id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.639 Rolnummer: A. 168499/XIV-24232 Zaak: Arrest 152639 - - 13/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-15 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 06:35 Fiche Arrest nr 152.639 van 13 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.639 van 13 december 2005 in de zaak A. 168.499/XIV-24.
- In zake : XXX, alias XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. STEVERLYNCK, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, alias XXX, geboren op 9 augustus 1969 en van Mongoolse nationaliteit, op 10 december 2005 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 8 december 2005, aan de verzoekende partij op dezelfde datum ter kennis gebracht; Gelet op de beschikking van 12 december 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 12 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op dinsdag 13 december 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. STEVERLYNCK, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-24.232-1/5 Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 1.
- Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, blijkt dat de bestreden beslissing dateert van 8 december 2005 en op dezelfde datum ter kennis van verzoekster werd gebracht; dat verzoekster haar verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid op 10 december 2005 om 15.33 uur indient bij de Raad van State, zodat zij alert en diligent heeft gehandeld, vermits de eventuele tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing is voorzien op woensdag 14 december 2005; dat bijgevolg is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voormeld artikel 17, § § 1 en 2; 1.
- Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, verzoeker een enig middel afleidt uit de schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), dat volgens verzoekster uitdrukkelijk het recht op gezinshereniging waarborgt, doordat verzoekster wordt doorverwezen naar de Franse autoriteiten voor de behandeling van haar asielaanvraag, terwijl verzoekster sterke familiale banden heeft met België, daar waar zij geen enkele band heeft met Frankrijk; Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op een dubbele rechtsgrond, met name op artikel 51/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en op artikel 16, § 1, e, van de Europese Verordening (EG) nr. 343/2003; dat de bestreden beslissing overweegt dat verzoekster haar asielaanvraag in Frankrijk heeft ingediend op 3 februari 2005 en dat de Franse overheid op 21 september 2005 heeft ingestemd met de vraag tot terugname van bovengenoemde persoon; dat daaraan wordt toegevoegd dat verzoekster geen specifieke elementen heeft aangehaald waarom haar XIV-24.232-2/5 asielaanvraag in België zou moeten worden behandeld, zodat verzoekster wordt overgedra- gen aan de bevoegde Franse autoriteiten; Overwegende dat uit het ingediende verzoekschrift blijkt dat verzoekster deze rechtsgronden niet betwist, zodat zij op het eerste gezicht pertinent, draagkrachtig en afdoende zijn; dat immers uit het administratief dossier niet blijkt dat verzoekster ten gepasten tijde iets heeft gezegd over de aanwezigheid van bepaalde familieleden in België; dat bovendien deze familieleden op het eerste gezicht slechts over een tijdelijk verblijfsrecht beschikken vermits zij vooralsnog niet werden erkend als vluchteling; dat de behandeling van de asielaanvraag van verzoekster in Frankrijk, verzoekster niet belet om nog contact te hebben met haar familieleden in België en om eventueel deze familiebanden in stand te houden; Overwegende dat verzoekster in haar middel betoogt dat artikel 8 van het E.V.R.M., het recht op gezinshereniging waarborgt; dat dit op het eerste gezicht niet kan worden gelezen in dit artikel en dat voor een eventuele gezinshereniging naar Belgisch recht een ander juridisch instrumentarium bestaat; dat zowel uit het administratief dossier als uit de debatten ter zitting van 13 december 2005 is gebleken dat verzoekster heeft beslist om via Frankrijk de Europese Unie binnen te komen, zodat verzoekster op het eerste gezicht artikel 8 van het E.V.R.M. niet dienstig kan inroepen; Overwegende dat verzoekster, zoals zij terecht aanvoert in haar middel, niet valt onder de notie “gezin” zoals bepaald in artikel 10, 4/, van de Vreemdelingenwet; dat zij niet aantoont dat artikel 8 van het E.V.R.M. een veel ruimere toepassing zou geven aan de notie “gezin”, vergeleken met dat begrip, omschreven in voornoemd artikel 10, 4/; Overwegende dat een tijdelijke scheiding van de familie in brede zin op het eerste gezicht artikel 8 van het E.V.R.M. niet schendt, omdat reeds herhaaldelijk werd geoordeeld dat een eventuele toepassing van dit artikel de vreemdeling niet vrijstelt van het verkrijgen van de vereiste documenten om het Schengen-gebied binnen te komen, en dat een tijdelijke verwijdering om het motief dat de vreemdeling niet in het bezit is van die documenten, zoals in casu, op het eerste gezicht geenszins strijdig is met dit verdragsartikel (R.v.St., nr. 42.039, 22 februari 1993; R.v.St., nr. 48.653, 20 juli 1994); dat de bestreden beslissing inderdaad niet tot gevolg heeft dat verzoekster van haar familie wordt gescheiden, doch dat zij enkel tijdelijk het land dient te verlaten met de eventuele mogelijkheid om er terug te keren nadat zij zich in het bezit zal hebben gesteld van de nodige documenten voor een regelmatige binnenkomst in het Rijk; Overwegende dat het enig middel van verzoekster niet ernstig is en dat niet is voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17 § § 1 en 2; XIV-24.232-3/5 1.
- Overwegende dat, wat de derde voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, verzoekster in essentie aanvoert dat de effectieve tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel met zich zou meebrengen, daar verzoekster geen enkele band heeft met Frankrijk en volledig afgesneden zou zijn van alle familiale banden die zij voor het ogenblik in België heeft; dat verzoekster daaraan toevoegt dat wanneer zij wordt uitgewezen, zij onmogelijk de huidige procedure kan verderzetten, daar dit wegens de effectieve uitvoering zou leiden tot een gebrek aan belang; Overwegende dat verzoekster heeft beslist om de Schengen-ruimte binnen te komen via Frankrijk, zodat zij zelf aan de basis ligt van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dat zij op dit ogenblik inroept; Overwegende dat zij zich kan laten vertegenwoordigen door een Advocaat van haar keuze bij de effectieve tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing in een later stadium van de procedure; Overwegende tenslotte dat Frankrijk en België buurlanden zijn, zodat verzoekster nog regelmatig contacten kan hebben met de familie die zich in België bevindt; Overwegende dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel onbestaande is en dat niet is voldaan aan de derde cumulatieve voorwaarde van artikel 17, § § 1 en 2; Overwegende dat de ingestelde vordering op grond van de voorgaande overwegingen moet worden afgewezen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten worden voorbehouden. XIV-24.232-4/5 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien december tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. Kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-24.232-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.639 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.