← België

Arrest 152608 - - 13/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.608 Rolnummer: Zaak: Arrest 152608 - - 13/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-16 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-03 06:35 Fiche Arrest nr 152.608 van 13 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 152.608 van 13 december 2005 in de zaken A. 151.888/VII-32.205 A. 151.900/VII-32.208 In zake : 1.XXX,

  1. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. J.P. LIPS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 148, bus 2 tegen: de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 18 mei 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 mei 2004 tot weigering tot in overwegingname van een vluchtelingenverklaring; Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 18 mei 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 mei 2004 tot weigering tot in overwegingname van een vluchtelingenverklaring; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien de verslagen opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van deze verslagen aan de partijen en gezien het verzoekschrift tot voortzetting van de verzoekende partijen teneinde te worden gehoord; VII-32.205 & 32.208-1/12 Gelet op de beschikking van 8 september 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 11 oktober 2005; Gelet op de beschikking van 4 oktober 2005 waarbij de beschikking van 8 september 2005 houdende vaststelling van de zaken op de openbare terechtzitting van 11 oktober 2005 wordt ingetrokken, en waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 25 oktober 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. J.P. LIPS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat A. DE MEU, die, loco Advocaten E. MATTERNE en C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de samenvoeging van de beroepen. Overwegende dat de echtgenoten XXX en XXX ieder in een afzonderlijk verzoekschrift de vernietiging vragen van hun beslissing tot weigering tot in overwegingname van een vluchtelingenverklaring; dat de beslissing die ten aanzien van de vrouw werd genomen, steunt op de beslissing die ten aanzien van haar echtgenoot werd genomen; dat deze daarmee verbonden is; dat, in het belang van een goede rechtsbedeling, het aangewezen is beide beroepen wegens verknochtheid samen te behandelen en te beslechten; dat dan ook op de vraag van de verzoekende partijen kan worden ingegaan om de zaken samen te voegen;
  3. Over de gegevens van de zaken. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaken als volgt kunnen worden samengevat: 2.
  4. De verzoekende partijen kwamen België binnen op 10 april 2003 en verklaarden zich diezelfde dag voor de eerste maal vluchteling onder de respectievelijke schuilnamen XXX en XXX. VII-32.205 & 32.208-2/12 2.
  5. Op 28 mei 2003 nam de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 2.
  6. Op 21 oktober 2003 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken. 2.
  7. Tegen deze beslissingen dienden de verzoekende partijen ieder een schorsingsverzoek en een annulatieberoep in bij de Raad van State. Deze vorderingen en beroepen werden verworpen, respectievelijk bij ‘s Raads arresten nr. 143.243 en nr. 143.244, beide van 18 april
  8. 2.
  9. Op 31 maart 2004 verklaarden de verzoekende partijen zich voor de tweede maal vluchteling. 2.
  10. Op 13 mei 2004 nam de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering tot in overwegingname van een vluchtelingenverklaring. Dit zijn de bestreden beslissingen, waarvan de motiveringen luiden als volgt: Voor de eerste verzoekende partij: “Overwegende dat Betrokkene een eerste asielaanvraag indiende op 10/04/2003 alias Djamchatov Ruslan die werd afgesloten met een negatieve beslissing door het CGVS op 24/10/2003; overwegende dat betrokkene een tweede asielaanvraag indiende op 31/03/2004 waarbij hij verklaart niet te zijn teruggekeerd naar zijn land van herkomst; overwegende dat betrokkene de mogelijkheid werd geboden om twee maal zijn relaas naar waarheid te vertellen in het kader van zijn eerste asielaanvraag; overwegende dat betrokkene bij zijn tweede aanvraag een aantal documenten naar voren brengt doch hij in de mogelijkheid werd gesteld deze in de vorige procedure aan te brengen aangezien de documenten dateren van vóór zijn vertrek naar België; overwegende dat betrokkene geen enkel nieuw element aanbrengt met betrekking tot het feit dat hij na zijn vertrek nog gezocht wordt door de autoriteiten.”. Voor de tweede verzoekende partij: “Overwegende dat Betrokkene een eerste asielaanvraag indiende op 10/04/2003 alias Aliyeva Djamila die werd afgesloten met een negatieve beslissing door het CGVS op 24/10/2003; overwegende dat betrokkene een tweede asielaanvraag indiende op 31/03/2004 waarbij zij verklaart niet te zijn teruggekeerd naar haar land van herkomst; overwegende dat betrokkene verklaart niet te kunnen terugkeren naar haar land van herkomst omdat haar man zou gezocht worden; overwegende dat betrokkene geen nieuw element aanbrengt met betrekking tot feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase van de vorige asielprocedure waarin zij die had kunnen voorleggen.”; VII-32.205 & 32.208-3/12
  11. Over de gegrondheid van de beroepen. 3.
  12. Het beroep van XXX. 3.1.
  13. Overwegende dat verzoeker een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Het Eerste Middel is afgeleid uit de schending van de wet: in het bijzonder van de artikelen 51/8, 52 en 62, al. 1 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen juncto artikel de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen; en artikel 1, A

(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli
  1. Doordat de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken tot weigering tot in overwegingneming van een vluchtelingenverklaring d.d. 6 februari 2003 gebaseerd is op artikel 51/8 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (de ‘Vreemdelingenwet’) en niet op artikel 52 Vreemdelingenwet: Terwijl de Dienst Vreemdelingenzaken de elementen in zijn tweede asielaanvraag in overweging neemt maar naast zich neerlegt of miskent. In de genoemde beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken staat letterlijk: ‘overwegende dat betrokkene bij zijn tweede asielaanvraag een aantal documenten naar voren brengt doch hij in de mogelijkheid werd gesteld deze in de vorige procedure aan te brengen aangezien de documenten dateren van vóór zijn vertrek naar België’ Deze in overwegingneming van in de feiten opgesomde documenten die nieuw werden neergelegd, impliceert dat het om nieuwe elementen gaat die in ogen van de Dienst Vreemdelingenzaken ‘te laat’ aangebracht worden. De Raad van State oordeelt hierover dat: ‘qu’en appréciant les éléments nouveaux au regards des critères de la Convention de Genève ou en les jugeant non crédibles, la partie adverse a pris ces éléments en considération; qu’elle ne pouvait plus, à l’issue de cet examen, faire application de l’article 51/8 de la loi du 15 décembre 1980, mais devait statuer sur les demandes d’asile en vertu de l’article 52 de la loi précitée’ (R.v.St. 11 juli 2000, arrest nr. 88870; in diezelfde zin: R.v.St. 25 april 2001, arrest nr. 94946; R.v.St. 21 augustus 1995, arrest nr. 5481l). En doordat de Dienst Vreemdelingenzaken in haar motivering faalt. Zij argumenteert dat: -‘betrokkene de mogelijkheid werd geboden om twee maal zijn relaas naar waarheid te vertellen in het kader van zijn eerste asielaanvraag’ -‘overwegende dat betrokkene bij zijn tweede asielaanvraag een aantal documenten naar voren brengt doch hij in de mogelijkheid werd gesteld deze in de vorige procedure aan te brengen aangezien de documenten dateren van vóór zijn vertrek naar België’ -‘overwegende dat betrokkene geen enkel nieuw element aanbrengt met betrekking tot het feit dat hij na zijn vertrek nog gezocht wordt door de autoriteiten’ Terwijl verzoeker in zijn tweede asielaanvraag uitdrukkelijk stelde dat hij in zijn eerste asielprocedure uit vrees voor zijn leven eerst een schuilnaam gebruikte maar nog voor zijn interview bij het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen zijn ware identiteit bekendmaakte. Met andere woorden verzoeker heeft reeds tijdens de eerste asielaanvraag zijn relaas naar waarheid vertelt. De Belgische overheid gaf echter geen gevolg aan de melding van de werkelijke naam. Verzoeker legt in het bijzonder twee brieven met beëdigde vertaling neer die hij pas na de laatste fase in de procedure waarin verzoeker ze had kunnen inbrengen, verkreeg. Hiervan getuigt het opvangcentrum van Rendeux (zie stukken nrs. 2, 3 en 4 verzoeker). De eerste brief dateert van 4 februari 2003 (dat is net vóór de asielaanvraag) en de tweede brief dateert van 16 maart 2003 (dat is net na de asielaanvraag). Beide documenten gaan uit van het Parket van de Republiek Dagestan en worden in hun echtheid niet betwist. De brief van 4 februari 2003 stelt uitdrukkelijk dat verzoeker omwille van ideologische redenen wordt gezocht. Deze ‘nieuwe’ gegevens zijn meer VII-32.205 & 32.208-4/12 dan een ernstige aanwijzing van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli
  2. Zij leveren het bewijs. Het is pertinent onjuist te zeggen dat verzoeker over alle documenten zou kunnen hebben beschikt tijdens zijn eerste asielaanvraag omdat sommige bewijsstukken dateren van onmiddellijk na zijn eerste asielaanvraag. Het is ten slotte volkomen onterecht te beweren dat verzoeker geen enkel nieuw element aanbrengt met betrekking tot het feit dat hij na zijn vertrek nog gezocht wordt door de autoriteiten. Uit het schrijven van 4 februari 2003 en van 16 april 2003 blijkt onweerlegbaar dat het Parket van de Republiek Dagestan de oprichting uit ideologische redenen van een groep die hulp bood aan gewonde verzetstrijders (stuk nr. 3 verzoeker) heeft geklasseerd als strafbare feiten die deel uitmaken van een lopende procedure dewelke de advocaat van de schoonvader kan raadplegen (stuk nr. 4 verzoeker). Al het voorgaande wordt, door de Dienst Vreemdelingenzaken nochtans bevestigd in het bewijs van in ontvangstneming (stuk nr. 2 verzoeker). De motivering van de bestreden bestrijding is manifest in strijd met voornoemde eigen verklaring. En terwijl Verzoeker aan de criteria van artikel 1, A
(2)van het Internationaal Verdrag van Genève van 28 juli 1951 voldoet. De bedoelde criteria zijn: - de asielzoeker bevindt zich buiten zijn land van herkomst; - hij een gegronde vrees heeft voor vervolging omwille van politiek, ras, ethnie, nationaliteit of het behoren tot een sociale groep; - hij kon of wilde de bescherming van het land van herkomst niet inroepen omdat de overheid van dit land deze bescherming niet biedt of kan bieden. In casu (
  1. a)vroeg verzoeker asiel aan in België, (
  2. b)omdat hij slachtoffer was van persoonsgerichte vervolging waarbij hij blootstond aan gevangenzetting zonder proces en dreigende dood (zie voor de details van de feiten sub paragraaf I hierboven), (
  3. c)terwijl de overheid van het land van herkomst dit toeliet. In feite was de Russische overheid de agressor zelf. Haar houding is sinds de vlucht van verzoeker niet veranderd. Zodat de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken tot weigering in overwegingneming van de vluchtelingenverklaring van verzoeker het legaliteitsbeginsel schendt en de verplichte terugkeer Verzoeker een ernstig en onherstelbaar nadeel toebrengt doordat hij opnieuw aan de feitelijkheden sub par. II vermeld, wordt blootgesteld. Kortweg, verzoeker wordt opnieuw in zijn leven, ten minste zijn fysieke integriteit of vrijheid, bedreigd. Toelichting van het middel De administratieve rechtshandeling mag vooreerst niet strijdig zijn met de wet. Het woord ‘wet’ wordt hier in de meest algemene materiële betekenis gebruikt. Het verdragsrecht en inzonderheid de communautaire verdragen en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, behoren tot de bronnen van het Belgisch administratief recht (A. Mast, J. Dujardin, M. Van Damme, J. Vande Lanotte, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Mechelen, Kluwer, 2002, nr. 963). Artikel 62, al. 1 van de Wet van 15 december 1980 is een bijzondere toepassing van de Wet van 29 juli 1991. Artikel 2 van de Wet van 29 juli 1991 bepaalt dat de betrokken bestuurshandelingen ‘uitdrukkelijk’ moeten worden gemotiveerd. Dit impliceert dat de beslissing die ter kennis wordt medegedeeld aan de betrokkene niet enkel het dictum moet omvatten, maar tevens de redenen moet weergeven op grond waarvan de beslissing werd genomen (A. Mast, J. Dujardin, M. Van Damme, J. Vande Lanotte, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Mechelen, Kluwer, 2002, nr. 748). Artikel 3 van de wet schrijft voor dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Het vermelden van de juridische overwegingen houdt in dat in concreto op een ondubbelzinnige wijze moet verwezen worden naar de toegepaste norm of het beginsel van behoorlijk bestuur (R.v.St., Bvba Spielothek, nr. 78960 van 2 februari 1999). De feitelijke gegevens zijn de gegevens die voor de toepassing van de norm zorgen (R.v.st., Vandendoren, nr. 87008 van 3 mei 2000). De term ‘afdoende’ bevestigt de rechtspraak van de Raad van State welke van oudsher van een deugdelijke motivering vereist dat zij meer is dan een louter abstracte en vormelijke stijlformule (A. Mast, J. Dujardin, M. Van Damme, J. Vande Lanotte, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Mechelen, Kluwer, 2002, nr. 749). De VII-32.205 & 32.208-5/12 motivering moet pertinent zijn, d.w.z., duidelijk te maken hebben met de beslissing (R.v.St., Ghysels, nr. 43 259 van 9 juni 1993; Van Den Vloet, nr. 72834 van 30 maart 1998). Zij moet daarenboven draagkrachtig zijn, d.w.z., dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te schragen (R.v.St., Cools, nr. 42143 van 3 maart 1993; Bulens, nr. 43596 van 30 juni 1993; Flamand, nr. 43782 van 12 juli 1993; Keirsebilck, nr. 51142 van 16 januari 1995; Jaques, nr. 51576 van 8 februari 1995; Van Hoorneweder, nr. 52975 van 18 april 1995; Breugelmans, nr. 72835 van 30 maart 1998). Draagkrachtig betekent dat de motivering de beslissing maar zal kunnen schragen wanneer zij duidelijk, niet tegenstrijdig, juist, pertinent, concreet, precies en volledig is. Het middel is er tevens één van onbevoegdheid ratione materiae doordat de Dienst Vreemdelingenzaken haar eigen bevoegdheid negeert (A. Vranckx, Administratieve rechtshandelingen, Adm. Lex., 1961, nr. 79; R.v.St., Audenaert, nr. 314 van 3 april 1950; BELGISCHE STAAT, nr. 9828 van 22 januari 1963, met noot O. De Leye, T.B.P., 394-395; Baron Fredericq, nr. 13327 van 15 januari 1969; Sauvage, nrs. 18267 en 18268 van 12 mei 1977).”; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert als volgt: “Enig middel: ‘Afgeleid uit de schending van de wet: in het bijzonder van de artikelen 51/8, 52 en 62, al.1 van de wet van 15 december 1980 met betrekking tot de binnenkomst, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen juncto artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en artikel 1,A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951.’ Verzoeker gaat ervan uit als zou de bestreden beslissing verkeerdelijk zijn genomen op basis van artikel 58/1 van de wet van 15 december 1980 met betrekking tot de binnenkomst, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Volgens verzoeker zou de beslissing moeten zijn genomen in toepassing van artikel 52 van die wet. M.a.w. meent hij dat hem een bijlage 26 bis moest worden ter hand gesteld. De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden dat in tegenstelling tot de uiteenzetting door verzoeker gegeven, de bestreden beslissing geen enkele keer de vaststelling bevat als zouden nieuwe stukken worden neergelegd. In tegendeel wordt gesteld dat geen enkel nieuw element wordt aangebracht. De Raad van State geeft aan dat artikel 51/8 Vwet niet letterlijk moet worden geïnterpreteerd, maar naar de geest ervan: ‘Dat verzoeker in zijn verzoekschrift niet aantoont welke nieuwe elementen hij zou hebben aangebracht tijdens zijn tweede asielaanvraag; dat de bestreden beslissing is genomen in overeenstemming met de wetsbepalingen betreffende de motivering van de bestuurshandelingen, aangezien zij aldus de feitelijke en de juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat de motivering de beslissing kan dragen en bijgevolg afdoende en deugdelijk is; dat het enig middel niet gegrond is.’ ( R.v.St.nr.116.737, 6 maart 2003, NjW 2004, 596.) De uitleg die verzoeker geeft aan het gebruik van een valse identiteit ter gelegenheid van de eerste aanvraag overtuigt niet: uit het administratief dossier blijkt dat de alias identiteit werd aangewend zelfs ter opstelling van de vordering tot schorsing onder het kenmerk 143.
  1. In de procedure gericht tegen de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wendde verzoeker de identiteit voor van Rusian Djamchatov, geboren op 27 oktober
  2. Uit de bevestigende beslissing tot weigering van verblijf van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 21 oktober 2003, blijkt daarenboven dat verzoeker pas na confrontatie met de gegevens m.b.t. de in Duitsland ingediende asielaanvraag onder de naam Baychanov Salman, de valse naamdracht toegaf en documenten neerlegde die zijn ware identiteit zouden moeten aantonen. De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bestempelde de asielaanvraag van verzoeker als bedrieglijk. VII-32.205 & 32.208-6/12 De stelling als zou hij spontaan zijn ware identiteit hebben bekend gemaakt tijdens het verloop van de eerste procedure, gaat dienvolgens niet op.”; 3.1.
  3. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord nog het volgende stelt: “Verzoeker herneemt volledig het eerste en enige middel uit zijn verzoekschrift in nietigverklaring, dat integraal deel uitmaakt van onderhavige memorie van wederantwoord. Hij wenst verder te benadrukken dat ook nieuwe gegevens die het bewijs leveren van feiten aangehaald in de eerste erkenningsprocedure maar die pas na de laatste fase van die eerste procedure konden worden bekomen, leiden ertoe dat de aanvraag wel degelijk moet worden onderzocht op de ontvankelijkheid en/of gegrondheid (R.v.St. 27 november 2002, nr. 113.002). Evenzo kunnen nieuwe bewijzen die feiten ondersteunen die in de eerste asielprocedure wegens gebrek aan bewijzen door de Dienst Vreemdelingenzaken of het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen buiten beschouwing werden gelaten, een nieuwe asielaanvraag rechtvaardigen (R.v.St. 5 januari 1996, nr. 57.384). In tegenstelling tot wat verwerende partij beweerd werd de ware identiteit van verzoeker per fax op 19 mei 2003 aan haar medegedeeld nog voor dat zij een beslissing nam op 28 mei 2004 (zie aanvullende stukken ter ondersteuning van het middel nrs. 5 en 6 verzoeker). De Dienst Vreemdelingenzaken was hiervan niet onwetend: zij ontving de fax en het werd tijdens de tweede asielaanvraag nogmaals medegedeeld als stuk nr. 11 (zie het verzoekschrift dat deze aanvraag integreerde). Bijgevolg is het onjuist te zeggen dat de verklaring van verzoeker bedrieglijk is. Verzoeker heeft enkel asiel aangevraagd onder een schuilnaam en daarna zijn fout rechtgezet. Een ander stuk werd onder de werkelijke naam neergelegd. De Dienst Vreemdelingenzaken, en later het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen weigerden daaraan enig gevolg te geven. Om voormelde reden werd om verwarring te vermijden het beroep onder de naam Ruslan Djamchatov met referentienummer DVZ 5452109 (zelfde nummer in de tweede huidige procedure) ingeleid.”; 3.1.
  4. Overwegende dat uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, doch dat hij betwist dat de opgegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat verzoeker aldus in wezen een schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; Overwegende, vooreerst, dat verzoeker in zijn middel er van uitgaat dat zijn eerste asielaanvraag uitsluitend werd geweigerd omdat hij deze had ingediend onder een schuilnaam; dat, evenwel, uit het administratief dossier blijkt dat voor de verwerende partij er diverse andere motieven waren om verzoekers asielaanvraag als bedrieglijk te bestempelen, met name, in de eerste plaats, het feit dat verzoeker stelde nooit in Duitsland te zijn geweest, terwijl uit navraag bij de Duitse autoriteiten is gebleken dat hij tussen zijn vertrek uit Dagestan en aankomst in België wel degelijk in Duitsland is geweest en dat hij een eerdere asielaanvraag aldaar had verzwegen, terwijl op een kandidaat-vluchteling de verantwoordelijkheid rust om doorheen de asielprocedure de waarheid te spreken, en, in de tweede plaats, de tegenstrijdigheden en inconsistenties in de opeenvolgende verklaringen van verzoeker voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal; dat de mogelijkheid tot het indienen van een nieuwe asielaanvraag verleend krachtens de VII-32.205 & 32.208-7/12 Vreemdelingenwet, niet tot doel heeft om onwaarheden en tegenstrijdigheden in diverse verklaringen vanwege een asielaanvrager gedurende zijn vorige asielaanvraag te vergoelijken; dat dienvolgens de naar voren gebrachte documenten er niet toe kunnen leiden dat voorgaande decisieve weigeringsmotieven niet overeind blijven, zodat verzoeker geen belang heeft bij zijn middel; dat dit des te meer klemt nu uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de desbetreffende documenten reeds dateren van respectievelijk 4 februari 2003 en 16 april 2003, en dat over verzoekers eerste asielaanvraag die dateert van 10 april 2003, datum waarop hij België binnenkwam, door de Minister van Binnenlandse Zaken en door de Commissaris-generaal pas werd beslist op respectievelijk 28 mei 2003 en 21 oktober 2003; dat het louter vermelden dat verzoeker deze stukken via zijn schoonvader pas op 28 januari 2004 en 16 februari 2004 zou hebben ontvangen, nog geen aannemelijke verklaring inhoudt waarom hij deze stukken niet vroeger had kunnen opvragen teneinde ze in de eerste asielprocedure te kunnen aanbrengen; dat, blijkbaar, pas nadat over de eerste asielaanvraag door de bevoegde overheden een voor verzoeker negatieve beslissing werd genomen, verzoeker bij een tweede asielaanvraag komt aandraven met stukken die meer dan één jaar oud zijn; 3.
  5. Het beroep van XXX. 3.2.
  6. Overwegende dat verzoekster zich als volgt aansluit bij het door haar echtgenoot ontwikkelde enige middel: “Doordat de bestreden beslissing volledig steunt op de beslissing in zake de echtgenoot van verzoekster en haar lot onafscheidelijk verbonden is aan de beslissing aangaande haar echtgenoot wordt het middel hier hernomen. (...)”; 3.2.
  7. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert: “Verzoekster beroept zich in haar enig middel op een vermeende schending van ‘de artikelen 51/8, 52 en 62, al. 1 van de wet van 15 december 1980 met betrekking tot de binnenkomst, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen juncto artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en artikel 1,A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28juli 1951'. Verzoeksters enig middel kan worden onderverdeeld in volgende onderdelen. ! Betreffende de vermeende schending van de artt. 51/8 en 52 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 en het art. 1 van de Vluchtelingenconventie. Ter ondersteuning voert de verzoekende partij kennelijk aan dat de in casu bestreden beslissing ten onrechte werd genomen in toepassing van het art. 51/8 en verwijst zij: - naar de documenten die in het kader van de tweede asielaanvraag (van haar echtgenoot) werden neergelegd, - de afgelegde verklaringen omtrent het gebruik van een schuilnaam. Verzoekster is kennelijk de mening toegedaan dat ten haren opzichte een beslissing diende te worden genomen in toepassing van het art. 52 van de Vreemdelingenwet dd. VII-32.205 & 32.208-8/12 15.12.1980, nu ‘nieuwe elementen’ werden neergelegd. M.a.w. meent zij dat haar een bijlage 26 bis moest worden ter hand gesteld. De verwerende partij laat dienaangaande gelden dat terecht in toepassing van het art. 51/8 van de Vreemdelingenwet t.a.v. verzoekster werd beslist om haar tweede asielaanvraag niet in overweging te nemen nu, zoals wordt vermeld in de in casu bestreden beslissing, geen enkel nieuw element werd aangebracht met betrekking tot feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase van de vorige asielprocedure waarin zij die had kunnen voorleggen. Immers, het art. 51/8 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 voorziet uitdrukkelijk dat een tweede asielaanvraag moet steunen ‘op nieuwe elementen, welke betrekking hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen’, alsook dat ‘de Minister of diens gemachtigde kan beslissen de verklaring niet in aanmerking te nemen wanneer de vreemdeling voorheen reeds dezelfde verklaring heeft afgelegd (...) en hij geen nieuwe gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging’ in de zin van de Vluchtelingenconventie dd. 28.07.
  1. Door verzoekster werden geen nieuwe elementen in de zin van het art. 51/8 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 aangebracht. Zo verklaarde verzoekster in het kader van haar tweede asielaanvraag zelf dat zij geen nieuwe elementen wenste toe te voegen en zij alles had gezegd tijdens het eerste verhoor, afgelegd in het kader van haar eerste asielaanvraag (stuk 49 van het administratief dossier, pag. 13). Terwijl ook het gegeven dat verzoekster in het kader van haar tweede asielaanvraag gebruik maakte van haar ware identiteit niet kan worden aanzien als een nieuw element in de zin van het art. 51/8 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980, nu zij haar ware identiteit uiteraard ook in het kader van haar eerste asielaanvraag kenbaar kon maken. In zoverre de verzoekende partij desbetreffend verwijst naar de documenten die door verzoeksters echtgenoot werden aangebracht ter ondersteuning van diens tweede asielaanvraag, merkt de verwerende partij op dat, zoals wordt vermeld in de beslissing die ten zijnen aanzien werd genomen (stuk 52 van het administratief dossier), betrokkene in de mogelijkheid was deze documenten naar voor te brengen in de vorige asielprocedure. Verzoeksters beschouwingen kunnen aan het voorgaande geen afbreuk doen. De verwerende partij is dan ook van oordeel dat de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken bij het nemen van de beslissing dd. 13.05.2004, geheel handelde binnen de hem krachtens art. 51/8 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen verleende bevoegdheid, en er aldus geen sprake is van een artikel 1 A van de Conventie van Genève en van de artt. 51/8 en 52 van de vreemdelingenwet dd. 15.12.
  2. Verzoeksters eerste onderdeel van het enig middel kan niet worden aangenomen. ! Betreffende de vermeende schending van ‘62, al. 1 van de wet van 15 december 1980 met betrekking tot de binnenkomst, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen juncto artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’. Desbetreffend laat de verwerende partij gelden vooreerst dat verzoeksters kritiek feitelijke grondslag mist nu de door haar aangehaalde zinsneden geenszins zijn vervat in casu bestreden beslissing. Vervolgens laat de verwerende partij gelden dat de formele motiveringsplicht, vervat in de wetsartikelen waarvan verzoekster de schending aanvoert, geen ander doel heeft dan het in kennis stellen van de bestuurde van de redenen die ten grondslag liggen aan de te zijnen of te haren opzichte genomen bestuursbeslissing, zodanig dat deze in staat is om te oordelen of het zinvol is om daartegen op te komen met de ter beschikking staande rechtsmiddelen (R.v.St. nr. 60.751, 4.7.1996, T.B.P. 1996, 698). De naleving van de genoemde plicht houdt daarentegen geen verband met de inhoudelijke juridische of feitelijke correctheid van de tot uitdrukking gebrachte motieven (cf. wat inhoudelijke juridische correctheid betreft, naar analogie, Cass., 10.1.1979, Arr. Cass. 1978-79, 522; alsook wat feitelijke correctheid betreft: R.v.St. nr. 44.948, 18.11.1993, Arr. R. v. St. 1993, z.p.; Antwerpen, 16.6.1998, F.J.F. 1998, 693). VII-32.205 & 32.208-9/12 Waar verzoekster klaarblijkelijk het tegenovergestelde aanneemt, nu in het inleidend verzoekschrift wordt gesteld dat ‘het pertinent onjuist is te zeggen...’ is haar toelichting niet afgestemd op de rechtsregels waarvan zij de schending opwerpt, zodat dit onderdeel van het enig middel in rechte faalt. De door verzoekster als gebrekkig gemotiveerd bestempelde overwegingen die, (tezamen met de vermelding van de toepasselijke wetsbepaling) de motivering van de bestreden beslissing uitmaken, volstaan om de bestreden beslissing ten genoege van recht met motieven te onderbouwen. De overwegingen laten verzoekster toe om te achterhalen om welke redenen de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken besliste haar tweede asielaanvraag niet in overweging te nemen, zodat het doel is bereikt dat met het bestaan van de betrokken formele motiveringsverplichting wordt beoogd. Immers, nu zij o.b.v. de in de bestreden beslissing opgenomen overwegingen weet dat door geen enkel nieuw element werd aangebracht met betrekking tot feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase van de vorige asielprocedure waarin zij die had kunnen voorleggen, en dat dit aan de basis ligt van de in casu bestreden beslissing, moet verzoekster worden geacht voldoende te zijn ingelicht om zich te kunnen realiseren dat zij tegen de te haren opzichte genomen beslissing kan opkomen door aan te tonen dat de daarin tot uitdrukking gebrachte motieven juridisch niet opgaan. De overweging vervat in de in casu bestreden beslissing volstaan opdat zou zijn voldaan aan de door de verzoekende partij geschonden geachte formele motiveringsplicht. Verzoeksters beschouwingen kunnen aan het voorgaand geen afbreuk doen. Ten overvloede, en in antwoord op verzoeksters concrete kritiek aangaande het gebruik van een schuilnaam door haar en haar echtgenoot, laat de verwerende partij nog gelden dat betrokkene en haar echtgenoot niet ernstig kan poneren dat zij spontaan hun ware identiteit kenbaar hebben gemaakt. Immers, uit de overwegingen vervat in de beslissing dd. 21.10.2003 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, genomen in het kader van de eerste asielaanvraag, blijkt afdoende dat betrokkenen slechts na confrontatie met informatie uit Duitsland, alwaar onder een andere identiteit werd verbleven, toegaven dat zij gebruik hadden gemaakt van een valse identiteit. Gelet op het voorgaande is de verwerende partij de mening toegedaan dat verzoeksters tweede onderdeel van haar enig middel niet kan worden aangenomen.”; 3.2.
  3. Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord nog het volgende stelt: “Verzoekster herneemt volledig het eerste en enige middel uit haar verzoekschrift in nietigverklaring, dat integraal deel uitmaakt van onderhavige memorie van wederantwoord. Zij wenst verder te benadrukken dat ook nieuwe gegevens die het bewijs leveren van feiten aangehaald in de eerste erkenningsprocedure maar die pas na de laatste fase van die eerste procedure konden worden bekomen, leiden ertoe dat de aanvraag wel degelijk moet worden onderzocht op de ontvankelijkheid en/of gegrondheid (R.v,St. 27 november 2002, nr. 113.002). Evenzo kunnen nieuwe bewijzen die feiten ondersteunen die in de eerste asielprocedure wegens gebrek aan bewijzen door de Dienst Vreemdelingenzaken of het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen buiten beschouwing werden gelaten, een nieuwe asielaanvraag rechtvaardigen (R.v.St. 5januari 1996, nr. 57.384). In tegenstelling tot wat verwerende partij beweert, werd de ware identiteit van verzoeker per fax op 19 mei 2003 aan haar medegedeeld nog voor dat zij een beslissing nam op 28 mei 2004 (zie aanvullende stukken ter ondersteuning van het middel nrs. 5 en 6 verzoeker). De Dienst Vreemdelingenzaken was hiervan niet onwetend: zij ontving de fax en het werd tijdens de tweede asielaanvraag nogmaals medegedeeld als stuk nr. 11 (zie het verzoekschrift dat deze aanvraag integreerde). VII-32.205 & 32.208-10/12 Bijgevolg is het onjuist te zeggen dat de verklaring van verzoekster bedrieglijk is. Verzoekster heeft enkel asiel aangevraagd onder een schuilnaam en daarna zijn fout rechtgezet. Een ander stuk werd onder de werkelijke naam neergelegd. De Dienst Vreemdelingenzaken, en later het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen weigerden daaraan enig gevolg te geven. Om voormelde reden werd om verwarring te vermijden het beroep onder de naam Ruslan Djamchatov met referentienummer DVZ 5452109 (zelfde nummer in de tweede huidige procedure) ingeleid.”; 3.2.
  4. Overwegende dat de beslissing die ten aanzien van verzoekster werd genomen verbonden is met de beslissing tot weigering tot in overwegingname van de vluchtelingenverklaring van haar echtgenoot; dat de verwerping van het beroep van haar echtgenoot, de heer XXX, meebrengt dat ook het beroep van verzoekster moet worden afgewezen, BESLUIT: Artikel
  5. De zaken A. 151.888/VII-32.205 en A. 151.900/VII-32.208 worden gevoegd. Artikel
  6. De beroepen tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  7. De kosten van de beroepen, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien december tweeduizend en vijf, door Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. VII-32.205 & 32.208-11/12 De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-32.205 & 32.208-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.608 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.