geweest is. Volgens Mter. Vermeire ontkent HAP Vandervoort dus niet dat zij daar die dag [...] stond geparkeerd. Dhr. Clemmens IX-5042-5/13 [tuchtverdediger] benadrukt dat HAP Vandervoort en Van de Vennet beiden dienst hadden die dag. De hogere tuchtoverheid had dit kunnen weten door de dienstroosters op te vragen.” 1.10. Op 30 mei 2005 geeft de tuchtraad zijn advies. Onder het luik “Het bestaan van de feiten en hun toerekening aan het personeelslid” stelt de tuchtraad wat volgt : “Tenlastelegging Volgens de hogere tuchtoverheid wordt aan betrokkene ten laste gelegd : ‘In de uitoefening van uw functie bij het PVE-bureau onregelmatigheden te hebben gesteld door op 1 juli 2004 een jeton, die dient om de werking van parkeerautomaten te testen, aan te wenden voor eigen gebruik en daarbij een testticket te hebben genomen teneinde haar persoonlijk voertuig, in de zone betalend parkeren, te plaatsen op de openbare weg zonder de verplichte betalingsmodaliteiten na te leven’. Bespreking Omdat het vermoeden bestaat dat er onregelmatigheden werden begaan door het misbruik van test-jetons die werden ter beschikking gesteld van het personeel van het PVE-bureau, werd tussen 23 juni 2004 en 3 juli 2004 een gericht onderzoek gevoerd. Dit onderzoek bracht aan het licht dat mogelijk twee soorten misbruiken werden begaan : - enerzijds het misbruik maken van de test-jetons om een testticket te bekomen dat vervolgens achter de voorruit wordt geplaatst; - anderzijds het verzuim te verbaliseren van de voornoemde praktijken. Op grond van dit onderzoek staat vast dat het voertuig Citroën met nummerplaat HUW 507 op 1 juli 2004 te 10 uur 36 stond geparkeerd op de parking Tempelhof zonder geldig betaalticket. Ondervraagd omtrent dit feit verklaarde Vandervoort Dagmar op 9 juli 2004 dat zij het aangetroffen testticket, dat zij voor haar werk had moeten nemen ‘vermoedelijk maanden geleden’, op het dashboard heeft laten rondslingeren. Volgens haar verdere verklaring neemt zij meestal een dagticket of neemt zij geen ticket en opteert zij voor tarief 1 (stuk 4/35). Volgens de vaststellers was het testticket ‘netjes op het dashboard geplaatst’ (stuk 4/32). Hoewel dergelijke vorm van vaststelling hoogst subjectief is, mag van hulpagenten verwacht worden dat zij zorgzaam omspringen met het werkmateriaal dat hun eigen is. In die zin is het uit den boze dat dergelijke testticketten zonder meer ‘rondslingeren’. Wetende dat haar voertuig geparkeerd was in een betaalzone, mag redelijkerwijze aangenomen worden dat het bedoeld document inderdaad bewust op die plaats werd gelegd om als dusdanig te worden herkend door de optredende politiecollega’s. De hogere tuchtoverheid vertrekt van de hypothese dat Vandervoort Dagmar én bij het gebruiken van de test-jeton én bij het afdrukken van het testticket dat werd aangetroffen op 1 juli 2004, bedrieglijk heeft gehandeld. Indien vaststaat dat op 1 juli 2004 in het voertuig van Vandervoort Dagmar een testticket werd opgemerkt, dan is niet bewezen wanneer precies dit ticket werd genomen (zie stuk 4/19). In uitzonderlijke gevallen konden de opstellers de datum van het testticket noteren. De overzichtelijke bijlage aan het PV (stuk 4/30) vermeldt dat er op 1 juli 2004 geen foto werd genomen van de overtreder. De tuchtraad meent dat het voorliggende tuchtdossier alleen het bewijs levert dat het voertuig Citroën Saxo met nummerplaat HUW.507 op 1 juli 2004 werd geparkeerd op de Tempelhofparking terwijl op het dashboard van dit voertuig een testticket was aangebracht. Het aspect van de tenlastelegging dat betrekking IX-5042-6/13 heeft op het nemen van het testticket op 1 juli kan niet als bewezen worden beschouwd. De tuchtraad twijfelt er niet aan dat het de bedoeling is geweest dat er niet zou worden geverbaliseerd door de collega’s van het PVE-bureau. Uit het gevoerde onderzoek is ook duidelijk naar voor gekomen dat er tussen deze collega’s van het PVE-bureau afspraken waren gemaakt om de bestuurders (collega’
- s)van (onregelmatig) geparkeerde voertuigen met een testticket niet te verbaliseren. Uit de lijst met vaststellingen gevoegd bij het syntheseproces- verbaal van 14 juli 2004, overgemaakt door de procureur des Konings aan de burgemeester blijkt duidelijk dat vele collega’s van betrokkene eveneens testticketten gebruiken. Uit andere lijsten blijkt dat de collega’s mekaar geen retributie schrijven bij gebruik van het testticket. Het is evident dat bij de beoordeling van de tenlastelegging in hoofde van betrokkene, die vaststellingen medebepalend zijn om de juistheid van het tuchtvergrijp te beoordelen. Tijdens de zitting van de tuchtraad van 19 april 2005 is gebleken dat HAP Dagmar Vandervoort altijd samen dienst heeft op dezelfde werkplaats als haar vriend HAP Hendrik Van De Vennet. Ook op 1 juli 2004 is dat als dusdanig gebeurd. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de zitting (§ 21 van het proces- verbaal) spreekt de hogere tuchtoverheid dit gegeven niet tegen en betwist de afgevaardigde niet dat HAP Hendrik Van De Vennet mogelijks die dag het voertuig op de bewuste plek heeft geparkeerd met een testticket dat hem toebehoorde. Desondanks is de tuchtraad van oordeel dat, zelfs indien aangenomen wordt dat HAP Van De Vennet het voertuig bestuurde en parkeerde, HAP Vandervoort ook als inzittende perfect op de hoogte moest zijn van het feit dat het testticket op het das(h)board ervoor kon zorgen dat er geen retributie zou worden uitgeschreven. Het overlaten aan de beoordeling van de tuchtraad, zoals gesteld door de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid, of de betrokkene effectief het testticket gebruikt heeft en niet haar vriend Van De Vennet toont slechts de onzorgvuldigheid aan van de werkwijze van de tuchtoverheid en is een aanfluiting van wat mag verwacht worden van een tuchtoverheid die een personeelslid wenst te ontslaan op basis van tuchtfeiten. Het is ongehoord dat de tuchtoverheid, nadat zij reeds een definitief voorstel tot ontslag heeft genomen, het aan een derde instantie, hier de Tuchtraad, overlaat om de juistheid van de vastgestelde feiten na te gaan. Verwacht mag worden dat de tuchtoverheid zelf de nodige verduidelijking geeft over de feiten. Er kan hier op zijn minst sprake zijn van gedeelde verantwoordelijkheid, deel uitmakend van een netwerk, voor het toepassen van ongeoorloofde afspraken met anderen zodat op oogluikende, passieve wijze zou voorbijgegaan worden aan een voertuig dat niet reglementair was geparkeerd. Om deze redenen, adviseert de tuchtraad, beslissend bij meerderheid van stemmen, dat de feiten bewezen zijn en worden toegerekend aan HAP Vandervoort Dagmar, doch als volgt omschreven : ‘Met het inzicht te ontsnappen aan de betaling van een vergoeding voor het parkeren van haar persoonlijk voertuig en om die reden niet worden beboet door optredende collega’s, heeft Vandervoort Dagmar op 1 juli 2004 misbruik gemaakt van een testticket dat zij ambtshalve in bezit had en dat zij in geen geval voor persoonlijke doeleinden mocht aanwenden.” Wat betreft de beteugeling van het tuchtvergrijp, adviseert de tuchtraad de schorsing bij tuchtmaatregel gedurende één maand op te leggen. IX-5042-7/13 1.11. Op 29 juni 2005 beslist de hogere tuchtoverheid om af te wijken van het advies van de tuchtraad en een voorstel van de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege uit te spreken . Met betrekking tot het bestaan van de feiten en de toerekening aan verzoekster, wordt in die beslissing gesteld wat volgt : “Overwegende dat de Tuchtraad, met betrekking tot het bestaan van de feiten en de toerekening aan het personeelslid, adviseert dat de tenlastelegging m.n. ‘In de uitoefening van haar functie bij het PVE-bureau onregelmatigheden te hebben gesteld door op 1 juli 2004 een jeton, die dient om de werking van parkeerauto- maten te testen, aan te wenden voor eigen gebruik en daarbij een testticket te hebben genomen teneinde haar persoonlijk voertuig, in de zone betalend parkeren, te plaatsen op de openbare weg zonder de verplichte betalingsmodali- teiten na te leven’ gedeeltelijk bewezen is; Dat de Tuchtraad adviseert ‘dat het aspect van de tenlastelegging dat betrekking heeft op het nemen van het testticket op 1 juli niet als bewezen kan worden beschouwd’; Dat de Tuchtraad de mening is toegedaan dat ‘wetende dat haar voertuig geparkeerd was in een betaalzone, redelijkerwijze mag aangenomen worden dat het bedoeld document inderdaad bewust op die plaats werd gelegd om als dusdanig te worden herkend door de optredende politiecollega’s; Dat de Tuchtraad adviseert om de omschrijving van het tuchtrechtelijk laakbaar gedrag te wijzigen in : ‘Met het inzicht te ontsnappen aan de betaling van een vergoeding voor het parkeren van haar persoonlijk voertuig en om die reden niet worden beboet door optredende collega’s, heeft betrokke op 1 juli 2004 misbruik gemaakt van een testticket dat zij ambtshalve in bezit had en dat zij in geen geval voor persoon- lijke doeleinden mocht aanwenden’; Dat de tuchtoverheid akkoord gaat met het voorstel van de Tuchtraad om een andere kwalificatie te geven aan de feiten; Overwegende dat de tuchtoverheid de mening is toegedaan dat door de essentie van de zaak, namelijk de bewezen tuchtrechtelijk laakbare feiten en de normvervaging als grondslag van die feiten, het opleggen van een zware tuchtstraf gerechtvaardigd is; Dat wat betreft de grond van de zaak de aan betrokkene ten laste gelegde tuchtrechtelijk laakbare feiten, naar eis van recht bewezen zijn; Dat zulks wordt bevestigd in het advies d.d. 30 mei 2005 van de Tuchtraad (Advies nr. VTH/05-004- p. 76 t/m 8);” 1.12. Op 7 juli 2005 dient de raadsman van verzoekster een verweer- schrift in, waarin onder meer wordt aangevoerd dat het eigenaardig is dat de hogere tuchtoverheid er ondanks de procedure voor de tuchtraad bij blijft dat de ten laste gelegde feiten naar eis van recht bewezen zijn, nu uit het proces-verbaal van de zitting van de tuchtraad blijkt dat zij niet tegenspreekt dat verzoekster altijd samen met haar vriend dienst heeft, zodat het zeer goed mogelijk is dat op 1 juli 2004 haar vriend het voertuig bestuurde en dat het aangetroffen testticket hem toebehoorde. IX-5042-8/13 1.13. Op 13 juli 2005 neemt de hogere tuchtoverheid de definitieve beslissing om aan verzoekster de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. In die beslissing, die het voorwerp uitmaakt van de onderhavige vordering tot schorsing, wordt het - hierboven weergegeven - in het verweerschrift aangevoerd argument dat de schuld van verzoekster niet bewezen is, ontmoet als volgt : “Overwegende dat de verdediging poneert dat de schuld van betrokkene niet bewezen is en stelt dat ‘verzoekster altijd samen met haar vriend hulpagent van politie Van Der Vennet dienst deed zodat het zeer goed mogelijk is dat op kwestieuze dag de heer Van Der Vennet het voertuig bestuurde en het testticket hem toebehoorde’ (verweer p.2); Dat de tuchtoverheid wil verwijzen naar het advies van de Tuchtraad waar met betrekking tot het bestaan van de feiten en de toerekening aan het personeelslid, wordt geadviseerd dat de tenlastelegging m.n. ‘Met het inzicht te ontsnappen aan de betaling van een vergoeding voor het parkeren van haar persoonlijk voertuig en om die reden niet te worden beboet door optredende collega’s, op 1 juli 2004 misbruik te hebben gemaakt van een testticket dat zij ambtshalve in bezit had en dat zij in geen geval voor persoonlijke doeleinden mocht aanwenden’ bewezen is; Dat de Tuchtraad de mening is toegedaan dat ‘wetende dat haar voertuig geparkeerd was in een betaalzone, redelijkerwijze mag aangenomen worden dat het bedoeld document inderdaad bewust op die plaats werd gelegd om als dusdanig te worden herkend door de optredende politiecollega’s’; Dat de tuchtoverheid echter van mening is dat de ten laste gelegde tuchtrechtelijk laakbare feiten naar eis van recht bewezen zijn en zich aansluit bij de visie van de Tuchtraad; Dat uit het dossier blijkt dat hulpagent van politie Dagmar Vandervoort iedere betrokkenheid ontkent; Dat nochtans op 1 juli 2004 omstreeks 10.36 uur door de ‘Dienst Intern Toezicht’ wordt vastgesteld dat het voertuig Citroën Saxo geparkeerd staat, met een testticket op het dashboard te 9000 Gent, Tempelhof; Dat ook indien we van de veronderstelling uitgaan dat betrokkene samen met haar partner naar het werk komt en de partner het testticket heeft genomen en geplaatst op het dashboard, betrokkene en haar partner de bedoeling hadden om te ontsnappen aan de betaling van een vergoeding voor het parkeren van hun persoonlijk voertuig via een overschrijving uitgeschreven door optredende collega’s; Dat bovendien de vaststellingen van de ‘Dienst Intern Toezicht’ geacteerd zijn door de bevoegde officier van gerechtelijke politie in een authentieke akte en de concrete toestand weergeeft op datum van respectievelijk 1 juli 2004; Dat betrokkene geen klacht neerlegde wegens valsheid in geschrifte van het proces-verbaal zodat er geen afbreuk wordt gedaan aan de bewijswaarde van de vaststellingen vervat in betreffend proces-verbaal;” IX-5042-9/13 2. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1. Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat verzoekster in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet) in relatie tot het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de feiten niet bewezen zijn; dat zij betoogt dat het onbegrijpelijk is dat de hogere tuchtoverheid het anders gekwalificeerde tuchtvergrijp voor bewezen blijft houden hoewel het bestuur het gegeven dat verzoekster steeds met haar partner dienst heeft en dat het zeer goed mogelijk is dat haar partner het voertuig bestuurde en het testticket aan hem toebehoorde; dat zij van oordeel is dat die problematiek uitgeklaard had moeten worden en dat nu uit niets blijkt dat de vaststellingen die ten aanzien van haar voertuig zijn gedaan aan haar moeten aangerekend worden en niet aan haar partner; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij daar in haar nota met opmerkingen op antwoordt dat zij de feiten, zoals de tuchtraad ze heromschreven heeft, overgenomen heeft en dat zowel de tuchtraad en de hogere tuchtoverheid de feiten voor bewezen heeft gehouden; 3.3.1. Overwegende dat niet kan betwist worden dat het voertuig van verzoekster op 1 juli 2004 geparkeerd werd en dat de verbalisanten op het dashboard van het voertuig een testticket hebben aangetroffen; dat het dossier ook voldoende gegevens bevat die de hogere tuchtoverheid toelieten te stellen dat redelijkerwijze aangenomen mag worden dat het testticket op het dashboard was achtergelaten opdat het voertuig herkend zou kunnen worden door de collega’s die toezicht hielden op de betaling van de parkeergelden; 3.3.2. Overwegende daarentegen dat tijdens de procedure voor de tuchtraad gebleken is dat er op zijn minst twijfel rees over de vraag wie het voertuig van verzoekster op 1 juli 2004 bestuurde en parkeerde, wanneer het testticket werd genomen en door wie, en wie het op 1 juli 2004 op het dashboard van de wagen IX-5042-10/13 gelegd heeft; dat de tuchtraad, en vervolgens de verwerende partij, uit het dossier dan afgeleid hebben dat, zelfs in de veronderstelling dat de vriend van verzoekster het voertuig bestuurde, het testticket nam en het achter de voorruit legde, er toch het feit blijft dat verzoekster, teneinde te ontsnappen aan een parkeervergoeding, op 1 juli 2004 misbruik gemaakt heeft van een testticket dat zij “ambtshalve in bezit had” -dit wil zeggen dat zij met haar testjeton had opgevraagd- en dat zij in geen geval voor persoonlijke doeleinden mocht aanwenden; dat de tuchtraad dat feit voor bewezen heeft gehouden op grond van “de gedeelde verantwoordelijkheid” van verzoekster en dat hij haar tuchtinbreuk heeft gelegd in het feit dat zij passief gebleven is toen haar vriend haar wagen onregelmatig parkeerde; dat de hogere tuchtoverheid die redenering gevolgd heeft; 3.3.3. Overwegende dat niet wordt ingezien op grond van welk gegeven de tuchtraad en de verwerende partij, wanneer zij ervan uitgingen dat de vriend van verzoekster het testticket genomen heeft, voor bewezen hebben kunnen houden dat er misbruik gemaakt is van een testticket dat verzoekster “ambtshalve in bezit had”, dit wil zeggen dat zij uit de betaalautomaat had gehaald; dat meer nog, de tuchtraad en de verwerende partij slechts voor bewezen konden houden dat -opnieuw ervan uitgaande dat de wagen door haar vriend werd bestuurd en geparkeerd, dat hij een testticket had genomen en achter de voorruit gelegd- ook verzoekster aan de parkeervergoeding wilde ontkomen en dat zij door haar passieve opstelling schuld heeft, indien zij uit het dossier konden opmaken dat zij goed wist dat haar vriend die inbreuk beging en dat zij daar akkoord mee ging; dat in de huidige stand van de rechtspleging de Raad van State dergelijk stuk in het dossier niet terugvindt; 3.3.4. Overwegende dat de tuchtraad -en de hogere tuchtoverheid met hem- op grond van het dossier dat hij te beoordelen had, niet regelmatig heeft kunnen besluiten dat, in zijn benadering dat de vriend en collega van verzoekster haar voertuig parkeerde en een testticket nam, zij kan beschouwd worden als mede- verantwoordelijk voor onrechtmatig gebruik van het testticket; dat het middel ernstig is; 4.1. Overwegende, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat verzoekster verwijst naar een materieel en een moreel nadeel; dat zij een moreel nadeel ziet in haar verwijdering uit de betrekking van hulpagent -die “niet zomaar een job als een ander is maar een welbewuste keuze”- met daarbij de onmogelijkheid om daarnaar terug te keren; dat zij voorts stelt dat zij buiten de politie wordt geplaatst IX-5042-11/13 en ander werk moet zoeken zodat, wegens het tijdsverloop tot aan een vernietigings- arrest, haar reïntegratie bij de politie “ernstig bemoeilijkt kan worden”; dat zij verwijst naar de arresten nr. 108.559 van 28 juni 2002 en nr. 146.734 van 27 juni 2005; 4.2. Overwegende dat de verwerende partij daar in essentie op antwoordt dat het aangevoerde nadeel louter materieel is en dat zij niet inziet waarom verzoekster na een vernietigingsarrest “niet opnieuw zou kunnen solliciteren bij de politie”, dat een reïntegratie steeds mogelijk is en dat de verwijzing naar de integratie in een ander werkmilieu geen gegeven is dat specifiek de situatie van verzoekster betreft; 4.3. Overwegende dat de arresten waarnaar verzoekster verwijst betrekking hebben op beslissingen waarbij aan de verzoekers wegens hun niet-slagen in de opleiding, de toegang tot de politie ontzegd wordt, terwijl in dit geval een tuchtstrafbeslissing aan de orde is zonder dat verzoekster aantoont dat het nadeel in beide aangelegenheden op dezelfde wijze beoordeeld moet worden; Overwegende dat verzoekster met het bestreden besluit tuchtrech- telijk ontslagen is; dat de Raad van State aanneemt dat, in de regel, dergelijke maatregel evident een moeilijk te herstellen ernstig nadeel met zich brengt; dat gewis verzoekster weinig precies is in haar uiteenzetting, maar dat daaruit niet afgeleid mag worden dat zij afstand neemt van de gevestigde rechtspraak; dat de verwerende partij geen bijzondere gegevens met betrekking tot de persoonlijke situatie van verzoekster voorlegt die zouden verhinderen dat in dit concrete geval de regel gevolgd wordt; dat de tweede schorsingsvoorwaarde vervuld is, IX-5042-12/13 BESLUIT: Artikel 1. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 13 juli 2005 van de hogere tuchtoverheid van de politiezone Gent waarbij Dagmar VANDERVOORT van ambtswege ontslagen wordt. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf december 2000 en vijf, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5042-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.527 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.163.919 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div