← België

Arrest 152558 - - 12/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.558 Rolnummer: A. 127235/XIV-11859 Zaak: Arrest 152558 - - 12/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-21 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-03 06:31 Fiche Arrest nr 152.558 van 12 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 152.558 van 12 december 2005 in de zaak A. 127.235/XIV-11.

  1. In zake :
  2. XXX
  3. XXX, in eigen naam en in naam van hun minderjarige kinderen:
  4. XXX,
  5. XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat D. VANTOMME, kantoor houdende te 8560 WEVELGEM, Kortrijkstraat 161 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, XXX, XXX en XXX allen van Georgische nationaliteit, op 18 september 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 20 augustus 2002 tot weigering van regularisatie; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 7 januari 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 13 april 2005; XIV-11.859-1/14 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat Ch. BARTHOLOME, die loco advocaat D. VANTOMME, in opvolging van advocaat K. HINNEKENS, verschijnt voor de verzoekende partijen en van advocaat E. MATTERNE, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  6. Overwegende dat de verzoekende partijen op 28 januari 2000 een regularisatieaanvraag indienen op basis van artikel 2, 4/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); dat op 30 oktober 2001 de eerste kamer van de commissie voor Regularisatie een ongunstig advies verleent, dat luidt als volgt: “Uit de gegevens van de bundel blijkt dat de aanvraag die thans het voorwerp van huidige procedure uitmaakt TIJDIG werd ingediend. Uit de gegevens in de bundel is de identiteit van verzoeker genoegzaam vast komen te staan. Het feit dat betrokkene op 01.10.1999 in het Rijk verbleef staat niet ter discussie. De Commissie stelt vast dat Verzoeker op 16 oktober 1998 een asielaanvraag deed, welke ontvankelijk werd verklaard. De raadsman van Verzoeker bevestigt dat deze stand actueel is want dat hij nog dezelfde dag contract opnam met"mevrouw VAN DE ZANDE", welke hem dit bevestigde. Ingevolge de ontvankelijke asielaanvraag werd aan Verzoeker een immatriculatie- attest afgeleverd. Verzoeker geeft aan, onder meer, duurzame banden te hebben ontwikkeld door zijn tewerkstelling (van augustus 2001 tot mei 2001.) De raadsman stelt dat deze beëindiging gebeurde op initiatief van Verzoeker zelf, die zich wou toeleggen op zijn studie van de Nederlandse taal. Hiervan worden echter geen stukken voorgelegd. Deze bewering komt ongeloofwaardig over, gelet op de Sociale gevolgen, van een door de werknemer ingediend ontslag dat elke sociale uitkering onmogelijk maakt, te meer daar, naar eigen zeggen, de partner van Verzoeker geen enkel tewerkstelling heeft, zodat zich de vraag stelt op welke wijze dit gezin van vier personen in zijn levensonderhoud voorziet. Als verder bewijs van het bestaan van duurzame banden geeft betrokkene aan Betrokkene aan les te geven in de Judosport. Hij is vergezeld van een getuige, Chris VERCAUTEREN, Inspecteur bij de Federale Politie, Territoriale Brigade van de Politiezone WEVELGEM-MENEN-LEDEGEM die zulks bevestigt en die ten andere in de bundel een verklaring voorlegde, opgesteld in zijn hoedanigheid van wijkverantwoordelijke. Op de vraag van een lid van de Commissie of voor deze trainingen vergoedingen werden betaald, antwoordt Verzoeker positief. De getuige VERCAUTEREN antwoordt dat zulks niet het geval is, hetgeen de Commissie ietwat eigenaardig voorkomt. Ter zitting wenst de raadsman van Verzoeker een document te overhandigen, waarin zijn cliënt op Eer verklaart geen" BEVEL OM HET GRONDGEBIED TE VERLATEN" heeft gekregen. Wanneer de Commissie hem confronteert met het gegeven dat zulk bevel wel degelijk werd afgeleverd, neemt de raadsman het stuk terug. De Voorzitter van de Commissie heeft kennis gegeven dat van deze poging tot gebruik van een vals stuk melding te zullen maken in het advies. XIV-11.859-2/14 Voor wat betreft de argumentatie die gevoerd wordt in het schrijven, uitgaande van de raadsman van Verzoeker en gedateerd op 12.10.'01 kan verwezen worden naar hetgeen hieronder m.b.t. de ontvankelijkheid van de aanvraag van de partner van Verzoeker en de kinderen dient opgemerkt. De Commissie acht het verder noodzakelijk de Minister op de hoogte te stellen van het feit dat uit de gegevens, voorhanden in de bundel van de Dienst Vreemdelingenzaken, en meer bepaald uit het gevoegde Strafregister, blijkt dat Verzoeker het voorwerp heeft uitgemaakt van een Correctionele Veroordeling d.d. 13 oktober 1998 door de Correctionele Rechtbank te KORTRIJK Op vraag van de Voorzitter van de Commissie verstrekte de raadsman van Verzoeker nadere inlichtingen. Verzoeker en zijn raadsman werden op de hoogte gesteld van het feit dat de Commissie van dit gegeven melding zou maken. Uit de stukken, die de raadsman in zijn bundel voegde en in samenlezing met de bundel van DVZ, blijkt het volgende: Verzoeker werd op 13.10.1999 door de Correctionele Rechtbank te KORTRIJK veroordeeld wegens hierna vermelde feiten DIEFSTAL
  7. Te MENEN op 19.10.1998 • Een nagelkniptang • Een T-shirt
  8. Te KORTRIJK op 26.10.1998 - Een zwart lederen vest twv. 8000,- BEF
  9. Te KORTRIJK op 13.11.1998 - Een zwarte Jeansbroek ARMANI twv 5.300,- BEF
  10. Te WEVELGEM op 16.12.1998 - Een jas in Daim twv. 6.999,- BEF Poging DIEFSTAL Te ROESELARE op 28.10.1998 - een lederen vest WESTBURY twv. 14.000,- BEF veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden. De raadsman van verzoeker houdt voor dat dit een zeer zware straf is geweest voor een persoon met een blanco strafregister en dat de goederen gestolen werden op een ogenblik dat Verzoeker geen bijstand genoot en het dus zeer moeilijk had. Op vraag van de voorzitter van de Kamer of Hoger Beroep werd aangetekend, verwijst Verzoeker naar het stuk 62 in zijn bundel, te weten het schrijven van de vroegere raadsman, dewelke instructies vroeg, maar deze ofwel niet kreeg, ofwel opdracht kreeg geen beroep aan te tekenen. Op vraag van de Voorzitter of deze goederen verkocht werden, antwoorden Verzoeker en zijn raadsman dat dit niet het geval is geweest, maar dat de kledij door Verzoeker zelf werd gedragen. De Commissie kan enkel vaststellen dat uit deze gegevens blijkt: Dat Verzoeker zeker niet aan zijn proefstuk is, maar in een periode van minder dan 2 maand niet minder dan 5 keer betrapt werd op diefstallen; Dat, in tegenstelling tot hetgeen Verzoeker en zijn raadsman voorhouden, de goederen niet gestolen werden om in de basisbehoeften te voorzien, maar dienstig waren als luxeproduct, waar immers Betrokkene stelt ze niet verkocht te hebben om andere zaken aan te kopen. Dat Verzoeker binnen de week na zijn binnenkomst in België op 16 oktober 1998 reeds betrapt werd bij een diefstal te MENEN op 19.10.
  11. De Commissie is om deze redenen van oordeel deze gegevens onder de aandacht van de Minister te moeten brengen, teneinde hem toe te laten te beoordelen of hij in casu toepassing met maken van artikel 5 van de Wet van 22 december
  12. De Commissie stelt vast dat de aanvraag eveneens werd ingediend namens de partner en het kind van beiden, zoals nader geïdentificeerd in de bundel Uit de door Verzoeker voorgebrachte stukken blijkt evenwel dat de partner en de kinderen slechts op 21 december 1999 in België inkwamen, zodat zij op de datum van de aanvraag niet in het Rijk verbleven, en de aanvraag wat hen betreft doelloos is. Een lid van de Kamer wenst dat een minderheidsadvies. zoals hierna in extenso wordt hernomen. wordt gevoegd: Hoewel de aanvrager nog geen 5 jaar in België verblijft voldoet hij aan de voorwaarden van art 9.9 van de wet van 22 december 1999 aangezien hij een bewijs voorlegt dat hij wettig in België heeft verbleven (zijnde een immatriculatie-attest) en nog steeds verblijft. Dit wettig verblijf werd verkregen in afwachting van een beslissing over de gegrondheid (en niet ontvankelijkheid) over zijn asielaanvraag en maakt dus een relevant wettig verblijf uit in de zin van art 9.9 van de wet van 22 december
  13. De aanvrager heeft tijdens de periode van verblijf in België duurzame sociale bindingen opgebouwd en kan sterke humanitaire reden laten gelden, met name: XIV-11.859-3/14
  14. de aanvrager heeft 2 schoolgaande kinderen in België. Zij hebben het eerste studiejaar aangevangen in het Nederlands. Een onderbreking hiervan is niet in het belang van deze kinderen. -de aanvrager en zijn echtgenote spreken goed Nederlands; de aanvrager volgt nog steeds intensieve cursussen Nederlands om deze kennis nog te verbeteren -de aanvrager heeft sterke sociale relaties uitgebouwd in zijn gemeente alwaar hij o.a. ingeschakeld werd in de plaatselijke judo-club; hij neemt deel aan competitie op Belgisch niveau (zie bewijsstukken en aanwezigheid derde op de zitting) - de aanvrager heeft tijdens zijn wettig verblijf in België gewerkt, de aanvrager zette zijn laatste werk tijdelijk stop om intensieve cursussen Nederlands te volgen; hij kan een bewijs voorleggen waarin een ex-werkgever verklaart hem een contract van onbepaalde duur aan te bieden eenmaal hij geregulariseerd is - de aanvrager wacht al langer dan 3 jaar op een antwoord over zijn asielprocedure De aanvrager werd inderdaad veroordeeld voor diefstal van kleding. Het is echter niet aan de kamers van de Commissie Regularisatie, maar aan de Minister, om te bepalen of de betrokkene omwille van dit voorval een gevaar betekent voor de openbare orde of de nationale veiligheid. (art 5 Reg.W.) Advies: De Commissie verleent, meerderheid tegen minderheid, een ongunstig advies aan deze regularisatieaanvraag en vestigt de aandacht van de Minister op de hierboven aangehaalde feiten die van aard zijn dat zij de Openbare Orde zouden kunnen in gevaar brengen, teneinde hem toe te laten te beoordelen of hij in casu toepassing met maken van artikel 5 van de Wet van 22 december 1999.”; Overwegende dat op 20 augustus 2002 de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag verwerpt door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de commissie voor Regularisatie; dat dit de thans bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “De Kamer van de Commissie voor Regularisatie heeft mij, overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, gevat met een ongunstig advies voor beslissing inzake uw aanvraag tot regularisatie, door u ingediend bij de Burgemeester te Wevelgem, op 28 januari 2000 en dat het nummer 85602000280100031 draagt. Ik heb beslist dit advies, waarvan ik de overwegingen onderschrijf en als de mijne overneem, en waarvan U in bijlage een kopie vindt, te volgen. Overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en het Koninklijk Besluit van 9 juli 2000 beschikt u over 30 dagen om een verzoekschrift tegen deze beslissing in te dienen.”; 2.1.
  15. Overwegende dat de verzoekende partijen in een eerste middel de schending opwerpen van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij aanvoeren dat bestuurshandelingen zowel formeel als materieel dienen gemotiveerd te zijn, dat de bestreden beslissing kennelijk niet gemotiveerd is omdat zij steunt op een advies dat niet gemotiveerd is, dat het normaal is dat zonder verschijning voor de commissie een gunstig advies zou zijn gegeven, dat het administratief dossier stukken bevat die wijzen op duurzame sociale bindingen en op integratie, dat haar raadsman na het advies een brief heeft gericht tot de minister van Binnenlandse Zaken, dat in de bestreden beslissing wordt voorbijgegaan aan de in deze brief aangevoerde elementen, dat men zowel tot een positieve als een negatieve beslissing dient te komen indien men alle overwegingen van het gegeven advies onderschrijft, dat zonder meer gesteld wordt het advies te volgen, dat het advies XIV-11.859-4/14 tegengestelde elementen bevat, dat er geen afweging van overwegingen is, dat het advies zelf een minderheidsadvies bevat, dat nergens wordt gesteld waarom de argumenten van het meerderheidsadvies worden gevolgd, dat de overheid dient te motiveren waarom de inmenging in de rechten gewaarborgd door artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (E.V.R.M.) evenredig is met het doel van die inmenging; dat de verzoekende partijen hierbij verwijzen naar bepaalde rechtspraak van de Raad van State en van het E.H.R.M.; dat zij aanvoeren dat zij niet worden geregulariseerd omwille van de veroordeling tot een gevangenisstraf van minder dan één jaar, dat zij op de hoogte zijn van dossiers waarbij personen een witte kaart werd verleend ondanks een gevangenisstraf van één jaar en zeven maanden, dat dit een schending van het gelijkheidsbeginsel uitmaakt; dat de verzoekende partijen hierbij verwijzen naar bepaalde rechtspraak van de Raad van State; dat zij aanvoeren dat de werkonderbreking een tijdelijk karakter had, dat zeer onterecht het vermoeden is ingevoerd dat de eerste verzoekende partij haar inkomsten uit misdrijven zou hebben gehaald, dat de wet trouwens de situatie voorziet waarin een persoon zelf zijn werk verlaat, dat er ten aanzien van de eerste verzoekende partij geen uitvoerbaar bevel tot het verlaten van het grondgebied werd afgeleverd aangezien er tijdig dringend beroep werd aangetekend, dat het dringend beroep werd gevolgd door een ontvankelijkheidsverklaring, dat enkel voor de aanvrager zelf vereist is dat hij op 1 oktober 1999 in het rijk verblijft, dat die voorwaarde nergens wordt gesteld voor diegenen waarvoor de aanvraag gedaan is, dat de integratie van de gezinsleden uiteraard relevant is voor de aanvraag van de eerste verzoekende partij, dat het advies zelf aangeeft dat niet alle aspecten van de zaak werden afgewogen, dat bestuurlijke overheden de hun voorgelegde zaken binnen een redelijke termijn dienen te behandelen, dat de Raad van State reeds herhaaldelijk het overtreden van die redelijke termijn heeft gesanctioneerd, dat de beslissing steunt op een vals stuk, dat de samenstelling van de commissie tussen enerzijds het horen en anderzijds het afleveren van het advies is gewijzigd en dat geen enkele melding wordt gemaakt van deze wijziging; 2.1.
  16. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Betreffende een eerste middel van de verzoekende partij. In een eerste middel beroept de verzoekende partij zich op een vermeende schending van ‘het motiveringsvereiste, schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet, artikel 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991, zoals gesteld door het algemeen rechtsbeginsel dat de motivering oplegt dat de beslissing zowel inhoudelijk als vormelijk niet gemotiveerd is’. Betreffende de vermeende schending van ‘artikel 62 van de Vreemdelingenwet' en ‘artikel 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991' merkt de verwerende partij op dat bij lezing van verzoekers verzoekschrift blijkt dat deze daarin niet alleen inhoudelijke kritiek leveren, waarmee zij blijk geven kennis te hebben van de motieven vervat in de bestreden beslissing van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken, doch dat zij er ook in slagen die uitdrukkelijk weer te geven. Als zodanig spreken verzoekers zich dan ook tegen als zij stellen de motivering van de door hen bedoelde akte gebrekkig te achten, terwijl zij perfect bij machte blijken om de motieven van die akte weer te geven in hun verzoekschrift en uit te leggen waarom zij deze beschouwen als niet afdoende of waarom zij de mening zijn toegedaan dat de motivering ‘tegenstrijdige elementen’ bevat. XIV-11.859-5/14 De verwerende partij is dan ook van oordeel dat o.b.v. deze vaststelling dient te worden besloten dat verzoekers het vereiste belang ontberen bij de betrokken kritiek (cf R.v.St. nr. 47.940, 14.06.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.). De formele motiveringsplicht vervat in de wetsartikelen waarvan verzoekers de schending aanvoeren, heeft immers geen ander doel dan het in kennis stellen van de bestuurden van de redenen die ten grondslag liggen aan de te hunnen opzichte genomen bestuursbeslissing, zodanig dat deze in staat zijn om te oordelen of het zinvol is om daartegen op te komen met de ter beschikking staande rechtsmiddelen (R.v.St. nr. 60.75 1, 04.07.1996, TB.P. 1996, 698), terwijl de voormelde vaststelling impliceert dat deze wettelijke doelstelling is bereikt. Geheel ten overvloede, en in antwoord op verzoekers concrete argumentatie, laat de verwerende partij nog het volgende gelden. Betreffende een eerste onderdeel van verzoekers eerste middel. In een eerste onderdeel van hun eerste middel stellen verzoekers ‘Dat ter zake de normale gang van zaken zou zijn dat er zonder verschijning voor de Commissie een direct gunstig advies zou worden gegeven dat vervolgens zou leiden tot een gunstige beslissing’. De verwerende partij is de mening toegedaan dat de voormelde kritiek niet dienstig in verband kan worden gebracht met de door verzoekers in hun eerste middel voorgehouden schending van de formele motiveringsplicht. * Betreffende een tweede onderdeel van verzoekers eerste middel. In een tweede onderdeel van hun eerste middel verwijzen verzoekers naar een schrijven gericht ‘aan de minister’ en poneren zij dat ‘geen enkel motief enig antwoord biedt betreffende de aangevoerde elementen’. Dienaangaande merkt de verwerende partij vooreerst op dat voormeld schrijven door de verzoekende partij werd verzonden naar het adres van de Commissie voor regularisatie, terwijl deze, gezien het reeds eerder ingenomen standpunt, ter zake geen enkele bevoegdheid meer had. Wellicht heeft het schrijven van de verzoekende partij de Federale Minister van Binnenlandse Zaken nooit of niet tijdig bereikt. Geheel ten overvloede kan aan het bovenstaande nog worden toegevoegd dat het schrijven van de raadsman van de verzoekende partij bovendien niet van die aard is dat het afbreuk zou kunnen doen aan de in casu bestreden beslissing. Betreffende een derde en vierde onderdeel van verzoekers eerste middel. In het derde en vierde onderdeel van verzoekers eerste middel stelt de verzoekende partij ‘dat wanneer men al de overwegingen van het gegeven advies onderschrijft men terzelfdertijd dient te komen tot een positieve en negatieve beslissing, temeer daar niet wordt gespecifieerd dat er overwegingen zouden zijn die men niet onderschrijft’ alsook ‘dat er evenmin een afweging is van overwegingen’. Verzoekende partij lijkt daarmee te doelen op het gegeven dat naast het advies van de kamer van de commissie voor regularisatie ook een minderheidsadvies is toegevoegd. Dienaangaande laat de verwerende partij gelden dat in de in casu bestreden beslissing uitdrukkelijk is vermeld dat ‘de kamer van de Commissie voor regularisatie (de Minister) heeft gevat met een ongunstig advies voor de beslissing inzake (verzoekers) aanvraag tot regularisatie’ en de Federale Minister heeft beslist ‘dit advies' te volgen, met onderschrijven van de overwegingen welke hij als de zijne overneemt. Bij lezing van de in casu bestreden beslissing blijkt aldus duidelijk dat de Federale Minister van Binnenlandse Zaken het ongunstig advies van de kamer van de Commissie voor regularisatie volgt, en niet het 'minderheidsadvies' dat werd gevoegd, hetgeen op zich geen deel uitmaakt van het ongunstig advies. Verzoekers beschouwingen dienaangaande, welke overigens weinig relevant zijn, kunnen aan het bovenstaande geen afbreuk doen. Betreffende verzoekers kritiek dat ‘nergens wordt gesteld waarom de argumenten van het meerderheidsadvies gevolgd worden’ en er geen ‘afweging is van overwegingen’, weze er nogmaals op gewezen dat het formeel motiveren van een bestuursbeslissing niets anders vereist dan dat het bestuur daarin, rechtstreeks of, zoals in casu, via een verwijzing naar een advies van een andere instantie, de redenen opgeeft die het tot zijn beslissing brengen, d.w.z. de juridische en feitelijke gegevens vermeldt die het bepalend acht om in een bepaalde zin te beslissen. De verwerende partij diende in de formele motivering van haar beslissing dan ook geenszins een antwoord te geven op alle strijdige argumenten die de bestuurde in de voorafgaande procedure heeft aangevoerd (R.v.St. nr. 73.631, 13.05.1998, A.P.M 1998, 95) en was ook niet verplicht te antwoorden op elk argument dat binnen de onderzoekscommissie belast met die voorafgaande procedure was aan bod gekomen (cf. R.v.St. nr. 50.140, 09.11.1994, R.A. C.E. 1994, z.p.). In het geval van het voornoemde ’minderheidsadvies’ komt daar nog bij dat dit advies niet kan worden beschouwd als een officieel 'stuk' van de onderzoeksprocedure, wel integendeel, temeer nu in het verslag aan de Koning voorafgaand aan het Koninklijk besluit dd. 05.01.2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor regularisatie en houdende de uitvoering van de wet van 22.12.1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, waarin, XIV-11.859-6/14 onder verwijzing naar voorbereiding van de genoemde wet in de Senaat, wordt gesteld dat na afloop van de beraadslaging binnen een kamer van de Commissie voor regularisatie ‘wanneer een minderheidsvisie blijft bestaan, deze (dient) in te stemmen met het meerderheidsadvies’. Het was dus geenszins nodig om specifiek op het genoemde advies in te gaan om de bestreden beslissing formeel genoegzaam te motiveren (of om die beslissing anderszins naar recht te verantwoorden). * Betreffende een vijfde onderdeel van verzoekers eerste middel. Verzoekende partij maakt in een vijfde onderdeel van het eerste middel een aantal inhoudelijke opmerkingen, waarbij zij verwijst naar o.a. het art. 8 E.V.R.M. en de beweerde (on)bevoegdheid van de Commissie voor regularisatie. De verwerende partij merkt betreffende dit vijfde onderdeel van het enig middel op dat ook verzoekers beschouwingen, vervat in het voormelde onderdeel, niet dienstig in verband kunnen worden gebracht met de door verzoekers in hun eerste middel voorgehouden schending van de formele motiveringsplicht. De verwerende partij zal op verzoekers concrete kritiek, vervat in het vijfde onderdeel van hun enig middel, antwoorden in zoverre deze wordt hernomen in verzoekers verdere middelen, en in zoverre deze ter zake dienstig wordt opgeworpen. Betreffende een zesde onderdeel van verzoekers eerste middel. In een uiterst onduidelijk en summier omschreven zesde onderdeel van het eerste middel stellen verzoekers dat ‘niet alle aspecten van de zaak afgewogen werden’. Ter ondersteuning van het zesde onderdeel verwijst de verzoekende partij naar het gegeven dat in de in casu bestreden beslissing wordt gesteld dat de beëindiging van verzoekers tewerkstelling ‘gebeurde op initiatief van verzoeker zelf,' die zich wou toeleggen op zijn studie van de Nederlandse taal, terwijl 'Hiervan geen stukken werden voorgelegd'. Het is de verwerende partij geenszins duidelijk hoe de voormelde kritiek dienstig kan worden aangehaald ter ondersteuning van verzoekers beschouwing dat ‘niet alle aspecten van de zaak afgewogen werden temeer nu het feit dat met betrekking tot de vermeende ‘studie van de Nederlandse taal geen stukken werden voorgelegd uiteraard enkel en alleen te wijten is aan de verzoekende partij zelf, die in gebreke bleef de nodige overtuigingsstukken aan te brengen. Bovendien mist verzoekers kritiek feitelijke grondslag nu, zoals afdoende uit de overwegingen vervat in de in casu bestreden beslissing blijkt, wel degelijk rekening werd gehouden met verzoekers beweerde ‘studie van de Nederlandse taal’, doch dat verzoekende partij deze niet aannemelijk kan maken. Betreffende een zevende onderdeel van verzoekers eerste middel. In een zevende middel uit verzoeker kennelijk kritiek op het gegeven dat ‘het verzoek tot regularisatie werd gedaan in januari 2000 en ‘pas op 20 augustus 2002 werd beslist’, alsook dat nergens wordt aangegeven waarom de beslissing zou genomen zijn binnen een redelijke termijn’ en ‘nergens enige motivering wordt gegeven nopens de tijd die in het nemen van de bestreden beslissing zou genomen zijn’. Uiteraard kan ook de voormelde kritiek, waarbij verzoeker kennelijk onder het mom van een motiveringsgebrek tracht aan te voeren dat de bestreden beslissing niet zou zijn genomen binnen een redelijke termijn, geenszins dienstig in verband worden gebracht met de door verzoekers in hun eerste middel voorgehouden schending van de formele motiveringsplicht. Bovendien kan worden verwezen naar verzoekers vierde middel, waar de verwerende partij uiteenzet dat de in casu bestreden beslissing, gezien het nodige onderzoek dat diende te gebeuren in de verschillende fases van de regularisatieprocedure, binnen een redelijke termijn werd genomen. Betreffende een achtste onderdeel van verzoekers eerst middel. In een achtste en laatste onderdeel van hun eerste middel stellen verzoekers 'Wat de beslissing berust op een vals stuk’ nu beweerdelijk de samenstelling gewijzigd werd tussen enerzijds moment van het horen van de zaak en anderzijds het afleveren van het advies’. Dienaangaande verwijst de verwerende partij naar de stukken van het administratief dossier en in het bijzonder naar het 'proces verbaal van de zitting van de 3 leden van 23.10.2001' waaruit afdoende blijkt dat de samenstelling geenszins werd gewijzigd. Verzoekers stelling dat ‘zij meenden dat de zetel was samengesteld uit 2 dames en 1 heer’ kan uiteraard aan de bovenvermelde vaststelling geen afbreuk doen. De verwerende partij is, gelet op het hierboven vermelde, de mening toegedaan dat verzoekers eerste middel niet kan worden aangenomen.”; 2.1.
  17. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegen: “a) Dat de normale gang van zaken niet volgen uiteraard betekent dat de beslissing aangetast is door een kennelijke onredelijkheid. XIV-11.859-7/14 b) Dat het argument alsof het schrijven van de vroegere raadsman verkeerd geadresseerd werd zeer ongelukkig gekozen is, nu vanuit dit adres wel degelijk beslissing worden gezonden voor de minister van Binnenlandse Zaken. c) Dat voorbereidende activiteiten tot een K.B. uiteraard geen wetgeving uitmaken daar waar door het opnemen in het advies het minderheidsadvies duidelijk blijft behoren tot de overwegingen van de beslissingen. Dat zo het advies aangetast zou zijn door een nietigheid gelet op het minderheidsadvies is het gehele advies uiteraard nietig en is de verwijzing naar nietig stuk uiteraard geen deugdelijke motivering. e) Dat het volstaat te volharden in het verzoekschrift; dat arresten van de Raad van State zelfs (zoals trouwens geciteerd in het verzoek) stellen dat art. 8 van het E.V.R.M. kan en moet betrokken worden in de motivering van een beslissing. f) Dat het terzake volstaat te verwijzen naar het verzoekschrift g) Dat het terzake volstaat te verwijzen naar het verzoekschrift. h) Dat het terzake volstaat te verwijzen naar het verzoekschrift.”; 2.1.
  18. Overwegende dat de verzoekende partijen onder punt a) aanvoeren dat het zonder verschijning voor de commissie de normale gang van zaken zou zijn geweest dat onmiddellijk een gunstig advies zou zijn gegeven, gelet op de inhoud van het dossier; dat artikel 12, §4, van de Regularisatiewet bepaalt dat, wanneer het secretariaat van de commissie voor Regularisatie vaststelt dat het bij de aanvraag ingediende dossier volledig is en dat prima facie blijkt dat de aanvraag kan leiden tot een gunstig advies, deze de aanvraag met een gunstig advies voor beslissing overmaakt aan de minister; dat indien de minister wenst af te wijken van dit advies, hij de zaak aanhangig maakt bij een kamer van de commissie voor Regularisatie; dat derhalve enkel in dat geval een gunstige beslissing mogelijk is zonder verschijning voor de commissie voor Regularisatie; dat in deze zaak het onderzoekssecretariaat van de commissie voor Regularisatie echter heeft vastgesteld dat het dossier volledig is maar stukken bevat die aanleiding kunnen geven tot betwisting en daarom de zaak de zaak aanhangig heeft gemaakt bij een kamer van de commissie voor Regularisatie; dat de verzoekende partijen derhalve niet aantonen dat de bestreden beslissing kennelijk onredelijk is; Overwegende dat de verzoekende partijen onder punt b) aanvoeren dat hun raadsman zich na het advies van de commissie tot de minister heeft gericht, maar dat in de bestreden beslissing niet is geantwoord op de aangevoerde elementen; dat uit de samenlezing van de artikelen 3, 4, 10, en 11 van de Regularisatiewet blijkt dat het tegensprekelijk karakter van de regularisatieprocedure in de regel beëindigd is wanneer de commissie voor Regularisatie het advies ter kennis van de aanvrager en de minister heeft gebracht; dat artikel 12, §1, van de Regularisatiewet enkel een tegensprekelijke procedure voorziet bij de minister wanneer de Commissie een negatief advies voor beslissing heeft overgemaakt aan de minister, nadat het secretariaat van de commissie voor Regularisatie heeft vastgesteld dat het dossier onvolledig is; dat duidelijk blijkt dat de verwerende partij zich voor het nemen van de bestreden beslissing heeft gesteund op de motieven in het advies van de commissie voor Regularisatie; dat de verzoekende partijen aldus kennis hebben van de motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund; dat daarmee aan de voornaamste vereiste van de formele motiveringsplicht is voldaan; dat het niet is vereist dat op ieder afzonderlijk argument van de verzoekende partijen wordt ingegaan; XIV-11.859-8/14 Overwegende dat de verzoekende partijen onder punt c) en d) betogen dat het advies zowel een negatief als een positief advies bevat en dat nergens wordt vermeld waarom de argumenten van het negatieve meerderheidsadvies worden gevolgd; dat in het advies van de commissie voor Regularisatie het minderheidsadvies van één lid van de kamer wordt hernomen; dat uit de bestreden beslissing duidelijk blijkt dat de minister het ongunstige advies, meerderheid tegen minderheid, heeft gevolgd; Overwegende dat de verzoekende partijen onder punt f) betogen dat in het advies niet alle aspecten van de zaak worden afgewogen, zodat de beslissing die daarop steunt onvolledig is; dat dit onderdeel te summier is om de Raad van State toe te laten zijn wettigheidscontrole uit te oefenen; Overwegende dat de verzoekende partijen in het eerste middel voorts nog aanvoeren dat de Commissie niet bevoegd is om een oordeel te vormen aangaande de toepassing van artikel 5 van de Regularisatiewet, dat de bestreden beslissing een schending inhoudt van artikel 8 E.V.R.M. (punt e), dat de bestreden beslissing niet is genomen binnen een redelijke termijn (punt g) en dat de samenstelling van de Commissie tussen het horen van de aanvrager en het afleveren van het advies is gewijzigd; dat deze onderdelen opnieuw en uitgebreider worden opgeworpen in de volgende middelen, zodat wordt verwezen naar de bespreking van de betreffende middelen; Overwegende dat het eerste middel in al zijn onderdelen ongegrond is; 2.2.
  19. Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de schending opwerpen van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (E.V.R.M.); dat zij aanvoeren dat artikel 8 van het E.V.R.M. zowel het privé-leven als het gezinsleven beschermt, dat dit artikel eveneens betrekking heeft op het ontwikkelen en behouden van relaties met andere mensen, dat zij een zeer reële en sterke band met België hebben, dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens reeds heeft geoordeeld dat correctionele straffen niet opwegen tegen de rechten vervat in artikel 8 van het E.V.R.M., dat een bevel om het grondgebied te verlaten evenredig moet zijn aan het gestelde doel, dat de overheid dient te motiveren waarom een inmenging in de rechten van artikel 8 van het E.V.R.M. evenredig is met het gestelde doel, dat de Raad van State reeds in een gelijkaardig geval heeft geoordeeld dat de eerbiediging van het huwelijk en het privé-leven van fundamenteel belang zijn en dat gezinsleden en hun maatschappelijke integratie relevant zijn; 2.2.
  20. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat de bestreden beslissing geenszins de verplichting oplegt om het grondgebied te verlaten, gelet op de nog hangende asielaanvragen; XIV-11.859-9/14 2.2.
  21. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord toevoegen dat de bestreden beslissing een schending kan uitmaken van artikel 8 van het E.V.R.M., ook al is er nog een tijdelijk recht op verblijf in België; 2.2.
  22. Overwegende dat artikel 8 van het E.V.R.M. inhoudt dat eenieder recht heeft op gezinsleven voor zover er geen wettelijke regelingen zijn voorzien die hieraan beperkingen stellen; dat die bepaling niet wegneemt dat de verzoekende partijen aan de bepalingen van de Regularisatiewet dienen te voldoen om de gevraagde regularisatie te kunnen verkrijgen; dat een zeer reële en sterke band met België, zoals door de verzoekende partijen aangehaald, niet volstaat om tot de schending van artikel 8 van het E.V.R.M. te besluiten; dat bovendien de bestreden beslissing de verzoekende partijen niet verplicht om het grondgebied te verlaten; dat het tweede middel ongegrond is; 2.3.
  23. Overwegende dat de verzoekende partijen in een derde middel de schending opwerpen van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van het gelijkheidsbeginsel; dat zij aanvoeren dat krachtens de omzendbrief van 15 december 1998, iedereen die een gevangenisstraf van maximum 1 jaar had opgelopen in aanmerking zou komen voor regularisatie, dat uit de voorbereidende werken van de Regularisatiewet valt af te leiden dat de nieuwe wet soepeler zou zijn dan de regularisatie overeenkomstig artikel 9, 3/, van de Vreemdelingenwet, dat zij niet worden geregulariseerd ondanks het feit dat de eerste verzoekende partij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van slechts zes maanden en dat de Raad van State reeds heeft geoordeeld dat het tot de motiveringsplicht behoort aan te geven waarom de enen zus en de anderen zo worden behandeld; 2.3.
  24. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat de wenselijkheid van het nastreven van een bepaalde eenheid in gelijkaardige zaken geen afbreuk kan doen aan de opdracht van de kamers van de commissie voor Regularisatie en van de verwerende partij om het dossier van de verzoekende partijen op zijn eigen merites te beoordelen, dat de minister van Binnenlandse Zaken geheel binnen de grenzen van de hem terzake toebedeelde bevoegdheid en beoordelingsruimte, terecht heeft geoordeeld dat de regularisatieaanvraag van de verzoekende partijen diende te worden verworpen en dat het gelijkheidsprincipe derhalve niet is miskend; 2.3.
  25. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord het middel herhaalt; 2.3.
  26. Overwegende dat het in de Grondwet vastgelegde gelijkheidsbeginsel vereist dat allen die zich in een zelfde feitelijke en rechtstoestand bevinden, op gelijke wijze worden behandeld; dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel als zodanig te dezen niet relevant is; dat de Regularisatiewet principieel een gunstmaatregel is en een XIV-11.859-10/14 uitzonderingswet die meer welomschreven omstandigheden en striktere voorwaarden bevat dan het gemeen recht vervat in de Vreemdelingenwet; dat de analogie met artikel 9, 3/, van de Vreemdelingenwet derhalve niet dienstig kan worden aangevoerd; dat de verzoekende partijen aldus niet aannemelijk maken dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden; dat het derde middel ongegrond is; 2.4.
  27. Overwegende dat de verzoekende partijen in een vierde middel aanvoeren dat de bestreden beslissing niet is genomen binnen een redelijke termijn, dat bestuurlijke overheden hun zaken binnen een redelijke termijn dienen te behandelen; dat zij hierbij verwijzen naar een algemene conclusie van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen en naar bepaalde rechtspraak van de Raad van State; 2.4.
  28. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden in concreto moet beoordeeld worden en dat zij van mening is dat in casu de redelijke termijn niet is overschreden; 2.4.
  29. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord volharden in het middel; 2.4.
  30. Overwegende dat, zo er te dezen al sprake kan zijn van het overschrijden van een redelijke termijn, die overschrijding niet tot gevolg kan hebben dat verzoekers aanvraag tot regularisatie bevestigend moest worden beoordeeld; dat hij dit trouwens ook niet beweert; dat de verzoekende partij niet aantoont welk belang zij heeft bij het inroepen van dit middel; dat het middel niet-ontvankelijk is; 2.5.
  31. Overwegende dat de verzoekende partijen in een vijfde middel de schending opwerpen van artikel 5 van de Regularisatiewet; dat zij aanvoeren dat de commissie voor Regularisatie niet bevoegd is te oordelen over de toepassing van artikel 5 van de Regularisatiewet; 2.5.
  32. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat het tot de taak van de commissie voor Regularisatie behoort om een allesomvattend advies te geven aan de minister van Binnenlandse Zaken en dat de verzoekende partijen dan ook niet dienstig kunnen aanvoeren dat de commissie voor Regularisatie zich niet mag beroepen op het strafrechtelijk verleden van de eerste verzoekende partij; 2.5.
  33. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord volharden in het middel; XIV-11.859-11/14 2.5.
  34. Overwegende dat artikel 5 van de Regularisatiewet bepaalt: “De in artikel 2 bedoelde vreemdelingen die naar het oordeel van de minister een gevaar betekenen voor de openbare orde of nationale veiligheid zijn van de toepassing van deze wet uitgesloten”; dat de verzoekende partijen er verkeerdelijk van uitgaan dat de commissie voor Regularisatie de uitsluitingsbeslissing heeft genomen; dat het betoog van de verzoekende partij derhalve niet kan worden bijgetreden nu artikel 5 duidelijk bepaalt dat de minister van Binnenlandse Zaken de uitsluitingsbeslissing neemt; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat artikel 5 van de Regularisatiewet met de bestreden beslissing is geschonden; dat het vijfde middel ongegrond is; 2.6.
  35. Overwegende dat de verzoekende partijen in een zesde middel de schending opwerpen van artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de commissie voor Regularisatie en houdende de uitvoering van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk; dat het middel als volgt is ontwikkeld: “Dat de vroegere raadsman van de verzoekende partij dienaangaande zeer terecht opwerpt ‘De voorzitter schond quasi geen enkele aandacht aan de situatie van de partner KARANADZE Lia, moeder van zijn 2 schoolgaande kinderen. In het advies doet hij het af als de regularisatieaanvraag van de partner en kinderen ‘doelloos’ is, nu vrouw en kind pas in de maand december van het jaar 1999 en dus na 1.10.1999 waren aangekomen’. Dat artikel 1 van het K.B. van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de commissie voor regularisatie en houdende de uitvoering van de wet van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvende op het grondgebied van het rijk, de wet die een aanvraag tot regularisatie tot verblijf heeft ingediend’. Dat enkel betreffende de aanvrager, diegene die dus het verzoek richt vereist is dat hij op 1 oktober 1999 in het rijk verblijft; dat nergens een dergelijke voorwaarde gesteld is voor diegenen waarvoor de aanvraag gedaan is, die in het verzoek voorkomt ook al is deze geen aanvrager.”; 2.6.
  36. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In een zesde en laatste middel beroept de verzoekende partij zich op een vermeende schending van ‘artikel 1 van het K.B. van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de commissie voor regularisatie en houdende de uitvoering van de wet van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvende op het grondgebied van het Rijk, B.S. 10 januari 2000'. Ter ondersteuning van het zesde en laatste middel uit de verzoekende partij kritiek op het gegeven dat in de in casu bestreden beslissing dd 20.08.2002 werd gesteld dat de aanvraag tevens werd ingediend namens de partner en het kind, en uit de door verzoeker naar voor gebrachte stukken blijkt dat de partner en de kinderen slechts op 21 december 1999 in België aankwamen, zodat zij op de datum van 01.10.1999 niet in het Rijk verbleven, en de aanvraag wat hen betreft ‘doelloos’ is. De verzoekende partij poneert daarbij dat ‘enkel betreffende de aanvrager, diegene die dus het verzoek richt vereist is dat hij op 1 oktober 1999 in het rijk verbleef’, en dat ‘nergens de voorwaarde is gesteld voor diegene waarvoor de aanvraag gedaan is, die in het verzoek voorkomt ook al is deze geen aanvrager’. De verzoekende partij lijkt er daarbij van uit te gaan dat verzoekster en de kinderen niet kunnen worden beschouwd als ‘aanvrager’. Dienaangaande merkt de verwerende partij op dat in casu geheel terecht werd geoordeeld dat de regularisatieaanvraag van verzoekster en de kinderen niet verder diende te worden onderzocht nu : XIV-11.859-12/14 - in zoverre enkel verzoeker als aanvrager dient te worden beschouwd, betrokkenes echtgenote en kinderen het statuut van de verzoeker als ‘aanvrager’ volgen en, gezien de verwerping van verzoekers regularisatieaanvraag, derhalve ook hun verblijf in het Rijk niet kan worden geregulariseerd in toepassing van de wet dd 22.12.
  37. - in zoverre kan worden aangenomen dat verzoekster en de kinderen niet het statuut van verzoeker volgen en de regularisatieaanvraag door hen in eigen naam werd ingediend waarbij zij kunnen worden beschouwd als ‘aanvrager’, terecht werd vastgesteld dat betrokkenen niet op 01.10.1999 in het Rijk aanwezig waren, en zij zich derhalve niet dienstig konden beroepen op een eventuele toepassing van de Regularisatiewet dd 22.12.
  38. De verwerende partij is, gelet op het bovenstaande, de mening toegedaan dat ook verzoekers zesde en laatste middel niet kan worden aangenomen.”; 2.6.
  39. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord volharden in het middel; 2.6.
  40. Overwegende dat de verzoekende partijen ervan uitgaan dat enkel de eerste verzoekende partij de aanvrager is en niet haar echtgenote en de minderjarige kinderen; dat in het advies alle verzoekende partijen worden opgesomd; dat uit het feit dat de verzoekende partijen gezamenlijk de bestreden beslissing aanvechten kan worden afgeleid dat zij er van uitgaan dat de bestreden beslissing op alle verzoekende partijen van toepassing is; dat het zesde middel niet dienstig kan worden aangevoerd;
  41. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  42. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  43. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de meerderjarige verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf december tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. XIV-11.859-13/14 De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-11.859-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.558 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.